Henriette Roland Holst - van der Schalk-archief
Algemene werkstaking en sociaaldemocratie
Hoofdstuk 5


V. De politieke massastaking

A. De feiten van de politieke massastaking

De arbeidersklasse lijdt evenzeer onder politieke onderdrukking als onder economische uitbuiting. Zij heeft politieke rechten nodig als de lucht tot ademen. Hetzij om zich ruimte te veroveren voor de vakstrijd, die zonder verenigings- en stakingsrecht, vrijheid van spreken en van drukpers niet gevoerd kan worden. Hetzij om de staat de weg van de sociale wetgeving op te stuwen, welke alleen in staat is de ellendigste onder de proletariërs op te heffen tot de hoogte waarop zij met de wil en de kracht tot de klassenstrijd vervuld worden.

Het enige middel waarmee het proletariaat in de hedendaagse staat rechtstreeks en voortdurend politieke invloed kan uitoefenen is het kiesrecht. Daarom is dit het belangrijkste recht, de sleutel tot alle andere rechten en vrijheden en voor het proletariaat onontbeerlijk tot zijn verder voorwaarts schrijden in de kapitalistische maatschappij.

De eis van het algemene, gelijke, geheime en directe stemrecht is dus de fundamentele politieke eis van het proletariaat. Zij wordt gesteld in alle landen waar het proletariaat tot het bewustzijn van zijn klassetoestand begint te komen en zich tegen uitbuiting en onderdrukking begint te verzetten. De idee van het algemeen kiesrecht is verbonden met de sociaaldemocratische beweging in Duitsland; de strijd om het kiesrecht scheen Lassalle het meest geschikte middel om de arbeiders wakker te maken en te organiseren; in België, Oostenrijk-Hongarije, Holland, Zweden, Rusland: overal is het de sociaaldemocratie die de arbeidersmassa’s langs velerlei wegen in de strijd voor het algemeen kiesrecht voert.

De idee van het algemeen kiesrecht is echter niet noodzakelijk met de sociaaldemocratie verbonden. Reeds voordat deze als product van de economische ontwikkeling ontstaan was, had de leuze van het algemeen kiesrecht de arbeiders reeds in één land tot gemeenschappelijke politieke actie samengevoegd: in Engeland.

De middelen, waarmee de arbeidersklasse in de loop van haast een eeuw, en in zeer verschillende fasen van de maatschappelijke ontwikkeling, de strijd voor het kiesrecht voert, zijn natuurlijk zeer verschillend. Hiertoe behoren: vergaderingen, straatbetogingen, verzoekschriften, volksstemmingen, artikelen in de pers enz. Leiden deze tot geen resultaat, dan ligt het voor de hand dat de arbeidsklasse zal pogen het haar onontbeerlijk schijnende recht, dat pas de vreedzame politieke klassenstrijd mogelijk maakt, met geweld af te dwingen. De straatbetogingen nemen een steeds dreigender revolutionair karakter aan, opstootjes en oproertjes ontstaan, en in dit stadium van de beweging wordt, voor zover het proletariaat reeds een verleden van industriële strijd achter zich heeft, de idee van de politieke werkstaking geboren.

Niet aanstonds aan de aanvang van de kapitalistische productiewijze schijnt het neerleggen van de arbeid het proletariaat de vorm van geweld die aan zijn positie in het productieproces beantwoordt. Wat de grote redenaar Mirabeau in een ogenblik van helderziendheid begreep en de heersende klassen van zijn tijd toeriep: “Past op! Breng dit volk niet in woede, want om schrikkelijk te zijn, heeft het slechts werkloos te blijven”, — dat worden de arbeiders zelf zich eerst helder bewust in de loop van een lange ontwikkeling van strijd en verzet tegen de kapitalistische maatschappij.

De idee van de politieke massastaking kan slechts ontwaken in een arbeidersbevolking, die reeds door de sociale verhoudingen op grote schaal tot de vakstrijd gedrongen werd, doch zich nog niet in het bezit bevindt van het belangrijkste politieke recht, het algemeen kiesrecht.

Het baart derhalve geen verwondering dat wij de idee van de politieke massastaking het eerst in Engeland zien opduiken. Daar had reeds in de dertiger en veertiger jaren van de negentiende eeuw de ontwikkeling van de grootindustrie tot een onafgebroken economische strijd tussen arbeiders en patroons geleid. Van politieke democratie was geen sprake. Nog ontbrak de arbeiders het eerste burgerrecht, het kiesrecht. Daar kwam onder de chartisten het plan op van een algemene stilstand van de arbeid, een ‘heilige maand’, ter verovering van de volkscharta. Dat was de eerste maal dat aan het beïnvloeden van de politieke verhoudingen door het neerleggen van de arbeid gedacht werd, als proletarisch machtmiddel dat de voor de arbeidersklasse eigenaardige vorm van geweld is. Of deze zich tot de vreedzame staking bepalen zou, dan wel zo nodig ook tot andere, bij de toenmalige stand van de techniek mogelijke geweldmiddelen moest overgaan, — daaromtrent waren, zoals bekend is, de chartisten het niet met elkaar eens, daar zich onder hen zowel aanhangers van het ‘stoffelijk geweld’, als van het ‘enkel moreel geweld’ bevonden.

Nimmer werd gepoogd het plan van de ‘heilige maand’ te verwezenlijken. Hierop moet de nadruk gelegd worden, aangezien door enkele tegenstanders van de politieke staking de door de Engelse patroons in de textieldistricten uitgelokte stakingen en woelingen van 1842 als zulk een poging genoemd worden. Zo schrijft o.a. Greulich in zijn artikel voor de enquête van de Mouvement socialiste:

“De algemene werkstaking is een kinderlijke droom van slecht georganiseerde arbeiders. De Engelse arbeiders hebben van 1830 tot 1840 in deze droom geleefd en zij hebben menigmaal opmerkelijke pogingen aangewend om hem te verwezenlijken — pogingen waarbij de tegenwoordige algemene werkstaking slechts kinderspel is. Zij bezetten ganse industriële districten en brachten de arbeid in alle fabrieken en mijnen tot stilstand. Revolutionaire energie ontbrak hun niet waar zij verzet ontmoetten, zij belegerden de fabrieken en staken die in brand, zij streden dapper tegen politie en soldaten. En als de algemene werkstaking een beslissend middel geweest ware, zou de Engelse staat geen soldaten genoeg gehad hebben om haar te bedwingen.”

Maar deze poging van de Engelse arbeiders van 1842 heeft volstrekt niets gemeen met de politieke massastaking zoals de sociaaldemocratie die opvat. Dus bewijst zij ook niets tegen deze. De door Greulich bedoelde staking was, zoals Engels reeds in zijn werk over de toestand van de arbeidende klassen in Engeland betoogde, een onvoorbereide opstand waarin de arbeiders gejaagd werden door de liberale fabrikanten. Het is volkomen juist, dat de arbeiders fabrieken en mijnen stilzetten; intussen wisten zij zelf niet met welk doel. Van een algemeen doel was namelijk onder hen zelfs geen sprake.

“Sommigen”, zegt Engels, “wilden de volkscharta doorzetten, anderen, die het hiervoor nog te vroeg achtten, wilden enkel de loonstandaard van 1840 afdwingen. Was de opstand van aanvang af een bewust arbeidersoproer geweest, hij zou waarlijk geslaagd zijn. Maar deze massa’s, die door hun broodheren op straat gejaagd waren zonder het te willen, die volstrekt geen bepaalde bedoeling hadden, konden niets doen.”

Het heeft dus geen zin, de staking van 1842, zoals Greulich het doet, als argument voor de nutteloosheid van de politieke massastaking uit te spelen. Ook Bernstein heeft dit reeds in 1894 in de Neue Zeit (XIII, 1, bl. 690 en vlgg.) aangetoond. Voor de politieke staking, zoals de meerderheid van de sociaaldemocratie haar onder zekere omstandigheden doelmatig acht, ontbraken de Engelse arbeiders toenmaals enige voorname voorwaarden: ontwikkeld klassenbewustzijn zowel als eensgezindheid tussen politieke beweging en vakbeweging.

De massa van de vakverenigingsleden stond zeer koel tegenover het chartisme en toonde zelfs voor de offers van de politieke klassenstrijd een verbazingwekkende onverschilligheid. Het chartisme zijnerzijds had geen belangstelling voor de vakbeweging. Het owense socialisme wederom verwachtte van de politieke arbeidersbeweging, van het chartisme, slechts nadeel voor de arbeiderszaak. Het bracht immers onwil en tegenzin onder de bezittende klassen, die Owen voor het socialisme hoopte te winnen. De vakbeweging echter werd door dit utopische socialisme beschouwd noch als een noodzakelijk strijdmiddel van de arbeiders tegen de verarming die hen uit het kapitalisme bedreigde, noch als de school van de klassenstrijd, doch slechts als een embryonaal orgaan van de toekomstige voortbrengingswijze.

Vakbeweging, politieke arbeidersbeweging en socialisme waren dus in Engeland tussen de jaren 1840-50 nog gescheiden en stonden zelfs vijandig tegenover elkaar. De Engelse arbeiders ontbrak nog het heldere inzicht in de maatschappelijke verhoudingen, dat alleen tot het eensgezind voelen, denken en handelen leidt.

Dit maatschappelijk inzicht, dit eensgezind denken bezitten thans, ook in landen waar het schoolonderricht uiterst gebrekkig is, zoals in België en Italië, de arbeiders in veel hogere mate dan destijds in Engeland. Ook bij het Russische stedelijke proletariaat is dit onlangs aan licht gekomen. Deze vooruitgang is de vrucht van de sociaaldemocratische propaganda. Overal waar in de laatste tientallen jaren een industrieel proletariaat opkwam, hebben de grondgedachten van het modern wetenschappelijk socialisme er haast sedert de wieg op ingewerkt en zijn denken en handelen beïnvloed. Daarbij komt de invloed van de internationale solidariteit. De kennis van de strijd van het proletariaat in de vroegst ontwikkelde landen en de daaruit geputte ervaringen maken het mogelijk dat de arbeiders van de landen waar het kapitalisme later opkwam veel sneller tot het bewustzijn van hun klassen toestand komen, dan zonder die kennis het geval zou zijn.

Is in Engeland de idee van de politieke massastaking het eerst opgedoken, het geboorteland van de eerste poging tot verwezenlijking is België. Het Engeland van 1840 en het België van 1880 hadden de industriële ontwikkeling zowel als de politieke rechteloosheid van het proletariaat gemeen. Ook in België kwam het denkbeeld om langs de weg van de neerlegging van de arbeid voor het fundamentele politieke recht, het kiesrecht, te strijden, eerst ernstig op nadat de arbeiders de maatschappelijke en politieke uitwerking van de massastaking uit eigen ervaring hadden leren kennen. De spontane massastaking van 1886 in de mijnbouw en in de glasindustrie, die van de bourgeoisie enige dagen lang groeten schrik inboezemde, werd voor de latere ontwikkeling van de Belgische arbeidersbeweging van grote betekenis. Toen de socialistische invloed toenam en de leuze van het algemeen kiesrecht bij de massa begon in te slaan, werd, zo de gewone middelen van propaganda te zwak zouden blijken, de politieke staking als dwangmiddel tot verovering van het algemeen kiesrecht door de Belgische arbeiders als vanzelfsprekend beschouwd.

Eer wij de tegen de politieke massastaking geopperde bezwaren en de voorwaarden tot haar welslagen onderzoeken, willen wij de ervaringen omtrent haar praktijk verzamelen. De internationale arbeidersbeweging heeft reeds een gehele reeks, naar doel en uitvoering uiterst verscheidene, door betrekkelijk succes bekroonde zowel als geheel mislukte pogingen van politieke staking aan te wijzen. Bij de kenschetsing van deze pogingen houden wij ons ten opzichte van de beide Belgische stakingen en van de Zweedse staking aan het rapport, dat het bestuur der Hollandse sociaaldemocratie in opdracht van het internationaal bureau publiceerde. Onze beschrijving van de Italiaanse stakingen steunt op de verslagen van de Italiaanse, Duitse en Franse partijpers.

“Onze Belgische kameraden”, zo luidt het rapport van de Hollandse sociaaldemocratie, “hebben ten opzichte van de politieke werkstaking de rijkste ervaring.” Tweemaal maakten zij van dit strijdmiddel gebruik; de eerste maal behaalden zij een betrekkelijk belangrijk succes; de tweede maal leden zij de nederlaag. De Belgische werkstaking van 1893 tot verovering van het algemeen kiesrecht was de eerste in haar soort. Zij werd voorafgegaan door een jarenlange, voortdurend gevoerde propaganda. De vakorganisatie was in 1893 onder de Belgische arbeiders nog zeer zwak en ook de politieke partijvorming liet nog veel te wensen over; maar door de lange veldtocht voor het algemeen kiesrecht hadden de arbeiders twee dingen geleerd: vooreerst, al hun krachten op één punt samen te trekken, het algemeen kiesrecht als het voornaamste doel te beschouwen, waarvoor alles op het spel gezet moest worden; ten tweede, de politieke leiding van de sociaaldemocratie te vertrouwen en te volgen. Niet alleen was in de massa het klassenbewustzijn ontwaakt, het was ook in een politieke eis tot concrete uitdrukking gekomen.

Toen de Algemene Raad van de Partij het parool tot werkstaking uitgaf, volgde in de grote steden en industriële centra de massa van de arbeiders onmiddellijk die opdracht. Deze politieke geschooldheid, een vrucht van jarenlange strijd, is naar onze overtuiging een van de oorzaken die aan de staking van 1893 succes brachten.

Een tweede hoofdoorzaak was het onverwacht uitbreken van de staking en de schrik die zij dientengevolge onder de bourgeoisie verbreidde. Voor de eerste maal in de geschiedenis richtten de arbeiders het wapen van de werkstaking tegen de staat. Elke nieuwe uiting van kracht en strijdvaardigheid hunnerzijds verschrikt de bourgeoisie des te meer, naarmate zij haar minder verwachtte. Een ogenblik meent zij dat haar einde gekomen is. Zo ging het in de meeste landen bij de eerste meibetoging in 1890, zo ging het in België ook in 1893.

De vrees voor de revolutie, waarvan zij in de werkstaking een voorspel zag, de vrees voor de opmars van tienduizenden mijnwerkers naar Brussel, bracht de bourgeoisie een ogenblik in verwarring en verlamde haar wil. Zij verweerde zich wel met haar gewone geweldmiddelen, politie en soldaten, maar haar verweer was onzeker en aarzelend. Liever dan zich aan het gevaar van een in haar ogen dreigende revolutie bloot te stellen, deed zij concessies en gaf gedeeltelijk toe.

Een compromis dus, een halve overwinning van het proletariaat — de invoering van het wel algemene, maar ongelijke kiesrecht — was het resultaat van de eerste politieke werkstaking. Ongetwijfeld was dit resultaat geschikt om het krachtsbewustzijn van het proletariaat in hoge mate op te wekken.

De staking van 1902 echter dwong van de Belgische bourgeoisie niet de gerinste concessie af. Zij was — men lette wel — veel omvangrijker dan die van 1893; driehonderdduizend arbeiders namen er aan deel; organisatie en geschooldheid waren toegenomen; de algemene geestdrift was zeker niet minder dan in 1893. En toch was zij niet in staat de aaneengesloten meerderheid in het parlement of ook de reactionaire partijen daarbuiten in het allerminst het spoor bijster te doen worden. De scherpzinnigste theoretici van de sociaaldemocratie hebben als oorzaak van de mislukking het parlementaire bondgenootschap met de liberalen aangeduid, dat de revolutionaire beweging van het proletariaat verlamde. Wij willen hierop niet verder ingaan en niet onderzoeken in hoeverre een verkeerde tactiek de nederlaag bracht. Een herhaling daarvan zou natuurlijk in de toekomst licht te vermijden zijn. Duidelijk echter was, dat de burgerklasse, nu zij de politieke staking kende, niet meer bij haar nadering de vlucht nam, maar zich met alle onderdrukkingsmiddelen waarover de kapitalistische staat vervoegt, teweerstelde. En dat zonder angst, en in het bewustzijn dat deze onderdrukkingsmiddelen bij de tegenwoordige machtsverhoudingen tussen de klassen wel in staat zijn, aan het uithoudingsvermogen van het proletariaat in de politieke werkstaking weerstand te bieden.

Wat echter de tweede Belgische staking voor het internationale proletariaat zo uiterst belangrijk maakt, is de wijze waarop de Belgische arbeiders de terugtocht volvoerden. Het gelukte hun, de verloren staking op het juiste ogenblik af te breken en de beweging in de beste orde op te heffen. Zij volbrachten, wat aan overwonnen legers steeds als een grote eer aangerekend wordt: zich na de nederlaag in volkomen discipline terug te trekken. Het voorbeeld dat zij gaven bewijst welke eigenschappen en krachten bewustzijn en strijdlust bij het proletariaat kweken. Dit is voldoende om de opvatting te vernietigen, alsof elke nederlaag bij een politieke staking op een ramp behoeft uit te lopen. De Belgische staking van 1902 heeft bewezen, dat dit evenmin bij deze strijdvorm het geval behoeft te zijn, als bij de gewone economische staking, en dat de gevaren, die onvermijdelijk verbonden zijn aan een staking die zich tegen een zo machtige vijand als de moderne staat richt, door eenheid in leiding en optreden zeer verminderd kunnen worden.

Ook de Belgische beweging kostte aan het proletariaat offers en de treurige gebeurtenissen van Brussel en Leuven, waar bij een betoging zes arbeiders door burgerlijke nationale gardes gedood werden, leven nog in aller herinnering. Maar de eenheid van leiding en massabeweging, de eensgezindheid waarmee de arbeid neergelegd en weer opgevat werd, behoedde de Belgische arbeiders voor de ontzenuwende gevolgen van een nederlaag, voor het demoraliserend schouwspel de strijders van gisteren, van hun brood beroofd, als paria’s verdreven, aan ellende overgeleverd te zien. Vergeldingsmaatregelen van de zijde van de patroons kwamen zo goed als in het geheel niet voor. De organisaties bleven onverzwakt, en de verkiezingen, die onder de rechtstreekse indruk van de gebeurtenissen en een sterke antisocialistische reactie bij de door de klerikale propaganda sterk beïnvloede middenklassen gehouden werden, brachten wel hier en daar een kleine achteruitgang, maar over het ganse land toch een aanwas van 16.000 stemmen. Wel verslapte een tijdlang de beweging voor het algemeen kiesrecht, maar het is nog de vraag, of dit alleen aan de mislukte staking toe te schrijven is, en of niet ook zonder deze de parlementaire nederlaag, d.w.z. de verwerping van het socialistisch-liberale voorstel tot grondwetsherziening in de Kamer, tot een tijdelijke verslapping geleid zou hebben. Dit is toch ook zonder staking in Oostenrijk en Holland het geval geweest. En zoals Victor Adler onlangs zeer terecht opmerkte, is zulk een verslapping volkomen natuurlijk, daar men onmogelijk een beweging jarenlang onafgebroken op het kookpunt kan houden.

Wij gaan nu tot de Zweedse staking over en willen de aandacht vestigen op de voornaamste verschillen tussen deze en de beide Belgische. Vooreerst was zij uitdrukkelijk als betoging en niet als dwangmiddel aangekondigd. De Zweedse arbeiders wilden op deze wijze tonen, dat zij ten gunste van het algemeen kiesrecht afstand deden van hun loon en gedurende de gewichtige dagen van de behandeling van de kiesrechtvoorstellen in het parlement hun ganse belangstelling op de grote politieke beslissing samentrokken. Dit uitdrukkelijk uitgesproken doel van de staking had natuurlijk het voordeel dat het een directe mislukking van tevoren uitsloot.

Een tweede belangrijk punt is de van tevoren vastgestelde duur. Vooraf was reeds vastgesteld dat de staking terstond na beëindiging van de behandeling van de kiesrechtvoorstellen in het parlement opgeheven zou worden, dus slechts weinige dagen zou duren. Dit besluit ontnam aan de burgerlijke pers min of meer de gelegenheid om de staking als voorspel van de revolutie voor te stellen en de publieke opinie tegen de arbeiders op te hitsen.

Evenals de eerste Belgische eindigde ook de Zweedse staking met een halve overwinning van de volkswil, een compromis, dat in dit geval de vorm aannam van een verschuiving van de definitieve beslissing.[17] De totaal onvoldoende kiesrechtvoorstellen van de burgerlijke partijen werden verworpen, tegelijkertijd echter ook dat van de sociaaldemocratie, en de regering werd uitgenodigd binnen twee jaren een nieuw ontwerp in te dienen.

Wat de omvang betreft, stond de Zweedse staking zeker bij de Belgische niet ten achter. In Stockholm stonden niet alleen de gehele industrie en de bouwvakken stil, maar ook de arbeiders van de staatsspoorwegen en gasfabrieken, van de reinigingsdienst enz. staakten, en geen enkele burgerlijke krant kon verschijnen. Al was zij ook nog zozeer als betoging aangekondigd, toch bracht zij het economisch leven vrijwel tot stilstand en veroorzaakte aan de bevolking groot ongemak.

Ook hier was, evenals in België, het proletariaat door een jarenlange veldtocht voor het algemeen kiesrecht tot eenheid opgevoed en in politiek bewustzijn geschoold. De leiding was uitsluitend in de handen van de sociaaldemocratie; ter voorkoming van wraaknemingen van de patroons werden de vakverenigingen volkomen buiten spel gelaten en ging de oproep om te staken alleen van de sociaaldemocratie uit. Ten gevolge van deze tactiek en van de grote eenheid en discipline kostte de beweging aan de vakverenigingen zo goed als geen offers. Slechts in één grote fabriek gingen de patroons na afloop van de staking tot de uitsluiting over, deze werd echter weldra weer opgeheven.

Tenslotte willen wij nog meedelen dat naar de overtuiging van onze Zweedse partijgenoten ook hier de overwinning voor een goed deel aan het voor de bourgeoisie onverwachte uitbreken van de staking te danken is.

“Het is ons”, schrijft de afgevaardigde Hjalmar Branting, “gedeeltelijk door overrompeling gelukt en wij weten dat wij in de toekomst met veel scherper daden van wraak van de zijde van de patroons te rekenen zullen hebben. Het is dus duidelijk dat, om succes te hebben, een herhaling van de staking de bourgeoisie veel gevoeliger dan de eerste maal zou moeten treffen, hetzij door langere duur, hetzij door groter omvang of op andere wijze.”

Tot zover het rapport van het bestuur van de Hollandse sociaaldemocratie.

Wij gaan nu over tot de Hollandse werkstaking van 5 tot 10 april 1903. Haar oorzaak was, naar bekend is, de dwangwetten, die naar aanleiding van de schitterende overwinning op 2 februari van de solidariteitsstaking van het spoorwegpersoneel, door de regering ingediend werden. Spoedig na deze overwinning bleek, dat de bourgeoisie de mogelijkheid van een tweede, dergelijke overwinning nimmer zou dulden; haast onmiddellijk na het einde van de staking verschenen in de reactionaire pers artikelen, die van de regering eisten dat zij het spoorwegpersoneel het stakingsrecht ontnemen en de uitoefening daarvan aan de andere arbeiderscategorieën bemoeilijken zou. Einde februari verschenen de later ietwat verzachte wetsontwerpen, die het staken voor het spoorwegpersoneel en voor de arbeiders in openbare dienst met gevangenis tot zes jaren (later in het gewijzigd ontwerp tot vier jaren verminderd) bedreigden en voor de overige arbeiders het posten zeer bemoeilijkten. Nog voor de wetsontwerpen bekend waren, hadden de arbeiders, door de opruiende toon van de burgerlijke pers gewaarschuwd, zich ter verdediging aaneengesloten. De vakvereniging van spoorwegpersoneel had reeds vroeger de uittartingen van de burgerlijke pers beantwoord met de oproep tot haar leden, om zich op het eerste teken tot staking bereid te houden. De havenarbeiders van Amsterdam (voor wie het spoorwegpersoneel de 31ste januari tot solidariteitsstaking overgegaan was) verklaarden zich bereid hun hulp te verlenen. Van een algemene werkstaking was geen sprake, en het was een bewijs voor de zwakte van de vakbeweging, dat de zogenaamd neutrale vakverenigingen, waarvan de meeste min of meer onder anarchistische invloed stonden en over de algemene werkstaking een groot woord pleegden te voeren, thans in het bewustzijn van hun onmacht zwegen.

Het Comité van Verweer, waarin sociaaldemocraten, enkele vakverenigingsmannen en anarchisten samenwerkten, voerde de agitatie in het land met grote energie. Op een zelfde dag werden in het ganse land grote vergaderingen gehouden, die door ongeveer 50.000 arbeiders bijgewoond werden. Aan de eendrachtige en geestdriftige beweging gelukte het echter niet, de intrekking van de dwangwetten te bewerken. Evenmin had de herhaalde inspanning van de sociaaldemocratische fractie in de kamer enig succes. Troelstra poogde vergeefs de regering op de weg van verzoening en billijkheid te leiden door de verdaging van de behandeling van de strafwetten tot na het tijdstip waarop het resultaat van de eveneens door de wet te gelasten enquête over de arbeidsvoorwaarden van het spoorwegpersoneel bekend zou zijn. Minister Kuyper, de ‘sterke man’, weigerde hierop in te gaan: aan het spoorwegpersoneel moesten zijn rechten ontnomen worden, nog eer zijn grieven behoorlijk onderzocht waren. De ophitsing tot een uitbarsting van vertwijfeling paste in het plan van de regering, die begerig was haar kracht en vastberadenheid in de verdediging van de kapitalistische belangen te tonen en haar militaire en andere maatregelen zeer goed voorbereid had. Ook hoopte zij dat de staking de sociaaldemocratie zowel als de onafhankelijke vakverenigingen voor lange jaren krachteloos maken zou.

Einde maart verschenen de gewijzigde wetsontwerpen. De liberalen, die tot dusver een schijnoppositie gevoerd hadden, zwichtten en hun ganse pers hief een loflied aan op de wijsheid en gematigdheid van de klerikale regering, die zo verstandig geweest was aan de raad van de liberale partij gehoor te geven. Alle burgerlijke partijen maakten gesloten front tegen de arbeiders. Toen de Kamer de 1ste april bijeenkwam, vernam zij, dat in strijd met de bepalingen van het reglement van orde de dwangwetten reeds de volgende dag in openbare behandeling zouden komen.

De 2e april hielden de politieke organisaties en vakverenigingen, die zich bij het Comité van Verweer hadden aangesloten, wederom een vergadering. De arbeiders stonden nu voor een onmiddellijk gevaar, de tijd van kalm overleg was voorbij, de behandeling van de wetten was die dag reeds begonnen en binnen weinige dagen zou alles beslist zijn. De arbeiders moesten nu hetzij zich er in schikken dat de strijd tot het parlement beperkt en door de sociaaldemocratische afgevaardigden gevoerd werd, hetzij buiten het parlement de weg van de staking inslaan. In beide gevallen was de nederlaag zeker; de gevolgen van een nederlaag buiten de kamer zouden echter ongetwijfeld van geheel andere aard zijn dan die van een enkel parlementaire nederlaag.

Eerst in deze vergadering van verenigingsbesturen werd, toen de arbeiders de strik reeds om de hals voelden, het definitieve besluit tot staken genomen. Vergeefs waarschuwde onze partijgenoot Oudegeest, voorzitter van de vereniging van spoorwegpersoneel, met ernstige woorden tegen de strijd. In de twee maanden die sedert de bovengemelde oproep aan het spoorwegpersoneel verstreken waren, was er veel veranderd. De spoorwegmaatschappijen hadden hun maatregelen getroffen, ‘ordebonden’, d.w.z. verenigingen van onderkruipers, opgericht of begunstigd, en door te speculeren op persoonlijk voordeel, door dreigementen enz. de besluitelozen, zwakken en wankelmoedigen van de vakvereniging losgemaakt. Wel omvatte deze naar het uiterlijk nog een groot aantal leden, maar inwendig was zij zeer verzwakt en haar strijdlust was aanmerkelijk afgenomen. De christelijke vakverenigingen echter hadden zich met waarlijk hondse aanhankelijkheid aan hun regerende geloofsgenoten voor de dwangwetten verklaard en werkten hun met alle macht in de hand. Het leger stond in het ganse land gereed om alle stations, rangeerterreinen en spoorwegovergangen te bezetten en elke aanraking tussen stakers en niet-stakers zo goed als onmogelijk te maken.

Maar de geest van verzet was door het brutale optreden van de regering in de arbeiders tot het uiterste opgevoerd: de vergadering luisterde niet naar Oudegeests waarschuwingen, doch enkel naar de beschouwingen van die leden van het Comité, die de stand van zaken gunstiger beoordeelden en de raad gaven tot staken over te gaan. Tot de staking in de transportbedrijven (spoorwegpersoneel en havenarbeiders) werd besloten. Door de anarchistische elementen werd verklaard dat de staking geen manifestatie doch pressie bedoelde: intrekking of verwerping van de wetten zou haar oogmerk zijn. Omtrent de duur van de staking werd niets bepaald, evenmin een dag van aanvang genoemd: stilzwijgend gold als zodanig de 5e april. Het besluit zou geheim blijven, in de nacht van 4 op 5 april bleek echter dat de autoriteiten gewaarschuwd waren.

Reeds de eerste dag van de staking bleek dat de geest onder het spoorwegpersoneel een andere was dan de 31ste januari. Zelfs Amsterdam, dat ieder bijzonder betrouwbaar geacht had, leverde een groot aantal onderkruipers. Het verkeer werd bemoeilijkt, maar niet als toen opgeheven. En het feit dat uit Amsterdam steeds weer treinen naar verschillende richtingen vertrokken ontmoedigde de arbeiders op andere stations, waar, zoals in Haarlem, de Haag, Rotterdam, Utrecht, de staking tamelijk algemeen was uitgebroken. De tweede dag breidde de staking zich enigszins uit, in het Noorden en Oosten stond de zaak tamelijk goed. In het katholieke Zuiden daarentegen werd slechts op enige weinige plaatsen korte tijd gestaakt. Van een algemene spoorwegstaking was geen sprake. De spoorwegmaatschappijen stuurden de stakers aanstonds de eerste dag de aankondiging van hun ontslag thuis, tenzij zij zich binnen een bepaalde termijn weer voor de arbeid aanmeldden; dit had in vele plaatsen grote ontmoediging ten gevolge, vooral onder de vrouwen. De staking van de Amsterdamse havenarbeiders werd door de patroons terstond beantwoord met een algemene uitsluiting van alle bij het havenbedrijf betrokken arbeiders (ongeveer 4000), die zij nog verscheiden weken na het einde van de politieke staking volhielden en waarmee zij aan de organisatie van deze arbeiders een slag toebrachten, welke zij thans nog niet te boven gekomen is. In Rotterdam nam de havenarbeidersstaking, zo zij ook al niet algemeen was, toch onverhoopt grote afmetingen aan. Voor de eerste maal werden deze arbeiders verblijdenderwijze in een algemene beweging betrokken.

De 8ste april was de behandeling van de wetten in de Kamer haast ten einde, de discussie werd uitsluitend door de sociaaldemocraten gevoerd; tot obstructie konden zij echter niet overgaan, aangezien de staking daartoe te zwak stond. Onder deze omstandigheden kondigde het Comité van Verweer, om de spoorwegmannen te hulp te komen en hun zwakte te verbergen, de 8ste april in de namiddag, de algemene werkstaking voor alle bedrijven af. Dit was natuurlijk de laatste noodkreet. Te Amsterdam werd er aan gehoor gegeven door de 8000 diamantbewerkers (zoals bekend is, de best georganiseerde arbeiderscategorie) en door het merendeel van de bouwvakarbeiders. De poging tot staking van de bakkers en letterzetters mislukte. Van de gemeentewerklieden legden enige groepen (verlichting en reiniging) het werk neer, dat gedeeltelijk door militairen overgenomen werd. Buiten Amsterdam werd hier en daar in de grotere steden in enkele bedrijven (bouwbedrijf, metaalbewerking, drukkersbedrijven) geheel of gedeeltelijk gestaakt. Alles bijeen omvatte de staking over het gehele land 50- 60.000 arbeiders, waarvan ongeveer 30.000 in Amsterdam.

Zonder twijfel zou de staking bij langere duur in een aantal bedrijven zich nog uitgebreid hebben. Maar de 9e april werd in de namiddag de wet door de Tweede Kamer reeds aangenomen en daarmee was elk verder staken, zij het als middel van verzet of protest, nutteloos geworden. Daarbij stond het met de strijdlust van de spoorwegmannen zeer slecht en elke verdere dag staken moest dit meer aan het licht brengen en hun nederlaag verergeren. Onder deze omstandigheden besloot het Comité in de nacht van 9 op 10 april, de staking op te heffen. Dit werd de volgende morgen bekend gemaakt en hoewel het hier en daar niet zonder moeilijkheden ging, waren toch binnen enkele dagen alle stakingen, die met de algemene beweging samenhingen, beëindigd. In de nacht van 10 op 11 april hield het Comité van Verweer met de besturen van de verenigingen nogmaals een vergadering, om van de plotselinge opheffing van de staking rekenschap af te leggen. Daar werd van anarchistische kant de ergerlijke beschuldiging geuit dat de sociaaldemocratie de beweging verraden had en na een discussie die twee volle nachten duurde en vele betreurenswaardige ogenblikken opleverde, werd uit de belangrijkste vakverenigingen een commissie benoemd, ten einde dit ‘verraad’ nader te onderzoeken. Natuurlijk kon deze commissie, die in meerderheid uit enkel vakverenigingsmannen en tegenstanders van de sociaaldemocratie bestond, geen spoor van het beweerde verraad ontdekken.

Zo eindigde de met zo grote geestdrift aangevangen beweging in een nederlaag, wier gevolgen door verwarring en tweedracht zeer verergerd werden. De kapitalisten, die deze arbeiders, voor wie zij kort tevoren gesidderd hadden, thans verdeeld en weerloos zagen, oefenden vreselijke wraak. Zij voelden zich aangemoedigd door de houding van de regering, die de stakers ‘misdadigers’ noemde, en door de wraakgierige stemming van haast de gehele bourgeoisie. De spoorwegmaatschappijen gaven het voorbeeld: zij sloten meer dan 1500 mannen uit. De andere ondernemers bleven niet achter; het aantal slachtoffers bedroeg in het gehele land ongeveer 5000, een voorbeeldenloos hoog aantal op 50.000 stakers! Daarbij nam dit aantal slechts zeer langzaam af, daar haast alle ondernemers weigerden arbeiders, die aan de staking deelgenomen hadden, weer aan het werk te zetten. Na verloop van een jaar waren nog honderden slachtoffers over, die slechts karig ondersteund konden worden.

De spoorwegstaking mislukte volkomen. De stakers konden bij de hervatting van de arbeid geen enkele voorwaarde stellen, hun aantal was daartoe veel te gering en hun demoralisatie te groot. Hun organisatie werd haast geheel vernietigd en herstelde zich slechts langzaam en moeilijk.[18] Ook een ganse reeks andere vakverenigingen werd ernstig verzwakt; vooral in Amsterdam verloren zij duizenden leden. Een schrikbewind ving aan en de Hollandse vakbeweging heeft zich thans nog niet geheel hersteld van de slag die haar voor twee jaren toegebracht werd.

Uit het voorafgaande blijkt duidelijk waarom zowel de staking van het spoorwegpersoneel als de algemene werkstaking mislukken moest. De economische organisatie was gebrekkig, de voorbereiding en leiding onvoldoende, het politiek bewustzijn van de massa gering. En de vijand, die de staking verwachtte, had tijd gehad om al zijn maatregelen te treffen.

Niettemin was de staking een psychologische noodzakelijkheid. De ongehoorde overwinning van de spoorwegmannen op 2 februari had het hare er toe bijgedragen om het proletariaat overmoedig te stemmen en tot overschatting van zijn krachten te verleiden. De anarchisten hadden sedert jaren de algemene werkstaking gepredikt als algemeen heilmiddel in tegenstelling tot de vakverenigings- en politieke organisatie, en hun invloed op de vakverenigingen was groot. Maar de hoofdoorzaak waarom de staking als laatste verweermiddel uit vertwijfeling bij de arbeiders moest opkomen, lag in het ontbreken van het algemeen kiesrecht. Meer dan de helft van de arbeiders bezit geen stemrecht en die toestand sloot voor het proletariaat de mogelijkheid uit om langs de weg van de politiek-parlementaire strijd de regering, die aan een deel van hun het eerste, onontbeerlijke recht van de arbeider in de kapitalistische maatschappij uit de hand wilde slaan, ten val te brengen! Het klassenbewustzijn was te sterk, dan dat de arbeiders zich zonder strijd lieten ontrechten; de politieke geschooldheid was echter te zwak, dan dat zij hadden kunnen besluiten de strijd te beperken tot de agitatie in het land en de werkzaamheid van de sociaaldemocratische afgevaardigden in het parlement. Voor een groot deel van de arbeiders zou dat van gelijke betekenis zijn geweest met afstanddoen van alle strijd. Zo paste zowel de staking zelf als de wijze waarop zij gevoerd en beëindigd werd, volkomen bij de ontwikkelingsgraad van de Nederlandse arbeidersbeweging.

Het is duidelijk dat, hoewel de arbeiders bedoelden door de staking de regering te dwingen tot intrekking van de wetten, zij voor een dwangmiddel feitelijk veel te zwak was en slechts de betekenis van een protest had.

Ook een proteststaking, maar van onvergelijkelijk veel groter omvang en machtiger uitwerking dan de Hollandse, was de Italiaanse algemene werkstaking van 16 tot 20 september 1904. Zij onderscheidde zich van de Zweedse, Belgische en Hollandse staking vooral door haar geheel spontaan karakter. Van organisatie en beraamd samengaan kon geen sprake zijn, wijl zij volkomen onverwacht uitbrak. Daardoor bestond zij eigenlijk uit een aantal plaatselijke, naast en na elkaar gehouden stakingen, die enkel door de zedelijke band van dezelfde machtige verontwaardiging verbonden waren.

In de morgen van de 15e september verbreidde zich door Italië het bericht, dat in Castelluzzi wederom door carabinieri [19] op georganiseerde arbeiders geschoten was en dat twee van hen geveld waren. Deze bloedige daad was een nieuwe schakel in een reeks van moorden die door de verdedigers van de kapitalistische orde binnen weinige maanden te Berra, Candela, Giarratana en Buggerru gepleegd waren. Telkens weer had het proletariaat in openbare vergaderingen geprotesteerd en geëist dat zijn leven tegen gewelddaden beschermd zou worden. Thans werd het overweldigd door een grimmige toorn. Bliksemsnel, zonder overleg, uit de diepte van zijn medegevoel en verontwaardiging, besloot het over te gaan tot de sterkste vorm van protest die het in de kapitalistische maatschappij bezit: tot het weigeren van zijn arbeidskracht, die deze ganse maatschappij in het leven houdt.

“Twee uren nadat het blad Il Tempo het bericht uit Sicilië onder de arbeiders van Monza verbreid had, was daar tot de staking besloten. Des middags om 12 uur stonden de raderen stil: 7.000 arbeiders staakten. In de avond van dezelfde dag kondigden de leden van de Milaanse Kamer van Arbeid de algemene werkstaking af, nadat men nog een etmaal te voren dit middel van protest afgewezen had, toen het na het bloedblad van Sardinië door partijgenoot Dugoni voorgesteld was. In de morgen van de 16e september lag in Milaan alle arbeid stil. Men stelt het aantal stakers op 80.000 a 100.000.” [20]

In de nacht van 15 op 16 september stelden de in Rome aanwezige leden van het bestuur en van de kamerfractie van de sociaaldemocratische partij met de eerste politieke redacteur van de Avanti een manifest op, waarin het initiatief van de Milaanse Kamer van Arbeid toegejuicht en de organisaties aanbevolen werd de algemene werkstaking in de grootst mogelijke uitgebreidheid en intensiteit over gans Italië te bewerkstelligen.

Dit manifest kon intussen enkel voor Rome het teken tot de strijd worden, daar alle bladen die het verbreidden achtergehouden werden. De verbreiding bleek evenwel ook onnodig, want reeds greep de staking overal om zich heen. In Ligurië kwam het tot staking nog voordat het bloedbad van Castelluzzi bekend was, en wel onder de indruk van de gebeurtenissen van Sestri, waar eveneens op arbeiders geschoten was en twaalf van hun verwond waren. In Genua gingen in de morgen van 17 september het trampersoneel, de gaswerkers en de arbeiders van de elektriciteitswerken tot staking over. In de middag werd door de Kamer van Arbeid de algemene werkstaking geproclameerd en twee dagen lang stond alle economisch leven stil.

Te Rome, waar de staking in de avond van 17 september uitgesproken werd, omvatte zij eveneens, op de gaswerkers na, alle bedrijven. Ook de dagbladen moesten ophouden te verschijnen.

Dan volgden Turijn, Bologna, Livorno, Biella en honderden kleinere steden. Toen de staking hier op een eind liep, ving zij aan in Mantua, Venetië, Napels, Florence, Ravenna en andere plaatsen. De mogelijkheid tot gelijktijdige massastaking over geheel Italië ontbrak, daar de couranten hetzij niet verschenen, hetzij in beslag genomen werden en de telegraaf tot 18 september alleen ter beschikking van de regering stond. Op deze dag werd de order van de Milaanse Kamer van Arbeid, om de arbeid de 19e te hervatten, doorgelaten. De Milaanse volksvergadering echter keurde dit besluit niet goed, de arbeiders hervatten het werk eerst de 21ste september.

Ook op het platteland verbreidde zich de staking; in de louter van landbouw levende provincie Mantua verlieten 120.000 landarbeiders de velden; tot in de kleinste bergdorpen werd de uitwerking van de staking bespeurd. Het aantal stakers valt niet nauwkeurig op te geven, maar zal niet ver van het miljoen gebleven zijn.

Slechts één, doch een in het economisch raderwerk zeer belangrijke arbeidersgroep hield zich ver van de staking: in het grote koor van de solidariteit ontbrak de stem van de spoorwegmannen. Alleen in Siena en Napels namen zij aan de beweging deel. Hun afzijdigheid zal gedeeltelijk toegeschreven moeten worden aan het geheel onverwachte uitbreken van de beweging, daar een onmiddellijke mobilisatie voor deze arbeiders niet mogelijk was door de aard van hun arbeid en door de vorm van hun organisatie. Maar een nog groter rol zullen wel gespeeld hebben de bedenkingen die hoe langer hoe meer een belemmerende invloed moeten hebben op het uitbreken van een spoorwegstaking: het bewustzijn van de ontzaglijke draagwijdte van een stilstand van het verkeer, van zijn ernstige maatschappelijke gevolgen en van de grote persoonlijke gevaren die het staken voor deze arbeiders meebrengt. Een zo algemene en geweldige opwinding in de arbeiderswereld kon alleen hierdoor hen onberoerd laten, waar voor hen in veel hoger mate dan voor de arbeiders van andere bedrijven bij de staking het ganse bestaan op het spel stond.

Alles te samen genomen betoonden de massa’s gedurende de staking een hoogst verblijdende kalmte en gematigdheid. Slechts hier en daar kwam het tot enkele, in vergelijking tot zulk een reusachtige beweging zeer onbelangrijke uitspattingen, die bovendien, zoals in Genua en Napels, niet op rekening van de georganiseerde arbeiders gesteld moeten worden, maar door het grotestads-gepeupel gepleegd werden. In enige grote steden deed de regering onvoorzien sedert de eerste dag van de staking afstand van elke uitoefening van de politiefunctie, zij het uit bezorgdheid voor bloedige botsingen, of in de hoop op excessen van het lompenproletariaat, ten einde de ganse beweging te discrediteren. Daardoor stond de arbeidersbeweging onverwacht voor de nieuwe taak, om aanstonds de veiligheidsdienst te organiseren. In Milaan geschiedde dit met goed gevolg, in Genua gelukte het niet altijd de slechte elementen meester te worden.

Gaan wij thans over tot de vruchten van de werkstaking. Van positieve resultaten op wetgevend gebied of van een positieve nederlaag kon in dit geval geen sprake zijn, aangezien de staking uitsluitend betoging was. Het kwam dus hoofdzakelijk op morele uitwerkingen aan en dit maakt het begrijpelijk dat haar gevolgen zeer verschillend beoordeeld zijn. In de beoordeling van de staking is drieërlei waardering waar te nemen, al naarmate de beoordeler tot de linkerzijde, tot het centrum of tot de rechtervleugel van de sociaaldemocratie behoort. Dezelfde uitwerkingen die door de een blijde begroet werden, schenen de ander slechts schade te kunnen toebrengen aan de zaak van het proletariaat.

Voor Turati bijvoorbeeld zijn het bedroevende gevolgen van de staking, dat het de reactie terstond daarna gelukte nieuwe verkiezingen door te drijven en dat zij aan de parlementaire aaneensluiting van de sociaaldemocratie met de radicale en democratische partijen plotseling een einde maakte. Daarentegen beoordeelde Enrico Leone, toenmaals redacteur van Avanti, de toestand aldus:

“De algemene werkstaking heeft getoond, dat het proletariaat geen reden meer heeft zijn afgevaardigden in het wetgevend lichaam tijd en kracht te laten verspillen door ondersteuning van een of andere burgerlijke regering. De massa zal zelf in staat zijn zich van de ene dag op de andere rechten te veroveren. De afgevaardigden mogen zich niet laten sussen ter wille van kleine resultaten, die de vakverenigingen zonder veel moeite langs directe weg zouden bereiken, zodra zij willen.”

De staking was ongetwijfeld — en dat is ons inziens haar grote betekenis — het eerste historisch geweldige optreden van het proletariaat als revolutionaire klasse in het sociale leven van Italië. Tot dusver had het steeds de strijd gevoerd in politiek verbond met de stedelijke kleinburgerij en de kleine boeren: in de staking trad het voor de eerste maal onafhankelijk, als een de ganse kapitalistische maatschappij-inrichting bestrijdende klasse op. Door de staking leerde het de onzekere, weifelende aard kennen van zijn voormalige politieke bondgenoten, die zich ontpopten als scherpe tegenstanders van de revolutionaire actie van het proletariaat.[21]

De staking bewees hoe diep de socialistische gedachte onder de massa wortel geschoten had, hoe levendig het bewustzijn van haar gemeenschappelijke belangen en van haar historische zending in haar geworden was. Haar eerste gevolg voor het proletariaat was een versterking van zijn economische organisatie, een vermeerdering van zijn zelfbewustzijn, een betere waardering van de noodzakelijkheid van de politieke strijd. De vakverenigingen werden zich naast haar macht ook meer bewust van haar taak om niet alleen economische beroepsbelangen te dienen, maar ook draagsters en organen van de proletarische politiek te zijn. Op hun laatste congres is dit inzicht ook tot uiting gekomen. In het algemeen verhoogde de werkstaking sterk het machtsgevoel van het proletariaat, het heeft zijn onontbeerlijkheid in het voortbrengingsproces leren kennen en is vast besloten, elke ernstige aanval op zijn rechten, zowel als elke overweldiging met het uiterste verzet te beantwoorden.

Ongetwijfeld is de maatschappelijke positie van het proletariaat door de staking versterkt. Zij zal zeker tot gevolg hebben dat zij de heersende machten tot voorzichtigheid aanspoort en de overweldiging van strijdende arbeiders door de verdedigers der orde beperkt. Een proletariaat, dat met de daad getoond heeft voor geen offers terug te schrikken om zijn verontwaardiging over de schennis van zijn elementaire menselijke rechten, zijn meegevoel met de vermoorde broeders de heersende klassen duidelijk aan het verstand te brengen — zulk een proletariaat boezemt hun een geheel andere vrees en een geheel ander respect in, dan een proletariaat dat slechts in machteloze woorden aan zijn smart uiting gegeven had. De werkstaking was een vermaning tot de burgerlijke klassen, want zij toonde hun dat zij afhankelijk zijn van het proletariaat; zij was bovendien een dreigend betoog, welk lijden en verderf dit proletariaat aan de ganse maatschappij zou kunnen bereiden, wanneer de machthebbers het door aanvallen op zijn rechten of zijn leven tot de herhaling van zulk een daad van verontwaardiging zouden drijven.

Zeer verschillend in haar uitwerking op de massa waren de gevolgen van de werkstaking op het gebied van de politiek-parlementaire strijd. Zij hebben tot aanmerkelijke wijzigingen in de politieke toestand en in de verhoudingen van de partijen geleid, die de parlementaire invloed van de sociaaldemocratie niet gunstig waren.

Onder de indruk van de werkstaking verenigden zich weldra alle burgerlijke elementen tot een gemeenschappelijke socialistenjacht. Toen de reactionairen er in slaagden de ontbinding van het parlement te bewerkstelligen, vond een algemene mobilisatie tegen de sociaaldemocratie plaats. Het klerikalisme steunde openlijk zijn vroegere doodsvijand, het antiklerikale liberalisme, waar het er op aan kwam een socialist te bestrijden. Giolitti overwon, maar slechts met behulp van de zwartste reactie. De sociaaldemocratie streed alleen tegen alle burgerlijke partijen, daar zich het verbond van de volkspartijen ontbonden had, dat als een vereniging van de socialisten en de burgerlijke democratie ontstaan was onder de druk van de reactie die volgde op de mei-oproeren van 1898.

Tegenover de burgerlijke coalitie kon de sociaaldemocratie er niet in slagen al haar zetels te behouden, doch slechts die welke zij uit eigen kracht, zonder het verbond van de volkspartijen, gewonnen had. Het op socialistische kandidaten uitgebrachte stemmenaantal verdubbelde echter ongeveer (van 146.946 op 316.000), terwijl daarentegen het aantal socialistische vertegenwoordigers in het parlement iets verminderde. De verkiezingen, die in het teken van de algemene werkstaking stonden en naar de voorstelling van de regering het ‘volksoordeel’ daarover zouden vormen, brachten aan de sociaaldemocratie een groot politiek succes, indien ook een parlementaire nederlaag.

Het is zeker begrijpelijk dat, al naar het standpunt van de beoordeler, het oordeel over de werkstaking zeer verschillend moet uitvallen. Wie in de proletarische ontvoogdingsstrijd aan de parlementaire positie en de parlementaire successen van de sociaaldemocratie de grootste betekenis toekent, zal ongunstig oordelen over de gevolgen van de werkstaking, die een ongunstige invloed op deze positie hadden en verdere successen in de naaste toekomst onwaarschijnlijk maakten. Wie echter de solidariteit, het strijdvermogen en het revolutionaire klassenbewustzijn van de massa het hoogst stelt, zal de staking beschouwen als een roemrijke episode in de proletarische klassenstrijd en als een schrede op de weg naar verdere successen, indien hij zich ook niet de bedenking verhelen kan, dat onder de indruk van deze imposante massabeweging tijdelijk een zekere overschatting van dit uitzonderingsmiddel waarschijnlijk is, zowel tegenover de dagelijkse politiek-parlementaire strijdmethoden, als tegenover de wezenlijke macht van het proletariaat, gelijk dat in de aangehaalde woorden van Leone dan ook werkelijk aan het licht komt.

De offers van de algemene werkstaking zijn uiteindelijk voor het Italiaanse proletariaat aanmerkelijk geweest, indien ook al tijdens haar verloop een matig gebruik van de wapens gemaakt is en massa uitsluitingen van de kant van de ondernemers, zoals dit in Holland het geval was, niet voorkwamen. Daarentegen hielden de rechtbanken op de ergste wijze huis, tot einde februari werden reeds ongeveer honderd jaren gevangenisstraf opgelegd, niet zelden twee drie jaren per hoofd. Een groot aantal processen is echter nog niet afgelopen.

Indien het ook thans nog evenzeer ondoenlijk is een samenhangende beschrijving van de Russische revolutionaire stakingsbeweging te geven, als een eindoordeel te vellen over deze reuzenstrijd, die op het veld van de historie van het proletariaat een nieuwe machtige voor trekt, zo is het toch nog veel onmogelijker, in een verhandeling over de algemene werkstaking de Russische gebeurtenissen stilzwijgend voorbij te gaan. Het Russische proletariaat is het eerste, dat het wapen van de werkstaking met revolutionair-politieke oogmerken ter omverwerping van de heersende staatsmacht toegepast heeft. Bovendien geschiedt deze toepassing in een vorm die tot dusver nimmer voorgekomen is en wiens mogelijkheid in de sociaaldemocratie nooit ernstig vermoedt en onderzocht werd. Daarom is de Russische revolutie, wier inleiding en eigenaardige vorm de stakingsbeweging is, voor het West-Europese proletariaat niet slechts in haar oogmerken, maar ook in haar middelen van de grootste betekenis, kan zij dit proletariaat in vele, zij het ook natuurlijk niet in alle opzichten de rijkste lessen voor zijn eigen toekomstige strijd geven.

Daarom zal hier gepoogd worden een schets van de belangrijkste voorvallen van de Russische stakingsbeweging te geven en daaruit enige voorlopige conclusies te trekken. Aan een volledig overzicht valt niet te denken, niet alleen daar het aan betrouwbare, samenhangende berichten over de beweging ontbreekt, maar ook omdat deze nog niet afgesloten is, met korte tussenpozen nog steeds voortduurt en telkens weer tot kolossale afmetingen aanzwellen kan.

In het hoofdstuk over de veralgemeende staking voerden wij de Zuid-Russische staking van 1903 als voorbeeld aan, om te doen zien welk een uitnemend wapen de solidariteitsstaking kan zijn om een industrieproletariaat wakker te schudden, waaraan alle middelen van openbare werkzaamheid op het gebied van de vakbeweging zowel als van de politiek onthouden worden. Deze stakingsbeweging van 1903 was de eerste grootse uitbarsting van het Russische proletariaat, zijn eerste massaopstand tegen de druk van economisch, sociaal en politiek onrecht.[22] Zij was echter ook het type van de revolutionaire opstand, wiens geweldig aanzwellen er in slagen zal het rotsblok van het absolutisme weg te spoelen, zij was de eerste vloedgolf van de Russische revolutie.

De oorzaken van deze revolutie hebben ons hier niet bezig te houden. De huidige stakingsbeweging kon slechts ontstaan en om zich heen grijpen in een land waar revolutionaire brandstof bij massa’s lag opgehoopt. Zij is het resultaat van de economische, sociale en politieke ontwikkeling van Rusland gedurende vele tientallen jaren. De oorlog in Oost-Azië bespoedigde in hoge mate het rijpen van de vruchten van deze ontwikkeling, door het absolutisme van de rest van zijn militair, economisch en moreel prestige te beroven. De onzekerheid die tengevolge van de Aziatische nederlagen en van de gisting in het land zich van de machthebbers meester maakte, hun ontmoediging en verwarring na de dood van Plehwe, het tijdelijk laten vieren van de teugels en de politiek van schijnconcessies waartoe de regering ook onder de indruk van de aanslag overging — dat zijn enkele van de belangrijkste omstandigheden, die het uitbreken van de proletarische opstand mogelijk maakten en begunstigden.

De aanleiding ertoe was even gering als dit bij haast alle belangrijke historische gebeurtenissen het geval geweest is. De geheime organisatie van de Petersburgse reactionairen besloot de leden van Gapons arbeidersvereniging uit de fabrieken te werpen; het ontslag van enige arbeiders op de Poetiloff-fabrieken was haar eerste stap. Dit vormt het uitgangspunt van een beweging die miljoenen mensen omvatten zou en de eerste besliste schrede van Rusland op de weg van de politieke revolutie ten gevolge zou hebben. Uit solidariteit met de ontslagenen legden hun kameraden het werk neer en binnen weinige dagen staakten de gezamenlijke 12.000 arbeiders van dit reusachtig bedrijf de arbeid. De 17e januari breidde de stakingbeweging zich uit over de arbeiders van andere bedrijven, o.a. ook over enige werven en spoorwegwerkplaatsen In de avond van de 20ste omvatte de staking minstens 75.000, de 22ste meer dan 200.000 man.

Haast de gehele dagbladpers moest ophouden te verschijnen; in alle fabrieken en werkplaatsen rustte de arbeid, ook in die waar slechts vrouwen en kinderen in dienst waren. In deze dagen nam de beweging onder de invloed van de sociaaldemocratie een politiek-revolutionair karakter aan. Naast de tot de ondernemers gerichte, de arbeidsvoorwaarden betreffende eisen, deden thans de stakers de roep naar een constituerende vergadering en een democratische staatsinrichting horen: het proletariaat van de hoofdstad had met de staking als belangrijkste strijdwapen de oorlog verklaard aan het absolutisme.

De 22ste januari brak aan en bracht de gruwelijke slachting onder de scharen die in kinderlijke argeloosheid naar de tsaar optrokken om hulp en redding. De Petersburgse arbeidersbevolking echter bleef in weerwil van de ontzettende aderlating standvastig en het gelukte niet haar tot het beëindigen van de staking te dwingen. Die dag ging de zon van het tsarisme onder en het oude zielenleven van het volk vlood heen — een verleden van grijze onwetendheid, naïeve aanbidding, kinderlijk-mytisch bijgeloof, eerbied en deemoed. En de zon van het proletarisch klassenbewustzijn ging op — eindelijk schemerde voor Rusland de dag.

De salvo’s die de 22ste januari 2000 weerloze mannen, vrouwen en kinderen neervelden, gaven het signaal tot een revolutionair-politieke stakingsbeweging zoals de wereld ze nog niet gezien heeft. Binnen weinige dagen strekte zij zich uit van Petersburg tot de Kaukasus, van Polen tot Oost-Siberië; overal waar in het oneindige Russische rijk fabrieken of werkplaatsen, mijnen of werven zijn, overal waar proletariërs leven, verhieven zich duizenden wrekers van de vermoorden, verhief zich tegen het absolutisme een dreigend leger van strijders vol doodsverachting. En overal was de politiek-economische staking, in de regel met vergaderingen, betogingen, politieke straatredevoeringen verbonden, als een tweesnijdend zwaard tegelijkertijd tegen de politieke tirannie en de kapitalistische uitbuiting gericht. Met vaste tred hadden de Russische arbeiders het politieke strijdperk betreden.

Reeds de 23ste, de dag na het Petersburger bloedbad, brak de staking in Moskou en Kowno uit, als onmiddellijk antwoord van de Russische arbeiders op de beestachtige onderdrukkingspoging van de regering. De 25ste omvatte zij in Moskou 30.000 man. Terzelfder tijd, tussen 24 en 26 januari, tastte zij Reval en Riga aan, spoedig ook Windau en Libau in het noordwesten, het verre Saratoff in het oosten en de spoorwegwerkplaatsen van de lijnen Koersk-Bresk en Moskou-Kasan, de 27ste waren er in Petersburg nog 150.000 stakers in weerwil van het schrikbewind van Trepow, van de fusilades, de arrestaties en de deportaties naar de dorpen; in het begin van februari was hun aantal tot 20.000 gedaald, tegen het midden van de maand echter weer tot 40.000 aangegroeid. Onder deze waren opnieuw de duizenden arbeiders van de Poetiloff-fabrieken. Intussen had zich de beweging over Estland (massastakingen in Narwa en Reval), Koerland (langdurige massastakingen in Riga, Libau, Mitau en Windau), Littauen en Wit-Ruthenië (massastakingen in Wilna, Kowno, Grodno en Homel), aan de Oekraïense kust (Odessa), op de Krim (Kertsj), in Georgië (Tiflis, Batoem, Koetais) en Armenië (Bakoe) uitgebreid, bovenal echter in Polen een nieuwe, geweldige haard gevonden.

De 27ste januari begon de staking in Warschau en Lodz, reeds dezelfde dag omvatte zij op beide plaatsen bijna 100.000 arbeiders. Met razende snelheid verbreidde zij zich over alle Poolse fabrieks- en mijndistricten, o.a. in Czenstochowa, Pabianice, Radom, Dombrowa en Sosnowice. Het gezamenlijk aantal stakers in Russisch Polen wordt op ten minste een half miljoen geschat.

Alles bijeen strekte de stakingsbeweging zich over 150 steden uit en hield langer dan anderhalve maand met onverzwakte kracht aan. Er was inderdaad geen enkele industriestad van Europees Rusland, waar niet de gehele arbeidersbevolking of toch minstens de arbeiders van enige belangrijke bedrijfstakken het werk neergelegd hadden. In vele streken duurden de stakingen van de fabrieksarbeiders en mijnwerkers verscheidene weken.

Gedurende de tweede helft van februari plantte zich de beweging onder nieuwe categorieën van arbeiders en beambten voort. Behalve de eigenlijke handwerkslieden staakten in vele steden apothekers, winkelbedienden, bankpersoneel; in enkele gevallen zelfs de politie.

Een nieuw centrum ontstond voor de beweging in deze tijd in het Dongebied, waar in het begin van maart 250.000 arbeiders aan het staken zijn. De gewichtigste gebeurtenis van die dagen zijn echter de tegen het einde van februari steeds talrijker wordende spoorwegstakingen. In het begin van maart omvatten zij, behalve het Kaukasisch gebied, dertien spoorweglijnen, waaronder Moskou-Kasan, Moskou-Windau, Moskou-Kiev, Moskou — Warschau, Rostoff- Vladikaukas, de Weichselspoorweg enz. Tot ver in Siberië plantte zich de spoorwegstaking voort; ook onder de arbeiders van de spoorwegen of van de spoorwegwerkplaatsen van Krasnojarsk en Tsjita in Trans-Baikalië brak zij uit. Lijnen van duizenden wersten lang en die de belangrijkste bevolkingscentra verbinden, moesten alle verkeer volkomen staken. Zowel het goederentransport als het passagiersvervoer hielden op, in de depots en werkplaatsen rustte de arbeid geheel. Bovenal de graanhandel werd zwaar getroffen. Een grootte hoeveelheid graan die niet verder vervoerd kon worden, verrotte op de stations. Men schat het verlies op meer dan 100.000 ton.

De tot reusachtige afmetingen aangegroeide spoorwegstakingen werden een van de machtigste wapenen in de strijd tegen het absolutisme. Zij brachten de regering zozeer in het nauw dat zij de ‘militarisatie’ van de arbeiders van alle spoorwegen, behalve die van de Midden-Aziatische lijnen, gelastte, dus de staat van beleg proclameerde over het gezamenlijke spoorweggebied van het rijk. In het begin van maart militariseerde zij eveneens, om ook aan de Petersburger stakingen een einde te maken, alle arbeiders van de staatsfabrieken aldaar.

Nadat de eerste grootse stakingsgolf van januari-februari geheel Rusland geschokt had, trad gedurende de maanden maart-april een zekere rustpoos in. Onder de indruk van de nederlaag van Moekden en van het 1-Meifeest groeide de beweging opnieuw aan. In mei kwamen o.a. de 1ste en 4e de algemene werkstakingen in Warschau, de massastaking van de bakkers in Moskou, de algemene werkstakingen in Odessa en Petersburg. In het begin van juli volgden dan de met openlijke opstand verbonden massastakingen in Odessa, later in de zomer de haast onafgebroken woelingen in de Kaukasus. In Warschau wordt de eendaagse politieke algemene staking tot een bestendige instelling, waardoor het proletariaat tegen de schandelijke maatregelen van de regering protesteert — zo tegen de moorden van het leger op 1 mei, zo tegen de gerechtelijke moord op onze partijgenoot Kasprzak. In augustus kwam een nieuwe stakingsgolf op in de Oostzeeprovinciën; daar breidde zich de loonstrijd, die met korte tussenpozen de gehele voorzomer gewoed had, weer tot de geweldige afmetingen van een massastaking met tienduizenden deelnemers uit. Thans (begin oktober 1905) zijn er weer nieuwe berichten van massastakingen in Moskou, die tot een algemene werkstaking dreigen aan te groeien.[23]

Uit dit hoogst onvolledig overzicht, dat als het ware slechts de belangrijkste punten van de stakingsbeweging in het licht wil stellen, blijkt echter duidelijk dit algemene feit: als men onder ‘algemene werkstaking’ slechts verstaat een staking die de grote meerderheid van een land tegelijkertijd omvat, en onder ‘politieke staking’ slechts de werkstaking die zich uitsluitend tegen de politieke macht met een zelfde algemene eis richt, dan is de Russische staking noch algemene werkstaking, noch politieke staking. Zij is niet één beraamde en georganiseerde, regelmatig verlopende reuzenstaking, die zich tegelijkertijd over het ganse gebied van het rijk uitstrekt, maar evenmin bestaat zij uit een reeks opeenvolgende stakingen in verschillende plaatsen. Veeleer golft de beweging rusteloos af en aan, wordt hier zwakker, om daar weer in hoge vlammen op te laaien, wendt zich van het Noorden en het Westen naar het Zuiden en het Oosten, om weder op haar wegen terug te keren en in de oude brandpunten opnieuw uit te barsten. Zij grijpt voortdurend nieuwe streken en nieuwe beroepen aan, doch keert ook telkens tot de vroegere terug, om als een nimmer volkomen gebluste brand voor de derde of vierde maal op te laaien. Zo bij de arbeiders van de Poetiloff-fabrieken te Petersburg, de vakarbeiders te Warschau en de letterzetters te Lodz, die drie, vier en meer malen achtereen met korte tussenpozen tot staking overgingen.

In dit onontwarbaar monster van elkaar kruisende en aflossende, grote en kleine, op en neer golvende stakingen klinkt niet maar éne zich gelijkblijvende, heldere en luide strijdleus, maar er zijn, als stemmen in de storm, een aantal verschillende leuzen te horen. Loonsverhoging, vermindering van de arbeidstijd, achturendag, beëindiging van de oorlog, vergader- en verenigingrecht, nationale zelfregering, gelijk recht voor alle talen, bijeenroeping van een volksparlement tot uitwerking van een grondwet — dit zijn enige van de belangrijkste leuzen. Maar evenals de duizend stemmen in de storm steeds weer tot één overweldigende klank verenigd klinken, zo klinkt ook één enkele wil uit al die verschillende eisen, die uit de revolutionaire drang naar wegneming van economische, sociale en politieke druk voortspruiten: de wil tot vernietiging van het absolutisme.

Wel worden vaak door de een of andere arbeidergroep slechts economische eisen geuit. Maar zelfs als de ondernemers deze inwilligen, houden deze arbeiders niettemin de staking vol of vangen haar na enkele dagen werken weer aan. De stremming van de arbeid wordt tot de gewone toestand van de maatschappij, slechts door korte, onrustige arbeidstijdperken onderbroken. Een bestendige arbeidsverrichting heeft opgehouden en de voortdurende onzekerheid en onrust, het bewustzijn dat ieder uur nieuwe uitbarstingen, nieuwe verwikkelingen kan brengen, vervult ondernemers zowel als regering met zulk een tegenzin en radeloosheid, dat zij vaak liever ertoe overgaan de fabrieken te sluiten, zoals het de 1ste maart te Petersburg bij de Poetilov-werken en op de Nevskiwerf werkelijk voor een tijdlang gebeurde.

De steeds toenemende gisting, het losmaken van alle banden van het maatschappelijk leven, zoals het uit de stakingsbeweging ontstaat, plant de crisis in steeds groter kringen voort en desorganiseert het openbare leven meer en meer. De universiteiten worden gesloten, in Polen grijpt de beweging het gehele schoolwezen aan, alle onderwijs houdt op.[24] Verschillende zenstwo’s verklaren, dat zij in de algemene onrust het bestuur niet meer verder voeren kunnen.

Maar het toppunt van desorganisatie werk vormen de spoorwegstakingen. Het duurde enige tijd, voordat de vloedgolf zich naar deze onder half militaire tucht staande en min of meer van hun klassegenoten geïsoleerde arbeiders voortplantte. Des te noodlottiger bleken echter de spoorwegstakingen voor het reeds verzwakte en gedemoraliseerde absolutisme. Tot dusver kon de staat toch nog zijn ledematen roeren en met behulp van het militair gezag, zo niet de stakingsbeweging meester worden, dan toch zijn heerschappij tegenover haar handhaven. Door de spoorwegstaking veranderde echter de toestand geheel. De staatsmachine wordt tot stilstand gebracht, de nog altijd aanmerkelijke onderdrukkingsmiddelen waarover het absolutisme beschikt, helpen het niet meer. De tot herstel der ‘rust’ benodigde militairen kunnen niet meer vervoerd worden, de afgelegen streken worden van het centrale gezag afgesneden; Polen, de Kaukasus, Siberië worden min of meer aan zich zelf overgelaten.[25] Na de economische, de maatschappelijke en de administratieve desorganisatie voltrekt zich door de spoorwegstaking de desorganisatie van de staat. Bij dat alles heeft zij het onschatbaar voordeel dat zij de revolutie naar het platteland draagt en daarmee tot een aangelegenheid van de ganse bevolking maakt. De boeren, die men natuurlijk de vreselijke gebeurtenissen uit schier alle grote en industriesteden van het rijk onthield, kunnen zich door de stilstand van de spoorwegen overtuigen, hoever het met de desorganisatie van de staatsmacht reeds gevorderd is.

Door de Russische gebeurtenissen blijkt de staking de passende vorm voor elke revolutie waarin het industriële, klassenbewuste proletariaat de belangrijkste massakracht uitmaakt, ook wanneer het niet voor zijn laatste oogmerken, voor de socialistische maatschappij-inrichting, strijdt.

De staking als vorm van revolutie neemt natuurlijk veel heftiger, beslister vormen aan dan de betogingsstaking en de binnen wettelijke perken verlopende pressiepogingen van de laatste jaren in West-Europa. Voor de strijdende arbeiders staat bij de revolutiestaking alles op het spel; voor de verovering van een nieuwe staatsorde waagt zij vrijheid en leven. Zij deinst er niet voor terug in de strijd de oude wettelijkheid te doorbreken, wijl de strijd juist de stichting van een nieuwe wettelijkheid ten doel heeft. De staking is in zulk geval een nieuwe, bij de ontwikkelde, kapitalistische productiewijze en het moderne proletariaat passende vorm van de burgeroorlog, waarin zich de open borst en het onbeschutte hart tegenover de gewapende macht plaatsen. Slechts het inzicht dat het door deze vorm van geweld niet kan overwinnen, houdt het proletariaat van de gewapende opstand terug. Waar echter geweld de bereiking van het doel, de omverwerping van het staatsgezag, nader brengen kan, daar aarzelt het proletariaat niet het te gebruiken. Vandaar plundering en brandstichting in de aan de staat toebehorende magazijnen en brandewijndepots, beschadiging van telegraaf en telefoon, pogingen om spoorwegbruggen in de lucht te doen vliegen enz. De revolutionair-politieke staking betekent geenszins uitsluitend de methode van de lijdzaamheid, de revolutie met gekruiste armen, doch de toepassing van de economische macht van de arbeidersklasse als voornaamste middel — waaraan alle andere middelen ondergeschikt zijn — tot desorganisatie van maatschappij en staat.

Niet te vergeten is echter dat, hoewel de Russische stakingsbeweging in menig opzicht het voorbeeld van elke toekomstige proletarische revolutie mag zijn, deze niettemin waarschijnlijk in menig opzicht van haar zal afwijken. De beide belangrijkste elementen die bij de aanwending van geweld in aanmerking komen, leger en proletariaat, zien er thans in Rusland, dat zich eerst in de aanvang van de burgerlijke ontwikkeling bevindt, natuurlijk heel anders uit dan zij er na vele tientallen jaren van deze ontwikkeling in West-Europa uitzien. Een ruwe beroepssoldateska als de halfbarbaarse Kozakken, die geheel buiten de natie staan, kon zich wel onder het absolutistische regime handhaven, doch is met een burgerlijk staatswezen onverenigbaar. En het Russische proletariaat werd wel door de grootindustriële ontwikkeling tot eenheid en ontwakend klassenbewustzijn gebracht, doch vond in de absolutistische staat de weg tot organisatie versperd; het kon zo goed als geen school in de massastrijd doorlopen en had haast geen gelegenheid om zich in discipline te oefenen.

Deze beide omstandigheden maken de veelvuldige toepassing van geweld, het op de voorgrond treden van gewelddadige strijdmethoden in de Russische omwenteling begrijpelijk. Het eigenaardige machtsmiddel van het proletariaat, de organisatie, steekt nog in de kinderschoenen, al ontwikkelt het zich dan ook in het verloop van de Russische revolutie met ontzaglijke snelheid. De wreedheid, waarmee politie en leger ook tegen vrouwen en kinderen in tal van gevallen optreden — gedurende de laatste maanden kwamen niet minder dan honderd gevallen van bloedige botsingen tussen burgers en troepen voor — de drijfjachten van het tot dit doel in de ‘zwarte honderden’ georganiseerde gespuis en de verarmde kleine burgerij tegen intellectuelen, Joden, Armeniërs en arbeiders, — de door de werktuigen der reactie gepleegde veelvuldige slachtingen — dit alles kweekt natuurlijk in het volk de diepste verbittering. Deze zoekt een uitweg in de vele aanslagen op beambten, politiechefs, officieren, hoge en lage spionnen. De aanslagen worden tot het gewone verdedigingsmiddel der arbeiders en het ‘witte schrikbewind’, bommen worden ijverig vervaardigd [26], de dynamietwerkplaatsen houden op een toebehoren van kleine terroristische organisaties te zijn. Zo tracht de Russische arbeidersklasse die groepen van de bevolking, die tot beulsknechten van de regering gezonken zijn, wier werving voor de heilige zaak des volks uitgesloten schijnt, door geweld vrees in te boezemen. Daarnaast wordt echter voortdurend voortgezet de methode van het vreedzaam inwerken op het leger, de propaganda door onvermoeide schriftelijke en mondelinge agitatie, wier succes in de laatste maanden zich in een ganse reeks militaire opstanden uitte.

* * *

Thans rest nog, enige algemene eindconclusies uit de besproken feiten te trekken.

Het eerste wat er uit blijkt is de toenemende veelvuldigheid waarmee het strijdmiddel van de politieke massastaking door het proletariaat toegepast wordt. Voor twaalf jaren was nog geen enkele dergelijke poging gedaan, van 1893 tot 1901 is er slechts één, in de jaren 1902 tot 1905 echter komen niet minder dan vijf politieke massastakingen voor, van de zuivere manifestatiestaking van de Zweedse arbeiders tot de revolutionaire stakingsbeweging van het Russische proletariaat. Voorts blijkt, dat de politieke staking, aanvankelijk opgekomen als buitenwettelijk middel om de wettelijke bodem voor de politieke klassenstrijd, het algemeen kiesrecht te veroveren, in de loop van de ontwikkeling ook als afweermiddel tegen inbreuk op bestaande rechten in toepassing komt.

Aan de arbeidersklasse wordt blijkbaar het gebruik van dit nieuwe strijdmiddel in zeer verschillende toestanden en bij volslagen verschillende ontwikkelingsmate van de economische en politieke verhoudingen algemeen opgedrongen. De theorie heeft, als altijd, slechts de voorhanden feiten te bestuderen en daaruit de richting van de verdere, waarschijnlijke ontwikkeling af te leiden.

Het onderzoek van deze feiten levert de volgende gronden op voor de toepassing en toenemende veelvuldigheid van de politieke massastaking.

Onder de invloed van de kapitalistische ontwikkeling en de socialistische propaganda wordt onder de arbeiders de behoefte steeds sterker naar verheffing van hun economische en sociale toestand. Het zelfbewustzijn groeit; het verlangen naar verovering en beveiliging van politieke rechten en vrijheden neemt meer en meer toe. Deze groeiende behoefte aan meer rechten en groter vrijheid, het toenemend zelfbewustzijn van het proletariaat heeft echter geenszins een vermindering van verzet bij de heersende klassen ten gevolge. Integendeel: zij kanten zich met de grootste hardnekkigheid tegen elke uitbreiding en zekerstelling van de wettelijke strijdmiddelen van het proletariaat. De politieke organisatie van zijn klasse, de sociaaldemocratie, verliest schijnbaar in parlementaire invloed, hoe meer het aantal aanhangers toeneemt en hoe belangrijker zijn maatschappelijke positie wordt. In menig geval doen de regeringen zelfs moeite om de rechtsbodem die de arbeidersklasse tot de klassenstrijd nodig heeft, in te perken en te vernietigen. De politieke massastaking is het resultaat van beide factoren; zij komt voort zowel uit de toenemende aanvalskracht, het gestegen klassenbewustzijn van het proletariaat, als uit het toenemend verzet van de heersende klasse. Zij wordt onder bepaalde historische en politieke voorwaarden, als de gisting en opgewondenheid van de massa het kookpunt bereikt, met noodwendigheid de verschijningsvorm van de sociaalpolitieke crisis, van de scherpe toespitsing van de verhoudingen in de klassenstrijd.

Wat nu het verloop van de politieke massastaking betreft, zo blijkt uit de aangevoerde feiten, dat haar kansen het minst gunstig zijn, als zij binnen wettelijke perken hervormingen wil afdwingen of bedreigde rechten wil beveiligen, in tegenstelling tot de staking die zich ermee tevredenstelt protest of betoging te zijn, zonder het staatsgezag open strijd te leveren. Het schitterend verloop van de manifestatie- en proteststakingen in Zweden en Italië bracht aan het proletariaat van deze landen een onmiskenbare vermeerdering van zelfbewustzijn en een versterking van haar maatschappelijke positie. De in haar vormen en oogmerken van deze vredelievende demonstratiestakingen het verst verwijderde Russische politiek-revolutionaire stakingsbeweging bewijst anderzijds de kolossale uitwerking van dit wapen, zelfs in de handen van een percentsgewijs zwakke en weinig in de strijd geoefende arbeidersbevolking. Daarentegen verliepen de pogingen, die lagen tussen de uiterste grenzen van de vreedzame pressiestaking en de politiek-revolutionaire staking, met één enkele uitzondering (de Belgische staking van 1893) zonder resultaat en eindigden met een algehele nederlaag van het proletariaat. Deze uitzondering echter was het allereerste geval waarin de politieke staking toegepast werd. Zij verraste de heersende klasse in hoge mate, hoewel de Belgische arbeiders reeds lang tevoren er toe besloten hadden. Bij de tweede Belgische en bij de Hollandse staking daarentegen waren de regeringen, die de uitbarsting zagen naderen, volkomen toegerust en hadden de meest uitgebreide maatregelen getroffen tot bescherming van hen die bleven doorwerken, tot het bezigen van militairen als onderkruipers enz.

B. De beweerde onmogelijkheid van de politieke massastaking

“Even onmogelijk als onnodig”, zo luidt de algemene formule waarin de onvoorwaardelijke tegenstanders van de politieke massastaking hun bezwaren kort samenvatten. Onder ‘onmogelijk’ verstaan zij natuurlijk niet dat elke poging tot politieke massastaking in de toekomst achterwege blijven zal, maar dat een welslagen van deze pogingen onvoorwaardelijk uitgesloten is.

Eer wij ons tot de positieve voorwaarden van de massastaking wenden, is het noodzakelijk de redenen te leren kennen die voor haar beweerde onmogelijkheid aangevoerd worden. Wij zullen daartoe voornamelijk aan die partijgenoten het woord geven die deze redenen uiteengezet hebben bij de enquête van de Mouvement socialiste en bij de discussie in onze partijpers. Wel maken niet alle tegenstanders van de politieke massastaking altijd nauwkeurig onderscheid tussen deze en de revolutionair-economische algemene werkstaking. Wij zullen echter deze verwarring zoveel mogelijk verhelpen, door slechts die bezwaren te vermelden die hoofdzakelijk de politieke massastaking betreffen.

Het eerste argument tegen de politieke massastaking luidt, dat zij een krachtproef tussen regeringsgezag en proletariaat is, die steeds ten gunste van het regeringsgezag moet uitvallen, wijl het proletariaat onvoorwaardelijk de zwakste partij is.

“Elk dergelijk conflict,” schrijft W. H. Vliegen in de Mouvement socialiste, “wordt tot een strijd, die in laatste instantie altijd weer deze ene vraag stelt: wie is sterker, de regering of de arbeidersbeweging? Nu, de laatste is de zwakste en zij zal het blijven, zolang zij niet tegen de heersende klasse opweegt in aanhangers en organisatie. Iedere strijd die ten doel heeft de regering door een of ander buitenparlementair middel te dwingen een of ander te doen of te laten, heeft ten slotte de macht in de staat tot inzet.”

Voor Vliegen spreekt deze overmacht van de regering tegenover de politieke staking van zelf.[27]

“Want er zal nooit algemeen genoeg gestaakt worden, om de regering tot capitulatie te dwingen. Niet iedereen zal staken. Zelfs in gunstige omstandigheden zal nog een aanmerkelijk aantal arbeiders aan het werk blijven. In geval van nood kan ieder zijn eigen brood bakken. Scheepvaart en verkeer zijn met militairen in gang te houden. Wel staan de grote bedrijven stil, maar het is onmogelijk dat de productie volkomen stilstaat. In weerwil van de krachtigste agitatie zullen er altijd districten blijven, waar men zelfs boven het gemiddelde zal produceren. Ja, in het hart van iedere stad zal de industrie in zekere mate in beweging blijven.”

Dezelfde opvattingen ten opzichte van Duitsland uit W. Düwell in de Neue Zeit. Ook hem schijnt een werkstaking, die de grote massa van de arbeiders omvat, voorlopig onmogelijk. Meer nog: hij ontkent zelfs voor Duitsland, d.w.z. voor een land met sterke vakorganisatie, de mogelijkheid van een algemene economische staking in één enkele bedrijfstak. En dit op grond van de grote macht van de christelijke vakverenigingen, waarin de arbeiders door de clerus beheerst, bewust tot tegenstanders van de moderne arbeidersbeweging opgevoed worden.

“Als de clerus op een gegeven ogenblik een actie van de arbeiders als tegen de belangen van kerk en godsdienst gericht uitlegt, zou de slagorde uiteengescheurd zijn; vele duizenden, honderdduizenden, die zich wellicht spontaan bij de beweging aangesloten hadden, zouden afvallig, berouwvol het klerikale gebod volgen. Maar het zou zover niet eens komen. Een spontane staking moest, als haar elke voorwaarde tot een overwinning ontbreekt — zo men niet in een een-, twee-, driedaagse algemene werkstaking, die niet in bloed en ijzer ondergaat of niet door de honger bedwongen wordt, een nastrevenswaardige overwinning ziet — spoedig zonder resultaat verlopen; bij een georganiseerde algemene werkstaking zouden zich de honderdduizenden leden van de kerkelijke organisaties helemaal niet aansluiten.” (Neue Zeit, XXIII, 1, 8, bl. 250. W. Düwell, Zur Frage der Generalstreiks.)

Düwell vindt het onzin, een politieke staking te wagen, zolang de katholieke arbeiders niet tot zelfbewustzijn ontwaakt zijn, d.w.z. zich bij de sociaaldemocratie aangesloten hebben.

Maar ook dan nog, meent hij, zal de staking niet algemeen genoeg zijn, om de heersende klassen in ernstige verlegenheid te brengen. Er zijn behalve de in de christelijke vakverenigingen georganiseerde arbeiders nog vele andere, die het kapitaal met hart en ziel toegedaan zijn.

“Gesteld dat het ons gelukken kan, deze bewuste tegenstanders in geestdrift te brengen voor een algemene werkstaking, dan hebben wij altijd nog de onverschilligen niet gewonnen. Hun aantal is groot! Bij deze komen nog de ‘ontmanden’, zij die door de druk van het kapitaal alle wilskracht verloren hebben. Tot hen behoren vrijwel al die ‘jubilarissen’, die zich sedert twintig jaren op een en dezelfde fabriek afsloven. Een staking past volstrekt niet in de voorstellingswereld van zulke lieden; bovendien is hun voortdurende zorg, niets te doen wat hen eventueel zou kunnen beroven van het genot van de door de fabrieksfondsen voorgespiegelde voordelen. Voor vele bewoners van aan de fabriek toebehorende huizen is het bewustzijn, dat zij bij ontbinding van het arbeidscontract ook terstond de woning moeten ontruimen, voldoende om iedere gedachte af te wijzen als zouden zij tegenover de patroon een of andere oppositionele daad kunnen begaan. Daar komt bij dat in de bewerkingsindustrie de mogelijkheid bestaat om in geval van nood voor een groot deel der productie snel aan ongeschoolde arbeiders het werk te leren. Dat is voor zulke arbeiders ook met een betrekkelijk aanmerkelijke verbetering van hun economische toestand verbonden: men zal genoeg mensen vinden, die een zo gunstige gelegenheid niet zouden versmaden.” (Bl. 251.)

Moeilijker dan de arbeiders te winnen zou het nog zijn, ze gedurende verscheidene weken zo bijeen te houden, als het, wil de staking enige kans op succes hebben, volgens de mening van deze partijgenoten volstrekt noodzakelijk zou zijn.

Het beeld van een politieke massastaking, zoals het hier geschetst werd, heeft voor de heersende klassen weinig schrikwekkends. De grote meerderheid der aanhangers van de christelijke vakverenigingen, de talrijke onverschilligen en zwakkelingen blijven aan het werk; de ongeschoolde arbeiders nemen de plaatsen van de geschoolde in. In geen enkele productietak, zomin als in enige stad staat de productie volkomen stil, veeleer wordt zij overal, zij het dan ook niet zonder moeite, gaande gehouden, in de achterlijke streken zelfs boven het gemiddelde opgevoerd. Voor het verkeer is evenmin gevaar, daar dit door militairen in gang gehouden wordt. Nu, zulk een massastaking zal aan staat en bourgeoisie geen al te grote zorg baren! De kapitalistische maatschappij zal het met haar zonder veel moeite klaarspelen. Wat Vliegen en Düwell daar beschrijven, is een ... mislukte poging tot staking. Zoals deze partijgenoten haar voorstellen, vertoont de politieke massastaking de heersende klassen een zeer onschuldig gelaat. Dit wordt echter anders zodra de gevolgen voor het proletariaat ter sprake komen. Hoewel een groot aantal arbeiders aan het werk blijft, wordt het proletariaat als consument toch door de duurte van de levensmiddelen zwaar getroffen. Honger en koude heersen in zijn rijen en drijven het onweerstaanbaar tot de aanranding van de burgerlijke rechtsorde, tot geweld.

“Als de productie stil staat,” schrijft Vliegen, “wordt ieder sociaal bestaan onmogelijk. Geen levensmiddelen op de markt, scheepvaart en spoorwegverkeer zijn onderbroken; de hongersnood vangt aan; de koude eist haar offers. Ja, wie zal het eerst honger moeten lijden? De proletariër. Wie zal het eerst moeten bevriezen? De proletariër. Zeker, de ganse maatschappij wordt aan een schrikkelijke crisis blootgesteld, maar zoals bij alle crisissen is het de proletariër die het eerst en het ergst lijdt.” (Neue Zeit, XXII, I, no. 7.)

“Een algemene werkstaking, die deze naam verdient, moet noodzakelijk tot gewelddadige revolutie gedreven worden, maar in de ongunstigste omstandigheden die men zich denken kan. Want het is niet de bezittende klasse, die het meest door het gebrek aan levensmiddelen, kleren en brandstof getroffen wordt; niet zij is het, die het eerst gebrek aan geneeskundige hulp en artsenijen zal lijden, of wier wijken zich in een toestand van voor de gezondheid gevaarlijke vervuiling bevinden zullen. De ganse last van het gebrek aan levensmiddelen zal dus in deze dagen van duurte op de arbeidersklasse vallen. De heersende klasse zal zo nodig gewapenderhand de winkels van het paar arbeiderscoöperaties ledigen, waarop honderdduizenden arbeidersgezinnen voor hun bestaan zijn aangewezen. De rijken kunnen het land verlaten, zodra de staking uitbreekt, de arbeiders moeten blijven en zullen vreselijke ellende lijden. De heersende klasse zal er niet tegen opzien, waar het gaat om haar bestaan, de machinisten met de revolver te dwingen de locomotieven te besturen. Het lijden zal de armen tot vertwijfeling drijven, hongeroproeren zijn zeker. Plundering is onvermijdelijk; het geweer zal spreken, de mitrailleurs zich laten horen.” (H. van Kol, Mouvement socialiste, bl. 232-233.)

Maar de regeringen zullen deze onvermijdelijke gewelddaden niet eens afwachten, om de staking neer te slaan. In de Sozialistische Monatshefte (november 1904) betoogt J. Leimpeters dat het staatsgezag terstond na het proclameren van de staking de staat van beleg afkondigen, het vergaderrecht opheffen en elke beraadslaging onmogelijk maken zal. De staking zou de reactie in de kaart spelen! “Nu of nooit zou het parool van jonker en jonkersmaat zijn, nu ligt de hydra overwonnen ter aarde, nu zullen wij haar de koppen vertrappen.”

Wel spreekt Leimpeters hier slechts over Duitse toestanden. Hyndman echter is van mening dat de politieke massastaking overal tot gewelddadig ingrijpen van de regering moet leiden, indien niet reeds tevoren de ellende, de gedachte aan vrouwen en kinderen de strijders tot overgave dwingt.

“Een algemene werkstaking, d.w.z. een totale onderbreking van de productie door het gehele proletariaat van een land, eindigt noodzakelijk met de toepassing van geweld, eerst door de heersende klassen en de regering, dan ook door de arbeidersklasse die zich verdedigen moet.”

Maar, mag men vragen, zal een regering er niet tegen opzien, in tijden van algemene opgewondenheid met brutale willekeur op te treden, zolang de massa vreedzaam blijft? Zal zij niet vrezen moeten, dat onder zekere omstandigheden de publieke opinie zich keert tegen hen die het eerst geweld toepassen?

Neen, antwoorden de tegenstanders van de politieke staking, een regering zal daarvoor nimmer behoeven te vrezen, want de publieke opinie zal steeds tegen de arbeiders zijn en elke actie tot onderdrukking van de staking billijken.

“Reeds de bedreiging met zulk een staking zal de tussenklassen, de middenstand, in de armen van onze vijanden drijven, want deze talrijke klasse zal de eerste slagen ontvangen en van haat vervuld zijn tegen het proletariaat, de oorzaak van zijn lijden. Alles wat niet volkomen socialistisch is — en dat zal nog lange tijd de grote meerderheid van de natie zijn — zal zich tegen ons verheffen en de vijand versterken die beschikt over het regeringsgezag, zowel als over het leger.” (Van Kol in de Mouvement socialiste, bl. 233.)

Zo zijn wij weer bij ons uitgangspunt aangekomen. Het proletariaat zal de politieke massastaking nimmer zegevierend voltrekken, wijl het alleen te zwak is en van eventuele ondersteuning door andere klassen geen sprake kan zijn. De staking zal nooit algemeen genoeg zijn om de heersende klassen ernstige schade toe te brengen, nog minder om hun bestaan te bedreigen. Het proletariaat echter zal tot schrikkelijke ellende vervallen, de honger zal de arbeiders tot vertwijfeling brengen. De staat zal hen, met instemming van de ganse maatschappij, met geweld onderwerpen en hun zinneloos onderstaan in bloed verstikken. Zo kan niet slechts, neen, zo moet iedere ernstige poging tot een politieke staking er uitzien.

Een korte beschouwing van deze bezwaren leert ons dat het de bepleiters van deze opvatting aan logica mangelt. De volstrekte tegenstanders van de politieke staking streven er zo ijverig naar al haar schaduwzijden te ontdekken dat zij niet bespeuren, hoe het tweede lid van hun argumentatie niet sluit op het eerste. Want één van beide: of de werkstaking is algemeen (wat niet hetzelfde is als volstrekt), of zij is niet algemeen. Is zij zo algemeen dat voortbrenging en verkeer stilstaan, gebrek aan levensmiddelen ontstaat enz., dan lijdt het proletariaat, maar de staking heeft de bedoelde uitwerking (indien zij daarom ook al nog geenszins haar doel behoeft te bereiken). Staat en maatschappij worden geschokt en gedesorganiseerd. Is zij echter daartoe niet algemeen genoeg, blijven voortbrenging en verkeer enigermate in gang, welnu, dan mislukt de staking. Dan echter kan wel een zekere prijsstijging, kan onder het proletariaat gebrek en ontbering ontstaan, maar tot schrikkelijke ellende, tot hongersnood met zijn consequenties zal het moeilijk kunnen komen en dus zal ook het hongeroproer, de uitbarsting van vertwijfeling uitblijven. In dit geval echter lijkt het niet zeer waarschijnlijk, dat staat en maatschappij de toch reeds machteloze staking met de uiterste inspanning, met bloed en ijzer, zullen neerslaan. Dit zou een zeer slechte tactiek zijn en het beste middel om het proletariaat te verbitteren, het de samenhang te geven die het blijkbaar nog niet bezat. Veel waarschijnlijker is het, dat de staat de mislukte staking rustig zal laten begaan, tot de nood de arbeiders weer onder het juk brengt.[28]

Dus: de staking kan mislukken doordat zij niet algemeen is — of, wanneer zij algemeen is, kan zij hetzij door de uitputting van het proletariaat ineenzinken, hetzij met geweld onderdrukt worden. Onwaarschijnlijk is het echter dat zij door deze beide omstandigheden tegelijkertijd mislukken zal. Maar zelfs als zij door een van deze mogelijkheden mislukken kan, dan is het toch niet noodzakelijk dat dit gebeurt. Haar welslagen is niet van tevoren onder alle omstandigheden uitgesloten, zoals wij verderop zullen uiteenzetten. Het is vooral van belang, dat het ons duidelijk is wat de politieke massastaking bedoelt, wat haar bereikbaar doel is.

C. Doel en vormen van de politieke massastaking

De politieke massastaking kan, naar de ervaring leert, door het proletariaat in velerlei situaties toegepast worden, uit velerlei toestanden voortkomen en velerlei doel in het oog vatten. Al naar toestand en doel zal echter haar inhoud, haar betekenis geheel verschillen. Zij kan in het begin van een politieke klassenstrijd van het proletariaat ten doel hebben een parlementair optreden mogelijk te maken; zij kan in het verloop van deze strijd toegepast worden om bedreigde rechten — zij het tegen reactionaire inbreuk, zij het tegen de brutaliteit van het openbaar gezag — te beveiligen. Zij kan echter ook het eindresultaat van een lange periode van de sociaalpolitieke ontwikkeling zijn, die de machtsverhouding tussen bourgeoisie en proletariaat totaal omgewenteld en de tegenstelling tot het uiterste toegespitst heeft. In dit laatste geval zal de politieke werkstaking de vorm zijn van de beslissende strijd om de politieke macht, van de heerschappij in de staat, en slechts als zodanig in toepassing komen.

De wijze van toepassing van de politieke staking, zowel als de heftigheid van het verweer dat zij van de burgerlijke maatschappij ontmoeten zal, zijn dus het resultaat van de gehele maatschappelijke ontwikkeling, zoals verderop nader zal worden aangetoond. Het hier gezegde dient echter tot verklaring van het feit van de uiterlijk veelsoortige vormen van de politieke staking, van de ongelijksoortigheid van haar doel en methoden, zowel als van de geestkracht waarmee zij doorgezet wordt.

De politieke staking treedt steeds en overal op als het voor het proletariaat eigenaardige machtsmiddel; in haar is het los van alle invloed en alle controle van de burgerlijke staat, in openlijk verzet tegen die staat. Dat is echter des te meer het geval naarmate de staking meedogenlozer doorgezet wordt en naarmate de inzet van de strijd groter is. Onder ‘meedogenloos doorzetten’ verstaan wij niet zozeer het meer of minder gewelddadig optreden en de meerdere of mindere uitbreiding van de strijd, als wel de energie, die het proletariaat voor het doorzetten van zijn eis aanwendt, de blijkbare wil om het uiterste te wagen.

Een eis doorzetten wil elke politieke staking, ook haar bastaardvormen die als ‘protest of betogingstakingen’ aangeduid worden willen dat. Ook in die gevallen hopen de arbeiders dat de stakingsactie de een of andere gunstige uitwerking zal hebben, hetzij rechtstreeks door beïnvloeding van de regering, hetzij middellijk door beïnvloeding van de publieke opinie. Iedere proteststaking heeft beïnvloeding tot doel, want men protesteert slechts in de hoop, door het protest een zekere invloed op toekomstige gebeurtenissen uit te oefenen. Zo steekt in iedere betogingstaking een stuk psychische pressiepoging, zoals bv. ook bij de arbeidsrust op 1 mei. In zulke gevallen echter doet de staking geen poging, de bedoelde uitwerking rechtstreeks af te dwingen. Zij wil als het ware de heersers slechts de macht en de eenheid van het strijdende proletariaat tonen. Hen vermanen dat het normale voortbestaan van de maatschappij berust op het rustig bij de arbeid blijven van het proletariaat.

De protest of betogingsstaking is de vorm van politieke staking die in de burgerlijke maatschappij het meest voorkomt. Zij treedt op in situaties waarbij het niet gaat om belangrijke, fundamentele, het ganse leven betreffende belangen, doch waarbij de verontwaardiging over een bijzonder feit — zoals in Italië — de aanleiding tot de staking vormt, zomede daar waar weliswaar gewichtige belangen op het spel staan, maar de arbeidersklasse niet de wil, de revolutionaire energie heeft om de strijd tot het uiterste te voeren, hetzij wijl zij beoogt het doel langs andere weg, met minder offers aan goed en bloed te bereiken, hetzij wijl haar leiders haar van de strijd tot het uiterste weerhouden.

Een dergelijke staking was de Belgische van 1903. Had het proletariaat na de verwerping van het ontwerp tot grondwetsherziening door de Kamer bij de staking volhard, dan zou deze zich tot stakingsdwangmiddel ontwikkeld hebben, tot staking die aan het staatsgezag de openlijke strijd aanbiedt.

Een dergelijke strijd behoeft nog geen beslissende strijd om de heerschappij in de staat te zijn, zoals het Belgische voorbeeld bewijst. Ook indien de Belgische staking doorgezet en overwonnen had, zou zij slechts tot een wijziging van de burgerlijke heerschappij, niet tot haar algehele vervanging door een proletarisch regime geleid hebben. Het stakingsdwangmiddel kan derhalve ook voor afzonderlijke acties van het proletariaat toegepast worden bij een graad van ontwikkeling, waarbij de verovering van de politieke heerschappij nog niet op het spel staat. De stakingsdwang is dan gunstig voor het doorzetten van een aantal ogenblikkelijke eisen van het proletariaat, als: intrekking van een ongewenste maatregel, afkondiging van een gewenst recht, verandering van ministerie die een andere, voor de ogenblikkelijke eisen van het proletariaat gunstiger gestemde regering aan het roer brengt, enz.

Aan de mogelijkheid om een tot drie dagen lang een betogingsstaking door te voeren in landen met enigermate democratische instellingen zal in de boezem van de sociaaldemocratie wel nauwelijks ernstig getwijfeld worden. De staking wil in dit geval slechts een versterkte vorm van straatbetoging zijn, doch veel nadrukkelijker werken, daar zij de bezittende klasse rechtstreeks in haar economisch belang schaadt en — indien zij tot de dagbladpers, het verkeerswezen, de gemeentebedrijven enz. uitgebreid wordt — aan de ganse maatschappij onaangenaamheid en stoornissen bereidt. Intussen loopt het proletariaat door een dergelijke staking steeds gevaar evenveel in sympathie bij alle andere klassen te verliezen als zij aan indruk wint, een omstandigheid die ook sociaaldemocratische tegenstanders van energieke, onvervaarde acties van het proletariaat ertoe gebracht heeft de arbeiders in ieder geval de uiterste gematigdheid bij de betogingsstaking aan te bevelen.

Een verder nadeel van deze soort staking is dat zij bij eventuele herhaling, wat duur of uitgebreidheid — of beide tegelijk — betreft, beslist versterkt moet worden, als haar indruk groter of ook maar dezelfde zal zijn, een omstandigheid die het op zichzelf reeds onmogelijk maakt haar vaak toe te passen. Kan ook al bij deze staking van een bepaald succes of een eigenlijke nederlaag geen sprake zijn — daar zij naar haar aard van rechtstreeks resultaat afziet —, dan zal toch haar meer of minder schitterend verloop, haar grotere of geringere uitbreiding, de energie en zelfbeheersing die het proletariaat erbij toont, in ieder geval in verband met de algemene toestand een spoedig merkbare invloed uitoefenen. Zij zal de heersende klassen voorwaarts drijven op de weg van de door het proletariaat gewenste concessies of ook integendeel soms deze klassen van concessies afhouden, daar de eensgezindheid en kracht van het proletariaat hun in de staking groter bleken dan zij meenden. In dit geval zal zij de reactie versterken, maar ook het klassenbewustzijn van de arbeiders vergroten, kortom, de staking zal de verscherping van de klassentegenstelling sneller voorwaarts drijven.

Het grote meningsverschil in de boezem van de sociaaldemocratie omtrent de toepasselijkheid van de werkstaking als politiek strijdmiddel heeft betrekking op de staking die niet volstaat met protesteren of demonstreren, maar die een wapen in de strijd tegen de regering wil zijn. Zij het dat zij voor een belangrijke bijzondere actie van het proletariaat aanvaard wordt, zij het dat zij zich ontwikkelt tot de beslissende strijd om de politieke heerschappij, — is het voor het proletariaat mogelijk, een van beide doeleinden langs deze weg te bereiken?

Op deze vraag antwoorden de onvoorwaardelijke tegenstanders van de politieke massastaking met: neen. Het schijnt hun uitgesloten dat langs de weg van de staking voor de arbeiders grote politieke beslissingen naar hun wens verkregen kunnen worden. De rijkdom van de kapitalistische klassen in geld en verbruiksmiddelen, zowel als de rijkdom van de regering in georganiseerde dwang- en onderdrukkingsmiddelen maken naar hun mening de toepassing van economische pressiepogingen tot een hopeloos achterstaan. Het proletariaat, als de klasse der bezitlozen, kan evenmin de klasse der bezittenden ‘uithongeren’, als het zich tegenover de staatsmacht kan staande houden.

De mening van de tegenstanders van de politieke massastaking, dat de economische nederlaag van de heersende klassen door ‘uithongering’, zoals de geliefkoosde uitdrukking luidt, bij middel van staking onmogelijk is, onderschrijven ook wij volkomen.

Daartoe zou de duur van de staking bij lange na niet voldoende zijn, zij zou het weerstandsvermogen van het proletariaat ver overschrijden.

De staking te beperken tot enige bedrijfstakken ware belachelijk onvoldoende; elke grotere uitbreiding echter zou voor de arbeiders van noodlottige uitwerking worden, daar zij hun een deel van de hulpmiddelen, die de verderwerkende kameraden hun anders verstrekken konden, zou onttrekken.

Het is echter ook nog op andere gronden volstrekt onmogelijk, de heersende klassen door ‘uithongering’ te verslaan. Zoals G. Eckstein in de Neue Zeit (XXII, I, 12) aantoont, kunnen op deze wijze de stoffelijke belangen van zekere categorieën van de van meerwaarde levende personen in het geheel niet getroffen worden. Het grootgrondbezit, het geldkapitaal zowel als het koloniale kapitaal kan men bij middel van staking niet bij de kladden krijgen.

Resten: de industriële kapitalisten. Deze kan de staking ongetwijfeld aanmerkelijk schade toebrengen, hierop berust ook ten dele haar invloed; maar hen ten ondergang brengen, als kapitalisten vernietigen, dat vermag zij niet. In een langdurige strijd zou de zege ongetwijfeld ten deel vallen aan hen die zich in het bezit bevinden van alle belangrijke voortbrengingsmiddelen, benevens van alle grote voorraden verbruiksmiddelen. Terecht vestigt Leimpeters in de Sozialistische Monatshefte (II, 2, bl. 880) er de aandacht op dat de staking juist de machtigste kapitalisten het minst kan treffen. De onmetelijk rijke grote financiers, de spoorweg- en petroleumkoningen, de kolenbaronnen en staalmagnaten, hen allen zou de hevigste economische storm nauwelijks doen wankelen. “De grootkapitalisten zullen”, zegt Leimpeters, “in een strijd waarin het voor hen ten slotte om zijn of niet-zijn gaat, door geen achtdaagse arbeidsrust overwonnen kunnen worden.” Ja, als het er om ging, de kapitalisten door de staking te overwinnen, tot ‘niet-zijn’ te brengen, dan zou ook een achtmaandse werkstaking nauwelijks voldoende zijn. Het grootkapitaal is door de economische werkingen van de staking niet te overwinnen, eenvoudig wijl de kapitalisten kapitalisten, d.i. bezitters van de voortbrengingsmiddelen zijn.

De heren monopolisten zouden niet dralen hun voorraden gedurende de strijd tot waanzinnige prijzen te verkopen en een aardig extra winstje in te palmen. Zodra de staking door de economische uitputting van de arbeiders beëindigd zou zijn en de productie weer onder de oude maatschappelijke verhoudingen aanving, zou de meerwaarde, die de kapitalisten opnieuw toevloeide, het eventueel geleden verlies spoedig weer vereffenen.

Wel zou de ondergang van vele kleine kapitalisten en hun verdringing door groteren een van de gevolgen van de staking zijn; het tempo van de kapitalistische samentrekking zou versneld worden; de arbeidersklasse echter bereikte daardoor slechts dat haar uitbuiters nog machtiger gemaakt werden dan zij tevoren waren.

Als verbruikers echter kan men de grote kapitalisten nog veel minder te na komen; het uithongeren in deze zin heeft nog minder kans op succes! De almacht van de rijkdom speelt het zelfs in een belegerde, letterlijk uitgehongerde stad klaar, de gewone weelde te vinden. Dit zou ook gedurende een staking het geval zijn.

Maar de politieke massastaking stelt zich niet het onmogelijke doel, de kapitalistische maatschappij ‘uit te hongeren’. Wie haar op die grond bestrijdt, bestrijdt slechts een dwaalbegrip, dat zich in zijn hoofd vormde ten gevolge van de verwarring tussen politieke staking en economische algemene werkstaking.

De politieke werkstaking richt zich tegen de staat; zij tracht niet de maatschappij uit een te halen, doch de politieke machthebbers tot wijken te brengen.

Deze druk op de regering is zowel van directe als van indirecte aard. De indirecte druk wordt uitgeoefend door de maatschappelijke crisis die de staking teweegbrengt en die natuurlijk des te heviger uitwerking heeft naarmate zij algemener is, naarmate zij langer aanhoudt en naarmate de door de staking aangegrepen bedrijfstakken belangrijker zijn voor het maatschappelijk organisme. Het grootbedrijf staakt de productie, het verkeer staat geheel stil of is aanmerkelijk gestoord, de berichten bereiken niet of ongeregeld en te laat hun doel de prijs van de levensmiddelen stijgt snel, verlichting, reiniging, communicatiedienst, misschien ook watertoevoer zijn in de grote steden, de centra van de bevolking, afgesneden. Men leeft als in een vijandelijk land, aan de stoffelijke belangen van de middenstand wordt zware schade toegebracht, de handelsbetrekkingen worden met de dag slechter. Ieder bezitter vreest voor eigendom en leven, het geld heeft zijn almacht verloren: deze nieuwe, beklemmende toestand van maatschappelijke machteloosheid vervult de kapitalistische klassen met zenuwachtige angst. Ieder kijkt naar de regering om hulp, zij moet snel en krachtig handelen, de eigendom bewaken en beschermen, rust en orde handhaven, bovenal echter: aan de stilstand van productie en verkeer spoedig een einde maken, die ontzaglijke massa’s rustende arbeiders weer in de mijnen, fabrieken en werkplaatsen opsluiten, opdat het leven zich opnieuw in het oude spoor voortbeweegt. Hoe echter zal de regering dat tot stand brengen?

De politieke werkstaking is een nationale opstand: ook in de achterlijke of afgelegen plaatsen, waar nog gewerkt wordt, dreigt zij uit te breken; de gisting grijpt de arbeiders van het ganse land aan. Overal is onrust, overal gevaar. Onderdrukkingsmaatregelen van nationale draagwijdte worden vereist om de staking meester te worden, d.w.z. het proletariaat te desorganiseren.

Wel beschikt de huidige staat over geweldige onderdrukkingsmiddelen, maar zal hij ze in dit geval geheel kunnen ontplooien?

Die machtsmiddelen berusten vooral op de kracht van het modern bewapend leger, alsmede op de verkeersmiddelen voor berichten, personen en goederen. Opdat echter de staat zijn machtsmiddelen geheel kan ontplooien, is het volstrekt nodig dat er een snelle, zekere verbinding bestaat tussen het centrale gezag en alle delen van het land. Uit alle bedreigde punten, alle industriële centra eist men troepenzendingen, alom verlangt men spoedige, nauwkeurige bevelen. Maar alle verbindingen zijn onzeker, elke regelmatige en snelle communicatie is onmogelijk. De gecentraliseerde staat valt uiteen; elke provincie, elk district wordt aan zichzelf overgelaten, de onderdrukkingsmaatregelen van de regering moet het aan beraamde samenhang, aan eenheid ontbreken.

Dit is echter niet de enige oorzaak van de desorganisatie van de staat. Verderop zullen wij onderzoeken of zijn voornaamste machtsmiddel, het leger, ook zonder eenheid van actie in staat zou zijn om een volksopstand met geweld te onderdrukken en hoe het zich waarschijnlijk tegenover de strijdenden zou verhouden. Hier willen wij enkel opmerken, dat de staking geenszins aan het leger gelegenheid behoeft te bieden om gewelddadig op te treden. Het geweld kan zich niet uiten, zolang zich geen tot overweldiging geschikt object aanbiedt. De staking behoeft geen oproerig karakter aan te nemen, de massa van de stakers kan vreedzaam blijven, botsingen met de gewapende macht uit de weg gaan, plundering, opstootjes vermijden. Zij kan bij elke sommatie uiteengaan, doch steeds weer samenkomen, steeds de onzichtbare, innerlijke samenhang bewaren die haar door klassenbewustzijn en eenparig streven verleend wordt.

Anders bij de heersers. Onder hen bestaan sedert de aanvang meningsgeschillen over de vraag, hoe de staking het best en het snelst onderdrukt kan worden. Er zijn vechtersbazen, die energiek optreden, een bloed- en ijzertactiek eisen; slimmerds, die tarten of verleiding willen toepassen; gematigden, die een politiek van toegeven wensen; ontevredenen, die de gebeurtenissen aan onbekwaamheid en besluiteloosheid van de regering toeschrijven. Naarmate de gevolgen van de maatschappelijke crisis in hevigheid toenemen, de prijzen van de nodigste levensmiddelen — brood, vlees, melk — stijgen, het gevaar van plundering, van uitspattingen van het lompenproletariaat wast, algemene ontevredenheid en onzekerheid groter worden, naar die mate neemt ook de onenigheid in de rijen van de politieke machthebbers toe. Met elk nieuw teken van hun besluiteloosheid en verwarring dringen de revolutionaire massa’s sterker vooruit, groeien hun vastberadenheid en zelfvertrouwen. Het politiek succes nadert als het resultaat van hun economische machtsmiddelen; de overwinningskans keert zich naar hun zijde, naar de zijde van de taaiste en weerstandskrachtigste organisatie. De uitwerking van zulk een succes wordt door Kautsky aldus aanschouwelijk uitgebeeld:

“Slagen de stakers erin, zolang hun samenhang en doelbewuste lijdzaamheid te bewaren tot zij het regeringsgezag hier of daar gedesorganiseerd hebben, zij het dat zij erin slagen factoren, die de regering nodig heeft, op hun kant te halen, zij het dat de regering zelf door order-, tegenorder, wanorde, verwarring, zwakheid en radeloosheid onder haren aanhang kweekt, dan is het proletariaat op weg naar de overwinning; de bezitters verliezen dan het vertrouwen dat de regering hen beschermen kan, de vrees komt onder hen op dat elk verder verzet hun tot verderf zou kunnen strekken, zij dringen bij het regeringsgezag sterk op toegeven aan, zij laten het in de steek om met het opkomend gezag te onderhandelen en te redden wat te redden is; de regering verliest allen grond onder de voeten en het staatsgezag valt toe aan die klasse die haren organisatorische samenhang in deze crisis het langst heeft weten te bewaren, wier kalmte en zelfvertrouwen de sterkste indruk maakte op de grote onverschillige massa, die door haar bezonnen kracht zelfs haar tegenstanders ontwapende: aan het sociaaldemocratisch geschoolde proletariaat.” (Neue Zeit, XXII, I, 22, bl. 695.)

Deze beschouwingen willen slechts aantonen, dat de overwinning aan het proletariaat ten deel kan vallen, zonder dat van uithongering, van economische vernietiging van de kapitalistische klassen sprake is. Of het echter zo gebeuren zal, dat hangt af van een reeks voorwaarden en omstandigheden die nog nader onderzocht moeten worden. Thans behoeft slechts dit geconstateerd te worden: met het vervallen van het uithongeringsdoel vervalt ook een aantal onmogelijkheden, die aan het welslagen van elke politieke massastaking anders noodzakelijk in de weg staan. Niet de economische, maar de organisatorische meerderheid van de klasse wordt beslissend; daarmee verdwijnt elke noodzaak tot een zo lange duur van de strijd, dat het uithoudingsvermogen van het proletariaat verre overschreden zou worden en onverbiddelijk of met radeloze onderwerping of met radeloze gewelddadigheid zou moeten eindigen.

Ongetwijfeld zal ook de overwinning door desorganisatie van de regering niet binnen zeer korte tijd te bereiken zijn. En iedere dag die zij er in slaagt zich staande te houden en de staking langer te rekken, brengt voor de massa het gevaar van economische uitputting en ineenzakken naderbij, het gevaar dat de nood haar dwingt hetzij de nek onder het juk te buigen, hetzij de perken der burgerlijke rechtsorde te doorbreken.

Waren de arbeiders slechts in staat de strijd gedurende zeer korte tijd, enige weinige dagen uit te houden, dan, ja, stond het slecht met hun kansen. Onder bepaalde voorwaarden echter behoeft dit niet het geval te zijn. Bij de beantwoording van de vraag: hoe spoedig zal de honger de arbeiders tot onderwerping dwingen, moet men niet vergeten, dat geenszins van een volstrekt, maar slechts van een betrekkelijk gebrek aan voedingsmiddelen sprake kan zijn. In de huidige maatschappij met haar kolossaal ontwikkelde productiekrachten zijn immers te allen tijde grote voorraden verbruiksmiddelen opgestapeld, en voordat deze opgeteerd zijn, verloopt reeds enige tijd. Er zijn wel enkele levensmiddelen, zoals het brood, die slechts voor zeer korte tijd vooraf bereid kunnen worden, deze kunnen echter zo nodig door andere, als rijst, bonen enz., vervangen worden. Niet een volstrekt gebrek aan levensmiddelen bedreigt de arbeiders, doch de prijsstijging van de waren. Deze prijsstijging zou weliswaar, daar de meeste levensmiddelen voor het proletarisch gebruik in minderwaardige kwaliteiten aangemaakt worden, vermoedelijk geringer zijn dan bij de eersterangswaren, maar toch zou de arbeidersklasse haar zwaar voelen. Voor zulke gevallen komt een reeks hulpmiddelen in aanmerking die het proletariaat gedurende de crisis staande kunnen houden. Vooreerst voor de beter gestelde arbeiders hun eigen voorraden: menig arbeidersgezin zou zich met zijn spaarpenningen enige tijd boven water kunnen houden. In de tweede plaats komt de ondersteuning van de vakverenigingskassen en verbruikscoöperaties in aanmerking; beide zouden het proletariaat tot aanmerkelijke steun kunnen zijn, deze met waren, gene met geld. Verder het krediet dat bakker en winkelier toch ook bij staking, werkloosheid enz. verlenen, en moeten verlenen, om niet hun proletarische klanten voor altijd te verliezen. Eindelijk de geldmiddelen die de strijders uit de tussenlagen toevloeien, indien de publieke opinie hun gunstig is. Ten slotte de geldzendingen van het internationale proletariaat.

Zeker, ook in het gunstigste geval zouden de strijdende arbeiders door veel nood en veel ontbering getroffen worden. Maar nood en ontbering komen ook thans bij vele stakingen voor, zonder dat de stakers het daarom aanstonds opgeven. Oneindig veel kunnen de mensen uithouden, als grote dingen voor hen op het spel staan, als een grote zaak hun geestdrift inboezemt, ja zelfs reeds als een sterke discipline hen bijeenhoudt. De geschiedenis van ontelbare oorlogen en belegeringen leert ons dit, zowel als die van vele uitsluitingen en stakingen. Bij het proletariaat werken beide elementen samen: opoffering voor een groot doel en discipline; daaruit put het verbazingwekkende kracht.

Ongetwijfeld zou de bourgeoisie er gedurende een revolutionaire stakingsperiode stoffelijk beter aan toe zijn dan de arbeidersklasse; zij zou het voordeel hebben van beter approviandering, het proletariaat echter het voordeel van minder behoeften te bezitten. De vertroetelde bourgeois voelt reeds het ontbreken van de gewone weelde als een ernstige kwelling. De proletariër daarentegen is tegen de ontberingen van het leven gehard en gewoon te derven. Hoe menig arbeidersgezin is er niet dat bij werkloosheid of ziekte van de kostwinner terstond tot beperking van de levensstandaard overgaat. De harde school van het leven staalt het proletariaat, geeft het in dagen van strijd een moreel overwicht op het materieel overwicht van de bourgeoisie.

Er is dus geen reden om aan te nemen dat een georganiseerde, gedisciplineerde, over gemeenschappelijke kassen en instellingen beschikkende arbeidersbevolking de staking slechts weinige dagen zou kunnen uithouden. Ook in dit opzicht kunnen de Russische gebeurtenissen enige lering verstrekken. Zij tonen hoe zelfs ongeorganiseerde, ongeschoolde massa’s met ellendige levensstandaard de strijd verscheidene weken konden voortzetten, zonder dat hongeroproeren uitbraken.

De Russische arbeidersklasse heeft echter bovendien de politieke massastaking toegepast in een vorm die het mogelijk maakt haar over weken en maanden uit te breiden, zonder het proletariaat door volledige uitputting in gevaar te brengen. De algemene werkstaking wordt om zo te zeggen geparcelleerd; het komt niet tot een algemeen, gelijktijdig neerleggen van de arbeid in alle belangrijke bedrijfstakken, doch de beweging neemt de vorm aan van een reeks zowel gelijktijdige als opeenvolgende stakingen, die voortdurend zowel in nieuwe bedrijven uitbreken als zich in oude herhalen. Deze slepende vorm van de politiek-revolutionaire werkstaking kan wel niet zo snel een beslissing brengen als het algemeen gelijktijdig neerleggen van de arbeid in de belangrijkste productietakken; zij lijkt in aard en gevolgen minder op een stormloop dan op een beleg. Op de duur echter kan zulk een stakingsbeweging, die elke bestendigheid van het maatschappelijk leven ondermijnt, die industrie en handel van elk gevoel van zekerheid berooft, ongetwijfeld de desorganisatie van de staat bewerkstelligen. Daartoe is het bovenal nodig dat het proletariaat in staat is, de stakingsbeweging met korte tussenpozen steeds weer opnieuw te beginnen, de rustige productie tot uitzondering, stilstand en crisis daarentegen tot de gewone maatschappelijke toestand te maken, dus alle normale maatschappelijke verhoudingen op de kop te zetten.

Deze beschouwingen hebben geenszins tot doel te loochenen dat de approviandering van de massa gedurende een politiek-revolutionaire stakingsperiode tot de moeilijkste vraagstukken behoort. Dit vraagstuk wordt echter niet opgelost door, zoals de onvoorwaardelijke tegenstanders van de politieke staking in onze gelederen doen, de moeilijkheden op een te stapelen, zich daardoor elk uitzicht te versperren en van de oplossing zonder meer af te zien. De studie van de geschiedenis leert ons hoe elke revolutie de voortbrenging min of meer tot stilstand brengt. Er is nauwelijks ooit een revolutionaire crisis geweest die niet voor de volksmassa armoede en gebrek op grote schaal meebracht. De geschiedenis leert ons echter ook dat een revolutionaire beweging niet noodzakelijk behoeft te mislukken en leert ons verder dat de verscherping van de revolutionaire crisis een noodzakelijk gevolg van de ellende van de volksmassa was. Vooral de studie van de grote Franse Revolutie is in dit opzicht zeer leerrijk.

Uit de voorgaande beschouwingen over de hulpbronnen die de arbeiders bij een politieke massastaking ten dienste staan en over de vormen die zij kan aannemen, blijkt in ieder geval dat het niet volstrekt haar noodlot behoeft te zijn, reeds in de eerste dagen van de strijd, voordat de overwinning nog in het verschiet kan zijn, de rechtsorde te doorbreken en een nederlaag te verwekken. Daarmee echter vervalt de tweede ‘onmogelijkheid’ die aan een eventuele overwinning in de weg staat: de onvermijdelijke botsing met de gewapende macht. Wil de regering met behulp van het leger, d.i. door geweld, de staking meester worden, dan kan dit slechts geschieden doordat de stakers van het doelbewust passief verzet tot het actief verzet overgaan. Want om het passief verzet te breken, om de arbeiders met geweld weer aan de arbeid te drijven, daartoe is de kracht van het machtigste leger niet toereikend. Bij de eigenlijke grootindustrie is iedere poging om de arbeiders tot voortbrenging te dwingen onmogelijk. In het verkeerswezen en in de berichtendienst zullen pogingen tot dwang eerder aangewend worden. Of zij echter iets zouden kunnen uitrichten, is een andere vraag. In het moderne, op groots arbeidsverdeling berustende productieproces grijpt alles ineen; zodra het functioneren van een onderdeel onderbroken wordt, is het ganse organisme gestoord. Dit geldt voor ieder afzonderlijk bedrijf zowel als voor het geheel van de maatschappelijke arbeid. Nemen wij bv. het spoorwegbedrijf. Van Kol voert het geval van de machinist aan, die met de revolver tot de arbeid gedwongen zou worden. Hoe is hij echter in staat die arbeid te volbrengen, als niet eveneens stokers, seinwachters, rangeerders enz. hun arbeid verrichten? Zijn arbeid is toch slechts een enkel radertje in het ontzaglijk samengesteld mechanisme van het moderne verkeer. Moet het gehele spoorwegpersoneel ‘met de revolver’ tot de arbeid geprest worden? Is de staking algemeen, dan zal het leger niet toereikend zijn om de arbeiders tot de voortbrenging te dwingen. Dit is in strijd met het karakter van het moderne productieproces. Toepassing van geweld tot dit doel kan slechts sporadisch plaats vinden en zal op het totale verloop van de strijd nauwelijks invloed hebben.

D. De voorwaarden tot de politieke massastaking [29]

De eerste voorwaarde tot de politieke massastaking is een talrijk, in het grootbedrijf geconcentreerd proletariaat. In landen waar de concentratie van het kapitaal gering is, het proletariaat zwak in aantal en versnipperd is, de kleinburgerlijke productiewijze de overhand heeft, het grootste deel van de bevolking op het platteland leeft, vrije boeren en ambachtslieden haar ruggengraat vormen — in zulke landen is de overwinning van de politieke massastaking evenzeer uitgesloten als die van het proletariaat in het algemeen. Zodra echter de kapitalistische ontwikkeling zover gevorderd is dat zich een, zij het dan ook vergeleken bij de totale bevolking nog zwak, grootindustrieel proletariaat gevormd heeft, zal, wanneer andere strijdmiddelen, bovenal politieke rechten nog ontbreken, de politieke staking toegepast kunnen worden. Bij een gezamenlijke strijd van alle moderne klassen tegen voorkapitalistische staats- en uitbuitingsvormen zal zij ook het eigenaardig proletarische revolutionaire wapen vormen en maatschappelijke gevolgen teweeg brengen die, indien zij ook al op zichzelf niet voldoende zijn om het bestaande staatsgezag omver te werpen, toch aanmerkelijk daartoe kunnen bijdragen.

Haar ganse kracht echter zal de politieke staking slechts in economisch hoogontwikkelde landen kunnen ontplooien, in landen waar de agrarische bevolking bij de industriële ten achter staat en het proletariaat een aanzienlijk gedeelte van de totale bevolking uitmaakt. Hoezeer dit reeds in de landen van het ontwikkeld kapitalisme het geval is en steeds meer wordt, bewijzen de volgende cijfers:

Duitsland
1882: zelfstandigen 344 niet-zelfstandigen 640 per 1000
1895: 249 751 1000
België
1895: 183 817 1000

De Duitse cijfers hebben betrekking op industrie, handel en akkerbouw, de Belgische alleen op de industrie. In Duitsland vormden dus de zelfstandigen in 1895 24,94 percent der bevolking, de arbeiders 75,06 percent.

Niet alleen echter de massale opeenhoping van het proletariaat moet in aanmerking genomen worden, maar ook zijn samenstelling.

Hoe talrijker deel van de arbeidersklasse van een land in de midden- en grootbedrijven samengetrokken is, des te groter is de mogelijkheid van de politieke massastaking. Haar kansen tot welslagen zijn gunstiger bij een in aantal zwakker, maar in grootindustriële bedrijven samengetrokken proletariaat, dan bij een wel talrijker, maar over een menigte kleinbedrijven verspreide arbeidersklasse. Deze is voor de propaganda moeilijk toegankelijk, zij leeft in groter morele afhankelijkheid van haar broodheren, het kost oneindige moeite haar in een economische of politieke beweging mee te slepen. Bij haar zou de politieke staking slechts geringe kansen hebben, in elk geval zou zij zich slechts langzaam kunnen uitbreiden. In de productie zijn de kleinbedrijven onafhankelijk van elkaar, de stilstand van het ene heeft volstrekt niet noodzakelijk de stilstand van het andere ten gevolge. In de grootindustrie echter wordt ten gevolge van hun hogere organisatie de ganse productie van een bedrijf tot stilstand gebracht, als een deel van de in dat bedrijf tewerkgestelde arbeiders het werk neerlegt.

De neiging van de kapitalistische productiewijze is de voortdurende groei van het groot- en midden- ten koste van het kleinbedrijf. Hoe snel deze centralisatie plaats heeft en hoe ver zij in de ontwikkelde industrielanden reeds gevorderd is, daarvan getuigen de volgende cijfers over de beweging van de klein- midden- en grootbedrijven in Duitsland:

Bedrijven
1882 1895
Vermeerdering of vermindering
Kleinbedrijf: eenpersoons bedrijven 1.877.872 1.714.351 - 163.521 - 8,7 pct.
Gezellenbedrijven: 1-5 personen 1.004.896 1.220.372 + 215.376 + 21,4 pct.
Middenbedrijf: 6-50 personen 112.715 191.301 + 78.586 + 69,7 pct.
Grootbedrijf: 51 en meer personen 9.974 18.953 + 8.979 + 90 pct.
Personen
1882 1895
Vermeerdering of vermindering
Kleinbedrijf: eenpersoonsbedrijven 1.887.872 1.714.351 - 163.521 - 8,7 pct.
Gezellenbedrijven: 1-5 personen 2.457.950 3.056.318 + 598.368 + 24,3 pct.
Middenbedrijf: 6-50 personen 1.391.720 2.454.333 + 1.062.613 + 76,3 pct.
Grootbedrijf: 51 en meer personen 1.612.247 3.044.267 + 1.431.020 + 88,7 pct.

Op elke 100 tewerkgestelde personen vielen in 1895 op het kleinbedrijf 39,9, op het middenbedrijf 23,6 en op het grootbedrijf 36,3 pct.; dus op midden- en grootbedrijf samen 60 pct. Van de 10.269.269 arbeiders werkten er in 1895 reeds 5.498.600 in midden- en grootbedrijven.

In België zijn de cijfers van het grootbedrijf nog iets gunstiger. Er werkten in 1896 per honderd arbeiders:

Kleinbedrijf (1-4 personen) 16,56
Middenbedrijf (5-49) 19,85
Grootbedrijf (50-500) 26,96
Meer dan 500 16,97

Er werkten dus 63,78 pct. van alle arbeiders in midden- en grootbedrijven. Van deze behoorden er 36 pct. tot het gecombineerde reuzenbedrijf.
Uit deze cijfers blijkt echter het overheersen van groot- en reuzenbedrijf nog lang niet zo sterk als inderdaad het geval is. De concentratie van de productiemiddelen is veel verder gevorderd dan die van de arbeiders. De Duitse bedrijfsstatistiek van 1895 geeft de volgende verhouding aan als het gemiddeld aantal personen en paardenkrachten die aangewend werden in de bedrijven welke met arbeiders en krachtwerktuigen werkten:

Bedrijven met
Op 1 bedrijf komen
personen personen paardenkrachten
1-5 2,6 0,3
6-20 9,3 2,2
21-100 41,6 16,8
101-1000 231,5 161,2
1001 en meer 1900,8 2247,5

Het is duidelijk dat het aantal paardenkrachten veel sneller stijgt dan dat van de in het bedrijf tewerkgestelde personen. Men merkt bovendien op dat één paardenkracht met 24 menselijke arbeidskrachten wordt gelijk gesteld.

Uit dit kolossaal aantal paardenkrachten valt, zoals het eindverslag van de bedrijfsstatistiek zich uitdrukt, het geweldige overwicht te verklaren, dat de grootbedrijven in de huidige economie veroverd hebben. In 1895 volbrachten de 296 reuzenbedrijven reeds een vijfde en de bedrijven met meer dan 100 personen meer dan de helft van de productie, de kleinbedrijven (beneden 20 personen) echter slechts een vierde.

Eerst uit deze cijfers wordt men de werkelijke overheersing van het grootbedrijf gewaar. Er blijkt uit dat als in de 18.953 grootbedrijven de productie onderbroken wordt, de 2.934.723 kleinbedrijven, zelfs vermeerderd met de 191.301 middenbedrijven, hoogstens een vijfde of een kwart van de productie zouden kunnen leveren. Niet de gehele voortbrenging van een industrieel ontwikkeld land behoeft dus stilgelegd te worden, opdat de arbeiders een sterke druk op de maatschappij zullen kunnen uitoefenen. Het stilstaan van de grootbedrijven zou voldoende zijn. Dit echter zou reeds door te voeren zijn wanneer nog geen 40 %. der arbeiders van een hoogontwikkeld industrieland als Duitsland in staking gingen.

De groot- en kleinbedrijven zijn echter niet gelijkmatig over alle productietakken verdeeld. Integendeel. Terwijl in menige nijverheidstak het kleinbedrijf nog stand houdt, heeft in andere het reuzenbedrijf reeds haast de alleenheerschappij veroverd. In Duitsland werkten volgens de bedrijfstelling in 1895 van elke 100 personen in het grootbedrijf (met meer dan 50 arbeiders) in de volgende bedrijven:

Mijnbouw 95,2 personen
Chemische industrie 61,7
Textiel industrie 59,2
Machine industrie 59,0
Papier industrie 50,8
Steen en aarde industrie 47,7

In de mijnbouw behoren zelfs 45,3 pct. van alle arbeiders tot de reuzenbedrijven met meer dan duizend personen. In de belangrijkste takken van de moderne industrie: mijnbouw, staal- en ijzer-, chemische en textielindustrie, is dus de concentratie het verst gevorderd.[30]

Het allereerst in de mijnbouw. En juist in deze nijverheidstak hebben de werkstakingen, zoals uit ons onderzoek naar de economische massastakingen van de laatste jaren bleek, haast de sterkste maatschappelijke schokken teweeggebracht en zich tot belangrijke politieke gebeurtenissen uitgebreid. In landen die geen af slechts onbetekenende mijnbouw hebben, zal dus aan de politieke werkstaking steeds een van haar belangrijkste steunpunten ontbreken.

Slechts in één ander bedrijf bleken de maatschappelijke en politieke gevolgen van de werkstaking nog gewichtiger dan in de mijnbouw, nl. in het spoorwegbedrijf. Hier is van concentratie nauwelijks sprake, aangezien de voor dit bedrijf nodige geweldige kapitalen het al aanstonds haast enkel als reuzenbedrijf in de vorm van de naamloze vennootschap lieten opkomen. Het spoorwegbedrijf bevindt zich dus in handen van een klein aantal machtige maatschappijen, of wel de eisen van het verkeer, zomede militaire overwegingen hebben de staat tot alleeneigenaar van de voornaamste spoorweglijnen gemaakt.[31]

In het laatste geval bevindt zich dus het spoorwegpersoneel in dezelfde positie als het post en telegraafpersoneel. De omstandigheid dat er staatsmonopolie is, verhoogt hun economische afhankelijkheid en de politieke macht van hun broodheer berooft hen — tenzij de staat een volkomen democratie is — van elke politieke bewegingsvrijheid en maakt ook daar, waar hun verenigings- en vergaderrecht wettelijk gewaarborgd wordt, deze rechten illusoir. Voor de afzonderlijke economische staking ontbreekt hun meer en meer de mogelijkheid; slechts in een tijd van algemene gisting, ondersteund door de ganse arbeidersklasse, kunnen zij het wagen te staken. De politieke staking is — en wordt voor de spoorwegarbeiders elke dag meer — de enig mogelijke vorm van staking; zij zetten daarbij echter hun ganse bestaan op het spel.

In hun positie maakt het weinig verschil, of de staat dan wel particuliere kapitalisten als ondernemers fungeren. De neiging der maatschappelijke ontwikkeling is voor hen in beide gevallen in de richting van toenemende afhankelijkheid, van verminderende bewegingsvrijheid, ten gevolge van hun onontbeerlijkheid zowel voor het maatschappelijk leven als voor de staatsorganisatie. Want zijn de spoorwegarbeiders in grote mate van de staat afhankelijk, zo de staat, naar wij zagen, niet minder van hen. De onderbreking van de spoorwegdienst verlamt de staatsorganisatie en haar middelen tot heerschappij. Vandaar het streven, zowel waar de staat als ondernemer optreedt, als ook waar dit niet het geval is, om door militaire tucht het spoorwegpersoneel van de moderne arbeidersbeweging af te houden. Vandaar de opkomst van een speciale wetgeving die de staking van het spoorwegpersoneel tot een misdrijf stempelt dat met lange jaren gevangenisstraf beboet moet worden.

Het is duidelijk dat het spoorwegpersoneel, dat zich geheel in de economische afhankelijkheid van machtige monopolisten, zomede in de politieke afhankelijkheid van de staat bevindt, voor de politieke massastaking in een zeer ongunstige positie is. Alle voorwaarden die bij het proletariaat aanwezig moeten zijn, wil het de grote meerderheid van de arbeiders van een bedrijfstak meeslepen, worden hier in de hoogste mate vereist. Niet slechts sterke organisatie, helder klassenbewustzijn, diepe ontroering zijn nodig om het spoorwegpersoneel tot staken te brengen, maar daarenboven goede kansen op succes. Dit succes echter moet, zoals Kautsky opmerkt, willen zij zich zonder al te grote gevaren bij een staking aansluiten, in de verwerving van een door het proletariaat beheerste regering, van een proletarisch regime bestaan. Bij de protest of demonstratiestaking, in het algemeen bij iedere staking die niet de beslissende strijd met het burgerlijk staatsgezag brengt, zal waarschijnlijk van het deelnemen van het spoorwegpersoneel steeds minder; in elk geval slechts in beperkte mate, sprake zijn. Het is dus even kenmerkend als verklaarbaar dat de massa van de spoorwegarbeiders zich bij geen van de politieke stakingspogingen van de laatste jaren aangesloten heeft. Zij waagden daarmee te veel; de beweging was in geen enkel geval indrukwekkend, overweldigend genoeg om hen mee te slepen. In Holland, waar de staking hun eigen zaak betrof, waar de voorafgegane propaganda grotendeels ten doel had het spoorwegpersoneel te winnen, waar zij bovendien kort tevoren een sensatie makende overwinning behaald hadden, staakten van hen nog geen 20 percent.

* * *

Het moderne staatsgezag is het proletariaat in alle stoffelijke hulpmiddelen van politieke en economische aard verre de baas. Het feit van de politieke staking kan daarin geen wijziging brengen. Zomin als economisch door uithongering, kan het proletariaat in politiek opzicht de tegenstander overwinnen door machtsontwikkeling van dezelfde aard als de staat aanwendt, door geweld.

In een enkel opzicht echter is het proletariaat de heersende klasse van huis uit de baas: in aantal. De zelfstandige organisatie van het proletariaat is de stelselmatige toepassing van dit aantal in de klassenstrijd. De politieke staking, vooral als zij meer dan demonstratie of protest, als zij pressiemiddel wil zijn, is een uiterste worsteling tussen de staatsorganisatie en de proletarische organisatie.

Deze beide zijn echter geheel verschillend van aard: de eerste is dwangorganisatie, de tweede vrijwillige organisatie. De macht van de eerste berust bovenal op haar stoffelijke geweldmiddelen; die van de tweede, waaraan deze middelen ontbreken, kan de stoffelijke overmacht van de staat slechts door zedelijk overwicht breken.

Niet zozeer de fysieke overmacht als wel de betere organisatie van het heersers apparaat vormt, volgens Kautsky, de grondslag van alle heersersmacht. Ook bij organisaties van hetzelfde type, bijvoorbeeld bij twee legers, valt het grote voordeel waar te nemen dat — zelfs bij ongeveer gelijk aantal en bewapening — organisatorische meerderheid verschaft. Nog veel dieper gevolgen echter heeft het onderscheid tussen organisaties van verschillend type, zoals de dwangorganisatie van de staat en de proletarische vrijwillige organisatie.

De moderne, gecentraliseerde, op bureaucratie en militarisme steunende staatsorganisatie beschikt wel over geweldiger heerschappijmiddelen dan enige vroegere heersersmacht, in één belangrijk opzicht echter staat zij, naar bekend is, bij die vroegere ten achter. De organisatie van de feodale en in geringer mate ook die van de absolutistische staat was de organisatie van de heersende klassen zelf. Leger, administratie, justitie waren in hun handen. In de burgerlijk-kapitalistische staat echter hebben de heersende klassen zich aan de heerserstaak onttrokken, om zich uitsluitend aan geldverdienen en aan genot te kunnen wijden. Daarom is de burgerlijke staat minder een organisatie van de burgerlijke klasse dan een organisatie, welke aan deze klasse diensten bewijst. De elementen waardoor hij gevormd wordt zijn niet dezelfde die de staat beheersen; zij zijn door de kapitalistische klassen gekocht, om hun staatsbelangen waar te nemen. Zij kunnen zonder enige neiging in dienst van de staat zijn overgegaan, deze, de bureaucratische elementen, ter wille van de inkomsten, genen, de militaire, grotendeels door dwang geprest. Lang niet alle dienaren van de staat zijn van gelijke liefde tot die staat vervuld! Integendeel, er is een aantal ontevreden, oppositionele elementen onder, slecht betaalde en achteloos behandelde beambten, die om hun broodje jaar na jaar veel slikken en geen seconde zouden aarzelen in de ure des gevaars het zinkende schip te verlaten en tot de opkomende machten over te gaan.

Hoe geheel anders bij de proletarische organisatie! Daarin komen slechts mensen van dezelfde positie bijeen, met dezelfde levensbelangen en oogmerken. Vrijwillig komen zij tot de organisatie, in het bewustzijn dat zij die nodig hebben. Haar kracht ligt in de offervaardigheid en de geestdrift, in de liefde van de massa; een andere pijler heeft zij niet. Juist daarom is zij onverwoestbaar. Haar vorm kan vernietigd worden, maar het bewustzijn van samenhorigheid, de eenheid van willen, kan de massa niet ontnomen worden.

De dwangorganisatie, bovenal de militaire, valt uiteen zodra haar vorm vernietigd wordt. Zolang een verslagen leger zijn samenhang bewaart, is het in staat een ordelijk en terugtocht te aanvaarden; worden echter de organisatorische eenheden ontbonden, zijn alle banden verscheurd, dan is het met de discipline gedaan; de terugtocht wordt een wilde vlucht. Hoe daarentegen geschoolde proletarische massa’s, ook waar de vorm van de organisatie met geweld vernield wordt, weten te strijden, dat hebben o.a. de Duitse arbeiders gedurende de socialistenwet getoond.

De vrijwillige, proletarische organisatie kweekt haar eigen leiders. Zij kiest diegenen uit haar midden die haar eigen denken en gevoelen, haar levensbelangen en oogmerken het helderst begrijpen en het duidelijkst weten uit te spreken. Zulke mensen brengt de organisatie echter steeds weer opnieuw voort; daarom is haar geen leider onontbeerlijk; valt hij, dan komen er anderen die in zijn plaats treden. In de dwangorganisatie echter is hij de leider die het beste weet te gebieden, te heersen en het beste de kunst verstaat om de massa te gebruiken voor doeleinden die haar vreemd zijn. Zijn persoonlijke bekwaamheden bepalen haar lot. De grote veldheer, de autoritaire minister van een autocratische staat zijn voor de militaire of bureaucratische organisatie onontbeerlijk; — vallen zij, dan raakt alles uit zijn voegen, een periode van onzekerheid en desorganisatie treedt in.

Uit de organisatie spruit voort, op de organisatie berust alle kracht en alle zelfbewustzijn van de moderne proletariër. Zij geeft hem, wat de feodale edelman zijn wapens gaven, wat de bourgeois zijn geld geeft: weerstandsvermogen, trots en waardigheid. Een ongeorganiseerde arbeider is het zwakste schepsel ter wereld; elke bedreiging doet hem sidderen; maar al te licht berooft het gevoel van afhankelijkheid hem van elke morele steun, maakt hem laf en slaafs.

De organisatie voedt het proletariaat op niet slechts voor de klassenstrijd, maar ook voor het gehele maatschappelijk leven. In de organisatie leert het zichzelf te regeren. In haar leert ieder enkeling zijn kleine en toevallige belangen ondergeschikt te maken aan die van het geheel waarvan hij een deel is; zijn tijdelijke en toevallige oogmerken op te offeren aan het ook door hem gewilde grote, algemene doel; hij leert, met één woord, discipline.

De proletarische discipline is het tegendeel van de dwang discipline van de militaire organisatie. Bij deze moet de wil van de enkeling verzwakt, gebroken, bij de proletarische juist gekweekt worden. Hoe sterker de wil, wanneer het inzicht voorhanden is, des te beter. De militaire discipline heeft ten doel elke uiting van de individuele wil terug te dringen, de mens voor vreemde oogmerken af te richten, hem de blinde gehoorzaamheid, zonder kennis van het doel des bevelhebbers, tot levensgewoonte te maken. De proletarische discipline leert de enkeling, alle neigingen, die de bereiking van het ook door hem nagestreefde doel bemoeilijken, terug te dringen ter wille van dit doel zelf. Zij leert hem zijn verstandig ik te gehoorzamen, dat te midden van een eigen lot bepalende veelheid van gelijkgezinde kameraden zelfstandiger wordt en in de autoriteit van een zelf gekozen leider een tegenwicht verwerft tegen voorbijgaande neigingen van zijn onverstandig ik. De militaire discipline verlaagt de mens door hem af te richten voor hem vreemde oogmerken, welke in strijd kunnen zijn met zijn belangen, zijn inzicht, zijn geweten. De proletarische discipline verheft hem door het hem mogelijk te maken gemeenschappelijke oogmerken beter te bevorderen. De militaire discipline doodt in de mens het verantwoordelijkheidsgevoel, de vrijwillige, proletarische versterkt dit.

De vrijwillige discipline maakt het voor het proletariaat pas mogelijk, de strijd te voeren met een vijand die in geweldmiddelen zijn meerdere is, standvastig en kalm te blijven in het gevaar, zoals de soldaat in de slag. Zij schenkt de leider vertrouwen in de massa, van de massa vertrouwen in de leider, ieder enkeling vertrouwen in zijn kameraden. Niet zozeer om de strijd te aanvaarden heeft het proletariaat discipline zowel als oefening en gehoorzaamheid nodig, maar om de strijd voort te zetten; bovenal om zich niet door de vijand te laten verschrikken en bedriegen. Strijdlustig blijkt ook, als het eenmaal in beroering komt, het ongeschoolde en ongeorganiseerde proletariaat, menigmaal zelfs in hoger mate dan het geschoolde en georganiseerde, aangezien het minder te verliezen heeft; het is echter in veel geringer mate in staat tot duurzame strijd. De massa van het ongeorganiseerde proletariaat laat zich door stemmingen beheersen. Haar moed golft op en neer: heden stort zij zich in doodsverachting op een overmachtige vijand, morgen stuift zij voor een ingebeeld gevaar uiteen. Zij verschrikt spoedig bij ieder dreigement, wordt door ieder lokaas ontwapend, iedere uittarting brengt haar in woede. Anders het gedisciplineerde, geschoolde, georganiseerde proletariaat. Wel is ook dit toegankelijk voor de menselijke stemmingen van vrees en hoop, maar het laat zich niet daardoor beheersen, doch wordt ze meester. Ook in toorn bewaart het zijn bezonnenheid; de ervaring in de strijd heeft het geleerd, zich evenmin te laten ontmoedigen als tot overmoed te laten prikkelen. Slechts een geschoold proletariaat vermag tegenover alle bedreigingen, uittartingen en verlokkingen onwrikbare vastberadenheid te stellen.

Om zich bewust te worden, hoe onontbeerlijk voor het proletariaat in de politieke werkstaking geoefendheid in de strijd en discipline is, behoeft men slechts te bedenken welke middelen de politieke machthebbers kunnen aanwenden om de strijders in verwarring te brengen. Wij hebben gezien dat het militair geweld daarom de staking niet meester kan worden, omdat het niet bereiken kan wat alleen aan de maatschappelijke spanning en crisis een einde zou maken: de arbeiders tot hervatting van het werk te dwingen. Wel echter kan de staat pogen, de strijders door ontplooiing van al zijn geweldmiddelen bevreesd te maken. Hij kan de rijks- en gemeentewerklieden in massa doen arresteren; hij kan de arbeiders met geweld uit hun woningen drijven, wanneer deze eigendom van staat, gemeente, spoorwegmaatschappijen enz. zijn; hij kan vergaderrecht en vrijheid van beweging opheffen, de leiders in de gevangenis werpen, met één woord: de beweging radeloos maken in de hoop een uitbarsting van woede uit te lokken. Hij kan echter ook met middelen van overreding de arbeiders bewerken, dreigen met algemeen ontslag, beloven hun grieven te verhelpen, de oorzaken van de strijd uit de weg te ruimen, zodra de arbeid maar hervat is. Hij zal valse geruchten van verraad en moedeloosheid, van hervatting van het werk op andere plaatsen laten verspreiden. Hij zal het lompenproletariaat tot plundering ophitsen en opstootjes aanstoken om de beweging te discrediteren en het leger een voorwendsel tot geweld te geven. Hij zal zich bedienen van alle bestaande instellingen zowel als van alle vooroordelen en van alle bijgeloof, om de arbeiders aan de strijd te onttrekken; hij zal door de kerk de stakers laten vervloeken, door de pers ze laten voorstellen als slachtoffers van buitenlandse samenzweerders. Wie zich een denkbeeld wil vormen van de duizenden middelen van wreedheid en laagheid die de staat tegen een politieke stakingsbeweging in toepassing zal brengen, herinnere zich slechts het schaamteloze optreden van de Russische regering sedert de januaridagen, haar maatregelen van de brutaalste wreedheid tot de meest verfijnde sluwheid.

Een ongeschoolde, ongedisciplineerde arbeidersklasse zal, hoe geestdriftig zij ook de strijd aanvaardt, onder deze omstandigheden allicht de moed verliezen of tot geweld overgaan. Slechts geharde, geoefende strijders zijn in staat tegenover alle bedrog en alle brutaliteit koude verachting te stellen, in ongewelddadig verzet te volharden. Intussen mag ook hier niet uit het oog verloren worden, dat zijnerzijds de revolutionaire strijd het best geschikt is, om de geschooldheid en discipline van het proletariaat in stormpas vooruit te brengen.

Naast de organisatie van het proletariaat is van gewicht het bewustzijn, de geest die het bezielt en ook invloed heeft op de ongeorganiseerde massa. Ook aan deze geest stelt de politieke massastaking de hoogste eisen. Het proletariaat moet, om grote dingen te kunnen volbrengen, van helder klassenbewustzijn vervuld, d.w.z. sociaaldemocratisch opgevoed zijn. Het moet in zijn opvattingen en gewoonten steeds rekening gehouden hebben met de mogelijkheid dat een beslissende strijd inzet, als vrucht van de langzaam gerijpte ommekeer in de verhoudingen van de klassen. Het moet vastbesloten zijn in zulk een geval zijn uiterste krachten aan te wenden tegen de machtsmiddelen van de heersende klassen, voor geen offers aan goed en bloed terug te schrikken. Het moet in alle strijd en arbeid van elke dag het bewustzijn van zijn grote beschavingszending levendig houden, de trotse wil om de maatschappij om te wentelen.

Slechts een aldus denkend en voelend proletariaat — een proletariaat doorgloeit van revolutionaire gezindheid — zal bereid zijn in beslissende, situaties het lijden en de ontberingen van de massastaking op zich te laden, aan haar gevaren het hoofd te bieden; slechts zulk een proletariaat is in staat zich door een grote vloedgolf van revolutionaire geestdrift over de alledaagse overwegingen en angsten te doen heen zetten.

Slechts de sociaaldemocratie stelt aan het proletariaat grote oogmerken, verheven idealen voor ogen, waarvoor het in geestdrift kan geraken. Waar de arbeidersbeweging, zoals thans in Engeland, grotendeels in de banen van een bekrompen, kleingeestige vakverenigingspolitiek zich beweegt, waar de burgerlijke rechten voor het grootste deel der arbeiders slechts dienen om met deze of gene van de burgerlijke partijen over ogenbliks-eisen te sjacheren, daar kan de politiek-revolutionaire staking, hoe hecht in uitgebreid de vakorganisatie ook zij, niet in aanmerking komen. Het bewustzijn van het proletariaat dat het een historische zending vervult, zijn strijdlust en zijn revolutionaire gezindheid is en blijft het element dat beslist over de mogelijkheid wel niet van haar welslagen, maar van een poging tot de politieke massastaking. Daarom was zij in Rusland mogelijk en om dezelfde reden ontbreekt thans in Engeland haar belangrijkste voorwaarde.

De politieke staking is de verbinding van politieke en economische strijd, de mobilisatie van de economische macht van het proletariaat ter bereiking van zijn politieke doel. Zij maakt het dus nodig dat de samenhang van al zijn strijdmiddelen het proletariaat helder voor ogen staat. Waar de politieke en economische organisatie tegenover elkaar staan in plaats van elkaar aan te vullen, waar de vakbeweging antiparlementair is, de politieke partij uitsluitend haar kracht en aandacht richt op de strijd in het parlement, de betekenis van de buitenparlementaire strijd onderschat en zich dientengevolge een zekere animositeit tussen de verschillende vormen van de proletarische organisatie ontwikkelt, daar is de politieke staking een uiterst gevaarlijk experiment. Daar bestaat het gevaar dat de massa het politieke doel van de staking, zij het betoging of druk, niet helder onderscheiden zal en haar opvatten als een beslissende strijd die op de vernietiging van het kapitalisme gericht is. Dit strekt er dan weer niet toe om aan de staking de sympathieën van de politieke vertegenwoordiger van het proletariaat te verzekeren; zij zal hun een onzinnige onderneming schijnen, waarbij zij zich onmogelijk van harte kunnen aansluiten. Onder zulke omstandigheden is overwinnen uitgesloten — is de nederlaag noodlottig. De strijd moet in twist en tweedracht eindigen, de arbeiders zullen elkaar te lijf gaan op het ogenblik dat de grootste eendracht nodig was.

Ook waar de vakbeweging in de omgekeerde fout vervalt, namelijk slechts op het bereiken van kleine ogenblikkelijke successen gericht is, daarin geheel opgaat en in bewuste tegenstelling tot het socialisme staat, kan de politieke stakingspoging slechts mislukken, want het is onmogelijk dat de opvattingen en gewoonten van de massa plotseling een geheel andere richting inslaan.

De ervaring leert dat sociaaldemocratisch bewustzijn, goede verstandhouding en samenhang tussen vakorganisatie en politieke organisatie, innerlijk samengroeien van beide, nog belangrijker zijn dan de omvang van deze organisatie. In België, waar deze samenhang bestond, waar van ouds de economische met de politieke strijd als een organisch geheel functioneerde, was het aan het proletariaat, toen de overwinning niet te behalen was, mogelijk een ordelijke terugtocht te volbrengen; de organisatie werd ternauwernood geschokt. In Holland, waar deze goede verstandhouding ontbrak, partij en vakverenigingen niet gewoon waren bij elke gewichtige actie samen te gaan, waar aan de massa van de arbeiders het doel van de politieke staking volkomen onduidelijk was, leidde de nederlaag, naar bekend is, tot een catastrofe voor de vakorganisatie.

* * *

Bij de discussie over de algemene werkstaking wordt er vaak over gesproken, of de politieke massastaking in dit of dat geval, bv. tot verovering of beveiliging van het kiesrecht, aangewend moet worden. Wie dit van tevoren wil uitmaken, bewijst slechts dat hij van de psychologische voorwaarden, die zich aan de economische en organisatorische voorwaarden tot de zegevierende volksopstand moeten paren, niet het minste besef heeft. De politieke massastaking valt evenmin te proclameren of te verbieden als de een of andere grote werkstaking, een massabeweging, een volksopstand, een revolutie.

Ieder vakverenigingsleider weet hoe onmogelijk het is, de massastaking, zelfs als de situatie zo gunstig mogelijk is, te decreteren, als de massa niet met haar ganse ziel achter hem staat. Ieder vakverenigingsleider weet echter ook, hoe moeilijk en vaak onmogelijk het is een staking tegen te houden, als de onwil tot langer lijden en de strijdlust in de massa ontwaakt zijn. De toorn die zich van de arbeiders meester maakt, drijft hen van de arbeid weg; zij kunnen niet anders, zij moeten staken. Hoezeer ook het ‘bliksemsnelle’ om zich heengrijpen van de staking de burgerij verrast, allen die het proletariaat kennen, weten dat deze toorn geen luim van het ogenblik is, maar de ontlading van een verontwaardiging, die sedert lange jaren van druk, armoede, vernedering opgestapeld is. Welke directe aanleiding de staking ook hebben mag, zij is altijd slechts de laatste druppel in de volle beker. De kapitalistische orde slaat het proletariaat zo vele en zo diepe wonden, dat het, als eenmaal zijn strijdlust ontwaakt, als het eenmaal zijn onverschilligheid en stompzinnigheid afschudt, de strijd tegen de uitbuiters als een zalige verlossing aan voelt.

Daarom kan zich, als diepe verontwaardiging tot het uitbarsten van de massastrijd leidt, met één slag het zielsaanzien van de massa wijzigen. Er zijn geen onverschilligen, geen ontzenuwden, geen weerstrevende meer, allen volgen de stroom van de algemene geestdrift. Daarin verdwijnt individuele zwakheid en onverschilligheid als een stuk drijfhout in de golven van de zee. De diepe plooi van de onderworpenheid wordt in de zielen gladgestreken, de overlevering van slaafse tevredenheid als een oud gewaad uitgeschud. De wil tot vrijheid schemert en slaat de kleine zorgen van het leven naar de grond. Op de voorgrond staat in het bewustzijn van de strijders slechts één ding en dit ene schijnt hen geheel te vervullen: de wil tot de strijd. ‘Strijden al moesten wij sterven”, ‘liever sterven dan langer zonder strijd te dulden’ — deze grondtoon klinkt uit elke massastrijd. De verlossing uit de alledaagse, eentonige arbeidskwelling, het bewustzijn zich eindelijk na lange vernedering opgericht te hebben, het zich-één-gevoelen in een groot doel, het volkomen opgaan van de enkeling in de gemeenschap van de duizenden: dit alles wekt in de massa een heldengeestdrift. Ongeorganiseerden en warhoofden, ouden en jongen, vrouwen en kinderen worden erdoor aangegrepen. Alle voorzichtigheid wordt vergeten. De stakingsdrift werkt onweerstaanbaar, en zoals de wolken over de hemel trekken, trekken de scharen van de stakers over stad en land. De sterkste teugel van het proletariaat, de eigen verstandige wil, die zich als besluit van de organisatie tegenover zijn hartstocht stelt, wordt opzij geslingerd, de proletarische discipline verbroken.

Zulk een opwinding heeft menigmaal van de verbaasde maatschappij economische massastakingen en solidariteitsstakingen voor ogen gevoerd. En slechts een zo diepe en geweldige verontwaardiging vermag een algemene politieke staking in het leven te roepen. Niet enkel de georganiseerden worden erdoor meegesleept; integendeel, komt zij op het juiste ogenblik, als uitbarsting van een onweerstaanbare revolutionaire ontroering, dan zal zij ongetwijfeld veel groter massa’s in de beweging meeslepen, als aan het socialistisch bewustzijn in de eigenlijke zin beantwoordt.[32] Reeds uit de Belgische algemene werkstaking ter verkrijging van het kiesrecht bleek dit; in nog hoger mate uit de Italiaanse staking en eerst recht uit de ontzaglijke Russische stakingsbeweging.

Dit is natuurlijk slechts het geval als de ontroering niet louter de arbeiders van een bedrijfstak of van een streek, naar de gehele arbeidersklasse van een land omvat. Dit kan echter slechts gebeuren bij vragen die de levensbelangen — stoffelijke of ideële — van het gehele proletariaat ten diepste raken. Zo diep moet de verontwaardiging, zo overweldigend het verlangen van de massa zijn, dat het hun tot onomstotelijke zekerheid wordt: in de oude verhoudingen kunnen wij niet verder leven; zo begerenswaardig moet hun het oogmerk van de strijd zijn, dat ieder zijn economisch bestaan, ja zijn leven met vreugde daarvoor op het spel zet. De politieke massastaking kan dus slechts het resultaat van een hevige morele crisis in het proletariaat zijn, een uitbarsting van lang opgehoopte revolutionaire toorn. Geenszins echter behoeft zij, zoals Jaurès aanneemt, steeds uit een zeer ongunstige politieke toestand, dus uit een gevoel van vertwijfeling voort te komen. Vertwijfeling afwisselend met ruwe genotzucht en doffe berusting zijn de kenmerkende opwellingen en driften van het onbewuste, ongeorganiseerde proletariaat. Het kenmerk van het bewuste en georganiseerde proletariaat is echter verontwaardiging tegen alle onrecht en vertrouwen op de overwinning. Deze gevoelens tot het toppunt gevoerd, drijven het in de strijd. Van revolutionaire energie doorgloeit, van overwinningsbewustzijn bezield, sterk en geweldig, wijl het blijde hoopt, niet wijl het twijfelt: zo zal het georganiseerde proletariaat tot de politieke massastaking overgaan.

Het is na het bovenstaande duidelijk dat de politieke staking niet voor bepaalde gevallen aangekondigd kan worden. Doch al laat de storm zich niet bevelen, toch valt hij menigmaal te voorspellen. Zo kan uit zekere verschijnselen, uit de stemming van de arbeiders en hun organen, uit de stijgende opgewondenheid en verbittering, uit het dreigend karakter van de manifestaties en demonstraties een uitbarsting van de opgehoopte toorn met enige waarschijnlijkheid voorspeld worden. Dit aan te nemen, is echter geheel iets anders dan de politieke staking als een bepaalde maatregel voor zeer bepaalde gevallen voor te schrijven of voor een bepaalde termijn aan te kondigen, bv. als verdedigingsmiddel voor het kiesrecht, als verzet tegen grondwetsschennis, of als middel van aanval ter verovering van een of ander belangrijk politiek recht.

Immers van tevoren valt nooit te zeggen welke gebeurtenissen bij het proletariaat die geweldige gloed van toorn, van verontwaardiging en geestdrift zullen ontsteken, die voor de politieke massastaking volstrekt noodzakelijk is. Dit hangt samen met de historische ontwikkeling en met de ganse situatie. Een ontgoocheling of ontrecht zal door de arbeiders van verschillende landen anders opgevat worden, ja door de arbeiders van een en hetzelfde land anders op verschillende tijdstippen. Hier komt een van de wetten van het zielenleven in aanmerking, die voor de massa zowel als voor de enkeling geldt, de wet van actie en reactie. Iedere stijgende lijn gaat in een dalende over, op ieder hoogtepunt volgt een inzinking, en pas als deze bereikt is, kan de beweging naar een nieuw verder hoogtepunt streven. Deze wet verklaart hoe de ene maal een uitbarsting van verontwaardiging teweeggebracht kan worden door ongeveer gelijke gebeurtenissen, die een andere maal wel een zekere tegenzin, maar geenszins een storm hadden kunnen teweegbrengen en omgekeerd. De Hollandse arbeiders, die zich onder de verheffende indruk van de overwinning van het spoorwegpersoneel in toornige verontwaardiging weerden tegen de aanval der regering op het stakingsrecht, ontvingen zonder bijzondere ontroering een ontwerp arbeidscontract, dat in zijn oorspronkelijke vorm iedere mogelijkheid tot staken ophief. De Italiaanse arbeiders beantwoordden de Milaanse slachtingen van 1898, waarbij honderden mannen, vrouwen en kinderen neergeschoten werden, slechts met een dof morren; zes jaren later, bij het bericht van de moorden van Buggerru en Castelluzzi, doorwoelde een geweldige toorn het hart van het Italiaanse proletariaat — en de staking ontstond als spontane reuzendemonstratie van deze toorn.

Wel zijn er verschillende factoren, die de uitbarsting van een politieke staking in een bepaald land bevorderen of belemmeren kunnen. Een van die factoren is ongetwijfeld het nationale temperament. Gedeeltelijk is dat een kwestie van ras: zeer zeker zullen onder dezelfde omstandigheden de volkeren van het Romaanse ras eerder tot spontane opstanden overgaan, dan de flegmatieke en meer bezonnen Noordelijken. Het nationale temperament is echter ook het resultaat van het jonger historisch verleden en van de onder die invloed gevormde tradities en zeden. Een volk zonder revolutionair verleden en revolutionaire tradities zal moeilijker zich verheffen en besluiten de politieke massastaking als revolutionair middel toe te passen dan een volk met revolutionair verleden en traditie. Maar de door de kapitalistische ontwikkeling gekweekte gelijkheid van toestanden dringt het proletariaat van alle volkeren — wat zijn ras eigenaardigheden ook mogen zijn en hoe zijn nationaal verleden er ook moge uitzien — dezelfde opvattingen, dezelfde organisatie en strijdwijze op. En noch het koude noordelijke bloed, noch het absoluut gebrek aan alle revolutionaire traditie bij de massa heeft de politieke massastaking van het Russische proletariaat verhinderd, zodra de grootindustriële arbeiders het gebruik van dit hun vreemde strijdmiddel door de gebeurtenissen aan de hand gedaan werd.

Onder de veelvuldige omstandigheden, die de uitbarsting van de politieke staking bevorderen of belemmeren kunnen, verdient nog bijzondere opmerkzaamheid de sterkte van de organisatie. In de oudere landen van het kapitalisme bestaat tussen het huidige proletariaat en dat uit de tijd van het Communistisch Manifest het verschil, dat het, indien al niets anders, dan toch de vaak in tientallen jaren worsteling veroverde rechten en zijn ontwikkelde organisaties te verliezen heeft. Een op politiek gebied rechteloos, ook een zich wel in burgerlijke rechten verheugend, maar slechts zwak georganiseerd proletariaat zal gemakkelijker voor de politieke massastaking te winnen zijn, dan een proletariaat dat zich in zekere politieke rechten verheugt en sterk georganiseerd is, want dit heeft bij een eventuele nederlaag oneindig meer te verliezen. Komt het echter tot de strijd, dan zal het verder gevorderde proletariaat die met de uiterste inspanning en met de taaiste volharding voeren.

Hoe omvangrijker en hechter de organisatie is, des te dieper en blijvender is de ontroering waardoor de massa aangegrepen moet worden, om haar in staking te drijven — des te groter zijn derhalve ook de kansen op overwinning. Deze kansen hangen intussen niet alleen af van het aantal en de flinkheid van het proletariaat, maar hierbij komen ook nog elementen te pas, zonder welke de overwinning onmogelijk is, hoe talrijk en sterk de industriële arbeidersbevolking ook zijn moge, hoe voorbeeldig haar organisatie, hoe machtig de ontroering die haar in de strijd drijft.

De kansen van de politieke massastaking hangen, behalve van de kracht en rijpheid van het proletariaat, ook van het karakter van de staat af.

Vaak is de politieke staking gesteld tegenover de parlementaire methode. Het aannemen van zulk een tegenstelling berust echter op een dwaling. Deze ontstaat hetzij doordat de politieke staking met de anarchistische algemene werkstaking verward wordt. Deze laatste staat inderdaad tegenover alle andere methoden van de proletarische klassenstrijd als een volstrekt universeel middel, dat in alle omstandigheden met succes toegepast kan worden, als maar het inzicht en de wil voorhanden zijn. Of ook de dwaling berust op de overschatting van het parlementarisme, dat gemaakt wordt tot de enige methode en de enige marsroute waarlangs het proletariaat zijn veldslagen levert en zijn oogmerken bereiken kan.

In waarheid bestaat tussen parlementarisme en politieke massastaking evenmin een tegenstelling als tussen organisatie en geestdrift of tussen discipline en revolutionaire energie. Zij heffen elkaar niet op, doch vullen elkaar wederkerig aan. Enerzijds kwam de idee van de politieke werkstaking oorspronkelijk op als een middel om de toegang tot het parlementaire strijdperk af te dwingen; aan dit doel zijn ook verscheidene pogingen tot die staking gewijd. Anderzijds is de massastaking in zijn zachtere vormen van protest en betoging tot dusver slechts toegepast in landen waar tamelijk ontwikkelde parlementaire instellingen bestaan en het proletariaat zich in een niet al te geringe mate van burgerlijke vrijheid verheugt.

In staten van heel of half absolutistisch karakter, met een sterke centrale regering en schraal ontwikkelde, weinig invloedrijke parlementaire instellingen, is met de politieke staking als wettig betogingsmiddel, zoals zij in Zweden en Italië toegepast werd, nog nimmer een proef genomen.

Het is in het algemeen twijfelachtig of zij in zulke staten, vooral in Duitsland, in deze vorm ooit toegepast zal kunnen worden. De reden waarom de parlementaire instellingen zich hier niet verder ontwikkelen en het proletariaat niet tot groter bewegingsvrijheid komt, ligt juist in de massale opeenhoping van dit proletariaat, in de sterke ontwikkeling van zijn zelfbewustzijn, in de omvang en de macht van zijn organisaties. Deze omstandigheden wederom maken het onwaarschijnlijk dat de massastaking iets anders zijn kan dan de inleiding tot beslissende strijd; niet omdat het proletariaat het zo wil, maar omdat zijn tegenstanders ook in de meest vreedzame betogingen de doodsklok van hun politieke heerschappij zouden horen.

De democratie heeft zich slechts daar volkomen kunnen ontwikkelen, de parlementaire instellingen hebben slechts daar sterke wortels in het nationaal bestaan kunnen slaan en welig omhoog schieten, waar de strijd van de moderne burgerij tegen het absolutisme en de feodaal-agrarische klassen viel in een tijd toen het proletariaat nog onontwikkeld en onzelfstandig was. Daar heeft de burgerij, toen haar vijanden verslagen waren, die politieke instellingen, die aan het wezen van haar klassenheerschappij beantwoordden, consequent kunnen doorvoeren, zonder te vrezen dat het proletariaat die instellingen zou bezigen als middel om de burgerlijke heerschappij omver te werpen.

Waar echter, (zoals in Duitsland), de revolutie-worstelingen van de burgerij met de aanvang van de proletarische zelfstandige organisatie en van de proletarische ontvoogdingsstrijd samenvallen, daar groeien parlementarisme en democratie niet boven een schraal begin uit. De burgerij waagt het niet met het absolutisme en de feodaal-agrarische klassen volledig af te rekenen, omdat zij in de politieke macht van die klassen, in haar opvattingen, haar zeden een borstwering tegen het opdringend proletariaat vindt. Het stelt zich, evenals met een halve revolutie, met half parlementaire instellingen tevreden. Het neemt de smadelijke geringschatting, waarmee het door de kroon behandeld wordt, gaarne op de koop toe, ten einde de door haar verstrekte bescherming te blijven genieten.

In zulke landen, onder zulke verhoudingen kan de groei van de macht van het proletariaat zich niet in een onafgebroken ontwikkeling van de parlementaire instellingen tonen. Integendeel: hoe talrijker zijn aanhangers worden, hoe meer zijn maatschappelijke invloed toeneemt, des te geringer zijn de kansen op democratische hervormingen, des te invloedlozer is het parlementarisme, en des te meer schijnen de bestaande volksrechten in gevaar. Politieke reactie in de wetgeving en in de handhaving van bestaande wetten gaat met het verval van het parlementarisme hand in hand: beide ontspruiten aan dezelfde wortel, de vrees voor de moderne arbeidersbeweging. Wel pogen de heersende klassen, althans haar verstandiger groepen, nu en dan het proletariaat door materiële concessies te lijmen. Maar de politiek van omkoping blijkt zonder resultaat te zijn naarmate het proletariaat zich zijn taak en kracht bewust geworden is en hoe vaster het de mogelijkheid, om uitbuiting en onderdrukking geheel te doen verdwijnen, voor ogen heeft. Het is echter de heersende klassen onmogelijk, het proletariaat door politieke hervormingen in vrijheidlievende zin te temperen; zij kunnen het er niet op wagen de bewegingsvrijheid van hun vijand te versterken, hem uit de overwinning nieuwe moed en nieuwe kracht te laten putten.

Bij deze voorwaarde dus: de strijd van de burgerij tegen het absolutisme en de feodaal-agrarische klassen samenvallend met het begin van de proletarische klassenstrijd om de socialistische maatschappij, is het verder verloop van de ontwikkeling noodzakelijkerwijs zodanig, dat het proletariaat onmogelijk in gelijke mate groeien kan in innerlijke invloed en in uiterlijke politieke macht. Integendeel: de afstand tussen zijn wezenlijke macht, zijn rijpheid, zijn zelfbewustzijn en de macht die hij, in de sfeer van de staat bereikt heeft, moet steeds groter worden. Zijn politiek-parlementaire successen worden steeds geringer, terwijl tegelijkertijd het burgerlijk parlementarisme zelf steeds meer ouwelijk-machteloos wordt. In dit stadium der ontwikkeling is er niet alleen geen sprake van dat het proletariaat langs parlementaire weg nieuwe rechten en vrijheden zou kunnen winnen, maar het moet er op verdacht zijn om dreigende aanvallen op bestaande rechten af te weren.

Het spreekt vanzelf dat een proletarische actie, die in meer democratische landen wel scherp verzet van de kant van de burgerlijke maatschappij zou ondervinden, maar niet als een revolutionaire daad zou worden opgevat, in landen van sterke druk en tegendruk, van antidemocratische levensvormen en zeden van meer ontwikkelde klassentegenstellingen en van daaruit voortvloeiende grotere spanning, door de tegenstanders veel scherper beoordeeld en met veel groter eensgezindheid, energie en onvervaardheid bestreden zal worden. Niet zozeer op het onmiddellijk doel der actie van het proletariaat komt het daarbij aan, niet de abstracte inhoud van de eis waarvoor het de politieke staking aanvaardt is het in de eerste plaats die haar in de ogen van de heersende klasse tot een revolutionaire onderneming maakt, maar de concrete betekenis die deze inhoud uit de voorhanden tegenstellingen, uit de krachtsverhoudingen en uit de algemene situatie put. De politieke massastaking kan in het ene land een uitbreiding van de volksrechten, bv. van het kiesrecht, ten doel hebben, maar als kalme betogingsstaking verlopen, terwijl in een ander land een staking tot verdediging van het kiesrecht, dus slechts tot behoud van bestaande toestanden, door de regering als revolutionaire opstand beschouwd en als zodanig behandeld wordt. De doorslag geeft niet de abstracte inhoud van de eis, maar de algemene politieke toestand, de verhouding van de krachten, de vraag of de heersende klassen zich reeds door het proletariaat bedreigt voelen — niet in dit of dat opzicht, maar in haar ganse klassenheerschappij — of de overwinning op één punt reeds de overwinning over het ganse front betekent.

Indien ook de arbeiders in zulk een situatie slechts tot staking overgaan ten einde op bijzonder dreigende wijze tegen een regeringsdaad, bijvoorbeeld een beperking van hun rechten, te protesteren, dan zou toch het karakter van het regeringsstelsel het onmogelijk maken, dat de staking als betoging verliep. De staat zou de arbeiders dwingen, hetzij de staking aanstonds te beëindigen, hetzij haar, in strijd met hun bedoelingen, tot een beslissende slag te maken. De arbeiders zou het onmogelijk zijn, de strijd, zoals het bij de betogingsstaking het geval is, naar hun goedvinden af te breken, onmogelijk zou ook het compromis of de ordelijke terugtocht zijn, aangezien de regering aanstonds de strengste maatregelen zou treffen ter onderdrukking van de staking die in hun ogen een ernstige onwettigheid betekent. Zouden de arbeiders aan deze druk toegeven en de staking beëindigen, nog eer zij goed begonnen was, dan zou het politieke zowel als het morele succes geheel aan de kant van de staat zijn. Het ware voor het proletariaat beter geweest in het geheel niet te strijden, dan een zwakke, matte strijd te wagen, wiens mislukking niet alleen aan zijn zelfvertrouwen, maar ook aan zijn organisaties een zware slag moest toebrengen. Hield het proletariaat echter stand, liet het zich door de bedreigingen en de machtsontwikkeling van de regering niet bang maken, breidde de staking zich ten gevolge van de stijgende verontwaardiging steeds verder uit, dan zou het proletariaat, of het wilde of niet, tot de beslissende strijd gedrongen worden. De als betoging begonnen staking zou zich snel tot de strijd om de politieke macht uitbreiden. Zij zou eindigen hetzij met de volkomen onderwerping van het proletariaat, met de vernietiging van zijn organisatie, de verlamming van de strijd voor jaren - hetzij met de val van het heersende regime, met de instelling van een van het proletariaat afhankelijke regering.

De vreedzame betogings- of proteststaking onderstelt dus een reeds half democratische bodem en een verhouding van de krachten, waarbij het proletariaat weliswaar zich reeds tot bewust samengaan, tot de mogelijkheid van gesloten optreden verheven heeft, maar toch zijn vijand niet al te schrikwekkend sterk voorkomt, terwijl zijn macht nog lang niet toereikend is om de burgerlijke maatschappelijke orde omver te werpen. Deze vorm van staking kan dus slechts onder bepaalde omstandigheden en bij bepaalde politieke gebruiken toegepast worden, het best in kleinere staten, bij min of meer democratische instellingen, waar het staatsgezag minder gecentraliseerd, het militarisme niet tot een zo vreselijke autonome macht geworden is. Daar is de vreedzame politieke massastaking van enige dagen duur als indrukwekkende, agressieve demonstratie zeer wel mogelijk. Zij kan tot steun voor de parlementaire strijd in zekere gevallen een geschikt middel zijn om rijpe politieke hervormingen door te zetten, verslechtering te voorkomen en tegen overweldigingen te protesteren. In al zulke gevallen brengt zij geen bijzondere gevaren voor het proletariaat mee. Zij eist echter een geschoolde en gedisciplineerde arbeidersklasse, die zich volstrekt bewust is dat het karakter van de staking slechts demonstratiemiddel is, en die bereid is haar op het eerste teken van de leiders op de vastgestelde tijd te beëindigen, opdat zij niet het karakter van een pressiestaking aannemen.

Het is duidelijk dat het bij de manifestatiestaking niet nodig is dat de ganse arbeidersklasse van een land in staking treedt. Het komt er slechts op aan, druk op de publieke opinie uit te oefenen, en dit kan door het enige dagen lang stilleggen van de belangrijkste takken van de grootindustrie, van de mijnbouw en van het haventransport bereikt worden. Hoofdzaak is de hoeveelheid stakers. Het is niet nodig het gehele openbare leven door het stilzetten van het verkeer enz. te desorganiseren. Veeleer zou een te algemene werkstaking in dit geval het doel kunnen voorbijschieten. Wel zullen de reactionaire partijen toch al bereid zijn de demonstratiestaking tot een revolutionaire pressiepoging op te blazen, de leiders als oproerlingen te brandmerken — dat is onvermijdelijk. Maar indien de staking zich ook over de productietakken van volstrekte, algemene noodzakelijkheid zou uitstrekken, zou zij het grootste deel der bevolking tegen de stakers in het harnas jagen. Waar het dus slechts om het indrukwekkend vertoon van een betoging te doen is, zou Turati’s raad[33] in acht te nemen zijn, om de hoofdeisen van het openbare leven te eerbiedigen, zij het dan ook in geringer mate dan hij voorstelt. Want als, zoals Turati verlangt, spoorwegverkeer, post en telegraaf, watertoevoer, gezondheidsdienst, broodverzorging, verlichting en dagbladpers, als al deze instellingen vrij van staking zouden blijven, dan zou haar demonstratieve invloed al te zeer verzwakt worden. Ook moet men, zoals Oda Olberg terecht opmerkt, geen maas in het weefsel der solidariteit onnodig stuksnijden.

In politiek ontwikkelde democratieën daarentegen, zoals bijvoorbeeld Zwitserland, zou de manifestatiestaking door de meerderheid der bevolking als een onnodige stoornis van het economisch leven beschouwd worden. Het is dus onwaarschijnlijk dat men zich daar ervan bedienen zal. Waar alle burgers zich verheugen in politieke rechten die het hun mogelijk maken ten allen tijde langs directe weg in het landsbestuur in te grijpen, waar de regering dus rechtstreeks in de volkswil wortelt, heeft de politieke staking geen recht van bestaan. Een arbeidersklasse, die over de directe politieke wapens van het algemeen kiesrecht, het volksinitiatief en het referendum beschikt, heeft voor de klassenstrijd het indirecte middel van de politieke staking niet nodig om haar wil door te zetten. De normale ontwikkeling van de klassenstrijd is hier de propaganda en organisatie voor het juiste, d.w.z. het de proletarische klassenbelangen dienende gebruik van alle burgerlijke rechten.

Thans valt, in verband met de bovenstaande beschouwingen, nog te onderzoeken, onder welke voorwaarden de politieke staking in het laatste stadium van de proletarische klassenstrijd — het stadium van de indien bij gelijke krachten, het stadium van de grote beslissingen — voor het proletariaat gunstige kansen aanbiedt. Dit zal steeds een stadium zijn, waarin de reactie uiterlijk sterk schijnt. Evenmin echter als deze uiterlijke kracht en reactie hetzelfde betekent als zwakte van het proletariaat (veeleer is zij een gevolg van zijn wezenlijke macht), evenmin behoeven de niet-proletarische klassen eensgezind en gesloten achter haar te staan, bereid om de regering in haar strijd tegen de opstand van de massa bij te vallen en haar gewillig te steunen. Is dit het geval, staan sterke klassen eensgezind achter de regering, dan zal zij bezwaarlijk door één klasse, hoe talrijk en energiek deze ook zij, omvergeworpen kunnen worden.

Wanneer enkel het proletariaat met de regering ontevreden is, maar zij het vertrouwen van de middengroepen geniet en leger en bureaucratie haar toegedaan zijn, kan zij de stormloop tamelijk kalm tegemoet zien. Zij zal haar maatregelen nemen in het bewustzijn van haar kracht en consequent en vastberaden tegen de opstandigen optreden. Zijn echter alle klassen min of meer ontevreden met een regering en staat het voor haar te vrezen dat haar aanhangers vandaag of morgen tot de nieuwe machten overlopen, dan voelt zij zich, al doet zij ook nog zo brutaal, toch innerlijk zwak, handelt weifelend, is noch tot verziende consequentie van handelen, noch tot rustige onschokbaarheid in staat. Zo’n inwendig vermolmde regering, die geen klasse meer in vast geloof en trouw tot aanhangster heeft, kan de proletarische stormloop doen instorten.

Kautsky zegt ergens:

de moderne ontwikkeling heeft de neiging om de regeringen te verzwakken en alle klassen ontevreden met haar te maken. Het staatsgezag en de daarachter staande klassen hebben thans in hoofdzaak alles bereikt wat zij willen, zij hebben geen grote oogmerken meer te verwezenlijken: daarom zijn er geen gesloten burgerlijke partijen, geen sterke burgerlijke regeringen meer. Er is geen groot gemeenschappelijk belang dat de klassen zou kunnen samensmeden, de kleine, plaatselijke en beroepsbelangen treden op de voorgrond, de partijen van de bezittende klassen splitsen zich steeds meer in kleine, kortzichtige klieken. De regeringen echter worden steeds meer tot coalitieregeringen, wier taak niet meer bestaat in de doorvoering van een groot program, maar in het onder één hoed vangen van de uiteen strevende elementen, wat slechts mogelijk is door allen te brengen tot het afstanddoen van de rest van hun overgeleverd program, door dus hun wetgevend onvermogen te verhogen en hun ganse kracht samen te trekken op een of anderen voor de hand liggende maatregel.[34]

Er zijn dus maatschappelijke neigingen, die de neiging tot toenemende aaneengeslotenheid en eensgezindheid van de burgerlijke maatschappij in het verweer tegen de massastaking tegenwerken. Het proletariaat behoeft niet noodzakelijkerwijze alle niet-proletarische klassen als een ‘reactionaire massa’ tegenover zich te hebben, als zijn ontvoogdingsstrijd een revolutionair tempo aanneemt.

Zullen echter, ook waar algemene ontevredenheid met een onbekwame en werkeloze regering voorhanden is, tegen een opstand van het proletariaat niet alle niet-proletarische elementen zich verheffen en zich tegen het proletariaat aaneensluiten? Zullen zij niet al hun bezwaren en grieven vergeten, als de overwinning van het proletariaat tastbaar nabij komt?

Een beslist antwoord is op deze vraag niet te geven. De groepering van de maatschappelijke krachten hangt in de beslissende fase van de strijd van allerlei omstandigheden af, bovenal echter van de vraag of de middenklassen in een revolutionaire situatie de overwinning van het proletariaat of die van de reactie met de grootste vrees zouden tegemoet zien. Met zekerheid beweren dat deze klassen altijd, onder alle omstandigheden, de zijde van de reactie zouden kiezen, zou tonen dat men tweeërlei vergat. Vooreerst, dat coalitieregeringen niet in dezelfde mate de belangen van alle klassen behalve de proletarische vertegenwoordigen, doch hoofdzakelijk die van enige invloedrijke klieken, zoals de geldaristocratie, de grote monopolisten, de chefs van het leger en de bureaucratie. In de tweede plaats het feit — een tegenhanger van het eerste — dat het proletariaat meer en meer de enige voorvechter van de algemeen-maatschappelijke belangen wordt. Dit is niet slechts het geval, waar het voor goede internationale betrekkingen, voor bevordering van beschaving, wetenschap, openbare gezondheid enz. opkomt, maar ook waar het ogenschijnlijk slecht voor zijn klassenbelang strijdt. Zo zou bv. een kiesrechtbeperking, die de arbeidende klassen van hun politieke invloed beroofde, indirect de ganse maatschappij treffen en de gang van de maatschappelijke ontwikkeling tegenhouden. Dit zou het omhoogkomen van de meest reactionaire, meest bekrompene en meest gewelddadige kapitalistische klieken ten gevolge hebben, die een noodlottige politiek van plundering van de massa, van tarievenoorlogen, van dolzinnig militarisme en marinisme, van gevaarlijke koloniale avonturen teweeg zouden brengen. Geenszins echter zou het tot meer aandacht voor de belangen van de middenklassen, van de kleine burgers en boeren, van de intellectuelen leiden.

Maar het feit dat de onderwerping van het proletariaat en de overwinning van de reactie de middenstand geenszins een verbetering, doch een verslechting van zijn toestand zou brengen, betekent nog volstrekt niet dat de middenstand dit noodzakelijk zal inzien. Het zijn zeer verschillende groepen, met uiterst verschillende opvattingen, levensgewoonten en belangen, die onder deze verzamelnaam van de middenstand samengevoegd worden. Met de ‘oude middenstand’, die vaste, eenvormige massa - een in levensstandaard en in denken -hebben zij slechts de naam gemeen. Er bevinden zich daaronder brokken van de oude, onafhankelijke ambachtsstand, die tot de meest bekrompen en reactionaire delen van de bevolking behoren; kleine kapitalisten en renteniers, die bovenal van een regering rust en lage belastingen verlangen; meesterknechts, voormannen, technici, ambtenaren en beambten, beoefenaars van de vrije beroepen en allerlei intellectuelen. Van de laatste categorieën zullen velen vooruitstrevend zijn, zelfs in normale tijden tot de meelopers van de sociaaldemocratie behoren, sympathie hebben voor vele van haar eisen, zolang het proletariaat vreedzaam en zonder geweld optreedt. Of zij de ontzaglijke wijziging van tactiek, die de massastaking uitmaakt en die een gevolg van de ommekeer van de verhoudingen is, ook zullen begrijpen en ermee zullen instemmen, is intussen een andere vraag.

In ieder geval echter is duidelijk, dat men deze middengroepen onmogelijk onder één begrip kan samenvatten. Zij zijn geen eenvormige klasse, noch economisch, noch politiek en moreel. Zoals de grondslag van hun bestaan door de kapitalistische ontwikkeling voortdurend geschokt wordt, zoals hun samenstelling aan voortdurende wijzigingen onderhevig is, zal men zich ook op hun gezindheid niet kunnen verlaten. Hun zielenstaat is naar tijd en ruimte oneindig verschillend. Al naar overlevering, toestand, ogenbliksbelangen en stemmingen sluit zich de een of andere van deze groepen bij deze of gene partij aan. Dezelfde groep die in het ene land of de ene stad tot de schijnbaar democratische reactie behoort, zoals het nationalisme, de christelijk-socialen enz., zal zich elders onder de leiding van de sociaaldemocratie stellen. Het is algemeen bekend hoe de zielenstaat van de klasse van de kleine kooplieden en andere van de ene stadswijk tot de andere verschillen kan, al naarmate zij door afstamming, belangen enz. met het proletariaat verbonden is of niet.

Deze brede lagen zijn het die, in de huidige maatschappij niet rechtstreeks aan de klassenstrijd tussen de eigenlijke bourgeoisie en het proletariaat deelnemend, grotendeels de ‘publieke opinie’ vormen. Het staat wel buiten twijfel dat de stemmen van deze publieke opinie een zekere machtfactor in het moderne leven vormen en de regeringen bij haar besluiten zekere aandacht aan haar moeten wijden. Dat wil echter nog volstrekt niet zeggen, dat de hulp van deze ‘publieke opinie’ in een revolutionaire situatie van de klasse waaraan zij ten deel viel, een doorslaand overwicht zou geven, haar eigen zwakte zou kunnen vereffenen.

Allen te samen kunnen wij evenmin instemmen met hen die van de ‘publieke opinie’ belangrijke hulp voor het proletariaat bij een revolutionaire opstand verwachten, als met hen die vrezen dat de publieke opinie zich in zulk een toestand altijd tegen het proletariaat zou verklaren. Zeer zeker zou dit voor grote groepen van de middenstand het geval zijn, als slechts zijn rechtvaardigheidszin, zijn zedelijke ingeving hem de kant van de arbeiders zou doen kiezen, doch zijn belang noodzakelijk tegenovergesteld aan dat van de volksopstand zou zijn. Echter zijn gevallen niet alleen mogelijk, maar zelfs waarschijnlijk, waarbij de publieke opinie de stoornis van het economisch leven, de onrust en onzekerheid, die de staking tengevolge heeft, als een kleiner kwaad zou opvatten dan de nederlaag van het proletariaat, de enige klasse die zich tegen de plannen van het staatsgezag met revolutionaire vastberadenheid kan verzetten. Zulk een geval zou bijvoorbeeld zijn een oorlog die tegen de wens en de belangen van de bevolking onder de invloed van enkele gewelddadige, reactionaire klieken zou aangestookt worden, hetzij om hun veroverlust te bevredigen, hetzij om afleiding te bezorgen voor lastige binnenlandse verhoudingen.

Als de steeds stijgende kartellering en monopolisering van belangrijke productietakken de middenlagen als voortbrengers en als verbruikers in een vertwijfeld afhankelijke toestand brengt, dan is het ook zonder vrees voor oorlog mogelijk, dat zij een proletarische opstand geenszins met ‘waanzinnige angst’ tegemoet zouden zien, doch haar met hoopvolle sympathie zouden begroeten, want slechts van een proletarische omwenteling zouden zij bevrijding kunnen verwachten.

Het inzicht in de ongelijksoortige samenstelling van de middenstand zal ons echter behoeden voor het misverstand om te verwachten dat hij zich geheel en onverdeeld aan de kant van het proletariaat zou scharen. Zeer waarschijnlijk is het dat hij zich splitsen zal: de meer radicale, proletarisch gezinde en voor de socialistische idee toegankelijke groepen zullen de eisen van de massa ondersteunen, de andere zich bij de regering aansluiten. Zo zou de publieke opinie verdeeld lijken, zoals zij feitelijk thans reeds tengevolge van de economische en politiek-morele verbrokkeling van de middenstand in haast alle belangrijke publieke kwesties verdeeld is.

Maar ook de gunstigste stemming van de publieke opinie zal de proletarische opstand wel kunnen bevorderen en zedelijk steunen, doch nooit de doorslag kan geven tot zijn zegepraal. Het beslissend element tot de overwinning kan zij reeds hierom niet zijn, wijl de middenklassen, die de publieke opinie vormen, grotendeels het proletariaat evenmin actieve hulp kunnen brengen, als zij de staatsmacht actief verzet kunnen bieden. Dat wat het proletariaat zijn ongewelddadig verzet mogelijk maakt, zijn organisatie, ontbreekt immers deze klassen geheel. Bij het straatgevecht hief de barricade in zekere mate dit gebrek weer op, doordat zij als bindmiddel voor de ongeorganiseerde massa’s diende. Bij de volksopstand in de vorm van de politieke massastaking, waarbij een dergelijk bindmiddel ontbreekt, kunnen slechts georganiseerde klassen de troepen leveren, aangezien slechts het weerstandsvermogen, dat op een taaie, sterke, machtige organisatie berust, de overwinning brengen kan.

De hulp van de middenstand zou zich voornamelijk hiertoe moeten beperken dat hij de staking niet tegenwerkte, de onvermijdelijke ontberingen en ongemakken kalm verduurde en tegen de brutaliteiten en onwettigheden van de regering protesteerde. Verder zou hij de revolutionaire strijders financieel kunnen ondersteunen, alsmede bij de organisatie van de berichtendienst, bij de approviandering enz., de helpende hand bieden.

Wij resumeren: aan de rechtstreekse steun van de middenstand is weinig waarde te hechten, maar de zedelijke stelling, die hij de strijders door erende, geestdriftwekkende erkenning van hun inspanning en offers zou kunnen verstrekken, is niet gering te achten.

Het belangrijkst voor het proletariaat zou de hulp kunnen blijken van die groepen van de middenstand die tot de vrije beroepen behoren, de beambten, de onderwijzers. Vóór de uitbarsting van de strijd, in de daaraan voorafgaande periode van stijgende opwinding, zou het intellect door woord en geschrift de situatie duidelijk kunnen maken en de revolutionaire ontwikkeling van de geesten bevorderen. Aan de strijd zelf kan het in zekere mate deelnemen, het voorbeeld van de arbeiders volgen en tot de staking in het onderwijs, de administratie enz. overgaan. Dat gebeurt thans, indien ook niet algemeen, in Rusland. Men mag echter niet vergeten dat zulk een overbrengen van de staking op het onderwijs enz. een beslist revolutionair gezind intellect veronderstelt, bovenal een studerende jeugd die volkomen eensgezind met het proletariaat gevoelt. Beiden zijn thans in Rusland aanwezig, waar het intellect de oudste vijand van het absolutisme is, in tientallen jaren worstelen gruwzaam onderdrukt en mishandeld, en de vrije ontwikkeling van de stand van de intellectuelen de omverwerping van het absolutisme tot voorwaarde heeft.[35]

Wij spreken hier niet van de vreedzame betogingsstaking. Zeer zeker kan in de verhoudingen waaruit deze voortkomt, de betekenis van de publieke opinie betrekkelijk groot zijn. Zij kan een regering er toe brengen de eisen van de arbeiders — het gaat immers niet om levensbelangen van de burgerlijke maatschappij — in te willigen, wraaknemingen van de kant van de patroons te voorkomen enz. Waar echter het proletariaat de beslissende strijd aanbindt, zal het — al zullen ook vele delen van de bevolking geneigd zijn bij zijn eerste succes zijn zijde te kiezen — het best doen, door slechts op zich zelf, op zijn eigen kracht te vertrouwen.

E. De beweerde onnodigheid van de politieke massastaking

De overtuiging dat de politieke massastaking onmogelijk is berust, behalve op een onjuiste opvatting van haar doel, op een pessimistische voorstelling van de machtsverhoudingen tussen de arbeidersklasse en de kapitalistische staat. De overtuiging dat de werkstaking als politiek strijdmiddel onnodig is, heeft daarentegen haar grond in een al te optimistische opvatting omtrent het verloop van de proletarische ontvoogdingsstrijd. Zij steunt op de zekerheid dat het het proletariaat mogelijk zijn zal, zijn doel, de vermaatschappelijking van de productiemiddelen en de opheffing van de klassenstaat, zonder toepassing van dwangmiddelen te bereiken.

Deze optimistische opvatting wordt door de tegenstanders van de politieke massastaking met bewijzen van politieke zowel als economische aard gestaafd. Hun economische bewijsvoering steunt, naar zij verzekeren, op de grondgedachte van het historisch materialisme, dat de ontwikkeling van de productieve krachten, wanneer deze een zekere graad van rijpheid bereikt hebben, het voortbestaan van de oude productiewijze en productieverhoudingen onmogelijk maakt. Zij barsten uiteen en nieuwe treden in hun plaats. Alle politieke krachtsontplooiing van het proletariaat kan aan het socialisme niet de overwinning verschaffen, voordat de wijzer van de economische ontwikkeling het uur aangeeft; heeft hij dit echter aangegeven, dan kunnen noch staatsgreep en grondwetsschennis, noch het geweld van reactionaire regeringen het ogenblik van de bevrijding vertragen.

“Het lot van het socialisme”, schrijft W. H. Vliegen (Neue Zeit, XXV, I, 7), “hangt gelukkig niet af van de omstandigheden, die door een plotselinge daad van het proletariaat of van de heersende klassen in het leven geroepen of uit de weg geruimd kunnen worden. Reactionaire regeringen hebben voor sociale hervormingen moeten wijken, antisocialistische regeringen zullen socialistische daden moeten volbrengen wanneer de economische verhoudingen het eisen. De overwinning van het socialisme is een economisch ontwikkelingsproces, waarop de regeringen in grote, beslissende ogenblikken enige, maar niet veel, bevorderende of belemmerende invloed kunnen, uitoefenen. De algemene werkstaking kan niets anders bewerken dan dat voor enige tijd het economische leven gestoord wordt. Aan het socialisme kan een stoornis van het economisch leven slechts schade toebrengen.”

Het grootste toekomstoptimisme kan echter de ogen niet sluiten voor de feiten van het huidige economische en politieke leven. Het is mogelijk te geloven, dat de economische ontwikkeling er toe zal leiden, dat antisocialistische, d.w.z. burgerlijke regeringen de socialistische maatschappijorde invoeren. Het is echter onmogelijk niet te zien, dat deze ontwikkeling er tot dusver de burgerlijke regeringen slechts toe geleid heeft — behalve nu en dan een beetje slappe sociale wetgeving — antiproletarische, antisocialistische daden te volbrengen, militarisme, koloniale politiek, graanrechten en zo meer.

Maar niettemin ontkiemt ook uit de huidige politieke toestanden voor de tegenstanders van de politieke massastaking de plant van de hoop. Zij zien overal de sterke aanwas van het socialistisch stemmental en het toenemen van het aantal vertegenwoordigers van het proletariaat in de parlementen. Zo niet de economische ontwikkeling ‘vanzelf’ het socialisme brengt, dan zal de door de ‘methode der wettelijkheid’ verworven politiek-parlementaire overwinning van het proletariaat het toch zeker brengen. Het aantal socialistische stemmen zal groeien tot zij de meerderheid van het volk, het aantal socialistische afgevaardigden tot zij de meerderheid in het parlement vormen: waartoe nog de discussie over de onzekere, gevaarlijke methode van de politieke werkstaking, als de ‘methode der wettelijkheid’ het aan het proletariaat mogelijk maakt zonder storing van de productie, zonder maatschappelijke crisis en zonder persoonlijk gevaar zijn doel te bereiken — door de verovering van de parlementaire meerderheid? Voor de staking als proletarisch wapen in de beslissende strijd tussen burgerlijke en proletarische wereld — een strijd die niet in het parlement, doch slechts in de maatschappij door de grote massa van de belanghebbenden zelf kan uitgevochten worden — vervalt iedere aanleiding. De kapitalistische maatschappij, door hervormingen ‘uitgehold’, glijdt, zodra de verschuiving van de partijverhoudingen in het parlement bereikt is, als een schip van de werf, zacht in de kalme, heldere zee van de socialistische maatschappij.

Het is vooral Jaurès, die in zijn verhandeling over de algemene werkstaking[36] de methode der wettelijke verovering van de parlementaire meerderheid tegenover de methode van de revolutionaire staking stelt en de opvatting bepleit dat gene deze overbodig maakt. Wel wendt Jaurès zich haast uitsluitend tegen de idee van de economische algemene werkstaking, maar hij onderscheidt niet nauwkeurig tussen deze en de revolutionair-politieke staking. Zijn argumenten ten gunste van de ‘wettelijke methode’ gelden echter natuurlijk even goed tegen deze laatste soort van staking.

“Behalve de stuipachtige schokken,” besluit Jaurès zijn beschouwingen, “die men niet voorzien kan, die buiten alle regels staan en menigmaal het uiterste hulpmiddel van de geschiedenis zijn, is er thans voor het socialisme slechts één soevereine methode: de wettelijke verovering van de meerderheid.”

Het parlementair illusionisme van Jaurès, dat de mogelijkheid van een proletarische revolutie geheel schijnt uit te sluiten, rekent dus toch met de mogelijkheid dat de algemene werkstaking eenmaal als ‘stuipachtige schok’, als ‘uiterste hulpmiddel van de geschiedenis’ zou kunnen uitbreken. En wel, zoals de volgende passage bewijst, als verdedigingsmiddel tegen een aanval op de rechten van het proletariaat.

“Als de heersers zo krankzinnig waren, de bestaande schamele vrijheden, de zwakke middelen tot actie van het proletariaat aan te tasten, als zij het algemeen kiesrecht bedreigden of schonden, als zij door de patroons en de politie het verenigings- en stakingsrecht tot een illusie lieten maken[37], dan zou de algemene werkstaking zeker de spontane vorm van het arbeidersoproer zijn, een laatste en vertwijfelde middel, minder geschikt tot eigen redding dan om de vijand te benadelen. Maar de arbeidersklasse zou het slachtoffer zijn van een rampzalige waan en van een ziekelijke dwangvoorstelling, wanneer zij datgene, wat slechts een tactiek van de vertwijfeling zijn kan, voor een methode van de revolutie aanzag.” (Blz. 228-229.)

In weerwil van zijn overschatting van het parlementarisme rekent Jaurès er dus niet op dat de heersende klassen nimmer een aanval zouden wagen op de ‘schamele vrijheden en zwakke middelen tot actie’ van het proletariaat. Voor zulke mogelijkheden, die intussen de ‘wettelijke verovering van de meerderheid’ zeer zouden dwarsbomen, ziet hij in de politieke massastaking echter minder een doelmatig wapen dan wel een soort zielkundige noodzakelijkheid.

Er bestaat echter nog een ander optimisme dan deze opvatting dat het proletariaat mechanisch langs wettelijke parlementaire weg zijn doel bereiken zal. Dat ander optimisme is de opvatting, dat, indien ook al het proletariaat zijn ‘schamele vrijheden en zwakke middelen tot actie’ ontnomen of verkort worden, dit slechts een onbelangrijke onderbreking van zijn overwinningstocht betekent, zodat het volstrekt geen reden heeft in zulk een geval het uiterste te wagen.

Deze opvatting wordt o.a. door Ed. David gedeeld. In zijn opstel over De verovering van de politieke macht uit hij zich als volgt over het — voor hem zeer onwaarschijnlijk — geval dat het een reactionaire regering zou kunnen invallen de sociaaldemocratie met uitzonderingswetten, verkorting van politieke rechten enz. te bestrijden:

“Maar wanneer ons op deze weg tot de vreedzame macht mannen van de daad het pad versperren, wanneer men poogt ons met repressieve maatregelen te onderdrukken, wanneer ons een beslissende strijd wordt opgedrongen: wat moeten wij dan doen?
Nu, dan zullen wij tegenover de onwettigheid de wettigheid stellen, het geweld met vreedzaamheid beantwoorden. Dat is de enige weg om het geweld ten slotte te breken, het enig strijdmiddel tegen bajonetten. Wij hebben er voor te zorgen dat het ganse gewicht van de morele veroordeling valt op hen die de poging doen om met toepassing van geweld het voortschrijden van de sociaaldemocratische cultuurbeweging te verhinderen.
Het is de geweldenaars welkom koren op hun molen te leveren, wanneer men onzerzijds de mogelijkheid van een andere houding bespreekt. Ook behoeven wij niet naar andere middelen, die zich onfeilbaar tegen ons zouden keren, te grijpen, zolang wij in de rechtvaardigheid, juistheid en doelmatigheid van onze eisen de waarborg hebben, dat zij niet van de agenda der mensheid verdwijnen zullen.” (Sozialistische Monatshefte, 1904, Bd. I, afl. 3, bl. 206.)

En in dezelfde aflevering van de Monatshefte zegt in gelijke geest W. Kolb in een opstel Over de algemene werkstaking, dat zich vooral tegen de idee van de toespitsing van de klassenstrijd richt:

“Wij verlaten ons op de organische ontwikkeling van de dingen. Deze organische ontwikkeling trachten wij met alle krachten te beïnvloeden en te verhaasten. Onze beproefde tactiek is de in de theorie (?) overgebrachte evolutie. Uit dit feit moeten zonder vrees de consequenties getrokken worden, opdat de tegenstrijdigheid verdwijnt die thans bestaat tussen onze tactiek en de catastrofetheorie. Hic Rhodus, hic salta. Daarom draait het hele geschil. Met de oplossing van deze kwestie is ook over de algemene werkstaking beslist.” (Bl. 209.).

Het proletariaat, meent dus David in zijn tolstojaans gekleurde beschouwingen, behoeft zich om de onderdrukkingsmaatregelen van de ‘mannen van de daad’ niet veel te bekommeren. Waarom naar ‘andere middelen’ te grijpen, zich met gevaarlijke proefnemingen in te laten? Het proletariaat is er toch zeker van dat zijn eisen, zolang zij niet vervuld zijn, niet van de ‘agenda der mensheid’ zullen verdwijnen.

Deze zekerheid, zoals ook de gedachte dat de morele veroordeling geheel terugvalt op hen die met geweld de ontwikkeling van de sociaaldemocratie verhinderen, mag aan burgerlijke ideologen en tolstoïaans voelende dwepers troost bieden. Maar, het strijdende proletariaat is, gelukkig voor de zaak van de mensheid, voor zulk een troost niet toegankelijk. Het brandt van begeerte om zo snel mogelijk zijn doel te bereiken. Het wil handelen en vindt voor de roof van zijn rechten geen vergoeding in ethische beschouwingen over de ‘eeuwige gerechtigheid’ van zijn zaak.

Met welke middelen zal dus het proletariaat, wanneer de, huidige rechtsgrond van de klassenstrijd ingeperkt of vernietigd wordt, het heersende regime omverwerpen en een nieuw in de plaats daarvan stellen, zo van een revolutionairen opstand in de gedaante van de massastaking moet worden afgezien? Dat is de vraag die zich opdringt zodra men de onderdrukkingspoging van de ‘mannen van de daad’ tot redding van de burgerlijke maatschappij mogelijk acht en noch het proletariaat met goedkope praatjes troost, noch zijn overwinning tot Sint Juttemis verschuiven wil.

Het proletariaat bezit daartoe, antwoorden sommige tegenstanders van de politieke staking, een onfeilbaar middel in zijn organisatie. Wanneer deze eerst eenmaal verreweg het grootste deel van het proletariaat zal omvatten, is de krachtproef van de algemene werkstaking, waartoe slechts een grote rijpheid van de organisatie in staat kan stellen, overbodig geworden: voor zijn gesloten rijen zal de vijand zonder strijd wijken en daaraan zal de macht in de staat toevallen, zonder moeite en geheel vanzelf. Het argument: “zonder superieure organisatie van het proletariaat is de algemene werkstaking onmogelijk; is deze echter bereikt dan hebben wij haar niet meer nodig”, is het vaakst gehoorde argument voor de onnodigheid van de werkstaking als politiek-revolutionair strijdmiddel.

De opsomming van de argumenten, die voor deze beweerde onnodigheid aangevoerd worden, toont aan, dat zij in geen enkel geval hun grond vinden in het noemen van andere, doelmatiger of minder gevaarlijke strijdmiddelen, die het proletariaat, voor het geval dat het overweldigd of rechteloos gemaakt wordt, beter kansen van verzet en tegenaanval bieden. Steeds wordt enkel de behoefte aan zulk een wapen, aan een dwang- of geweldmiddel geloochend en gepoogd het bewijs te leveren, dat ook zonder zulk een wapen de overwinning van het proletariaat niet te stuiten is. Dit geldt ook ten opzichte van het argument van de superieure organisatie. Want de organisatie op zichzelf kan onmogelijk als een uiterste wapen in de klassenstrijd beschouwd worden, doch zij maakt het slechts het proletariaat mogelijk zulk een wapen aan te wenden, ten einde de klassenstrijd nadrukkelijk te voeren.

Het onderzoek naar de vraag, in hoeverre de argumenten voor de beweerde onnodigheid van de politieke massastaking steekhoudend zijn, wordt het beste ten uitvoer gelegd als een onderzoek naar de kansen van de proletarische klassenstrijd en naar de waarschijnlijkheid dat het proletariaat zijn doel langs wettelijke weg zonder toepassing van dwangmaatregelen zal bereiken. Blijkt die waarschijnlijkheid uit dit onderzoek niet, dan ware over te gaan tot een onderzoek van de beslissende wapens die het proletariaat ten dienste staan.

F. Politieke massastaking en proletarische klassenstrijd

De historische ervaring leert dat een nieuw opkomende klasse de macht in staat en maatschappij slechts kan veroveren, wanneer het voortbestaan van de heerschappij van verouderde klassen geworden is tot een belemmering voor de ontwikkeling van de maatschappelijke productiemiddelen. Zodra dit echter het geval is en de overgang van de oude tot de nieuwe, hogere productiewijze in het belang van de maatschappij is, wordt de politieke overwinning van de nieuwe klasse, wier economisch beginsel deze productiewijze is, de historische voorwaarde voor de normale verdere ontwikkeling van het maatschappelijk organisme. Zij alleen is in staat alle mogelijkheden van de nieuwe productiewijze te benuttigen: gelukt het haar niet haar tegenstanders te overwinnen en het staatsgezag te veroveren, om zich daarvan als hefboom tot doorvoering van belangrijke politieke en economische wijzigingen te bedienen, dan kan de maatschappelijke ontwikkeling zich niet verder voltrekken: de maatschappij verschrompelt. De geschiedenis levert geen voorbeeld dat een uitgeleefde, ten ondergang gewijde klasse haar politieke macht aangewend heeft om een economische revolutie mogelijk te maken; zij zou daartoe tot haar eigen ondergang besloten en die verhaast hebben.

Wel hebben vervallende, de ondergang nabij zijnde klassen vaak hervormingen bewerkstelligd, d.w.z. gepoogd zich aan de nieuwe verhoudingen aan te passen, aan de drang naar omvorming van oude levensvormen halverwege tegemoet te komen. Deze hervormingen hadden steeds een conservatief doel, haar uitwerking was echter gemeenlijk het tegendeel. Zij leidden ertoe dat de verouderde klassen nog meer verzwakt en de nieuw opkomende gesterkt werden, dat deze laatste tot verdere strijd aangevuurd en met vertrouwen op de overwinning vervuld werden. De bewering dat de politieke omwenteling tot invoering van de socialistische productiewijze onnodig zou zijn, aangezien de economische ontwikkeling antisocialistische regeringen tot socialistische daden zal dwingen, mist iedere historische grondslag. Sociale hervormingen, zij het ook recht schrale en vaak slechts schijnhervormingen zonder waarde voor het proletariaat — die bewerkstelligen de antisocialistische regeringen en zij zullen het ook in de toekomst doen, om door concessies de zegetocht van de sociaaldemocratie tegen te houden. Maar te menen dat een burgerlijke klassenregering het socialisme zal brengen, wijl de economische verhoudingen het eisen, dat is een naïviteit zonder voorbeeld. De kapitalistische klasse in haar hoogste machtsontplooiing, d.w.z. in haar organisatie als trust, zal er zich niet licht toe lenen, door vermaatschappelijking van de voortbrengingsmiddelen aan haar maatschappelijke macht, aan haar voortbestaan als klasse een einde te maken. De groepen die in haar meer en meer de doorslag geven: de grote bankiers, de mijneigenaars, de industriëlen in staal- en ijzerfabricage, de koloniale kapitalisten, zullen niet de minste neiging hebben om zich zelf de doodsteek te geven. Wel zou in dit geval het socialisme een noodzakelijkheid zijn voor de verdere maatschappelijke ontwikkeling, maar wat gaat dat de monopolisten aan? Er is zeer goed een maatschappij mogelijk, waarin de samentrekking van de belangrijkste voortbrengingsmiddelen haar hoogtepunt bereikt heeft, de monopolisten staat en maatschappij volkomen beheersen en de massa van de bevolking als producenten en consumenten volkomen van hen afhankelijk is. Er bestaat zelfs een land, Noord-Amerika, waar de maatschappelijke toestanden snel tot zulke verhoudingen naderen. En ook hier zal de trust niet ‘vanzelf’ in het socialisme omslaan, maar de nieuwe maatschappij zal door de arbeidende klasse in lange, moeilijke worstelingen bevochten moeten worden.

Wel werkt de economische ontwikkeling van de maatschappij in de richting van het socialisme; de stand van de productiekrachten maakt voor het eerst in de geschiedenis een maatschappij-inrichting op socialistische grondslag met deelneming van ieder menselijk wezen in de vruchten van de beschaving mogelijk. Maar slechts de bij het socialisme belanghebbende klassen, in de eerste plaats de talrijkste, dapperste en strijdvaardigste, het proletariaat, kunnen de politieke, juridische en economische beletselen uit de weg ruimen, die de ontplooiing van de socialistische productiewijze verhinderen. De overwinning van het proletariaat is de onontbeerlijke voorwaarde voor de verwezenlijking van het socialisme.

De kapitalistische ontwikkeling heeft echter tot resultaat dat zij het proletariaat tot een steeds groter deel van de bevolking maakt, het concentreert en organiseert, het met haat tegen het kapitalisme vervult en voor de socialistische propaganda toegankelijk maakt. De kapitalistische ontwikkeling maakt dus hierdoor het socialisme onvermijdelijk, dat het die klasse steeds meer doet aanzwellen en versterkt, wier ganse openbare en politieke werkzaamheid in steeds stijgende mate erop gericht moet zijn om het kapitalisme te overwinnen en het socialisme in zijn plaats te stellen.

Zal echter het proletariaat deze overwinning met wettelijke middelen door geleidelijke verovering van de meerderheid in de wetgevende lichamen kunnen behalen? Neemt men dit aan, dan is de voorwaarde daartoe, dat de burgerlijke klassen — zij het ook pure waanzin te denken dat zij het socialisme zullen doorvoeren allengs hun verzet ertegen zullen staken en het ogenblik van hun parlementaire overvleugeling gelaten zullen tegemoet zien. Een verdere voorwaarde is dat zij de ter handhaving van hun heerschappij geschapen vormen van wettelijkheid in acht zullen nemen, ook wanneer deze uit dienaars en helpers van de burgerlijke staat tot dienaars en helpers van de revolutie worden.

Geschiedde dit, dan zou de politiek-revolutionaire massastaking, zoals elk ander dwangmiddel, inderdaad overbodig zijn. De sociaaldemocratie zou haar doel kunnen bereiken door de politieke democratie; de enige onder deze omstandigheid gepaste strijdwijze zou de voortdurende bewustmaking en organisatie van het proletariaat zijn, opdat het zijn politieke rechten op juiste wijze, d.w.z. ter bevrijding van zijn klasse zou leren gebruiken.

Hier zou een onderzoek naar de kansen van het proletariaat om zijn doel langs de vreedzame weg van de democratie en het parlementarisme te bereiken, op zijn plaats zijn. Alleen op grond van een onderzoek van de tendensen van de maatschappelijke ontwikkeling valt de vraag te beantwoorden of deze ontwikkeling de arbeidersklasse met waarschijnlijkheid geleidelijk tot de politieke heerschappij zal brengen. Zulk een onderzoek is hier echter overbodig, wijl men slechts zou kunnen herhalen wat reeds vaak betoogd is. Dezelfde vraag immers vormde in de laatste jaren het eigenlijke onderwerp van de grote partijdiscussie tussen revolutionair marxisme enerzijds, theoretisch revisionisme en praktisch reformisme anderzijds, een discussie die naar onze mening buiten twijfel gesteld heeft dat de reactionaire groepen, neigingen en tendensen in de heersende klassen toenemen en dat het burgerlijk parlementarisme in verval is. Wie over deze vraag informatie wenst, vindt daartoe rijkelijk gelegenheid in de internationale partijliteratuur, in het bijzonder in de Duitse. In dit boek zal niet gepoogd worden het bewijs te leveren, dat de toespitsing van de tegenstellingen tot de catastrofe de weg van de geschiedenis moet zijn. Slechts uit zulk een bewijs zou — ondersteld dat het proletariaat andere dwangmiddelen mist — de noodzakelijkheid van de politieke massastaking voortvloeien. Zulk een wiskundig bewijs is echter niet te leveren, aangezien het niet op de feiten, maar op de uitleg van de feiten aankomt. Dit boek wil hier dus niet de noodzakelijkheid van de politieke massastaking bewijzen, doch enkel de opvatting bestrijden en afwijzen dat zij onmogelijk zou zijn.

Maar om nog een andere reden is het hier niet nodig dieper in te gaan op de kwestie van de kansen van het proletariaat om langs vreedzame weg allengs het kapitalisme te overwinnen. Bij de uiteenzetting van de feiten omtrent de politieke massastaking hebben wij reeds eenmaal de conclusies getrokken waartoe zulk een onderzoek noodzakelijk moest leiden. Een van de voornaamste oorzaken van het steeds vaker voorkomen van pogingen tot politieke werkstaking, hetzij als eenvoudige betoging of als middel tot pressie, bleek te zijn de toenemende tegenzin van de heersende klassen om de democratie verder te ontwikkelen en de daaruit voortvloeiende noodzakelijkheid voor het proletariaat om de uiterste krachtsinspanning te wagen, ten einde een zij het ook slechts verminkt kiesrecht te veroveren. Het bleek verder hoe weinig de ‘schamele rechten en vrijheden’ van het proletariaat, vooral het verenigings- en stakingsrecht, veilig zijn, zodra de toepassing ervan de heersende klassen in ernstige verlegenheid brengt en hun politiek-sociale macht bedreigt. Het ontoereikende van de politiek-parlementaire wapens heeft de arbeiders er reeds vaak toe gebracht de politieke werkstaking te ondernemen, niet omdat zij meenden parlementarisme en verkiezingsstrijd door de toepassing dier staking overbodig te maken, maar integendeel om in het parlement de kibbelarijen van heersende klieken, maatschappelijke minderheden, door de strijd tussen de burgerlijke en de proletarische klassen te verdringen.

Het is niet waarschijnlijk dat in de toekomst de heersende klassen en de onder haar invloed staande regeringen de omheiningen van de democratie nog verder zouden slechten, als zij maar half zeker waren dat de eerste daad van het binnentrekkende proletariaat zou zijn, aan de burgerlijke staat zelf met behulp van de wetgeving een einde te maken. Integendeel: waarschijnlijk zal de heersende klasse niet aarzelen om de vormen der wettelijkheid te verbreken, zodra deze haar gevaarlijk worden. De bourgeois zweert bij de wettelijkheid, d.w.z. bij het in bindende vormen gebrachte geweld, zolang zij hem een middel tot heerschappij is en blijft. Dat hij haar echter geenszins als een talisman beschouwt, die in alle gebeurlijkheden rein moet behouden blijven, blijkt uit talrijke voorvallen van de laatste jaren. En zodra er voldoende reden zou zijn tot de vrees dat de revolutie van onderen op het parlementarisme uit een werktuig tot bedrog in een wapen tot bevrijding zou kunnen omzetten, zou de revolutie van boven af niet aarzelen juist zoveel parlementarisme aan kant te doen, als in het belang van het voortbestaan van de burgerlijke staat geboden schijnt. De ‘mannen van de daad’ zouden zonder bedenken de wettelijkheid opruimen, die het kapitalisme dreigde te doden, en een nieuwe scheppen die het zou versterken.

Wie anders denkt, die moet de gang van de huidige ontwikkeling onverklaarbaar voorkomen. Want het staat immers buiten twijfel, dat de vermeerdering van de maatschappelijke macht van de proletarische organisatie en van het aantal aanhangers van de sociaaldemocratie de stijgende tegenzin van de heersende klassen ontmoet en ten gevolge heeft dat aan de arbeidersklasse geen verdere rechten en vrijheden verstrekt worden. Waar de arbeidersklasse het algemeen en gelijk kiesrecht niet bezit, zoals in België, Zweden, Holland, Oostenrijk-Hongarije, heeft het thans tot zijn geleidelijke verovering tientallen jaren van de heftigste klassenstrijd nodig! Slechts stuk voor stuk, met de uiterste tegenzin, laten de heersers van hun politieke voorrechten af, zij moeten hun ontrukt worden, zoals een leger de vastberaden vijand elke voetbreed gronds ontrukt.

Waar echter deze rechten het proletariaat voor de tijd van de haast uitsluitende klassenstrijd toevielen, als vrucht van de voorhanden klassentegenstellingen en tengevolge van de hoop van een regering om het proletariaat tegen alle politieke partijen afwisselend uit te spelen en ze in evenwicht te kunnen houden — daar gaat de ontwikkeling een andere weg. Het algemeen kiesrecht is niet zo licht af te schaffen; waar het sedert geruime tijd bestaat, vormt het de politieke grondslag van de staat. Het verzekert zijn eenheid, houdt particularistische stromingen en neigingen in bedwang, leidt de klassenstrijd in kalme, ordelijke banen. Zijn afschaffing zou de grootst denkbare innerlijke schok aan de staat toebrengen. Daarom pogen de heersende klassen langs sluipwegen het doel te bereiken. Zij behoeven niet aanstonds het algemeen kiesrecht te vernietigen, het is hun voorshands voldoende de uitwerkingen ervan te neutraliseren. Deze neiging vertoont zich uiterlijk als achteruitgang van het burgerlijk parlementarisme, achteruitgang van zijn glans, zijn bevoegdheden en zijn macht. Hiermee gaat samen een voortdurend knagen aan het kiesrecht in zijn minder belangrijke, locale of locaal-nationale vormen, in zekere zin als proefneming, hoeveel de volksmassa’s zich zullen laten welgevallen. Iedere verbetering van het kiesrecht, iedere democratische hervorming in het algemeen is in dit stadium natuurlijk uitgesloten.

Deze schijnbaar achterwaartse ontwikkeling kan natuurlijk niet in alle eeuwigheid voortgaan. Het uur moet slaan waarin hetzij ook de rest van de politiek-parlementaire rechten van het proletariaat de heersers gevaarlijk wordt en zij de hand eraan slaan, hetzij de arbeidende klassen zelf de inkrimping van hun recht en van het gevechtsterrein ondragelijk schijnt en zij zelf — wellicht door een grote gebeurtenis, door een oorlog of door een heftige crisis opgezweept — tot de aanval overgaan.

Met deze beschouwingen willen wij geenszins de gang van de gebeurtenissen naar vast model aangeven en allerminst beweren dat een dergelijke ontwikkeling in ieder geval moet plaats grijpen, ook waar aan de betrekkelijke macht en vrijheid van het proletariaat het ontstaan van democratische legendevormingen en instellingen voorafging. Er is echter tot dusver geen voorbeeld van zulk een groei van de moderne arbeidersbeweging tot een hoogte waarop zij de klasseheerschappij zelf ernstig bedreigt. Dit is ook zeer verklaarbaar, daar democratische vormen immers zelf een factor uitmaken, die de zelfstandigheid van het proletariaat tegenhouden en keren kan. Er is echter een land waarin de ontwikkeling geheel de hier beschreven weg nam. Dat is Duitsland, een van de economisch meest ontwikkelde, politiek leidende staten van de wereld, wiens arbeidersbeweging voor het internationale proletariaat dezelfde betekenis heeft als de strijd en zegepraal van de Franse burgerij voor de internationale bourgeoisie had. In Duitsland schijnt de toespitsing van de verhoudingen snel een punt te naderen waar het tot een scherpe sociaalpolitieke crisis komen moet. Zeer zeker kunnen ook hier uiterlijke omstandigheden: de uitkomsten van een omwenteling in de naburige staten, het uitbreken van een oorlog met zijn economische en politieke gevolgen — de gang van de gebeurtenissen beïnvloeden en verwikkelen. De toestand echter, die voor de arbeidersklasse uit haar eigen machtspositie en de met hun vrees toenemende vastberadenheid van haar vijanden ontstaat, is aldus dat zij verplicht is met de mogelijkheid van een staatsgreep, van een revolutie van bovenaf, ten einde aan de evolutie vanonder op paal en perk te stellen, te rekenen.

Zou het proletariaat in zulk een geval de staatsgreep zo kalm kunnen aanvaarden, als de tegenstanders van de politieke werkstaking dit aanbevelen, in de overtuiging dat de eisen van het proletariaat “niet van de agenda van de mensheid kunnen verdwijnen, voordat zij vervuld zijn,” en zich, ongeacht zijn politieke ontrechting, op de organische ontwikkeling van de dingen kunnen verlaten? [38]

Zulk een opvatting miskent geheel zowel het karakter van de proletarische ontvoogdingsstrijd, als ook het wezen van het proletariaat. Zij verkeert in een gevaarlijke, dwaling omtrent de betekenis die de staatsgreep en de roof van het belangrijkste politieke recht — het kiesrecht — bij de huidige stand van de proletarische beweging in de meest ontwikkelde landen zou hebben. Het welslagen van een staatsgreep, die hetzij het algemeen kiesrecht ophief, hetzij de regering onafhankelijk maakte van het parlement, zou niet anders betekenen dan een welgeslaagde uitval van de reactie enerzijds, en voorts een ontruiming van stellingen die het proletariaat sedert lange tijd inneemt.

Ook zonder algemeen of zonder enig kiesrecht kan het proletariaat de politieke strijd voeren en daarin zijn krachten aanwenden en zijn klassenorganisatie leren ontwikkelen. In de plaats van de strijd met, het kiesrecht, van de politiek-parlementaire strijd dus, komt dan de strijd ter verovering van het kiesrecht in het middelpunt van het proletarisch bewustzijn te staan en wordt de school van de proletarische organisatie.

Het algemeen kiesrecht is echter het voortreffelijkste middel om de gehele arbeidersklasse politiek te scholen en tot de gemeenschappelijke strijd tegen de heersende klassen samen te smeden. Waar het proletariaat dit strijdmiddel bezit, betekent de opheffing daarvan hetzij de inperking van zijn klassenactie, de belemmering van zijn politieke werkzaamheid, hetzij ook de noodzakelijkheid om tot nieuwe strijdmethoden over te gaan, of in elk geval veel grotere nadruk daarop te leggen dan tot dusver.

Het kiesrecht heeft een andere taak, al naar het stadium van ontwikkeling waarin zich de maatschappij bevindt. Bezit het bij de aanvang van de proletarische klassenstrijd vooral de betekenis van een middel tot verovering van andere rechten en sociale hervormingen te zijn, zo treedt het in de laatste stadia van die klassenstrijd bovenal op als beschutting, als middel van het proletariaat om bestaande rechten en vrijheden in stand te houden. Met zijn opheffing worden vrijheid van spreken en van drukpers, recht van vereniging en van staking in gevaar gebracht. De opheffing van het kiesrecht kan slechts de eerste schakel zijn van een keten van maatregelen, waarvan elke nieuwe een verdere versterking van de reactie betekent. Zij zou het uitgangspunt zijn van een achterwaartse beweging, wier verdere mijlpalen de beperking van de vrijheid van drukpers, van vergadering en van vereniging, kortom van alle politieke actie zouden zijn.[39]

Er is vaak een vergelijking gemaakt tussen de socialistenwet en de ontneming van het kiesrecht. Deze vergelijking mist echter alle grond. De socialistenwet was een scherp zwaard tegen het Duitse proletariaat; zij liet echter het algemeen kiesrecht bestaan en daarmee het wettelijke middel tot verwijdering van de socialistenwet zelf. Wanneer echter het kiesrecht opgeheven is, welke wettelijke middelen blijven het proletariaat dan over? Nu, het is daarmee nog lang niet politiek werkloos, bovenal behoudt het de propaganda met de pers en met vergaderingen. De beperking of opheffing van het kiesrecht vermeerdert natuurlijk de betekenis van deze buitenparlementaire strijdmiddelen aanmerkelijk; hoe meer het de parlementaire weg versperd ziet, met des te groter kracht zal het proletariaat zich op de pers en de vergaderingen werpen. Bovenal komen, waar het stembiljet ontbreekt, als de meest geschikte middelen om zijn macht en zijn samenhang te tonen, protestvergaderingen en straatbetogingen in aanmerking.

Deze middelen hebben echter altijd in de ogen van de bewakers van de burgerlijke orde een gevaarlijker, meer revolutionair karakter, dan de methoden van de parlementaire strijd. Bij de verkiezingen schijnt de kracht van het proletariaat in duizend afzonderlijke acties verbrokkeld, alleen in het eindresultaat van de verkiezing treedt de proletarische massakracht de maatschappij machtig tegemoet. Bij de protestvergadering daarentegen, bovenal echter bij de straatbetoging, treedt deze massakracht zelf actief op, dit optreden vormt juist de politieke handeling, de politieke werkzaamheid, en de aanwezigheid van deze kracht als een voortdurende bedreiging komt eindelijk scherp tot het bewustzijn van de burgerlijke maatschappij.

Reeds dit feit dringt de overweging op dat een regering die aan het proletariaat het stemmen onmogelijk zou maken, ook het agiteren zeer zou bemoeilijken en dat dus in zekere zin slechts een onwettige, ondergrondse actie zou kunnen voortbestaan. De eerste beperking van de politieke rechten van het proletariaat betekent de eerste schrede terug op de aangelegde weg die van het constitutionalisme naar het absolutisme daalt.

Natuurlijk is de ongestoorde voortzetting van deze achterwaartse beweging ondenkbaar. In de economisch meest gevorderde, min of meer constitutioneel geregeerde landen van Europa zou zij de politieke voorwaarden tot verdere ontwikkeling of ook maar tot instandhouding van de productie op de tegenwoordige hoogte vernietigen. Haar gevolg zou de maatschappelijke desorganisatie, de ondergang van het kapitalisme zijn. Reeds bij de huidige stand van de proletarische organisatie zou de opheffing van de rechten en vrijheden van de arbeidersklasse — trots alle prediking van economisch fatalisme en politiek quiëtisme — een zo hardnekkig en taai verzet van de massa wekken dat de reactionaire uitval mislukken zou.

Waar dit verzet zou aanvangen, valt natuurlijk niet te voorspellen. Het uitbarsten van revolutionaire massabewegingen valt evenmin van tevoren aan te kondigen als haar verloop, zoals reeds uitvoerig betoogd is. Mogelijk zou het eerste bedrijf van de revolutie van boven af — zij het de beperking van de parlementaire macht, de invoering van het belastingskiesrecht of iets dergelijks — niet aanstonds door de massa met een oorlogsverklaring beantwoord worden; mogelijk zou eerst de uitwerking van hun ontrechting, gepaard met nieuwe dreigende aanvallen, een voortleven in knechtschap als ondragelijke smaad doen voelen en de revolutie van onderop als onvermijdelijke daad opdringen.

Maar dit uur mag vroeg of laat slaan, slaan zal het en dit vooruitzicht legt aan de sociaaldemocratie de plicht op de wegen te onderzoeken die haar ten dienste staan, wanneer de poorten van de wettelijkheid voor het proletariaat gesloten worden.

* * *

Om aanvallen op haar rechten af te weren, zowel als om de door wettelijke hinderpalen afgesloten toegang tot politieke heerschappij te veroveren, moet een klasse over reële machtsmiddelen beschikken, onvervreemdbare middelen, waarmee zij haar wil desnoods met geweld kan doorzetten. Deze middelen zullen verschillend zijn; zij richten zich geheel naar de graad van de economische ontwikkeling en naar de positie van de onderhavige klasse in het bedrijfsleven van haar tijd. In laatste instantie berusten zij steeds op de wortel van alle politieke rechten, het geweld, — dit woord echter niet in zijn enge zin van enkel fysieke overmacht, maar in zijn ruimere betekenis van vermogen om te dwingen.

Het geweld in deze zin vloeit geenszins zonder meer voort uit de onontbeerlijkheid van een klasse in het productieproces. Reeds het voorbeeld van de antieke slaven en van de middeleeuwse vroonboeren bewijst dit.[40] Ook is de psychisch-technische meerderheid van de wapens geen onvoorwaardelijke eis, anders was de overwinning van de stedelijke burgerij op het absolutisme, zoals bijvoorbeeld in de Nederlandse bevrijdingsoorlog tegen Spanje, niet mogelijk geweest. Voldoende is het vermogen tot zelfstandige, die van de tegenstander overtreffende organisatie, en het vermogen om die toe te passen tot schade en verderf van de tegenstander. Door de organisatie op zich zelf, zonder haar toepassing, d.i. zonder strijd, is nog geen enkele klasse tot heerschappij gekomen, en de onderstelling dat de bourgeoisie voor de proletarische organisatie zou wijken, zodra deze een zekere omvang bereikt heeft, miskent elke historische lering. De overmacht van de organisatie van een opkomende klasse, zowel als het organisatorisch verval van ondergaande klassen blijkt slechts door de praktijk, d.i. door de strijd.

Welke praktijk de organisatie volgen, van welke strijdmiddelen de georganiseerde klasse zich bedienen zal, dat hangt met de maatschappelijke ontwikkeling samen. Nieuwe klassen, uit nieuwe productieverhoudingen geboren, kunnen nieuwe strijdmethoden vinden en in toepassing brengen. Het door Eckstein aangewezen feit, dat de staking van de economische werkzaamheid tot dusver nog nimmer de politieke strijdmethode van een klasse geweest is, behoeft voor het heden en de naaste toekomst niet de minste betekenis te hebben. De maatschappelijke verhoudingen zijn thans geheel anders dan tijdens alle vroegere klassenworstelingen en middelen die voor het verleden niet in aanmerking konden komen, kunnen desniettemin voor de proletarische strijd van de toekomst zeer wel doorvoerbaar en nuttig blijken.

Een kort overzicht van de geweldmiddelen die door de verschillende klassen in de loop van haar historische klassenworstelingen toegepast werden, zal dit bevestigen.

De antieke slaven ontbrak het de mogelijkheid van de organisatie ook die van de afgesproken, gelijktijdige staking van de arbeid.

Gedurende de middeleeuwen overheerste de naturaaleconomie, de producenten waren onderling onafhankelijke economische eenheden; de sociale verhoudingen berustten niet op economische, doch op persoonlijke afhankelijkheid, op de verhouding van heer tot knecht, op bescherming en behoefte aan bescherming.

Maar ook de persoonlijk afhankelijke en bescherming behoevende van de middeleeuwen waren niet bezitloos; de onvrije boer bezat vee, arbeidsgereedschap, kortom productiemiddelen. Zodra een klasse dit bezit, heeft zij enerzijds bij de ongestoorde voortgang van de productie belang, anderzijds echter kunnen de heersers zich bij arbeidsweigering door inbeslagneming schadeloos stellen. Slechts de loonarbeider, de proletariër, die in het geheel geen productiemiddelen bezit, kan de neerlegging van de arbeid wagen; het stilleggen van de productie vormt zijn bijzondere methode van verzet, die aan de bijzondere aard van zijn afhankelijkheidsverhouding beantwoordt.

Gedurende de middeleeuwen bestond daarentegen voor alle strijdende klassen in meerdere of mindere mate de mogelijkheid om de tegenstander door weigering van de persoonlijke verplichtingen schade toe te brengen; dientengevolge werd deze weigering een wapen in de klassenstrijd. De heirban was een van de belangrijkste verplichtingen van de adel jegens de vorsten, de weigering daarvan een gebruikelijke daad van noodweer, als de adel zich in zijn rechten verkort of bedreigd voelde.

Wel vormde deze weigering van de heirban vaak slechts de inleiding tot het gewapend verzet. De adel had echter geen reden de beslissing met de wapens te ontwijken. De moderne staat als centralisatie van machtige heerschappijmiddelen was nog niet opgekomen; de ongelijkheid van de wapenen die aan de verschillende klassen ten dienste stonden, was oneindig geringer dan in later tijden; het fysieke geweld, het gewapend verzet was voor iedere klasse een mogelijkheid, zelfs voor de onderste klasse, de horige boeren.

De weigering van de economische functie had echter ten tijde van de overheersende naturaal-economie voor deze boeren, de massa van de bevolking, geen zin. Zij was slechts mogelijk voor de weinig talrijke klasse van de stedelijke loonarbeiders, van de gezellen. In de economische strijd tegen de meesters wendden de gezellen vaak met goed gevolg zowel staking als boycot aan, doch als politieke strijdmiddelen zouden deze methoden geheel onvoldoende geweest zijn. Betere kansen in de politieke strijd bood hun, zowel als de andere delen van de burgerij, het fysieke geweld, daar het hun noch aan lichamelijke energie, noch aan organisatie en bewapening ontbrak.

De strijd van de opkomende burgerij tegen het absolutisme en de feodale klassen speelde zich onder andere, nieuwe economische en maatschappelijke verhoudingen af. De naturaal-economie was door de eenvoudige warenproductie teruggedrongen, en deze wederom begon voor de kapitalistische productiewijze plaats te maken. De onderlinge economische afhankelijkheid van de producenten had grote vorderingen gemaakt, de meerderheid van hen beschikte echter nog over hun eigen productiemiddelen en dientengevolge over het product van hun arbeid.

Zolang deze verhoudingen in stand bleven, d.w.z. zolang de voortbrenging de meerderheid van de voortbrengers zelf verrijkte, kon de arbeidsweigering in het tuighuis van de politieke wapens geen plaats vinden. Het moest toen voor de hand liggen, niet de economische werkzaamheid zelf, maar haar vruchten de tegenstander te weigeren, d.w.z. de absolutistische staat de belastingen te onthouden, die hij voor zijn legermacht en zijn bureaucratie nodig had en aan de welgestelde burgerij ontnam. Zo werd de belastingsweigering tot een gewichtig vaak toegepast wapen in de klassenstrijd van de opkomende bourgeoisie.

Daarnaast echter kwam ook voor haar, evenals vroeger voor de adel, het gewapend verzet in aanmerking. Vaak vond het toepassing, al wijzigde zich de vormen in de loop van de tijden. De rebelse vazal, aan de spits van zijn mannen optrekkend, kon met goede grond hopen, zijn soeverein in het open veld te verslaan, diens burcht te bestormen en in te nemen; hij beschikte over geweldmiddelen gelijksoortig aan die van zijn heer, vaak ze evenarend, menigmaal, als meerdere edelen zich verbonden, zelfs overtreffend.

Reeds bij de stedelijke burgerij van de middeleeuwen was dit niet meer het geval. De bewapening van de ridderlijke en vorstelijke legers was geheel anders dan die van de stedelijke militie. De zware bewapening en uitrusting echter, stammend uit de tijden toen de veldslag zich in een reeks tweegevechten oploste, strekte de ridders niet steeds tot voordeel tegenover de beweeglijkheid van het stedelijk voetvolk. En overal waar vorstelijke soldenierlegers tegenover de strijdvaardige stedelijke militie stonden, bleek, bij ongeveer gelijke wapening, het zwaarwichtige onderscheid tussen dwangorganisatie en vrijwillige organisatie.

Wederom waren de voorwaarden van het gewapend verzet gewijzigd, toen het ‘volk’ van het einde van de achttiende en de eerste helft van de negentiende eeuw — d.w.z. de tot strijd verbonden arbeiders, ambachtslieden, kleinburgers en intellectuelen — het straatgevecht als een wapen in de revolutie tegen absolutisme en geprivilegieerde klassen vaak met goed gevolg aanwendden. Uit de moderne staat en de ontwikkeling van de techniek was het modern bewapende leger voortgekomen. Werden ook al aan het uithoudingsvermogen steeds hoger eisen gesteld, lichaamskracht speelde toch geen beslissende rol meer, de technische uitrusting was een belangrijke, vaak doorslaande factor geworden; het verschil in bewapening tussen volk en leger werd steeds groter. De nieuwe verhoudingen, de technische meerderheid van het leger vooral, leidden tot een nieuwe tactiek. Het te willen verslaan in het open veld, zou dwaasheid geweest zijn, maar de smalle, bochtige straten en stegen van de steden, een erfenis van vroeger eeuwen, boden de opstand nog een uiterst gunstig gevechtsterrein. Niettemin was de technisch-militaire meerderheid van het leger zo ontzaglijk dat, zoals Engels in zijn beroemd voorwoord bij Marx’ Klassenkampfe duidelijk gemaakt heeft, een werkelijke zegepraal van de opstand over het leger, een zegepraal als tussen twee legers, reeds toen tot de grote zeldzaamheden behoorde. In weerwil van zijn militair-technische minderheid kon echter de opstand niettemin overwinnen, wijl hij vele male de meerdere van het leger was in eigenschappen van andere — morele — aard, in taaiheid, eensgezindheid en geestkracht.

“Op de economische overwinning”, schrijft Engels, “leggen de opstandelingen het slechts zelden aan. Het was er hun slechts om te doen, de troepen door morele invloeden, die bij de strijd tussen de legers van twee oorlogvoerende landen in het geheel niet of ten minde in veel geringer mate in het spel komen, murw te maken. Gelukt dat, en blijft de troep in gebreke of de bevelhebbers verliezen het hoofd en de opstand zegeviert... Zelfs in de klassieke tijd van de straatgevechten werkte dus de barricade meer moreel dan materieel. Zij was een middel om de hechtheid van het leger te schokken. Hield zij het uit tot dit gelukte, dan was de overwinning bereikt; zo niet, dan was men verslagen.”

In zijn reeds vroeger vermelde reeks artikelen over Staatsgreep en politieke massastaking geeft Parvus een aanschouwelijke voorstelling van de wijze waarop barricadegevechten tot stand kwamen en van de morele middelen die de overwinning ook menigmaal aan de kant van de opstandelingen brachten. Wij ontlenen aan zijn scherp omlijnde beschouwingen de volgende passage (Neue Zeit, XIX, II, bid. 308-3101):

“De barricaderevolutie, zoals de geschiedenis haar vertoont, blijkt ons bovenal de afsluiting van de geschetste ontwikkelingsreeks van politieke uitingen en tevens haar samenvoeging en verheffing tot de hoogste kracht en uitwerking. Maar zij was meer dan dat. Zij was de maatschappelijke desorganisatie. De fabrieken, werkplaatsen, woonhuizen liepen leeg, de straten en pleinen waren overvol. De winkels werden gesloten. De voortbrengingswerkzaamheid, de handel, het verkeer stonden stil. De vele duizenden draden van het maatschappelijk poppenspel waren losgeknoopt. En met het alledaagse werk verdween ook de alledaagse doezeligheid. De gemakzucht hield op, de laksheid oefende haar invloed niet meer uit, de traditie was vergeten, de sleur gebroken, de kleingeestige levenszorgen werden op de achtergrond gedrongen en slechts één ding bezielde de schuivende, dringende, stuwende, golvende menigte — politieke belangstelling. In de opgewonden mensenchaos verloor zich de individuele wil en de wetten van de massabewegingen gingen gelden. Politiserende mensenhopen vormden zich aan de hoeken van de straten. Het waren de zenuwknopen van de tot een groot monster versmolten volksmenigte in de vrije lucht, de gevoelskluwens, die in trillende haast indrukken, berichten, geruchten, gedachten, woorden, stemmingen verder droegen, voortbrachten, opbliezen, in gang hielden. De onzekerheid, het ongewone, perverse van de toestand, de zenuwachtige spanning, de samentrekking van de belangstelling op één punt, het dicht bijeenzijn van een groots volksmassa verhoogden het bevattingsvermogen, schiepen als het ware in de plaats van de gewone geestelijke ontvankelijkheid een verfijnd, opgevoerd, revolutionair massa-intellect. Vandaar het snelle om zich grijpen van een revolutionaire opstand — let wel, als hij terechter tijd kwam.

De staat werd in de algemene maalstroom meegesleept. De regeringsmachinerie liep voortreffelijk, zolang het gehele maatschappelijke mechanisme ongestoord functioneerde... Maar zodra de beroepswerkzaamheid ophield, de correcte zakenman zowel als de gauwdief en zwendelaar buiten verdienste gezet werden, wanneer ernstige volksmenigten zich in de straten bewogen en op de huizen opschriften verschenen: ‘Dood aan de dieven’ — dan werden de regeringsorganen, van de nachtwachter tot de koning, aangegrepen door een bange bezorgdheid, een beklemmende onzekerheid, een schuwe radeloosheid. Gaven zij zich vroeger voor de beschermers van het volk uit, nu bleken zij tegen het volk bescherming te behoeven. Want tegen hen richtte zich de lang verbeten toom van het uit zijn geweldige rust wakkergeschudde volk. Bovenal echter was het streven van de regering om de orde te herstellen, d.w.z. het volk met geweld ertoe te brengen dat elk zijn plaats in de maatschappelijke tredmolen weer innam, het met geweld weer in de gewone sleur te wringen. Doch de politie verdween in de mensenstroom en werd machteloos. Zo bleef de enige toeverlaat — het leger.

De taak, die aan het leger toeviel, was, het volk uit de straten te verjagen, het uiteen te drijven, ten einde daardoor de tovermacht van de samenscholingen te vernietigen, in de verwachting dat de uiteengestoven menigte, zonder onderlinge samenhang, ontmoedigd zou worden en haar ontbonden delen, aan zich zelf overgelaten, zouden zwichten en weer onder het juk kruipen, om in het oude spoor verder te draven. Daartegen verzette zich het volk. Zo ontstonden de barricaden.

De betekenis van de barricade is in twee richtingen te zoeken. Vooreerst was zij een verzamelpunt en organisatiemiddel. Juist waar het een ongeorganiseerde massa betrof, zoals dat bij de historisch bekende gewelddadige revoluties steeds het geval was, is dat een zeer belangrijk punt. De samenscholingen kregen daardoor een doel en een bindmiddel. Een bijzonder goede uitwerking bleek dat te hebben bij de door hun beroepsbezigheid van elkaar gescheiden, maar toch in het enge bestek van de straat, van de stadswijk in zeer aanzienlijk aantal voorhanden kleine kooplieden, ambachtslieden, huisindustriëlen enz. Door de barricadebouw werden deze lieden uit hun winkels, werkplaatsen, achterhuizen gelokt en verenigd. Voor allen was de barricade de proclamatie, de openlijke afkondiging van de omwenteling, de gehesen banier, om de revolutionaire krachten te verzamelen. Men bedenke, hoe talrijk nog in 1848 de kleinburgerij en de ambachtsstand waren, hoe ongeorganiseerd de arbeidersklasse zelf was, en men zal de belangrijkheid van dit punt begrijpen. Daarom toont iedere revolutie aanvankelijk een opgaande beweging. Zij had tijd nodig om zich te ontplooien. En zolang dit uitbreidingsvermogen aanhield, was de overwinning aan de zijde van het volk. Terecht wijst Engels erop, dat de overwinning van het volk te Berlijn in 1848 onder meer aan de sterke toevloed van nieuwe strijdkrachten in de nacht en de ochtend van de 19e maart valt toe te schrijven.

In de tweede plaats was de barricade een borstwering: dekking voor het volk en hindernis voor het leger. De macht van deze belemmering voor het leger lag niet altijd in haar materiële, maar nog meer in haar morele uitwerking. De opmars van de troepen werd tegengehouden, daardoor ontstond wanorde in de rijen, de stramme spanning van de militair optrekkende stoet verslapte; er verliep tijd; de soldaten, door gewoonte en militaire tucht bijeengehouden, door het tromgeroffel verdoofd, door de gemeenschappelijke — colonnemars meegesleept, kregen gelegenheid om rond te zien, na te denken, zich rekenschap te geven van hun handelingen. En daar het geen strijd in het open veld tegen een vreemde vijand gold, doch een aanval in de enge ruimte van de straat, onder de ogen van de bevolking, op het volk waarmee de soldaten gisteren nog vreedzaam verkeerden en waaruit zij zelf komen, maakte zich gebrek aan geestkracht, onwil, verwarring van de troepen meester, zij werden gedemoraliseerd, en wel te meer naarmate zij van tevoren meer sympathie voor de opstand koesterden. Het is bekend, dat men daarom bij revolutionaire strijd de ontbrekende geestdrift van de soldaten door rijkelijke oorlammen placht te vervangen. In de jeneverroes lag dus in laatste instantie het heil van de staat.”

* * *

Uit dit overzicht van de verkillende, gedurende vele eeuwen in de klassenstrijd toegepaste middelen volgt, dat de strijdende klassen in hun verleden over bepaalde, met de gehele maatschappelijke ontwikkeling en de maatschappelijke toestanden samenhangende strijdmiddelen beschikten. De weigering van een belangrijke maatschappelijke indien ook al niet noodzakelijk economische functie bleek ons een van de historische methoden van verweer. Daarnaast komt dan het eigenlijk geweld in de vorm van het gewapend verzet in aanmerking. De neiging van de historische ontwikkeling is echter, de geweldmiddelen in de handen van de staat te centraliseren, het volk te ontwapenen, alsmede de opstand tussen de strijdende klassen in militair-technisch opzicht steeds groter te maken en het gewapend verzet steeds moeilijker. Gelukkig voor de opkomende klasse van onze tijd, voor het proletariaat, beslist echter steeds minder de enkele technisch-militaire meerderheid. Daarentegen wint een andere factor steeds meer in betekenis: de hechtheid, taaiheid en weerstandskracht van de organisatie.

Wij willen nu die mogelijke strijdmiddelen toetsen, die voor het moderne proletariaat uit de richting van de maatschappelijke ontwikkeling en uit zijn eigen positie in het productieproces voortkomen.

In de productie vervult het proletariaat een hoogst belangrijke rol, daar zijn arbeid de ganse gemeenschap in stand houdt. Daarnaast heeft het ook in het staatswezen zekere verplichtingen te vervullen, waarvan de gewichtigste zijn het belasting betalen en de militaire dienst, en als weigering het misschien als dwangmiddel in de klassenstrijd zou kunnen aanwenden. Uiteindelijk is het, zoals alle andere klassen, ook consument.

In de economisch hoog ontwikkelde landen vormt het proletariaat de talrijkste klasse van de bevolking en derhalve overal, waar de algemene dienstplicht de persoonlijke grondslag van het moderne militarisme uitmaakt, het grootste deel van het leger. Als belastingbetaler draagt het, als gevolg van zijn armoede, een aanmerkelijk deel van de openbare lasten slechts daar waar indirecte belastingen op verbruiksvoorwerpen gelegd zijn, dat is in haast alle Europese landen behalve Engeland. Zou het proletariaat, zoals eens de bourgeoisie deed, de belastingwetgeving als politiek wapen trachten toe te passen, dan zou het dit dus slechts kunnen doen in zijn rol van consument, door zijn eigen verbruik te verminderen. De indirecte belastingen op verbruiksvoorwerpen, invoerrechten en accijnzen, die het proletariaat betaalt, treffen zowel zijn eerste levensmiddelen (graan, vlees, aardappelen, verder katoen, huisraad, petroleum enz.), als zijn genotmiddelen (suiker, tabak, thee, alcoholische dranken). Algemeen is de neiging van de (reactionaire) ontwikkeling in de richting van verhoging van deze belastingen, aangezien de uitgaven voor militarisme en marinisme ontzaglijk aangroeien, de heersende klassen echter weigeren de geldmiddelen voor deze politiek door progressieve belastingen op inkomens en erfenissen op te brengen. Het verbruik van zijn eerste levensmiddelen gedurende lange tijd belangrijk te verminderen, zou voor het proletariaat, zoals voor elke andere klasse, onmogelijk zijn. Vrijwillige beperking van het verbruik van genotmiddelen is daarentegen wel mogelijk en een poging daartoe is reeds ondernomen door volken die door belasting uitgebuit werden, zoals door de Noord-Amerikanen vóór de onafhankelijkheidsoorlog tegen Engeland. Het resultaat van een dergelijke actie van het proletariaat zou echter hoogstens van morele aard kunnen zijn; in elk geval zou zij hoogstens pas bij langere duur een zekere economische benadeling van enkele groepen uit de bezittende klassen kunnen bereiken. Zij zou dus slechts als een versterkte vorm van betoging kunnen werken.

De belastingweigering kan een bruikbaar wapen zijn, als zij toegepast wordt door een klasse die over het product van haar economische werkzaamheid zelf beschikt en dus de staat de voor zijn bestaan nodige geldmiddelen weigeren kan, zonder haar eigen verbruik te beperken. Bij klassen, waar dit niet het geval is, dus voor de praktijk van de proletarische klassenstrijd, komt de belastingweigering niet ernstig in aanmerking.

Behalve de belastingweigering is nog de boycot als economisch wapen in de politieke strijd reeds toegepast. Voor enige tijd werd, hoewel in geringe omvang, door de Afrikaanse Boeren gepoogd hem tegen Engelse waren aan te wenden. In de laatste tijd vindt hij onverwacht toepassing bij de Bengalesen, waar hij zich schijnt te ontwikkelen tot een dreigende beweging tegen de Engelse heerschappij. Door middel van de goederenboycot kan men echter slechts een nationale vijand treffen. In de politieke strijd is hij voor het proletariaat onbruikbaar, daar hij het element van de internationale solidariteit volkomen buiten werking zou stellen. Het proletariaat zou, om de nationale vijand te kunnen treffen, de vijanden van zijn internationale broeders moeten bevoordelen. Bovendien zou een verhoging van de invoerrechten aan de bourgeoisie een middel leveren om het doorzetten van de boycot onmogelijk te maken.

Naast de betaling van belasting is de belangrijkste staatsplicht van het proletariaat de militaire dienst. De weigering van deze dienst zou de moderne herleving zijn van de middeleeuwse weigering van de heirban. Haar gevolgen voor de enkeling echter zijn, in overeenstemming met de geweldige afstand in machtsverhouding tussen de moderne staat en het rebellerende individu, voor dit individu van geheel andere aard. De middeleeuwse baron lokte door zijn leenplicht te weigeren de openlijke strijd uit, maar hij vreesde die niet al te zeer, daar hij over kwalitatief, zij het ook niet altijd kwantitatief gelijke wapenen als zijn heer beschikte; hij kon de strijd aanvaarden met kans op overwinning. De moderne arbeider daarentegen, die het waagt dienst te weigeren, komt in botsing met het ganse machtstoestel van de staat en wordt door deze platgedrukt als een lastig insect.

Omdat zij praktisch geen kans op welslagen aanbiedt, en om haar ernstige persoonlijke gevaren is de individuele dienstweigering door de sociaaldemocratie altijd bestreden. De zekere agitatorische uitwerking, die haar niet ontzegd mag worden, weegt nauwelijks tegenover haar bezwaren.

Anders dan met de individuele dienstweigering staat het met de georganiseerde. Door het proletariaat op grote schaal toegepast; zal zij in revolutionaire tijden aan de regeringen bij binnenlandse onlusten grote verlegenheid kunnen bereiden, wellicht ook bij buitenlandse oorlogen. In Finland is kort geleden een zwakke poging in deze richting ondernomen; in de allerlaatste tijd werd de georganiseerde dienstweigering door de Poolse socialistische partij, in verband met andere revolutionaire middelen, in de strijd tegen het absolutisme, niet geheel zonder succes toegepast.

De georganiseerde dienstweigering is echter niets anders dan een enigszins verzwakte vorm van de militaire staking, d.i. van de beslist meest revolutionaire staking die in de burgerlijke maatschappij mogelijk is. Blijft deze staking beperkt tot hen die voor het eerst tot de militaire dienst worden opgeroepen, breidt zij zich niet allengs uit tot hen die zich reeds in militaire dienst bevinden, tot het leger, dan worden in de onvermijdelijke gewelddadige botsingen die zij verwekt, de stakers onverbiddelijk overweldigd. Alleen wanneer de staking zich ook tot het staande leger uitstrekt, de dienstweigering van de rekruten tot de soldaten overslaat, tot algemene insubordinatie wordt, kan zij gunstige kansen opleveren.

Het is echter volkomen onwaarschijnlijk, dan in de loop van de ontwikkeling een politieke gisting, machtig genoeg om de banden van de militaire discipline los te maken en het leger tot insubordinatie mee te slepen, bij dit laatste zal aanvangen. Volksopstanden plegen niet met het leger te beginnen; veeleer biedt het leger aanvankelijk aan het zegevierend doordringen van de opstand gewoonlijk een zeker verzet, ook wanneer het zich ten slotte erdoor laat meeslepen.

De georganiseerde weigering tot rekrutering en militaire dienst zal als proletarisch strijdmiddel ongetwijfeld toepassing vinden, maar slechts als deel, als element van algemene revolutionaire beweging van de arbeidersklasse, waarvan het begin en het belangrijkste middel van uiting niet anders zijn kan dan een machtige stakingscrisis. Tot de militaire staking kan het slechts komen in dagen van revolutionaire gisting, als het heersende regime reeds ernstig bedreigd wordt en schijnt weldra ineen te zullen storten. Zolang rekruten en soldaten vrezen dat het politiek gezag, waartegen zij in verzet komen, na het einde van de strijd nog hetzelfde zal zijn, zullen zij zich ervoor wachten een strijd te aanvaarden die voor hen het verlies van de vrijheid en van het leven zou betekenen. Zij kunnen de strijd slechts wagen als hij kans biedt de bestaande staatsmacht omver te werpen en een nieuwe ervoor in de plaats te stellen. Maar om deze hoop te kunnen voeden, moeten zij niet geïsoleerd staan, doch een deel vormen van de ganse proletarische klasse, die zich eveneens in openlijke strijd tegen de staatsmacht bevindt.

Onder deze voorwaarde kan niet slechts, doch zal waarschijnlijk de rekrutering en dienstweigering een belangrijke rol spelen in de beslissende strijd van het proletariaat. Reeds hierom zal dit het geval moeten zijn, daar de staat, in zijn verweer tegen een machtige politiek-revolutionaire stakingsbeweging, ongetwijfeld zowel de arbeiders van de spoorwegdienst en andere belangrijke bedrijfstakken zal militariseren als de in het leger en in de reserve dienende beroepsarbeiders tot beroepsarbeid zal commanderen. Staking en dienstweigering zullen op deze wijze ineengeschakeld worden, onverbiddelijk in elkaar overgaan.

De rekrutering- en dienstweigering kan dus de politieke massastaking niet vervangen, doch vloeit noodzakelijk uit de revolutionaire stakingsbeweging voort, verhoogt haar intensiteit en zal vermoedelijk een voorwaarde tot haar zegepraal zijn.

Hiermee zijn de mogelijke dwangmiddelen uitgeput, die voor het proletariaat ontspruiten uit zijn positie in het voortbrengingsproces in de burgerlijke maatschappij. Er rest nog slechts het eigenlijk geweld, de gewapende opstand. Een uitvoerig onderzoek naar de kansen daarvan is hier niet nodig, zoals ook Parvus in zijn meermalen aangehaalde reeks artikelen uit 1898 en Kautsky in zijn verhandeling uit 1904 van zulk een onderzoek hebben afgezien. Friedrich Engels heeft met klassieke helderheid en nauwkeurigheid de redenen uiteengezet waarom het gewapende oproer met barricadegevechten en dergelijke krijgsverrichtingen in de hedendaagse revolutiebewegingen geen beslissende rol meer kan spelen, en deze redenen nogmaals uiteen te zetten zou slechts een herhaling van Engels beschouwingen worden.

Evenwel is in de laatste tijd toch in het internationaal socialisme weer twijfel uitgesproken of het gewapende oproer werkelijk geen kans op welslagen biedt; de twijfel is geuit zowel door een fractie van het Russische socialisme, als door bekende woordvoerders van de Italiaanse en Engelse sociaaldemocratie. Daarbij komt dat de Russische gebeurtenissen van de laatste maanden een nieuwe, belangrijke, zij het nog lang niet afgesloten ervaring aan het feitenmateriaal van de proletarische revolutiebewegingen toegevoegd hebben, waaraan toch wellicht nieuwe gezichtspunten te ontlenen vallen. Om deze beide redenen schijnen enige beschouwingen over de mogelijke rol van het geweld in de proletarische ontvoogdingsstrijd hier niet misplaatst.

Het is bekend dat de partij van de Russische Sociaalrevolutionairen van mening is, dat het georganiseerde geweld een voor het proletariaat nuttig wapen kan blijken, en wel voornamelijk om zijn morele uitwerking.[41] Het gewapend verzet tegen politie en leger bij werkstakingen, optochten, straatbetogingen enz. schijnt hun een geschikt middel om het proletariaat tot groter strijdersmoed op te voeden; zijn zelfbewustzijn te versterken en de langdurige gewoonte van gehoorzaamheid en onderwerping aan het gezag tegen te gaan.

De Russische revolutionairen hebben het gewapende verzet bij straatoptochten enz. vaak in toepassing gebracht. Het enig mogelijke succes bestond, behalve in de opvoedende werking van het dapper standhouden tegenover de gewapende macht; in de indruk op de publieke opinie. De gedachte aan de mogelijkheid om het Russische staatsgezag te schokken, het absolutisme omver te werpen door een guerrilla tegen de politie, gevoerd met de primitieve wapens die de arbeiders ten dienste staan, kon bij niemand opkomen. De morele uitwerking van het verzet, het vermeerderen van de strijdlust en de strijdvaardigheid van het proletariaat, kan zijn nut gehad hebben onder omstandigheden als de Russische waren, waarbij elke regelmatige massa-actie onmogelijk was, elke werkstaking en elke betoging het ingrijpen van de autoriteiten uitlokte, doch heeft slechts reden van bestaan bij zulk een het proletariaat tot volkomen rechteloosheid veroordelende orde van zaken.

Het uitbarsten en de ontwikkeling van de revolutionaire beweging in Rusland hebben echter bewezen, dat zodra het proletariaat de guerrilla tegen politie en leger tot de grote oorlog tegen de heersende staatsorde uitbreidt, niet in de eerste plaats het eigenlijk geweld, doch de massastaking de feitelijke draagster van de politieke en sociale klassenrevolutie wordt. De werkstaking vloeit als noodzakelijkheid, vanzelf, uit elke werkelijke huidige revolutiebeweging voort, daar zij uit de economische toestand van de arbeidersklasse voortkomt. Zonder de fabrieken, werkplaatsen en mijnen te verlaten, waar het, aan de keten van het kapitaal gesmeed, in afzondering en verbrokkeling vastgehouden wordt, kan het proletariaat geen algemene politieke actie voeren. De staking is de inleiding, de eerste schrede van elke revolutionaire massa-actie, hoe ook haar verdere ontwikkeling zich moge afspelen. Zij is bovendien de enige vorm van actie, die alle groepen van het proletariaat wakker schudt en in de politieke beweging meesleept, omdat zij het allen mogelijk maakt, tegenover de economische en socialen druk van het kapitaal, die de algemene grondslag van de moderne maatschappij is, hun eisen te stellen.

Niet met het straatgevecht, doch met de massastaking is de revolutionaire opstand in Rusland begonnen. Wel echter zijn in vele gevallen straatgevecht en gewelddadig verzet de tweede fase van de beweging geweest: oproeren, straatgevechten, botsingen met politie en leger zijn overal uit de werkstaking voortgekomen en hebben duizenden offers geëist. De straatgevechten echter vormen in de regel slechts heldhaftige episoden in de revolutionaire stakingsbeweging, bijkomstige verschijnselen van ondergeschikte betekenis vergeleken bij deze beweging zelf, d.w.z. verschijnselen wier resultaat niet beslissend was voor het lot der revolutie. Over dat lot beslist, voor zover het proletariaat als een factor van de Russische revolutie in aanmerking komt, — en dat is in zeer hoge mate, indien ook lang niet uitsluitend het geval, — in de eerste plaats het verloop van de stakingsbeweging zelf, de omstandigheid of het proletariaat in staat is, de beweging in de diepte en in de breedte steeds grootser te doen worden, haar met korte tussenpozen, die het absolutisme niet op adem laten komen, steeds opnieuw te herhalen, de economische en maatschappelijke verhoudingen dientengevolge steeds dieper te schokken, het uit het volk voortgekomen deel van het leger steeds nader tot insubordinatie te brengen, de regering steeds meer in verwarring, haar machtsmiddelen te verlammen, haar tot werkeloos weifelen of tot vertwijfelde werkloosheid te doemen.

De Russische revolutie heeft op dit ogenblik nog geen besliste winst op de vijand behaald,[42] maar niettemin heeft de revolutionaire stakingsbeweging in de loop van de laatste maanden zo goede vorderingen gemaakt met de desorganisatie van de absolutistische staat, dat uit de Russische gebeurtenissen duidelijk blijkt welk een uitnemend wapen de werkstaking als de natuurlijke vorm van de proletarische revolutie is, zelfs in de handen van een weinig talrijk en weinig geschoold proletariaat. Een algemene poging van de arbeiders en intellectuelen tot een gewapende opstand zou ongetwijfeld met een vreselijke nederlaag geëindigd zijn en het proletariaat jarenlang verzwakt en machteloos gemaakt hebben. Na een verscheidene maanden volgehouden, met betogingen, oproeren en straatgevechten verbonden stakingsbeweging is het proletariaat niet alleen nog ongebroken en onverzwakt, in staat om de strijd naar goedvinden, zo het uitgeput is, af te breken en weer te beginnen, — het heeft in de strijd ook zijn krachten leren kennen en het bewustzijn van zijn maatschappelijke onmisbaarheid verworven. In enige maanden van strijd heeft het aan het absolutisme veel groter schade berokkend dan het revolutionair intellect dit in een worsteling van tientallen jaren vermocht. Het heeft door de staking elke vastheid van bedrijf en bestaan onmogelijk gemaakt, in de maatschappij een ondragelijke toestand van onrust en onzekerheid teweeggebracht, de inkomsten van de staat sterk verminderd, hem tot hoger uitgaven genoopt, aan andere revolutionaire klassen gelegenheid gegeven de desorganisatie van staat en maatschappij door het staken van hun eigen wetenschappelijke en administratieve werkzaamheid te bevorderen. Het proletariaat heeft binnen de tijd van een jaar een aanmerkelijke feitelijke, zij het ook niet wettelijke vrijheid van propaganda en organisatie verworven en voor de ganse maatschappij in verschillende doelen des rijks een nooit gekende vrijheid van drukpers veroverd. De strijdkrachten van de revolutie zijn ontzaglijk toegenomen, de onwettige pers heeft geweldige verbreiding gevonden. Bovenal echter is, wellicht als belangrijkst resultaat van dit eerste tijdperk van de revolutie, een vloedgolf van militaire oproeren komen opzetten, wier aanhouden het tsarisme in het leven zelf bedreigen zou. Deze militaire woelingen moeten, behalve aan de nederlagen in het oosten, zonder twijfel toegeschreven worden aan de aanrakingen, die het leger weken en maanden lang met de stakende arbeiders had, als ook aan het ellendige beulswerk, waartoe de regering de soldaten misbruikte en dat hun op de duur walgen moet. Eindelijk is gedurende deze periode in de vorm van de Doema een nieuw, waardevol uitgangspunt verworven voor de verdere revolutionaire propaganda onder de rechteloze volksmassa’s, bovenal onder de boeren.

Het Russische proletariaat heeft deze resultaten slechts met zeer bloedige offers gewonnen. Bij het Petersburger bloedbad zijn duizenden gevallen en bij de, botsingen tussen arbeiders en leger te Warschau, Lodz, Riga, Odessa, Moskou enz. zijn nogmaals duizenden op het slagveld van de vrijheid gebleven.

Bij de straatgevechten, die van de stakingsbeweging niet scherp te scheiden zijn, stroomde in gans Rusland het bloed van de revolutionairen. Er is schier geen plaats van enige betekenis, geen industriestad, geen mijn, waar niet heldhaftige proletariërs het offer geworden zijn van de bloeddorstige onderdrukkingspogingen van de alleenheerschappij. Een revolutie zonder slachtoffers, en dan nog wel tegen het Aziatisch barbaarse absolutisme, is echter onmogelijk. Doch ware niet de werkstaking, maar de poging tot gewapende opstand aanstonds de algemene verschijningsvorm van de strijd geweest, dan zouden niet zoals thans enige honderden of duizenden proletariërs gevallen zijn, maar het Russische proletariaat zelf zou, uit ontelbare wonden bloedend, ter aarde liggen, zoals het Parijse proletariaat na de onderdrukking van de Commune.

De politieke massastaking, hetzij als gelijktijdige opstand van het ganse proletariaat, hetzij in de gewijzigde, slepende vorm zoals zij zich thans in Rusland afspeelt, is blijkens de Russische gebeurtenissen het beste middel om tegenover het staatsgezag een weliswaar niet altijd ongewelddadig, maar evenmin voornamelijk van het eigenlijk geweld afhankelijk verzet te stellen, een verzet dat juist hierom tegen de machtige geweldmiddelen van de staat niet het onderspit behoeft te delven, omdat haar machtsmiddelen grotendeels van andere aard zijn. Zij is de enig mogelijke vorm van burgeroorlog, waarin tegenover de met de meest verfijnde middelen van de moderne techniek uitgeruste soldaten, van de andere kant slechts ‘de open borst en het onbeschutte hart’ gesteld worden en niettemin niet het gewapend regeringsgezag, doch de ongewapende heldenmoed van de massa beslist.

* * *

Ook door een deel van de Italiaanse en Engelse sociaaldemocratie wordt vaak de mening geuit, dat in de beslissende strijd van het proletariaat het gewapend geweld de belangrijkste rol zal spelen. Hyndman verwerpt, naar men zich herinneren zal, de revolutionair-politieke massastaking, wijl deze naar zijn oordeel geen kans op welslagen biedt tegenover het geweld van de politieke machthebbers; hij aanvaardt haar hoogstens als inleiding tot de gewapende proletarische opstand. Deze stelt hij zich echter niet voor in de oude, door de technische en maatschappelijke ontwikkeling sinds lang onmogelijk gemaakte vorm van een strijd van de volksmassa’s tegen het leger, maar hij wil het leger zelf in de dienst van de vrijheid stellen, het gebruiken als middel ter omverwerping van de kapitalistische heerschappij. Daarom beveelt hij onze Duitse partijgenoten aan in het leger socialistische en antimilitaristische propaganda te voeren. Daarom staat hij een legerorganisatie voor, die met socialistisch bewustzijn doordrongen kan worden, waarvan hij verwacht dat zij zich in zo hoge mate één zal voelen met het volk, dat dit haar als werktuig van de revolutionaire opstand zou kunnen aanwenden: het volksleger.

Ongetwijfeld zou het volksleger — d.w.z. de tot militaire doeleinden georganiseerde, maar niet als zelfstandig orgaan buiten en boven het volk staande gehele mannelijke bevolking — de politieke massastaking als vorm en middel van de proletarische omwenteling overbodig maken. Wel zou ook in dit geval het onderbreken van de voortbrenging, de uittocht van het proletariaat, uit fabrieken, werkplaatsen en mijnen de onmisbare voorwaarde zijn tot de actieve ontplooiing van zijn militaire macht. Aan deze echter zou de taak toevallen om het burgerlijk regime door direct geweld omver te werpen, in plaats van het voornamelijk, zoals de politieke werkstaking wil, door indirecte desorganisatie en demoralisatie uit de weg te ruimen.

Maar het is hoogst onwaarschijnlijk, dat onder verhoudingen die de politieke werkstaking, dus de toepassing van geweld middelen door de arbeidersklasse ter doorvoering van haar bevrijding noodzakelijk maken — waar haar dus de volledige democratie niet of niet meer ten dienste staat — een militaire organisatie op democratische grondslag ontstaan of standhouden zal.

Het volksleger, zoals de sociaaldemocratie dat opvat — niet in de tweeslachtige vorm, gelijk het uit technisch-militaire overwegingen ook van militaire zijde verlangd wordt — is geen op zichzelf staande legervorm, doch het verstrekken van een uiterst gewichtig politiek recht van nog groter draagwijdte dan het kiesrecht; het is de voorwaarde en consequentie van een ontwikkelde democratie. Het kan slechts bestaan hetzij in een kleinburgerlijke of boerse democratie, of in een moderne democratie waarin het proletariaat de volle politieke invloed uitoefent, die aan zijn belangrijke positie in het economisch raderwerk en aan zijn politieke rijpheid beantwoordt. Maar zijn socialistisch doel zal het proletariaat immers in zulk een democratie langs wettelijk-parlementaire weg bereiken kunnen en daarmee verdwijnt de noodzakelijkheid van de toepassing van de politieke werkstaking, zoals trouwens van elk geweldmiddel. Bereikt echter de democratische ontwikkeling deze graad van rijpheid niet, grijpt de heersende klasse integendeel naar het middel van de politieke ontrechting van het proletariaat, ten einde zich staande te kunnen houden, dan is de democratische legerorganisatie, de volksmilitie, niet als strijdmiddel voor het proletariaat, doch pas als resultaat van zijn overwinning te verwachten.

Het proletariaat is thans reeds zozeer de schrik van zijn vijanden, dat de regeringen geen schrede naar de volksmilitie wagen te doen, hoe gewenst dit op technisch-militaire gronden ook zijn zou. De weerkracht van een rechteloze klasse is de heersers steeds gevaarlijk; en waar het proletariaat politiek in staat is de omzetting van het staande leger in een volksleger door te zetten, is het des te eerder in staat de politieke democratie te verwerven en te behouden.

In elk geval is tot dusver in de belangrijkste landen van Europa van een ontwikkeling van het staande leger tot volksmilitie niets te bespeuren. Waar, zoals in de kleinere landen, op grond van financiële overwegingen de diensttijd niet langer of nog korter dan een jaar is, staat niettemin het kazernestelsel, de militaire rechtspleging in volle bloei, kortom, er wordt alle moeite gedaan om in weerwil van een korte diensttijd de ‘militaire geest’ aan te kweken. In de oude Noorse boerendemocratie, waar van oudsher een soort volksleger bestond, slaat de legerontwikkeling de weg naar het militarisme in. Alleen in Zwitserland, het oude type van een kleinburgerlijke en boerse democratie, staat het volksleger nog vast, hoewel ook daar een begin van militarisme aanwezig is.

Rest nog Engeland. Daar echter zijn de legerverhoudingen zeer verschillend van die van het vasteland, zoals ook zijn maatschappelijke verhoudingen in het algemeen veel eigenaardigs vertonen. Een staand leger op de grondslag van algemenen of persoonlijke dienstplicht bestaat er niet, de legerorganisatie is een mengsel van beroepssoldaten en vrijwillige militie. De grote legerhervorming, waarvan sinds jaar en dag sprake is, maar die het liberale ministerie waarschijnlijk even ongaarne zal uitvoeren als de conservatieve unionisten het deden — deze steeds weer verschoven ‘grondige’ hervorming moet in elk geval tot een soort militieleger leiden; want het Engelse volk, dat nimmer persoonlijke militaire lasten gekend heeft, zou in verzet komen tegen een diensttijd, zo lang als het staande leger eist. Engeland is echter onder de kapitalistisch ontwikkelde landen van Europa dat land, waar de bourgeoisie de uitbreiding van de rechten van het proletariaat het minst behoeft te vrezen, daar dit tot dusver zijn politieke rechten toch niet tot zijn bevrijding aanwendde. Het Engelse proletariaat bezit vrijheid van vereniging, maar het heeft geen sterke zelfstandige politieke organisatie; het heeft vrijheid van drukpers, maar de onafhankelijke arbeiderspers heeft geen politieke invloed en geen betekenis; het heeft een zo goed als algemeen kiesrecht, maar het stuurt bijna geen van helder klassenbewustzijn vervulde strijders naar het parlement. Zo zou het ook wel de militaire macht, die het door de instelling van de militie verwierf, in het tegenwoordig stadium van zijn politieke rijpheid of liever onrijpheid niet aanwenden om het staatsgezag te bestrijden, maar zich waarschijnlijk laten verleiden om voor de belangen van de bezittende klassen zijn leven te wagen. Ontwaken echter de Engelse arbeiders toch nog tot klassenbewustzijn, leiden hun herhaalde pogingen van de laatste jaren om zich een van de burgerlijke partijen onafhankelijke vertegenwoordiging in het Lagerhuis te verzekeren, ten slotte tot de vorming van een sterke sociaaldemocratische partij, dan zal vermoedelijk ook in Engeland de invoering van de militie wel bezwaren ontmoeten, of daarnaast zal een beroepsleger gevormd worden, dat niet slechts als koloniaal leger zou kunnen fungeren, doch in geval van nood ook tegen de ‘binnenlandse vijand’ aan te wenden is.

Alles te samen genomen is de kans niet groot, dat het proletariaat, door de staat militair georganiseerd, met deze organisatie de staat in de beslissende strijd zal kunnen verslaan. Veeleer zal de invoering van de volksmilitie een van de eerste politieke maatregelen van de zegevierende arbeidersklasse zijn, ten einde haar heerschappij tegen het gevaar van reactionaire woelingen te beveiligen.

Indien er echter weinig kans is, dat het militiestelsel vóór de proletarische revolutie tot stand komt, dan zal deze rekening hebben te houden met de huidige legerorganisatie, met het staande leger. Het staande leger van de nieuwste tijd verschilt evenveel van het beroepsleger uit vroeger tijden, als van een werkelijk volksleger, het houdt het midden tussen die twee. Het is die legervorm, die het de burgerlijke staat mogelijk maakt de weerkracht van de gehele natie te benuttigen, doch haar tevens aan te wenden voor zijn eigen oogmerken, d.w.z. ook tot oogmerken die in strijd zijn met de belangen van het proletariaat. Het proletariaat echter levert tengevolge van zijn groot aantal het hoofdcontingent van het leger. Dat deel van het proletariaat nu, dat, op het platteland opgegroeid en werkzaam, nog van eerbied voor de autoriteiten van de staat bevangen is, is het gemakkelijkst door de heersende klassen voor hun oogmerken te gebruiken. De stedelijke elementen daarentegen, die niet in autoriteitsgeloof opgegroeid zijn, reeds vroeg zelfstandig hebben leren denken en voor het burgerlijk gezag meer geringschatting dan eerbied voelen, zouden er veel eerder toe te vinden zijn om zich tegen haar te verzetten. Een aantal van deze elementen staat, maatschappelijk en politiek bewust, wantrouwend en onverschillig, zo niet vijandig tegenover de autoriteiten. De regering, die hen zou willen gebruiken tot gewelddadige onderdrukking van een proletarische opstand, bv. van een politieke stakingsbeweging, waarbij de massa zich in het algemeen vrij hield van gewelddadigheden, zou een uiterst gewaagd spel spelen, waarvan de consequenties haar noodlottig konden zijn.

De stedelijke elementen echter vormen thans reeds een belangrijke meerderheid in de legers van de voornaamste beschaafde landen en de verhouding van stedelijke en landelijke bevolking verschuift steeds meer ten gunste van de eerste. In zijn verhandeling over de politieke werkstaking geeft Kautsky enige cijfers die aantonen dat voor Duitsland de stedelijke bevolking in het leger de meerderheid heeft. Volgens de officiële opgaven waren in 1902 van elke 100 valide 29,36 in de landbouw en 70,64 elders werkzaam. In Duitsland wordt dus nog nauwelijks een derde van het leger uit de achterlijke agrarische bevolking gerekruteerd. Wel is de verhouding tussen deze en de stedelijke bevolking niet voor het gehele leger dezelfde, zoals uit de volgende cijfers blijkt. Bij de verschillende korpsen waren:

validen
in de landbouw
werkzame validen
legerkorps volstrekt in percenten
1ste Beierse 11.041 4560 41,5
7e Pruisische 34.959 5810 16,6
2e Saksische 14.888 1847 15,5

De staat beschikt dus nog over streken waar haast de helft van het leger gerekruteerd wordt uit in de landbouw werkzame personen. Deze streken krimpen echter steeds meer ineen: in alle kapitalistische landen is de agrarische bevolking relatief, d.w.z. in verhouding tot de totale bevolking, in enkele ook absoluut achteruitgaande. Dit proces voltrekt zich tamelijk snel.

In Holland, waar de kapitalistische ontwikkeling zwak is en door vele omstandigheden belemmerd wordt, bedroeg de in de landbouw werkzame bevolking in 1899 niet meer voluit 30 percent van de totale bevolking, tegen 35 percent in 1889. In het oudste land van het kapitalisme, in Engeland, is de agrarische tot op een zestiende van de totale bevolking ineengekrompen.

Behalve aan deze voortdurende betrekkelijke vermindering in aantal is echter de landelijke bevolking tengevolge van verschillende omstandigheden ook aan een wijziging van karakter onderworpen. De lichamelijke zowel als de geestelijke afzondering van de bewoners van het platteland verdwijnt meer en meer, zij het ook dat deze vooruitgang met toenemende afhankelijkheid en toenemende uitbuiting van het land door de stad verbonden is. Hieruit echter, zowel als uit het in verschillende vormen zich uitende verkapitaliseringsproces van de landbouw in het algemeen, komt weer het steeds verder doordringen van het socialisme op het platteland voort.

Hoe meer deze ontwikkeling toeneemt, des te minder zullen de regeringen in staat zijn troepenkorpsen, die in hun meerderheid uit zuiver landbouwende streken gerekruteerd worden, tegen de stedelijke arbeiders te doen optrekken; hoe meer ook in zulke streken een nieuwe geest zich baan breekt, des te moeilijker zullen zij er toe overgaan het leger tegen niet-gewelddadige massa’s aan te wenden, aangezien de gevolgen van zulk een waagstuk steeds meer onberekenbaar zullen blijken. In België, waar de in de landbouw werkzame personen nog slechts 29,4 pct. van alle in enig bedrijf werkzame personen uitmaken en waar bovendien tengevolge van het plaatsvervangingstelsel de samenstelling van het leger haast zuiver proletarisch is, dus de bodem voor een sterke antimilitaire agitatie aanwezig was, houden de heersende klassen het leger thans reeds voor in hoge mate onbetrouwbaar. Zij wagen het nauwelijks, het leger bij stakingen, straatbetogingen, enz. te hulp te roepen: tot dit doel is de stedelijke middenstand in een soort burgerwacht georganiseerd.

Hoe koel en afwijzend echter de gevoelens van de in het leger tredende personen tengevolge van hun stedelijke herkomst, alsmede van de sociaaldemocratische propaganda meer en meer ten opzichtte van de heersende organen zijn mogen, het staatsbestuur bezit krachtige middelen om te verhoeden dat deze rebelse gezindheid zich in daden omzet. Deze middelen moeten bewerken dat, hoe ook de hoofden van de soldaten mogen denken, hun geweren schieten in de richting die de commandant beveelt.

Wel is het niet mogelijk het leger voor maatschappelijke invloeden af te sluiten en waar de algemeen politieke gezindheid van de arbeidersklasse een revolutionaire opstand dreigt te doen ontbranden, zal in het leger — met uitzondering van de buiten het volk staande elementen, zoals de koloniale soldaten van de Europese staten en de halfbarbaarse Russische Kozakken — dezelfde ontevreden stemming voorkomen. Deze stemming zal zelfs door de druk van de militaire dienst in het leger eerder sterker dan zwakker zijn. Aan het militair bestuur echter staan drie machten ter beschikking om het leger, in weerwil van alle ontevredenheid, uiterlijk te handhaven, zoals het dat wenst: vooreerst de militaire organisatie, dan de militaire tucht en eindelijk de militaire leiding. In zijn reeds vaak aangehaalde verhandeling ontleedt Parvus de aard en de rol van deze machten op uitnemende wijze. Hun gemeenschappelijk doel is “het opgaan van de persoonlijkheid van de soldaat in het geheel van de troepenafdeling, die zich instinctmatig aan het commandowoord onderwerpt”, in één woord: de blinde gehoorzaamheid.

Voor de proletarische zowel als voor elke revolutie komt het er op aan, een weg te vinden, om deze betovering van de willoze gehoorzaamheid te breken, in de soldaat de mens vrij te maken, te bewerken dat hij uit een automatisch deel van een raderwerk tot een bewust, verantwoordelijk deel van een organisch geheel wordt, dat zijn werkelijke gezindheid en zijn wil in daden omzetten kan.

Wij weten dat deze taak, om het leger als zodanig te verwarren en te desorganiseren, d.w.z. het bewustzijn van mens en burger te wekken, in de vroegere revoluties door de barricade vervuld werd; wij weten echter ook dat deze in de proletarische worstelingen van heden en toekomst deze taak niet meer vervullen kan. In de plaats van de materiële hindernis, die van de kleinburgerlijke revolutie als ‘mechanisch bindmiddel’ diende, treedt de morele hindernis van de niet gewelddadig optredende massa, die geen ander bindmiddel dan haar klassenbewustzijn en haar organisatie behoeft.

De geschiedenis van de proletarische klassenstrijd levert reeds thans enige ervaringen op, waarbij soldaten weigerden de wapens tegen hun broeders te gebruiken. Dit betreft echter meestal gevallen uit de vakbewegingsstrijd, waarbij het slechts om speciale beroepsbelangen gaat, die de ganse arbeidersklasse, hoe sterke sympathieën zij in haar ook mogen wekken, toch niet zo diep omwoelen, als dit bij een politiek-sociaal vraagstuk het geval is. Slechts uit zulk een geweldige, algemene ontroering van de massa’s echter kan de politiek-revolutionaire staking voortvloeien. Bovendien heeft zij de omverwerping van het burgerlijk en de invoering van een proletarische regime ten doel en waarborgt dus de soldaten die zich bij de staking aansluiten, in geval zij overwint, straffeloosheid.

Reeds vroeger is betoogd, in hoe hoge mate het in het algemeen niet gewelddadig karakter van de proletarische revolutie de ontplooiing van geweldmiddelen van de kant van de heersers zou kunnen verhinderen. De staking als zodanig, die het middelpunt, de voornaamste verschijningsvorm van de revolutionaire beweging uitmaakt, is niet met militaire macht te grijpen. Intussen sluit dit in het algemeen niet gewelddadig karakter opzich zelfstaande botsingen, alsmede de toepassing van geweld van de kant van het proletariaat niet uit, waar dit voor de goede voortgang van de beweging, voor de verdere desorganisatie van de staat nodig blijkt. Er is in dit opzicht een belangrijk verschil tussen de economische beroepsstakingen en de politiek-revolutionaire staking, waarop mijns inziens vaak volstrekt niet genoeg acht geslagen wordt. Bij de huidige economische stakingen kan de arbeidersklasse door geweld slechts verliezen, in de strijd om de macht in de staat echter zal het geweld een factor van overwinning kunnen vormen. Men zou zich een geheel verkeerde voorstelling van de proletarische revolutie maken, indien men aannam dat daarin alles even rustig zou toegaan als bv. bij de laatste staking in het Ruhrgebied.

In het algemeen echter is reeds hierom de afwezigheid van gewelddaden een kenmerk van de proletarische revolutiestrijd, wijl de strijders, de stakers, ongewapend zijn. Het leger staat tegenover louter opeenhopingen van weerloze mensen, het heeft geen met stoffelijke middelen strijdende tegenstanders, geen revolutionair leger tegenover zich, uit welks rijen het zelf dood en verderf te vrezen heeft. Het moet, als tot de aanval wordt overgegaan, op een ongewapende menigte vuren, die wellicht door smeekbeden en kreten invloed op de aanrukkende macht poogt uit te oefenen. Komt het daartoe echter niet — en geen enkele regering zal het daartoe laten komen — dan wordt het leger slechts tot vervelende, vermoeiende, eentonige politie- en bewakingsdienst gebezigd. De ganse dag brengt het op straat door, deels te midden van het volk, niet in grotere troepenkorpsen, waar de tucht onverzwakt gehandhaafd kan worden en de afstand de kreten uit de massa onverstaanbaar maakt, maar verspreid in zeer kleine troependelen. Want het verzet is niet op bepaalde plaatsen samengetrokken; de vijand, de massa, is alom tegenwoordig, en elk openbaar gebouw, elk station, elke fabriek moet met pijnlijke zorg bewaakt worden. Hoe langer deze vermoeiende, schijnbaar doelloze bewakingsdienst duurt, die de troepen aan alle zedelijke invloeden van de vreedzame opstand blootstelt, des te meer verslapt de werking van de militaire organisatie en tucht. Deze kunnen wel, bij een onverwachte botsing, de soldaten tot meedogenloos optreden ook tegen ongewapende en weerlozen drijven, maar op de duur zullen zij toch bezwaarlijk weerstand kunnen bieden aan de menselijke gevoelens van vermoeidheid, van morele weerzin, van eenheid met het volk.

Zo blijkt de politieke staking voortreffelijk geschikt om de macht van de blinde gehoorzaamheid te breken en daarmee de laatste stut te ondermijnen, die van de zinkende burgerlijke maatschappij nog ten meeste staat: het militair geweld. De politieke staking is tegelijkertijd weigering van de maatschappelijk-economische functie en strijd tegen de geweldmiddelen van de staat en wel in de nieuwe vorm, waarin de hedendaagse verhoudingen deze strijd gewijzigd hebben: tot een worsteling waarin niet de grofmateriële middelen, maar de morele voordelen van de hogere, op vrijwilligheid berustende organisatie beslissen. De politieke massastaking wordt de samenvatting van de verschillende strijdmiddelen van het verleden en hun vervanging door een methode, die aan het fundamentele feit van de moderne maatschappij, aan de kapitalistische uitbuiting en aan het wezen van het proletariaat beantwoordt.

Uit het onderzoek van de politieke massastaking, van haar feiten, van de voorwaarden tot haar overwinning, zowel als de waarschijnlijkheid en noodzakelijkheid van haar toepassing in de klassenstrijd, spruit vanzelf de positie voort die de sociaaldemocratie ten hare opzichte heeft in te nemen. Zij heeft geen reden een wapen weg te werpen, dat de arbeidersklasse haar doel — de verovering van de politieke macht als hefboom voor de omvorming van de kapitalistische maatschappij in een socialistische — nader brengen kan. Zij ziet in de politieke massastaking geen tegenstelling, doch een aanvulling van haar huidige middelen en methoden, een aanvulling die aan de arbeidersklasse in het verloop en als gevolg van de sociale ontwikkeling — van haar eigen groei in kracht en zelfbewustzijn inbegrepen — als historisch product van de klassenstrijd opgedrongen wordt. Bovenal scheidt geen tegenstelling de politieke massastaking van het parlementarisme. Het parlementarisme blijft een geschikt, wellicht onontbeerlijk middel, om de massa inzicht te geven in de aard van de moderne staat, haar uit doffe onverschilligheid op te wekken en tot de proletarische bevrijdingsstrijd te voeren, de burgerlijke partijen hervormingen af te dwingen, hen voorwaarts te drijven en de tegenstellingen in hen ten eigen nutte aan te wenden. Het blijft het enige middel om het gehele proletariaat voortdurend tegen de gehele heersende klasse te organiseren en in het veld te voeren. De politieke massastaking, die een slechts zelden, in bepaalde historische situaties bruikbaar wapen is, kan het parlementarisme nimmer geheel of gedeeltelijk overbodig maken. Zij kan het geenszins vervangen, zoals dit thans door de uiterste linkerzijde van de Franse en Italiaanse partij, waarschijnlijk als reactie op het parlementair illusionisme van de laatste jaren, gepredikt wordt. Wel echter zal zij vermoedelijk in aanmerking komen als een middel om de parlementaire actie van het proletariaat pas mogelijk te maken, te behouden en uit te breiden.

Weliswaar leerde ons een nader onderzoek dat dit slechts in bepaalde fasen van de proletarische bevrijdingsstrijd en onder bepaalde voorwaarden het geval zou kunnen zijn. Maar indien deze voorwaarden ook al vermoedelijk niet overal aanwezig zullen zijn — want de huidige maatschappelijke ontwikkeling heeft niet plaats naar een vast model, doch op zeer verschillende wijze, al naar het resultaat van vroegere gebeurtenissen en worstelingen —, zo zal toch waarschijnlijk in een aantal landen de politieke massastaking een bruikbaar middel blijken, dat door dergelijke, maar sterkere druk dan de volksvergadering en de straatbetoging de heersers beweegt om in aangelegenheden, die niet rechtstreeks het wezen der klassenheerschappij raken, toe te geven, uit de overweging dat een al te uitdagende houding veel meer met hun belangen in strijd is, dan een gedeeltelijke tegemoetkoming.

Daarnaast echter heeft de sociaaldemocratie de politieke massastaking nog voor zijn andere, veel grootser taak en doel te aanvaarden, namelijk als vorm van de proletarische, d.w.z. sociale revolutie. De sociaaldemocratie heeft van het recht op revolutie nimmer afstand gedaan, zij heeft altijd openlijk de idee van de opstand beleden, voor het geval dat de heersende klassen het de arbeiders onmogelijk zouden maken het doel dat deze zich gesteld hebben langs wettige en vreedzame weg te bereiken

Maar zij heeft de proletarische revolutie slechts als ‘een droom en een hoop’ kunnen zien blinken, zolang de proletarische klassenstrijd enkel op de verovering van enige, niet van de macht gericht was, aangezien het proletariaat terecht begreep dat het daartoe nog te zwak was. Wel heeft de sociaaldemocratie met Marx begrepen, dat de sociale revolutie haar poëzie niet uit het verleden, maar slechts uit de toekomst scheppen kan, maar zij heeft van de inhoud van deze poëzie lange tijd niets stelligs geweten. Uit de werkelijkheid van het proletarische leven, uit het volle machtsgevoel, dat in de arbeidersklasse als draagster van de productie woont, uit het toenemend vermogen om deze machtsvolheid door middel van zijn organisatie, tucht, inzicht en geestdrift ook aan te wenden, te verwezenlijken — uit deze gezindheid, die op toenemende reactie stoot bij de heersende klasse in de landen van de ontwikkelde tegenstellingen — spruit de idee van de politieke massastaking als vorm van de proletarische revolutie voort.

Zolang de revolutionaire idee geen duidelijke vormen aannam, bleef zij, zo zij ook al nimmer verdween, in de sferen van een nevelachtige onzekerheid, van een onzekere mogelijkheid gebannen. Zij bleef gedachte en won niet de levende kracht van de voorstelling. Eerst in het laatst verlopen jaar heeft de revolutionaire praktijk — de Russische revolutie — het nevelachtige aan de gedachte ontnomen. De nieuwe, specifieke vorm van de proletarische revolutie gevonden, in zekere mate uitgevonden te hebben, haar reuzengestalte dag aan dag in dappere worsteling, in steeds hernieuwd pogen aan het licht gebracht te hebben, dat is een van de onschatbare diensten, die het Russische proletariaat aan de internationale arbeidersklasse bewijst.

Zo kleeft thans aan de propaganda van de politieke massastaking voor het proletariaat niet meer iets toekomstig, in de zin van iets nevelachtig en verweg. Het gaat er nu niet meer om het proletariaat in de kwelling van de dagelijkse strijd door de verwijzing naar de politieke massastaking ‘droom en hoop’ te geven, een fata morgana te tonen. De propaganda van de massastaking is tot een verbinding van heden en toekomst geworden, tot een verlichten en verkennen van de wegen die — ruw en hard en vol gevaren — de droom tot werkelijkheid maken en de hoop in vervulling brengen kunnen.

Kunnen, niet moeten. Want de vorm van de revolutie aanvaarden, als de ijzeren macht van de geschiedenis haar die oplegt, betekent voor de sociaaldemocratie geenszins dat zij bij de revolutie zweert, aan haar de voorkeur geeft boven de vreedzame weg, of ook met haar dreigt.

De opvatting van de organisatie en verheffingsarbeid door de dagelijkse politiek-parlementaire strijd betekent dus slechts een deel van de taak van de sociaaldemocratie, zoals de praktijk van het dagelijkse vakverenigingswerk tot verbetering van de arbeidsvoorwaarden niet de gehele taak van de vakverenigingen uitput. De opwekking van de massa tot revolutionair bewustzijn, tot het inzicht dat slechts zijzelf belangrijke politieke en sociale omwentelingen kan doorvoeren, de verbreiding van de socialistische beginselen en idealen in de massa, — deze tweede voorname taak van de sociaaldemocratie is tegelijk de andere kant van de voorbereiding tot de politiek-revolutionaire massastaking, d.w.z. de voorbereiding van de arbeidersklasse voor grote historische ogenblikken, voor ernstige keerpunten.

In zulke ogenblikken echter zal de sociaaldemocratie, in des te groter mate het actieve plan en de bewuste leiding van de strijd in handen hebben, naarmate de brede volksmassa’s meer geleerd hebben haar als hun natuurlijke leidster bij alle belangrijke politieke en sociale gebeurtenissen te beschouwen, naarmate zij zich meer vastberaden toont om de historische gegeven situatie krachtig te benuttigen ten einde de arbeidersklasse zonder vrees en vastberaden door alle strijd heen tot de overwinning te leiden.

_______________
[17] Deze is tot dusver (oktober 1905) nog steeds niet gevallen. Een wetsontwerp, dat stakingen, die ‘de veiligheid van de staat in gevaar brengen’, strafbaar wilde stellen, is door de kamer verworpen. De juist afgelopen verkiezingen hebben de sociaaldemocraten en links-radicalen zeer versterkt en de kansen van het algemeen kiesrecht verbeterd.
[18] In de laatste tijd is, na de val van het ministerie-Kuyper, hierin een verblijdende wijziging gekomen.
[19] Een soort marechaussee.
[20] Oda Olberg, Der italienische Generalstreik. Neue Zeit, Jrg. XXIII, Deel I, no. 1. Onze beschrijving van de staking steunt voornamelijk op dit voortreffelijk verslag.
[21] La grève générale et la politique ouvrière, door Enrico Leone in de Mouvement socialiste van 1 nov. 1904.
[22] Zie B. Kritschewsky, Le prolétariat et la révolution en Russie. Mouvement socialiste, 1 febr. 1905.
[23] In de dagen dat deze bladzijden (in het Duits) gecorrigeerd werden was deze Moskouse staking tot een hernieuwde, geweldige, alle vroegere ver overtreffende, het ganse land meeslepende stormloop aangegroeid, waaraan het gelukken zal de burcht van het absolutisme te bedwingen, nadat de vroegere bestormingen haar voorwerken veroverd en haar grondslagen geschokt hadden.
[24] De staking in het Poolse schoolwezen nadert haar einde; haar doel, de invoering van de Poolse taal bij het onderwijs, is bereikt. De universiteitstaking in Rusland bereikte eveneens haar doel door de verstrekking van het zelfbestuur aan de universiteiten, wat deze in de beslissende oktoberdagen tot een steun en een bolwerk van de revolutionairen maakte.
[25] Wel is het de regering ditmaal nog gelukt door economisch toegeven de spoorwegstakingen meester te worden. Maar deze beschouwingen strekken ook niet alleen om het werkelijk gebeurde voor ogen te stellen, maar daarenboven om de uitwerkingen te schetsen, die zij in verband met een revolutionaire toestand kunnen hebben en ongetwijfeld ook zullen hebben, zodra het Russische proletariaat tot de hernieuwde stormloop op het absolutisme al zijn krachten samenraapt. Deze in maart uitgesproken hoop heeft zich intussen (einde oktober) ten volle vervuld.
[26] Die erste Epoche der russischen Revolution, von L. Martoff. Neue Zeit, pag. 24, deel 11, nr. 10.
[27] Uitgezonderd in het geval dat ook het niet-socialistische proletariaat en de kleine burgerij de staking ondersteunen en een deel van de bourgeoisie de regering in de steek laat. In dit geval is echter de staking onnodig. (Mouvement socialiste, bid. 248.)
[28] De ervaring van de Hollandse stakingspoging van april 1903 stemt volkomen met deze opvatting overeen. De Hollandse regering ging niet eens tot opheffing van het vergaderrecht enz. over, aangezien de staking al aanstonds mislukt bleek.
[29] Waar in het hier volgende van de voorwaarden tot de politieke massastaking sprake is, worden steeds de voorwaarden niet tot de poging ertoe, maar tot haar welslagen bedoeld.
[30] Het is een hoofdfout van de onlangs In de Bibliothèque Socialiste verschenen brochure van onze partijgenoot E. Buisson over de algemene werkstaking, dat hij wel het aantal van de in groot-, midden- en kleinbedrijf werkzame personen, doch niet hun verdeling over de verschillende voortbrengingstakken en evenmin het onvergelijkelijk veel groter leveringsvermogen van het grootbedrijf onderzoekt. De in groot- en kleinbedrijf werkzame personen worden bij hem eenvoudig als productiekrachten aan elkaar gelijk gesteld. Bij deze methode komt Buisson natuurlijk tot een lijnrecht aan de mijne tegenovergestelde slotsom, nl. dat, ook indien de productie in het grootbedrijf volkomen werd stilgelegd, de arbeiders van de klein- en eenmansbedrijven in staat zouden zijn om de productie zekere tijd gebrekkig in stand te houden.
[31] Dit geldt slechts voor Europa, niet bv. voor Noord-Amerika, waar het spoorwegkapitaal nog een heel andere belangrijke politieke rol speelt.
[32] Zie hierover ook: Rosa Luxemburg, Und zum dritten mate das Belgische Experiment, Neue Zeit, 2, bl. 208 en vlgg. De schrijfster beroept zich hier, als belangwekkend voorbeeld, op een plaatselijke politieke algemene werkstaking te Carmaux.
[33] Filippo Turati, Lehren und Folgen des Generalstreiks in Italien, Sozialistische Monatshefte 1904, II, afl. 2.
[34] K. Kautsky, Allerhand Revolutionares. Neue Zeit, XXII, I, 23.
[35] De jongste gebeurtenissen in Rusland tonen hoe ook onder verhoudingen die buitengewoon geschikt zijn om het revolutionair gevoel van het intellect te slijpen, geringe concessies volstaan om het sociaal hoger staande deel van de bevolking ertoe te brengen de revolutionaire strijd in de steek te laten. De Russische professoren hebben, toen de regering aan de hogeschool een gedeeltelijke ‘autonomie’ verstrekte — namelijk een die enkel de professoren zelf tegen politie willekeur beveiligde en overigens alles bij het oude liet — zich gehaast om de ook door hen gestelde algemene politieke eisen te vergeten en zich bereid verklaard het onderwijs te hervatten. De studenten daarentegen hebben zich, toen zij verklaarden de universiteit, totdat de politieke vrijheid gewaarborgd was, als een revolutionaire tribune, als een plaats van propaganda en agitatie te beschouwen, hun roemvol verleden waardig getoond.
[36] Enquête van de Mouvement socialiste, blz. 229 en vlgg.
[37] De uitbarsting van de politieke massastaking als spontaan arbeidersoproer tegen ‘het illusoir maken van het stakingsrecht door de politie’, is voor Italië intussen een feit geworden. Het heeft echter niet de schijn dat de Italiaanse arbeiders de staking als ‘tactiek der vertwijfeling’ beschouwd hebben.
[38] Met de opvatting van de bovenaangehaalde geschriften stemmen geheel overeen de beschouwingen die Bömelburg in zijn rede over de algemene werkstaking op het Keulse vakverenigingscongres hield. “Men vraagt wat wij zouden aanvangen als wij geen kiesrecht meer hadden. Wij zouden dan in de strijd de middelen aanwenden die wij op dat ogenblik geschikt achtten. En wanneer de reactionairen ons niettemin het kiesrecht ontnamen, denkt gij dat wij dan aan het einde van ons Latijn zijn? (Talrijke interrupties: neen, nog lang niet!) En wanneer men ons ook nog het verenigingsrecht ontnam, denkt gij dat wij dan aan het einde van ons Latijn zouden zijn? (Hernieuwde interrupties.) Thans heeft in de arbeidersklasse het gevoel wortel geschoten dat wij onrechtvaardig behandeld worden. Wij weten wat wij voor mensenrechten hebben en geen reactie zal in staat zijn deze gedachte in de bevolking uit te roeien. Als wij de organisaties versterken en haar leden tot klassenbewuste, trouwe kameraden opvoeden, kunnen wij rustig de toekomst tegemoet zien. Dan zal, als het eenmaal heet: strijden, de arbeidersklasse op haar post zijn, zij zal overwinnen en het doel bereiken dat zij zich gesteld heeft.”
De spreker vond levendige bijval. De Davids en Kolbs hebben school gemaakt! Jammer maar dat Bömelburg het congres niet verried op welke ‘op dat ogenblik geschikte middelen’ hij zich, indien van politieke werkstaking geen sprake zal zijn, bij verlies van politieke rechten verlaat, om de strijd verder te voeren.
[39] Men leze hierover de beschouwingen van Parvus in zijn voortreffelijke reeks artikelen: Staatsstreich und politischer Massenstreik, Neue Zeit, XIX, II.
[40] G. Eckstein, Neue Zeit, XXII, 1, 12
[41] Het terrorisme, de gewelddaad van de enkeling (zij het ook volgens besluit van de organisatie) tegen enkelingen; behoeft hier niet besproken te worden, daar zij door de sociaal-revolutionairen uitdrukkelijk beschouwd wordt als een middel dat slechts onder de huidige Russische verhoudingen in aanmerking komt.
[42] Geschreven in april 1905.