Qr-MIA
       
Leest u dit met een smartphone?
Met (enkele) smartphones moet u zelf uitmaken welke modus voor u geschikt is


Deel deze tekst met een kennis
Het e-mailadres:

Deel 2: Revolutie. Algemene aspecten

Inleiding

Een van de opvallende trekken van de vrij omvangrijke literatuur over revolutie is, dat systematische pogingen om dit maatschappelijke verschijnsel in zijn meer algemene aspecten te bestuderen eigenlijk nauwelijks zijn ondernomen. Het tweede deel van dit boek wil trachten in deze leemte enigszins te voorzien.

Het bleek nodig een heel hoofdstuk, het zesde, te wijden aan het begrip revolutie, en verschillende soorten revoluties te gaan onderscheiden tegen de achtergrond van de sociale dynamische krachten, zoals die in het voorgaande deel van dit werk zijn uiteengezet.

De slotparagrafen van dit hoofdstuk, die handelen over het historische kader van revoluties, zijn helemaal niet ambitieus. Zij pretenderen niet een wereldhistorie van de revolutionaire veranderingen te beschrijven in termen van een steeds voorgaande emancipatie van de mensheid. Dat zou op ’t ogenblik sisyfusarbeid blijken te zijn. Zij hebben geen verder doel dan na te gaan welke historische voorvallen, die gemeenlijk ‘revoluties’ genoemd worden, terecht zo heten. Want als we onze volgende taak aanpakken (een betoog over het ontstaan en verloop van revoluties, hoofdstuk zeven) moeten wij ervoor zorgen dat er, wat betreft de identificatie van bepaalde gebeurtenissen als revoluties, zo weinig mogelijk twijfel bestaat.

In hoofdzaak kan het Tweede Deel echter beschouwd worden als een algemene inleiding op een meer gedetailleerd betoog in het volgende, Derde Deel, over revolutie als een verschijnsel in de wereld van vandaag.

Alleen in het licht van de feitelijke toestand in de hedendaagse wereld zal het mogelijk blijken onze analyse van revolutie als een sociologisch verschijnsel tot op zekere hoogte operationeel te maken en in concrete gevallen toe te passen.

6 Het begrip revolutie en typen van revolutie

Iedere definitie die de overwinning van George Washington en die van Francisco Franco
bij dezelfde naam zou noemen, is meer geschikt om te verwarren dan om te definiëren.
Herbert Aptheker

1. Revolutie en opstand: enige inleidende opmerkingen

Er is een bekend verhaal: toen Lodewijk XVI op de late avond van de veertiende juli 1789 werd bericht dat er een aanval op de Bastille was gedaan, reageerde hij met de woorden dat dit wel een ‘opstand’ leek. De hertog de la Rochefoucauld Liancourt moet hem toen geantwoord hebben: ‘Sire, ce n’est pas une révolte, c’est une révolution!’

Of het verhaal waar is of niet – waarschijnlijk is het net zo apocrief als de meeste anekdotes over vorstelijke personen – het bewijst althans één ding: dat in het gewone spraakgebruik een verschil wordt gemaakt tussen ‘opstanden’ en ‘revoluties’.

Als we dus het begrip revolutie willen definiëren, zoals het in dit boek gebruikt zal worden, moeten we het niet alleen tegenover het begrip evolutie plaatsen, zoals in het Eerste Deel omschreven, of tegenover het begrip contrarevolutie, zoals in de volgende paragraaf zal gebeuren, maar zullen wij het allereerst moeten afgrenzen tegenover een heleboel evenementen die worden aangeduid met termen als ‘opstand’, ‘rebellie’, ‘muiterij’, ‘oproer’, enz.

Het was duidelijk dat Liancourt wou zeggen, dat wat er gebeurde ernstiger was en een groter en blijvender invloed zou hebben op de algehele stand van zaken dan een simpele ‘opstand’. Maar is dat verschil er alleen maar een van omvang? Dit zou men kunnen afleiden uit de opmerking van Hannah Arendt, dat achter deze woorden van Liancourt ‘wij de grote mensenmassa al op mars kunnen zien en horen, hoe zij in de straten van Parijs opdringt; Parijs, dat toen niet alleen maar de hoofdstad van Frankrijk was, maar het centrum van de hele beschaafde wereld – de opstand van het volk van de grote steden onontwarbaar vervlochten met het opstaan van het volk voor vrijheid; beide tezamen onweerstaanbaar alleen al door de macht van hun aantal.’[1]

Hannah Arendt noemt zelf, behalve dit kwantitatieve, ook een kwalitatief criterium: ‘toen de koning de bestorming van de Bastille een “révolte” noemde, gaf hij daarmee uiting aan het besef dat hij aan de macht was, en dat hij verschillende middelen tot zijn beschikking had om met samenzweringen en verzet tegen zijn autoriteit af te rekenen. Liancourt antwoordde dat wat gebeurd was iets onherroepelijks was en boven de macht van een koning uitging.’[2] Volgens de schrijfster was het blijkbaar het grote aantal dat de beweging ‘onweerstaanbaar en onherroepelijk’ maakte. Om Hegels terminologie te gebruiken: kwantiteit was in kwaliteit omgezet.

Het criterium dat Arendt gebruikt schijnt evenwel betwistbaar. Indien onweerstaanbaarheid en onherroepelijkheid de grens tussen revolutie en eenvoudige opstand zou bepalen, zou er nooit sprake kunnen zijn van mislukte revoluties noch van geslaagde opstanden. Toch zou men het gewone taalgebruik ernstig geweld aandoen als men zou willen beweren dat wat in 1848 in Frankrijk of in 1905 in Rusland mislukte, geen ‘revoluties’ waren; of ook als men de geslaagde omverwerping van de ene militaire junta door een andere in een Latijns-Amerikaans land een ‘revolutie’ zou willen noemen. Het is duidelijk dat er nóg een hoedanigheid moet zijn die inherent is aan het begrip ‘revolutie’, en die aan de opstand ontbreekt en die revoluties fundamenteel van ieder ander soort ‘rustverstoring’, ‘opstand’ of ‘staatsgreep’ onderscheidt. Ik zou dit wezenlijke criterium hierin willen zoeken, dat een ‘revolutie’ altijd tot doel heeft het bestaande maatschappelijke bestel of de heersende machtsstructuur omver te werpen; terwijl alle andere soorten ordeverstoringen, hoe ze ook genoemd worden, deze wil tot fundamentele verandering missen en alleen maar tot doel hebben de machthebbers een slag toe te brengen of zelfs hen af te zetten of fysiek uit te schakelen.

Tot zover lijkt het verschil duidelijk. Maar het is moeilijker om te beslissen in hoeverre de wil tot fundamentele verandering aanwezig moet zijn als een bewust doelwit in de geesten van hen die aan de opstand meedoen, of althans bij enkele leiders van de beweging. Of zou de beslissing moeten afhangen van de vraag of historici achteraf eventueel kunnen aantonen dat zo’n fundamentele verandering inderdaad heeft plaats gehad, of althans in hoge graad mogelijk was geweest?

In het eerste geval, dat is te zeggen als we het subjectieve doel als beslissend beschouwen, zouden we iedere ontijdig afgebroken beweging, hoe klein en onbetekenend ook, als revolutionair kunnen zien als zijn leider zelf, mogelijk een dorpsmysticus of een gek, een aantal volgelingen achter zich probeert te krijgen met het uitdrukkelijke doel de bestaande sociale orde omver te werpen en een ideale maatschappij te stichten. Het lijkt echter weinig nuttig de term ‘revolutie’ uit te breiden tot iedere strovuurachtige messiaanse beweging. Maar als aan de andere kant de subjectieve bedoeling er niet toe doet en alles afhangt van het objectieve gevaar voor de bestaande orde dat in een beweging zit, dan zou een opstandje dat als een eenvoudig oproer begint, met een beperkt doel, gemakkelijk een ‘revolutie’ genoemd kunnen worden vanwege het gevaar dat er in zit dat de oproerigheid buiten zijn oorspronkelijke oevers treedt en uitbarst in iets met veel ernstiger gevolgen dan de leiders en deelnemers zelf op het oog hadden. Maar als aanwijzing dat er een revolutie aan de gang is, is het objectieve criterium misschien toch voldoende. Het is helemaal niet ongewoon dat bewegingen die als toevallige uitbarstingen beginnen door de logica van de feitelijke omstandigheden tot iets veel fundamentelers en belangrijkers uitgroeien dan de initiatiefnemers op het oog hadden; het is alleen niet waarschijnlijk dat een beweging, die gestart is als een zuivere ‘rebellie’, zou uitlopen op iets met veel wijdere consequenties, wanneer er niet tenminste enkele figuren onder de leiders of deelnemers zijn die de mogelijkheden in de gaten hebben en die in een latere fase erin slagen de leiding over te nemen. Over het algemeen zal in een revolutie die objectief als zodanig kan worden onderkend, het aanvoelen van de betekenis van wat er gebeurt althans bij enige van de leiders en deelnemers wel aanwezig zijn. Bijgevolg zal de uitkomst van toepassing van objectieve en subjectieve maatstaven in de praktijk wel gewoonlijk op hetzelfde neerkomen.

Daarom zou ik menen dat datgene wat revolutie van ieder ander soort opstand onderscheidt, de feitelijke tendentie is naar een fundamentele verandering van het heersende sociale bestel. En al blijven subjectieve bedoelingen heel belangrijk, het feitelijke gevaar voor de gevestigde orde verschaft een onfeilbare aanwijzing dat er een revolutionaire beweging aan de gang is.

Wij zouden verder een aantal kenmerken kunnen noemen om andere typen opstand van elkaar te onderscheiden. Al zou het helemaal niet eenvoudig zijn een verschil aan te geven tussen ‘rebellie’, ‘revolte’, en ‘oproer’, het is wel duidelijk dat de term ‘muiterij’ meestal slaat op een opstand binnen een militair of quasi-militair apparaat, dat een ‘jacquerie’ altijd een boerenopstand is, dat een ‘rel’ alleen maar een plaatselijke beweging is en dat de term ‘staatsgreep’, ‘coup d’état’, op plotselinge pogingen slaat om zich van de staatsmacht aan de top meester te maken, zonder een voorafgaande mobilisatie van volkskrachten van onderop (hetzelfde geldt voor een ‘paleisrevolutie’). Maar geen van deze termen heeft betrekking op bewegingen die een blijvende omverwerping van de maatschappelijke orde beogen en dit is nu juist het punt waardoor een revolutie zich onderscheidt, of zij nu geslaagd is of niet.

Nu kunnen we ook ons standpunt tegenover Hannah Arendts kwantitatieve criterium duidelijk maken. Uit het voorgaande volgt dat een beweging een werkelijk gevaar voor het heersend sociaal bestel moet betekenen, om een revolutie genoemd te worden. Dit houdt in dat de beweging een zekere omvang moet hebben. Maar aantallen zijn niet genoeg, jacquerieën mogen brede massa’s boeren op de been brengen, zij missen meestal de doelbewuste stootkracht om de heersende maatschappelijke orde omver te werpen.

Ik wil hier Barrington Moore aanhalen, die precies hetzelfde criterium gebruikt. Sprekend over boerenopstanden in het oude China, merkt hij op: ‘We mogen niettemin goed nota nemen van het feit dat dit opstanden waren en geen revoluties; dat wil zeggen, zij brachten geen verandering in de fundamentele structuur van de maatschappij teweeg.’[3]

2. Revolutie en contrarevolutie

Er is echter een nog veel fundamenteler moeilijkheid bij het beoordelen of een keten van gebeurtenissen ‘revolutionair’ mag heten. Is iedere plotselinge omverwerping van de heersende machtsstructuur als revolutionair te beschouwen of moeten we die term bewaren voor veranderingen die in een speciale richting gaan? Concreter gezegd: heeft de term ‘contrarevolutie’ enige zin, en zo ja, hoe moeten we die onderscheiden van ‘werkelijke’ revolutie? Alweer hebben we hier te maken met de kwestie van objectiviteit tegenover subjectiviteit. Maar deze keer gaat het niet om de subjectieve instelling van de leiders van of deelnemers aan de beweging, maar om onze eigen objectiviteit of subjectiviteit wanneer wij een beweging als overwegend progressief of reactionair kenschetsen.

In wezen verschilt deze vraagstelling niet van die, welke we aansneden toen wij ons afvroegen of het mogelijk is de richting van de ‘evolutie’ of ‘vooruitgang’ in objectieve zin te bepalen. Wat revolutie van evolutie onderscheidt is, zoals we al eerder stelden, het plotselinge en hevige karakter van de sociale verandering. De criteria die beslissen óf ‘vooruitgang’ plaats heeft, blijven fundamenteel dezelfde, onafhankelijk van het feit of de verandering geleidelijk of plotseling gaat. Ik wil de criteria, in dat vorige betoog over evolutie uiteengezet, weer herhalen. Vooruitgang kan in wezen worden teruggebracht tot het proces van menselijke emancipatie – óf van de natuurkrachten, óf van de ketenen van maatschappelijke hiërarchie en overheersing door mensen. Over het algemeen houdt het begrip ook een vermeerdering in van de omvang van menselijke samenwerking.

Hetzelfde criterium kan nu hier gebruikt worden om revolutie van contrarevolutie te onderscheiden. Condorcet had dat ‘emancipatie’-aspect al opgemerkt: ‘Het woord “revolutionair” kan alleen gebruikt worden voor revoluties die als doel vrijheid hebben.’[4] De consequentie van dit standpunt is, dat opstanden die op revoluties lijken, maar tot doel hebben herstel of versterking van de traditionele sociale orde, contrarevolutionair genoemd moeten worden. Voor zover de termen ‘vooruitgang’ en ‘evolutie’ in objectieve zin omschreven kunnen worden, geldt dat ook voor de term ‘revolutie’ tegenover ‘contrarevolutie’.

Ongelukkigerwijs is het helemaal niet makkelijk een duidelijke scheidslijn te trekken. De meeste revolutionaire bewegingen proberen zich te legitimeren door voor te geven dat ze een herstel van een vroegere, rechtvaardigere toestand willen bereiken. Hannah Arendt beweert zelfs, met een beroep op de Engelse Oxford Dictionary, dat het woord ‘revolutie’ voor het eerst gebruikt werd als een politieke term juist om een echte ‘restauratie’ aan te duiden, namelijk de omverwerping van het Rompparlement in 1660, ter gelegenheid van het herstel van de monarchie in Engeland. ‘In precies dezelfde betekenis werd het woord in 1688 gebruikt, toen de Stuarts verdreven werden en het koninklijk gezag werd overgedragen aan Willem en Mary. Met de “Glorious Revolution” vond het woord revolutie volkomen paradoxaal zijn definitieve plaats in het politieke en historische vocabulaire, terwijl die gebeurtenis helemaal niet als een revolutie werd gezien maar als een terugkeer van de koninklijke macht tot zijn vroegere wettige staat en roem’.

Het komt er voor ons betoog niet op aan, dat de tweede ‘restauratie’ in de zeventiende eeuw in Engeland in onze terminologie allerminst als ‘contrarevolutie’ beschouwd kan worden. Waar het op aan komt is, dat zelfs toen tegen het eind van de achttiende eeuw de term ‘revolutie’ populair werd in zijn tegenwoordige betekenis van een overname van de macht in de richting van grotere vrijheid en sociale vooruitgang, echte ‘revolutionairen’ in Frankrijk en Amerika vasthielden aan de bewering dat ze een vroegere wettige toestand wilden herstellen die ‘verstoord en geschonden was door het despotisme van de absolute monarch of door de misbruiken van de koloniale regering. Zij pleitten in alle oprechtheid dat zij tot de oude tijden, toen de toestand was zoals het behoorde, terug wilden keren (Hannah Arendt gebruikt hier de term “revolve”, terugdraaien, in zijn letterlijke betekenis – Vert.).’[5] Klaarblijkelijk bleef het lange tijd moeilijk voor een politicus om de mogelijkheid, een volkomen nieuw sociaal en politiek bestel te vestigen, ook maar te overwegen. In die tijd was ‘nieuwigheid’ nog niet in de mode zoals het dat werd in de loop van de negentiende eeuw, toen evolutie-gedachten geleidelijk meer algemeen geaccepteerd werden. Om hun ideeën en idealen als iets nog ongekends en door de praktijk nog niet beproefds te presenteren, zou voor revolutionaire leiders in de dop een al te stoutmoedige onderneming zijn, niet bepaald iets dat volgelingen zou aantrekken, en die hadden ze hard nodig. Het was veel veiliger te verklaren dat men een vroegere en meer idyllische toestand wilde herstellen, die door de machthebbers, door zich onwettige bevoegdheden toe te meten, ernstig was aangetast. Het deed er hierbij niet toe of volgens de historische gegevens, waarover wij nu beschikken, die vroegere gulden tijd alleen maar in de verbeelding bestond. Daar komt als complicerende factor bij, dat de eis tot herstel van vroegere burgerrechten en vrijheden niet per se imaginair was. Het feitelijke proces van ‘modernisering’ bracht in vele gevallen een vernietiging van traditionele vrijheden met zich mee, een groeiende ongelijkheid binnen de stedelijke samenleving en een steeds grotere mate van economische exploitatie.

Zo had zich bij voorbeeld in onze Republiek gedurende de tachtiger jaren van de achttiende eeuw, vóór de Franse maar geïnspireerd door de Amerikaanse revolutie, een revolutionaire beweging ontwikkeld onder de banier van de Patriottenpartij geleid door de democratische edelman Joan Derk van der Capellen (1741-1784). Deze beweging, die gericht was tegen het streven van de stadhouder, prins Willem V van Oranje, om zich soevereine macht aan te matigen, beriep zich op een meer democratische politieke orde in vroeger tijden, die de stedelijke burgerij toestond autonoom haar eigen belangen te behartigen. In 1787 werd die Patriotse revolutie neergeslagen door de prins die met behulp van het Pruisische leger een werkelijke ‘restauratie’ tot stand bracht.[6] Interessant is echter dat deze door de Oranjepartij beraamde restauratie door haar aanhangers, zoals G.K. van Hogendorp, ‘revolutie’ werd genoemd, terwijl het duidelijk een contrarevolutie was.[7] Maar ondanks de uiteindelijke mislukking was de Patriotse revolutie een typisch voorbeeld van de combinatie van een drang tot algehele vernieuwing op politiek en sociaal terrein en tot emancipatie van belangrijke groepen van de bevolking tegenover het aristocratisch bewind, met de eis tot herstel van oude vrijheden waarop de autoriteiten een ernstige inbreuk hadden gemaakt.

Evenals ‘modernisering’ – als gevolg van een groei in omvang van bureaucratische structuren – een trend kon inhouden die juist verder wegvoerde van democratische rechten (en aldus, dialectisch gesproken, op zijn beurt een emancipatiebeweging kon te voorschijn roepen op breder basis, die een revolutionair karakter kon aannemen), zo strekte die modernisering er ook toe, gedurende de opkomst van de kapitalistische maatschappij de economische en sociale ongelijkheid te vergroten.

In de loop van de negentiende eeuw leidde het moderniseringsproces, dat gekarakteriseerd werd door technische groei, meer wijdvertakte arbeidsverdeling, en alweer schaalvergroting, tot een steeds grotere ontevredenheid, die zich ontlaadde in revolutionaire bevrijdingsbewegingen. Al was de eis van grotere economische gelijkheid tot op zekere hoogte al in de Franse Revolutie aanwezig, hij kreeg toch pas duidelijk gestalte in de tweede helft van de negentiende eeuw, in het socialistisch maatschappijbeeld. Maar zelfs de uitgesproken vernieuwers en revolutionairen Karl Marx en Friedrich Engels konden het nog niet helemaal stellen zonder een beroep op een denkbeeldig verleden. Zij vonden hun maatschappelijk voorbeeld in het ‘communisme van primitieve stammen’, dat dan wel volgens hun evolutionaire visie verdrongen was door latere, ‘hogere’ stadia waarin de oude vormen van samenwerking plaats hadden gemaakt voor privaateigendom en particuliere exploitatie, maar dat toch nog de belofte inhield van een terugkeer naar een communistische samenleving die gebaseerd zou zijn op een menselijke samenwerking op hoger niveau. Evenzo zou de staat, die een product was van de ‘civilisatie’ en hoofdzakelijk de belangen van de eigenaars diende als instrument tot onderdrukking, maar die in die primitievere sociale structuren ontbrak, met de komst van hogere vormen van communisme afsterven.

Het is interessant te zien dat zij, zelfs in hun dialectische redeneertrant die ‘modernisering’ met al zijn corrumperende aspecten als een onvermijdelijk proces aanvaardde, zich toch vastklampten aan een ideaal verleden, een soort ‘Gouden Eeuw’ die als een Verloren Paradijs weer moest hersteld worden door revolutie.

Maar zoals revolutionaire bewegingen vaak aspecten te zien geven, die erop gericht zijn het verleden weer te doen herleven, kunnen contrarevoluties daarentegen weer elementen bevatten die, ondanks hun in het algemeen reactionair karakter, als ‘progressief’ kunnen gelden. Het pad van vooruitgang is vaak kronkelig, ja zelfs paradoxaal, waarbij een contrarevolutie in iets heel anders kan uitmonden dan de bedoeling was van degenen die haar beraamden en uitvoerden. Al heeft een contrarevolutie per definitie een restauratie en versteviging van het traditionele gezag tot doel, wat onderdrukking inhoudt van die krachten die naar emancipatie streven, toch kan het resultaat heel wat minder simpel zijn. Niet alleen zal verhoogde onderdrukking, door de ontevredenheid die zij oproept, op haar beurt het verlangen naar emancipatie doen toenemen – precies als omgekeerd door revolutionaire bewegingen het Thermidor-verlangen van het volk naar stabilisatie veelal wordt versterkt; maar ook kan de contrarevolutionaire beweging zelf, door haar interne logica, zekere organisatorische gevolgen hebben, die wij als bevorderlijk kunnen zien voor verdere vernieuwing. Als bijvoorbeeld een contrarevolutionair regiem de loyaliteit of althans een stilzwijgende onderworpenheid van brede lagen van het volk wil bereiken, zal het het communicatiesysteem moeten vervolmaken en aldus, of het wil of niet, de bevolking bloot stellen aan alle mogelijke informatie van buiten. Zo’n regiem wordt bovendien niet zelden gedwongen om zijn technisch peil te bevorderen, al is ’t maar alleen voor zijn oorlogvoering, hetgeen op zijn beurt een degelijke technische training van brede lagen van de bevolking noodzakelijk maakt.

Het tweeslachtige karakter van veel revolutionaire en contrarevolutionaire bewegingen maakt het soms moeilijk zo’n beweging de juiste naam te geven. Aangezien de term ‘revolutie’ in veel kringen een minder ongunstige klank heeft dan ‘contrarevolutie’ zullen maar weinig bewegingen zich openlijk als ‘contrarevolutionair’ aandienen. De zogenaamde Gestapu, de staatsgreep van 30 september 1965 in Indonesië (waarbij ontevreden officieren, die tegen de legerleiding in verzet kwamen, de hoofdrol speelden, al werd de Communistische Partij beschuldigd er de hoofdaanstichtster van te zijn) werd onmiddellijk na zijn mislukking door de tegenstanders een ‘contrarevolutionaire’ beweging genoemd om hem in de ogen van het Indonesische publiek te discrediteren. De overlevende legerleiders (zes van hen waren vermoord in de nacht van 30 september op 1 oktober) poogden op die manier het ware revolutionaire elan voor hun eigen regiem te reserveren. Pas tegen het einde van 1967 onthulde de tegenwoordige President, Generaal Suharto, openlijk het contrarevolutionaire karakter van het militaire regiem, dat President Sukarno had afgezet; hij schreef voor dat de onafhankelijkheidsstrijd tegen de Hollanders van de jaren 1945-1949 niet langer ‘revolutie’ mocht worden genoemd – kennelijk om elke gedachte ook maar, dat ‘revolutie’ iets zou kunnen zijn dat moest worden toegejuicht, uit te bannen!

De contrarevolutionaire leiders in Brazilië, die sedert de staatsgreep van april 1964 aan de macht zijn, zijn slimmer: zij blijven zichzelf revolutionairen noemen.[8]

De gebeurtenissen in Hongarije van 1956 waren daarentegen werkelijk dubbelzinnig. Terwijl de Westerse pers betoogde dat de beweging, aan het hoofd waarvan Nagy stond, een revolutie betekende tegen de dictatoriale kanten van het stalinistische regiem, zagen de communisten zelf de opstand als een reactie tegen een progressieve regering. Beide gezichtspunten waren in zekere zin gerechtvaardigd. Als men een nadruk op snelle socialisatie van de productiemiddelen als een criterium voor progressiviteit beschouwt, dan moet men de beweging, die onder andere streefde naar een ongedaan maken van de landbouwcollectivisatie, als contrarevolutionair beschouwen. Maar wanneer men aan de andere kant de omvang van de democratische rechten als een maatstaf gebruikt, dan zou de beweging als revolutionair kunnen worden aangemerkt en tot op zekere hoogte als progressief.

Er zijn natuurlijk in de geschiedenis van de mensheid veel meer gevallen geweest waarin progressieve en reactionaire elementen binnen een beweging met een revolutionair karakter elkaar min of meer in evenwicht hielden. Maar dat betekent niet dat het etiket dat men erop plakt een kwestie is van willekeur. Als we onze voornaamste criteria, zoals wij die hebben omschreven in ons betoog over het begrip evolutie, voor ogen houden, zullen we meestal wel in staat zijn de algemene strekking van een beweging vast te stellen, ondanks de soms verwarrende of paradoxale bijkomstige trekken of tendenties.

Tot dusver hebben we slechts de richting van plotselinge verandering als een criterium beschouwd om revolutie van contrarevolutie te onderscheiden. Zijn beide fenomenen in andere opzichten in wezen gelijk? Dat is te zeggen: past op beide de definitie van revolutie, zoals die in de eerste paragraaf is beproefd?

Er zijn een paar bestanddelen in onze definitie van ‘revolutie’ die minder typisch lijken voor contrarevolutie dan voor een echte revolutie. Men zou zich allereerst kunnen afvragen in hoeverre de wil tot omverwerpen van de bestaande sociale orde als inherent aan contrarevoluties gezien moet worden. Het fundamentele doel van een contrarevolutie is toch immers zoals wij zagen herstel en versteviging van het traditionele sociale bestel, wat op het eerste gezicht toch precies het omgekeerde lijkt van wat een revolutie verondersteld wordt te doen.

Om hier tot een scherper inzicht te komen, moeten we de sociale verandering in evolutionair perspectief zien. We spreken van contrarevolutie, telkens wanneer een bestaande tendentie naar emancipatie wordt gestuit, of zelfs omgegooid, door een plotselinge poging het heersende politiek bestel, dat een zekere sympathie toonde tegenover de emancipatiestromingen, omver te werpen. Dit was het geval met de contrarevolutie in Chili, die aan Allende’s wettig gekozen, op emancipatie gericht bewind een eind maakte. In het voorgaande hoofdstuk heb ik al laten zien hoe, in een situatie waarin de heersende machtsstructuur sympathiek staat tegenover een evolutionair emancipatieproces, meer reactionaire tegenwaarden actief kunnen blijven binnen de heersende structuur.

Daarnaast kunnen we van contrarevolutie ook spreken, als een werkelijke revolutie al begonnen is, maar wordt doorkruist door een poging tot omwenteling die in wezen naar een herstel van de prerevolutionaire structuur streeft. Terecht noemt Ch. Tilly de opstand in de Vendée van 1793 een contrarevolutie.[9]

In beide situaties wordt meer beoogd dan een eenvoudige staatsgreep of ‘paleisrevolutie’, voor zover het verzet zich niet tevreden stelt met een vervanging van personen op het hoogste niveau, maar feitelijk een omkering tot doel heeft van de hoofdtrends in het grondpatroon van maatschappelijke verandering.

Ten tweede zou men kunnen twijfelen in hoeverre de leiders van een contrarevolutie bewogen zijn door een ideologie, een bepaald cultureel ideaal, in de zin zoals revolutionairen dat zijn, die welbewust streven naar de schepping van een nieuwe samenleving.

Hier moeten we opmerken dat contrarevolutionairen nogal eens voorgeven ook te streven naar een volkomen vernieuwing van hun maatschappij. Zij gebruiken vaak een terminologie die ontleend is aan de wapenrusting van echte revolutionairen, zoals het geval was met de hitlerianen die zichzelf nationaal-‘socialisten’ noemden. Het is juist dat revolutionaire woordgebruik dat het vaak moeilijk genoeg maakt onderscheid te maken tussen echte en contrarevoluties. Toch zou men kunnen volhouden dat in geval van contrarevolutie de ideologie, die beleden wordt, min of meer als dekmantel dient om de conservatieve trend van de beweging te maskeren, teneinde grotere steun van het volk te krijgen.[10]

Ten derde kan men vragen in welke mate contrarevoluties, evenals revoluties, een belangrijke steun van de massa vereisen. Hier kan weer een zeker verschil worden geconstateerd. Contrarevoluties bouwen meestal niet op steun van de volksmassa, maar eerder op onderdelen van de regelmatige strijdkrachten. In zoverre is het soms moeilijk een onderscheid te maken tussen een contrarevolutie en een staatsgreep.[11] Maar het fundamentele element van iedere revolutionaire beweging, namelijk de wil om de bestaande machtsorde omver te werpen en niet alleen een groep individuen die aan de macht zijn, blijft net zo goed typerend voor contrarevoluties als voor revoluties.

Wat in Indonesië gebeurde in de nacht van 30 september op 1 oktober 1965 was dus werkelijk een staatsgreep; terwijl de tegenbeweging die door de legerleiding werd ontketend, en die niet alleen de strijdkrachten maar ook belangrijke delen van de bevolking in de gebeurtenissen betrok en eindigde in een massamoord op communisten en sympathisanten, en in de onttroning van President Sukarno, een uitgesproken contrarevolutionair karakter had. Immers haar doel was herstel van de eigendomsrechten van de grondbezittende klasse en het in bedwang houden van emancipatiebewegingen van boeren en arbeiders.

Er is nog een punt dat onderzocht moet worden om het begrip revolutie in tegenstelling tot contrarevolutie te verduidelijken.

In de vorige paragraaf werd revolutie omschreven als een plotselinge omverwerping van het gevestigd gezag, met het doel de bestaande maatschappelijke orde fundamenteel te veranderen.

Dit hoeft niet per se in te houden, dat bij een revolutionair proces de ene sociale structuur door een andere zou worden vervangen.

Een revolutionaire ommekeer betekent niet noodzakelijkerwijs, dat een bepaalde sociale orde, waarin een zekere sociale klasse aan de top staat, vervangen wordt door een ander bestel waarbij de vroegere ‘regerende klasse’ van haar macht is beroofd en een nieuwe klasse de toplaag van de maatschappij gaat vormen. In deze geest luidt de, overigens in verschillende opzichten zeer aanvaardbare, definitie door Aptheker van revolutie: ‘als een historisch proces dat leidt tot en zijn hoogtepunt vindt in, een sociale transformatie, waarbij de ene regerende klasse door een andere wordt vervangen, en waarbij de nieuwe klasse, in vergelijking met de oude, een verhoogd productievermogen en toegenomen sociaal progressieve mogelijkheden vertegenwoordigt.’[12] Natuurlijk zou zo’n volledige omslag van een vroegere hiërarchische orde een schitterend voorbeeld zijn van wat de term revolutie eigenlijk betekent. Maar zo’n ‘ideale’ constellatie zal wel haast nooit voorkomen, en een beperking van de term tot zulke extreme gebeurtenissen zou enige van de meest typische gevallen van revolutie in de geschiedenis van onze definitie uitsluiten. Wat van belang is, is dat er in geen enkele sociale constellatie – en zeker het allerminst in een prerevolutionaire – een ondubbelzinnig geldende maatschappelijke hiërarchie bestaat. Verschillende hiërarchische sociale systemen strijden om de voorrang, maar meestal is maar een van deze systemen dominant en beslissend voor de tijdelijke machtsverhoudingen. Het is het tijdelijke machtsevenwicht tussen verschillende hiërarchische systemen, dat tot uiting komt in een gegeven politiek bestel, met zijn ideologie die dat bestel moet rechtvaardigen, en met zijn bijbehorend ‘Establishment’, dat wordt omvergeworpen door een revolutionaire loop van gebeurtenissen. Het resultaat van een revolutie is dus niet een volstrekte ommekeer van de sociale ‘structuur’, maar eerder een finale ommekeer in het machtsevenwicht tussen twee of meer met elkaar strijdende hiërarchische systemen.[13]

Het is de ommekeer in de machtsverhoudingen, die als een ‘fundamentele’ verandering kan omschreven worden, in de zin van een werkelijk ‘revolutionaire’ omwenteling. Zij raakt de relatieve sterkte van de concurrerende waardestelsels en de daarmee verbonden hiërarchische ordesystemen, elk ervan subjectief aanvaard door verschillende segmenten van de maatschappij.

Zo’n ‘fundamentele’ verandering hoeft dus niet noodzakelijk een beslissende machtsverovering in te houden door een ‘sociale klasse’, die in het voorafgaand bestel maar een ondergeschikte rol had. Om te kunnen spreken van een ‘revolutie’, is het genoeg dat de machtsverhoudingen tussen verschillende hiërarchische systemen, die althans potentieel naast elkaar bestonden binnen een enkel politiek geheel, verbroken zijn en dat bijgevolg opnieuw een deur, die tevoren gesloten was, wordt geopend voor verdere schreden op de weg naar emancipatie.

Er is dus zeker ook wel enige relatie tussen revolutionaire verandering en klassenstrijd. Maar die betrekking is veel minder direct dan soms wordt aangenomen. Een revolutie is in wezen geen ‘sociaal’ maar een ‘politiek’ fenomeen dat de status quo aantast in termen van macht.

Aan de andere kant zijn er de plotselinge omverwerpingen van een gevestigde politieke orde, die we contrarevolutionair noemen.

Zouden we in zulke gevallen ook kunnen spreken van een plotselinge verandering in de machtsverhoudingen tussen concurrerende systemen van sociale hiërarchie? Stellig wel; maar er is toch een wezenlijk verschil met een echte revolutie. Een contrarevolutie opent als regel geen perspectief voor brede sociale groepen, die tot nog toe van de macht uitgesloten waren, om hun verlangen naar een wijder actieveld en naar grotere politieke invloed te kunnen verwezenlijken. Contrarevoluties hebben in wezen versterking ten doel van de macht van die sociale groepen die al zeer invloedrijk waren binnen de heersende gevestigde politieke orde. Zoals we zagen zijn zij in ’t algemeen erop uit om het getij van emancipatie te stuiten dat voorwaarts ging op wettige evolutionaire manier, waarvoor binnen de heersende politieke structuur wel enige speelruimte was gelaten. Alleen in dit opzicht worden de heersende machtsverhoudingen door een contrarevolutie omgegooid – niet in die zin dat sociale groepen, die totnogtoe uitgesloten waren van de ‘gevestigde orde’, nu een grotere mate van politieke erkenning en verantwoordelijkheid krijgen.

De term ‘fundamentele’ verandering is dus in het geval van contrarevolutie volkomen misplaatst. In het geval van een revolutie wordt tenminste de weg voor zulk een fundamentele verandering gebaand: een revolutie wordt juist gekarakteriseerd door het vooruitzicht en de verwachting van een merkbare versnelling van het emancipatieproces. Bij contrarevolutie is dat niet het geval – integendeel![14]

3. Geweld en geweldloosheid

Een belangrijke kwestie bij het omschrijven van het begrip revolutie is ook, in hoeverre geweld tot de wezenlijke kenmerken hoort. Vroeger hebben we al geconstateerd dat wat revolutie onderscheidt van evolutie het element van plotselinge uitbarsting is, de versnelling van het evolutieproces en de omwenteling van de sociale orde, die zo’n keten van gebeurtenissen begeleidt. Maar houdt dat noodzakelijkerwijs ook in dat ‘geweld’ een grondbestanddeel vormt van een revolutionair proces zoals Hannah Arendt schijnt aan te nemen? Zij schrijft ‘dat revoluties en oorlogen zelfs onvoorstelbaar zijn zonder geweld’.[15]

Natuurlijk zou het geen zin hebben deze opvatting te bestrijden door te wijzen op uitdrukkingen als ‘industriële revolutie’, ‘demografische revolutie’ of ‘elektronische revolutie’. Het is duidelijk dat in deze gevallen het woord revolutie gebruikt wordt in figuurlijke zin en alleen betrekking heeft op het element van snelle ontwikkeling en grondige vernieuwing op de gebieden waar de ‘revolutionaire’ verandering plaatsgrijpt.

Maar zelfs in geval van politieke revoluties is er genoeg reden ernstig te overwegen in hoeverre geweld een elementair criterium is om een keten van gebeurtenissen als een revolutie te bestempelen.

In de geschiedenis zijn er verschillende voorbeelden van snelle structurele verandering waarbij merkwaardig weinig bloed werd vergoten. De gebeurtenissen in februari 1948 in Tsjecho-Slowakije konden zeker revolutionair genoemd worden, gezien de volksmassa’s die in actie gekomen waren om een volkomen omverwerping van de bestaande sociale orde te bewerkstelligen. Toch was er nauwelijks enig feitelijk geweld.

Men zou wel kunnen volhouden dat de nabijheid van Russische legereenheden – hoewel die passief bleven gedurende de hele revolutionaire periode – een potentieel gebruik van geweld belichaamde, en dat die mogelijkheid toch als een beslissende factor in de toenmalige machtsstructuur op de achtergrond van de politieke en sociale omwenteling aanwezig was. De benoeming van Klement Gottwald als premier in 1945 was mogelijk gemaakt door die aanwezigheid van Sovjetmilitairen.

Tot op zekere hoogte doet dan ook het Tsjecho-Slowaakse voorbeeld de vraag rijzen of men een proces nog revolutionair kan noemen als het door een deel van de feitelijke machtsstructuur gehanteerd wordt om een massabeweging van onderop te ontketenen tegen een andere sector van datzelfde bewind. En zo ja, dan zou men zich af kunnen vragen, of er misschien toch enige relatie kan zijn tussen de betrekkelijke geweldloosheid en het feit dat een deel van de gevestigde orde aan de revolutie deelneemt.

Hetzelfde terminologische probleem is duidelijk waarneembaar in het geval van Japan. De Meiji Restauratie van 1868, die soms Meiji Revolutie wordt genoemd, werd gedeeltelijk van bovenaf geïnspireerd, door kringen die de jonge keizer als een symbool naar voren schoven; maar ook van onderop gesteund door een deel van de adellijke militaire Samoerai-klasse, dat gedurende de eeuwen van het Tokugawa-bewind, zolang de rijksbestuurder (de sjogoen) met zijn vazallen (de daimyo’s) regeerde, op een zijspoor was geschoven. Toch was in dit geval de mate van geweld bij die omwenteling nog vrij aanzienlijk.

Het Chinese voorbeeld kan ook genoemd worden, in verband met de ‘Culturele Revolutie’. Hier hebben we weer een geval, waarbij volksmassa’s – hier dan voornamelijk de jeugd – in actie zijn gekomen, maar met krachtige steun van een belangrijke sector van de communistische partijleiding en van het leger, en dat gedurende het hele proces. De vele andersluidende verslagen in de Westerse en Oost-Europese pers ten spijt, is de mate van werkelijk fysiek geweld verhoudingsgewijs beperkt gebleven in het hele verloop.[16] Het was maar een marginaal verschijnsel in een ontwikkeling die voornamelijk gekarakteriseerd werd door massademonstraties, groepsdiscussies op enorme schaal en massapropaganda. De omvang van de leiding van boven wordt bijvoorbeeld duidelijk als men kijkt naar de algemene steun die de publiciteitsmedia aan de Culturele Revolutie, in de vorm zoals Mao die zelf bepleitte, gaven, na een korte periode van aarzeling begin 1966 toen er enig verschil van mening scheen te bestaan, of althans tegenstrijdigheden in interpretatie, tussen leger- en partijpers. Maar van de eerste juni 1966 af hielden de gezagsdragers, die de Rode Garde en de Revolutionaire Rebellen steunden, klaarblijkelijk de massapropagandamedia waar het op aan kwam stevig in handen.[17]

Hier komen we dus het fenomeen tegen van een ‘revolutie’ van onderaf die geleid wordt van bovenaf, althans door een sector in de machtsstructuur. Men kan zich weer afvragen, of het Chinese voorbeeld in onze definitie van ‘revolutie’ past. Het lijkt mij van wel. Immers, de beweging streefde naar diepgaande veranderingen in de heersende sociale orde en richtte zich in de loop der ontwikkelingen grotendeels tegen het institutionele gezagsapparaat, zowel op centraal als op locaal niveau (zowel wat de partij als wat de bureaucratie betreft). Om Joan Robinson te citeren: ‘het was een volksopstand, aangestookt en aangevoerd door de leider van het regiem zelf, dat tevoren reeds gevestigd was en aan de macht bleef.’[18] Aan de andere kant maakte de steun van boven het begrijpelijk, waarom de revolutie zich met een minimum aan feitelijk fysiek geweld kon afspelen, waarbij men alweer zou kunnen betogen dat potentieel de kracht van het militaire apparaat, dat de beweging steunde, erachter klaar stond.

We moeten ons echter nog met het probleem bezighouden of ‘revolutionaire’ verandering – in de betekenis van enorm versnelde fundamentele verandering – ooit zonder geweld kan worden bereikt door een echte beweging van onderop, dat is te zeggen zonder enige werkelijke of potentiële steun van betekenis van de kant van een sector binnen de bestaande machtsstructuur. Hier gaat het om de kwestie van geweldloze strijd.

In de laatste tientallen jaren zijn er nogal wat bewegingen geweest in verschillende landen die ervoor pleitten om een strijd voor een betere wereld, met als uiteindelijk doel de bestaande machtsstructuur omver te werpen, met geweldloze middelen te voeren. De namen van Mahatma Gandhi, Albert Luthuli en Martin Luther King staan voor een ideologie die geweld op principiële gronden verwerpt. Hun pleidooien doen echter de vraag rijzen in hoeverre radicale structurele veranderingen in politicis (sic - MIA) bereikt kunnen worden met burgerlijke ongehoorzaamheid op massale basis, zonder enige toevlucht tot geweld of althans bedreiging met geweld.

Allereerst moeten we vaststellen of die bewegingen werkelijk snelle sociale verandering tot doel hadden; dat wil zeggen of het pleidooi voor geweldloosheid niet tegelijkertijd bewust of onbewust een pleidooi is voor geleidelijkheid en geduld. Als dat zo is, zou het betekenen dat geweldloze strijd nooit onder het hoofd ‘revolutie’ zou kunnen worden gebracht, maar eenvoudigweg moet worden gezien als een van de wegen waarlangs ‘evolutie’ – in de zin van geleidelijke emancipatie voor zekere sociale groepen – kan worden bereikt.

Het is natuurlijk waar, dat de geweldloosheids-ideologie uitgaat van een besliste voorkeur voor geweldloze middelen, zelfs als het gebruik van deze middelen een vertraging van het politieke en sociale proces dat men op het oog heeft zou betekenen. De filosofie van de voorstanders van geweldloosheid is gebaseerd op de overtuiging dat de uiteindelijke resultaten stabieler en duurzamer zullen zijn, ook al vergt deze methode om haar doel te bereiken meer tijd en geduld van degenen die door de tegenwoordige machtsstructuur worden onderdrukt. Het betoog is dan altijd dat gebruik van geweld steeds veel verzet en ontevredenheid wekt, wat dan in een later stadium van de ontwikkeling allerlei reacties zal oproepen; bovendien zal geweld als methode om het doel te bereiken degenen die aan een bevrijdingsbeweging meedoen aansteken en door een innerlijke logica een atmosfeer scheppen waarin het gebruik van geweld als iets normaals wordt beschouwd. De meest kernachtige formulering van deze manier van redeneren is die van Gandhi, die beweerde dat men doel en middel niet kan scheiden, aangezien de gebruikte middelen noodzakelijkerwijs ook het einddoel dat men wil bereiken beïnvloeden.

Hoewel men direct kan toegeven dat geweldloze actie zeker verre te prefereren is boven gewelddadige actie zelfs als het leidt tot een zekere vertraging van het proces, een fundamenteel probleem is toch of geweldloze actie ooit succes kan hebben in een situatie die gekarakteriseerd wordt door ‘involutie’ of toenemende polarisatie op sociaal en economisch gebied, dan wel in een situatie waarin om andere redenen, bijvoorbeeld door de starheid van de heersende machtsstructuur, sterke krachten aan het werk zijn die de drang naar emancipatie, zoals die bij belangrijke groepen leeft, tegengaan. We hebben gezien dat precies in die gevallen, waar het proces van geleidelijke evolutie wordt geblokkeerd, een radicale versnelling van zekere processen nodig is om de involutionaire trend een halt toe te roepen en de algemene richting van sociale en economische ontwikkeling om te leggen. Kan zo’n revolutionaire versnelling door geweldloze middelen teweeg gebracht worden of is in zo’n situatie geloof in geweldloosheid alleen maar een illusie? Met andere woorden, kunnen de pleitbezorgers van geweldloze actie beschouwd worden als echte revolutionairen die slechts te onderscheiden zijn door de methoden die zij bereid zijn toe te passen, of is hun geloof in geweldloosheid een teken hetzij van zelfbedrog, hetzij van een minder sterke inzet tot radicale structurele veranderingen?

Er is geen twijfel aan dat tenminste Gandhi zichzelf als een echte revolutionair zag. De leiding die hij gaf aan de massale burgerlijke ongehoorzaamheid en non-coöperatie, en zijn bereidheid om gevangenschap als een consequentie te aanvaarden van zulke acties, waren zeker als een nieuwe vorm van revolutionaire activiteit bedoeld. En er is stellig wel enige reden te betogen dat het bereiken van politieke onafhankelijkheid voor India althans versneld is door Gandhi’s geweldloze actie die opriep tot civiele ongehoorzaamheid, vergeleken met wat er gebeurd zou zijn als de nationalisten aan streng legale actie hadden vastgehouden. Maar het blijft moeilijk te beslissen of gewelddadige actie niet hetzelfde resultaat opgeleverd zou hebben en misschien zelfs eerder. Zelfs als geweldloze actie onder zekere omstandigheden onder het algemene hoofd van ‘revolutionaire actie’ opgenomen kan worden, dan blijft er toch nog de vraag over of de voorwaarden waaronder zo’n ‘geweldloze actie’ het bedoelde gevolg teweeg kan brengen – een omverwerping van het bestaande sociale en politieke bestel – niet met groter precisie moeten worden aangegeven.

Gandhi beschouwde zijn beroep op morele zelfbeheersing en rechtvaardigheid als niet alleen tot zijn volgelingen maar net zo goed tot zijn tegenstanders gericht. Al zag hij koloniaal gezag als in wezen duivels en al zag hij de onmenselijkheid ervan heel goed in, toch waren in zijn opvatting de koloniale autoriteiten redelijke menselijke wezens die vatbaar waren voor een moreel beroep.

ijn gedeeltelijk succes de hele koloniale periode door zou kunnen worden toegeschreven aan het feit dat de Engelse democratische traditie – al was die in de koloniale situatie ernstig verzwakt – hem toch nog een zekere speling toestond om te manoeuvreren en zijn opvattingen in het openbaar te uiten. Aan de andere kant waren er binnen het Britse gouvernement mensen die wel naar hem wilden luisteren, zoals ook duidelijk bleek uit de uitnodiging die hij kreeg om de Tweede Ronde Tafel Conferentie te Londen in 1931 bij te wonen. Zoals Nehru in zijn autobiografie schrijft: ‘Om de een of andere reden was de Britse regering er erg tuk op om Gandhi in Londen te hebben, en vermeed zoveel mogelijk alles wat dat zou kunnen verhinderen’.[19]

Hetzelfde beetje Engelse vrijzinnigheid waardoor Gandhi, gedurende de tijden dat hij niet in de gevangenis zat, door mocht gaan met zijn politieke activiteiten en die hem zelfs aanvaardbaar maakte als partner in onderhandelingen, kan ook bijgedragen hebben tot het uiteindelijke succes van de beweging die hij leidde. De beslissing van de Engelse naoorlogse regering om India onafhankelijkheid te verlenen – zonder daartoe gedwongen te zijn door een gewapende opstand op grote schaal zoals in koloniale landen als Indonesië en Vietnam – kan stellig ten dele worden toegeschreven aan het feit dat zijn land geregeerd werd door een regiem dat tot op zekere hoogte gevoelig was voor het geweldloze type massa-actie als door Gandhi ontketend.

De volkomen mislukking van Luthuli’s actie destijds in Zuid-Afrika laat de beperkingen zien die samenhangen met de aard van het gezag waartegen een massabeweging zich richt. Als die gezagsdragers doof blijven voor alle eisen van hen die naar emancipatie en radicale verandering streven, zal geweldloze actie beantwoord worden door brute onderdrukking, zelfs al roepen de leiders nog zo hard dat ze geen ‘revolutionairen’ zijn. Op het beroep op redelijkheid, zoals door de volgelingen van Gandhi bepleit, zal geen acht geslagen worden en hun morele kracht zal verspild zijn aan hen die de macht tot onderdrukking bezitten.

We kunnen dus wel aannemen dat de enige gevallen waarin een ‘geweldloze’ revolutie succes kan hebben, die zijn waarin de gezagsdragers tot op zekere hoogte enig begrip tonen voor de emancipatiebeweging en dus óf voor rede vatbaar zijn óf althans bereid om economische of andere belangen voor te laten gaan boven emotionele en strikt legale overwegingen, die nauw met chauvinisme en prestige verbonden zijn. Men zou daarom deze gevallen kunnen beschouwen als een uitbreiding van de eerder genoemde situatie waarin de beweging van beneden werkelijk steun krijgt van een deel van de feitelijke machtsstructuur.

Tegelijkertijd kan het Indiase voorbeeld een aanwijzing vormen dat geweldloze acties alleen maar succes kunnen hebben in bepaalde typen van revolutie. De Indiase revolutie was nationaal en had geen volledige omverwerping van de sociale orde tot doel. Gandhi preekte geen sociale revolutie. De grootgrondbezitters en de zakenlieden hadden van hem, als hij aan de macht zou komen, niet veel te vrezen.[20] Aan de ene kant kan hierin de oorzaak liggen van zijn zin voor compromissen, die tevens een van de aspecten was van zijn keuze ten gunste van een vredelievende weg. Maar aan de andere kant kan het ons begrijpelijk maken waarom de Engelsen in de speciale naoorlogse toestand bereid waren het met hem op een akkoord te gooien vóór een gewapende opstand onvermijdelijk zou worden. Het bleek mogelijk de voornaamste Britse economische en politieke belangen veilig te stellen zonder star vast te houden aan de opperste politieke macht.

Er zijn echter bewegingen die zich niet tevreden stellen met een loutere overdracht van formele macht en met wettelijke gelijkheid. Een echte ‘sociale revolutie’ heeft een radicale maatschappelijke verandering tot doel die de bezittende klassen en meer in het bijzonder de grootgrondbezitters in ernstige mate treft. Het is niet te verwachten dat zij die macht hebben zo gemakkelijk zullen wijken voor een massabeweging die alleen maar een beroep doet op de rede, maar die geen wapens heeft. Men kan zich moeilijk voorstellen dat zo’n bezittende klasse, en een staatsmacht die hun belangen vertegenwoordigt, die belangen ooit zal willen opgeven zonder ervoor te vechten. Gandhi en zijn aanhanger Vinoba Bhave hoopten dat de grootgrondbezitters van hun overschot aan land afstand zouden willen doen. Maar Lev Tolstoj, door Gandhi zo vereerd, was zelf een lid van de landadel en derhalve minder naïef. Om Edward A. Ross aan te halen: ‘tolstoj die zijn klasse kende, beschrijft de uitingen van het nieuwe sociale geweten van de Russische landbezitter. De edelman begon medelijden te voelen voor de moezjiek (arme boer) onder hem. Hij ging wat verzitten om het wat gemakkelijker voor de boer te maken hem te dragen. Hij begon de moezjiek vriendelijk toe te spreken, en boog zelfs voorover om het zweet van zijn voorhoofd af te vegen. Zijn geweten was zo gevoelig geworden dat hij alles voor de arme man wou doen – alles ja, dat wil zeggen, behalve van zijn rug afgaan!’[21]

Deze analyse moge een antwoord opleveren op onze voorafgaande vraag of, in een toestand waarin ‘involutie’ overheerst dan wel ernstige polarisatie plaats vindt, of waarin de weg naar vooruitgang blijkt geblokkeerd te zijn door de starheid van de heersende machtsstructuur, een afdoende versnelling van het emancipatieproces bereikt kan worden door geweldloze middelen. Ongelukkigerwijs zijn er sterke gevestigde belangen die elk ernstig streven naar bevrijding tegenwerken en die bovendien door een machtig staatsapparaat worden beschermd. In zulke gevallen kan men een geweldloze politieke en sociale ommekeer onmogelijk verwachten.

Dit verklaart waarschijnlijk ook de moeilijkheden die de geweldloze actie in de Verenigde Staten ontmoet. Martin Luther King en de organisaties die zijn beginsel van geweldloosheid waren toegedaan, konden met mate succes hebben zolang hun acties hoofdzakelijk gericht waren op integratie op een niveau waar de fundamentele, economische en politieke macht van de blanken niet werd bedreigd. Maar zodra de kwestie van de aparte woonwijken op het spel stond met de daarmee verbonden moeilijk te slikken waardedaling van onroerend goed, verhardde meteen de houding van de feitelijke machthebbers. Om hun radicalere doeleinden te kunnen bereiken, voelde een krachtige groep binnen de SNCC (Student Non-Violent Coordinating Committee) zich gedwongen zijn tactiek volledig om te gooien, de ‘geweldloosheid’ als beginsel te verlaten, en tegelijk de revolutionaire slogan van ‘Black Power’ in zijn vaandel op te nemen.[22] Tegelijkertijd groeit nog steeds de aanhang van de Black Muslim Movement, die als protestbeweging een sterke impuls kreeg na het falen van Kings geweldloosheidspolitiek.[23]

Al zouden we dus kunnen toegeven dat geweld geen onontbeerlijk attribuut van revolutie is, we moeten ons toch tegelijkertijd bewust blijven dat hoogstwaarschijnlijk geweldloosheid als strijdmethode om een fundamentele verandering te bereiken slechts onder vrij nauw omschreven voorwaarden is toe te passen. Als de beweging niet de daadwerkelijke steun heeft van een belangrijke sector van de feitelijke machtsstructuur, zal de geweldloosheid vermoedelijk alleen maar succes beloven in die gevallen waarin de beoogde omverwerping van het heersend politiek bestel niet te radicaal is en vooral niet een bedreiging vormt voor de fundamentele belangen van de feitelijke gezagsdragers.[24]

4. Inwendige en uitwendige oorzaken

Verder is er nóg een probleem dat samenhangt met onze poging om het begrip revolutie te omschrijven: namelijk in hoeverre revolutionaire bewegingen, en meer in het bijzonder die welke geen enkele steun vinden bij de machthebbers en die streven naar een omverwerping van de bestaande gezagsstructuur, gezien kunnen worden als echte uitbarstingen van volksontevredenheid als gevolg van een opeenstapeling van frustraties binnen de bestaande machtsstructuur. We hebben het hier niet over het ontstaan van revolutionaire bewegingen. Daar zullen we ’t in een later hoofdstuk over hebben. De enige kwestie die ons nu bezighoudt is, of revoluties per definitie bewegingen zijn die allereerst moeten worden verklaard in termen van inwendige beroeringen binnen een samenleving.

Een taaie politieke mythe ontkent dit. Om Lyford P. Edwards te citeren: ‘Het is een zaak van algemene bekendheid dat in iedere sociale beroering de aangevallen partij beweert dat de onrust is aangestookt door buitenlandse agenten en agitatoren’.[25] Het is waar dat revolutionaire bewegingen vaak inspiratie en zelfs in sommige gevallen een zekere mate van leiding van buiten krijgen. Voor zover deze elementen een internationaal aspect geven aan burgeroorlogen, kom ik op dit verschijnsel straks terug. Modelski wijst terecht op ‘de revolutionairen van het type Lafayette of Che Guevara die zich aansluiten bij een opstandige beweging ongeacht hun oorspronkelijke politieke banden’,[26] dat is te zeggen ongeacht hun nationaliteit. Ook echter in een andere zin krijgen revolutionaire bewegingen gewoonlijk enige steun, en zelfs ideologische leiding, van elementen buiten het gebied waar de beweging haar massa-aanhang heeft. Een boerenrevolutie heeft bijvoorbeeld een zekere leiding nodig van mensen uit een andere meer stedelijke en politiek ontwikkelde sfeer, of althans van mensen die min of meer marginaal staan in de groep waaraan de beweging zijn grootste kracht ontleent, zowel om haar politieke ideeën onder woorden te kunnen brengen als ook voor de organisatie van de beweging.

Het hoofdprobleem is echter niet of mensen van buiten zekere activiteiten ontwikkelen. De kwestie waar ’t om gaat is of men ooit gerechtigd is de bewegingen aan deze ‘agenten’ of ‘agitatoren’ van buiten toe te schrijven. De machthebbers beweren in feite dat deze ‘agenten’ een beweging uit het niet hebben te voorschijn geroepen – dat is te zeggen, dat ze het wonder van de schepping uit niets hebben tot stand gebracht. In hun opvatting was er een tevreden en niet al te intelligente bevolking die geen echte reden had om onvrede te tonen. Agitatoren van buiten echter zouden alle mogelijke onwerkelijke eisen en verlangens aanwakkeren en zodoende ontevredenheid scheppen zonder enige grond, en aldus verwarring stichten en onrust verwekken in een overigens harmonieuze gemeenschap.

We weten op grond van historisch materiaal dat revoluties in verschillende door en door bestudeerde gevallen hun diepere wortels hadden in het maatschappelijk bestel, en dat ze het logische gevolg waren van een lang proces van onvoldaanheid en van gefrustreerde verwachtingen. We weten ook dat de machthebbers heel vaak een valse voorstelling hebben en in een schijnwereld leven, zoals Lodewijk XVI die de bestorming van de Bastille als een ‘revolte’ zag en in zijn dagboek onder die datum 14 juli 1789 schreef: ‘rien’. Of als luitenant-gouverneur-generaal H.J. van Mook die nog in oktober 1945 dacht, dat een paar scheepsladingen voedsel en textiel uit Australië het getij van de revolutie in Indonesië, zoals ik al verteld heb in het voorwoord van dit boek, konden tegenhouden.

Het werkelijke probleem is of het ooit mogelijk zou zijn een beweging van een zekere draagwijdte aan te wakkeren zonder dat voor zulk een beroering binnen het heersende sociale en politieke bestel een feitelijke basis aanwezig was.

Geen ernstige politicus zal pretenderen dat in het veld waar agitatoren opereren, er helemaal niets aan de hand was. Om hun recht te doen, moeten we het probleem anders stellen. Is het voor agenten van buiten mogelijk een beweging met een waarlijk revolutionair karakter en draagwijdte te provoceren zonder hevige en ernstige spanningen binnen de maatschappij waarin zij opereren?

Het zou mogelijk moeten zijn deze hypothese op de proef te stellen, bijvoorbeeld met experimenten binnen kleinere hiërarchische eenheden. Voor zover historisch bewijs aanwezig is, lijkt zij overigens erg onwaarschijnlijk. Potentiële agitatoren en onruststokers zijn er in iedere samenleving. Hun doeltreffendheid en uiteindelijk succes hangen echter af van de mate van steun die ze over een lange periode krijgen van het volk waaronder ze opereren. In samenlevingen waar ontevredenheid en frustratie nog niet in belangrijke mate vaste vorm hebben aangenomen, lijken hun kansen op uiteindelijk succes of zelfs op een mogelijkheid om behoorlijke aanhang te krijgen inderdaad erg klein.

5. Enkele typen van revolutie

Het onderscheid tussen bepaalde typen revoluties is ook een belangrijke kwestie. In het voorgaande betoog zijn we het verschil tussen nationale en sociale revoluties al tegengekomen. Nationale revoluties hebben een tweeslachtig karakter: voor degenen die de macht hebben is het een burgeroorlog – of mogelijk zelfs een eenvoudige rebellie – terwijl het voor de opstandelingen van het begin af aan een onafhankelijkheidsoorlog is, die gericht is tegen vreemde overheersing.

Sociale revoluties zijn daarentegen in wezen opstanden van de ene klasse tegen de andere – opgevat als ‘Klassen für sich’. De voornaamste onderverdeling uit de literatuur is: de ‘bourgeois’ revolutie, gericht tegen een regerende aristocratie, tegenover de ‘proletarische’ revolutie van de industriearbeiders tegen de regerende bourgeoisie.

Een geschilpunt is in hoeverre een opstand die als een ‘bourgeois’ revolutie begint, tijdens zijn voortgang kan omgezet worden in een ‘proletarische’. De twee Russische revoluties van 1917 laten zien, dat dit in de praktijk mogelijk was, zoals zowel Lenin als Trotski al hadden voorzien, zij het in verschillende formuleringen, ten tijde van de revolutie van 1905.[27] Maar de kwestie was ook nog van enig theoretisch belang, in verband met zowel het omstreden begrip van de ‘permanente revolutie’, als het begrip ‘ononderbroken revolutie’, waar we verderop nog op terugkomen.

Volgens de marxistische analyse komen nationale bevrijdingsbewegingen in het algemeen neer op bourgeois-revoluties. In veel gevallen leverden zij een aantal democratische staatsinstellingen op; maar zelfs als bij de nationale bevrijdingsstrijd brede groepen van de bevolking betrokken waren, konden zij niet op één lijn worden gesteld met de volgende fase: de proletarische revolutie die een overgang van macht inhoudt van de bourgeoisie op de werkende klasse. De meeste nationale revoluties waren volgens de marxistische waardering slechts halverwege-revoluties. In sommige gevallen kunnen ze zelfs niet eens beschouwd worden als bourgeois-revoluties, indien namelijk de ‘nationalistische’ strijd door reactionairen werd gevoerd. Daarom ondersteunde Marx in de veertiger jaren van de negentiende eeuw wel de nationale beweging van de Polen en de Hongaren, maar was hij tegen die van de Tsjechen en Joegoslaven. Stalin wees daarop in zijn Grondslagen van het leninisme (1924). Aan de andere kant kan in andere recente gevallen, als een gevolg van de steun van boerenmassa’s of landarbeiders, een nationale revolutie boven zijn bourgeois oorsprong uitstijgen en overgaan in een ‘proletarische’ of ‘socialistische’ revolutie – zoals het geval schijnt te zijn geweest in Vietnam en Cuba (voor zover men de Cubaanse revolutie ziet als gericht tegen de Amerikaanse economische overheersing).

Mao Zedong, en Lin Biao in zijn voetspoor, onderscheiden zelfs een speciaal type revolutie, dat gericht is tegen imperialisme, feodaliteit en bureaucratisch kapitalisme – en daardoor duidelijk afwijkt van het bourgeois type van nationale revolutie: de ‘nieuw-democratische revolutie’, die gekenmerkt wordt door proletarisch leiderschap.[28]

De revoluties van Vietnam en Cuba zouden zeker passen in deze categorie, die de Chinese leiders tegelijkertijd onderscheiden van een socialistische revolutie die in een later stadium plaatsvindt.

Dit brengt ons op de bijzonder belangrijke kwestie van de boerenrevoluties, te beschouwen als een speciaal subtype van sociale revolutie. In de vroegere marxistische literatuur werden zij niet als een speciaal type onderscheiden. Boeren werden nu eenmaal door de meeste Westerse marxistische theoretici niet beschouwd als wezens die geschikt waren om een echte revolutie te ontketenen. Boerenopstanden werden veeleer als jacquerieën geclassificeerd, als uitbarstingen zonder enig uitzicht op een fundamentele verandering binnen de maatschappij. Boeren werden wel erkend als potentiële deelnemers en bondgenoten in een bourgeois of proletarische revolutie. Maar om een onafhankelijke rol te spelen, daartoe werden ze niet in staat geacht. Hun situatie als kleine landeigenaars zonder enige specialistische scholing verwees hen naar de positie van leden der petite bourgeoisie.

De marxisten waren niet de enigen die de potentiële betekenis van het landelijke element voor revolutionaire bewegingen onderschatten.

Nog in de late dertiger jaren had Crane Brinton, in zijn The Anatomy of Revolution, de boerenstand als een te verwaarlozen factor behandeld door maar één pagina aan hem te wijden; en zelfs op die ene pagina behandelde hij hem op een vluchtige en nogal nonchalante manier.[29]

Brinton conformeerde zich in dit opzicht eenvoudig aan het stereotype omtrent de boerenstand zoals dit bij de grote meerderheid van Westerse historici in het verleden bestond. Dit stereotype kwam neer op een beoordeling van de boerenstand als een in wezen conservatieve klasse die zich op een afstand hield van de belangrijke stromingen in de menselijke historie. In de dertiger jaren schreef de dichter J.W.F. Werumeus Buning zijn welbekende ballade waarin hij de boer afschildert als de man die onder de meest kritieke omstandigheden blijft ‘voortploegen’. Ook Marx heeft zich niet volledig van dit stereotype kunnen losmaken. Het Communistisch Manifest karakteriseert de boerenstand als een deel van de lagere middenstand, dat tegen de burgerij worstelt om ‘zijn bestaan als een stuk middenstand voor vernietiging te behoeden. Daarom zijn de boeren niet revolutionair maar conservatief. Erger nog, ze zijn reactionair, want ze proberen het rad der historie terug te draaien’. En Engeland zou volgens Marx’ nog in 1870 uitgesproken opvatting, het land zijn waar een ingrijpende economische revolutie het allereerst verwacht kon worden: ‘Het is het land waar geen boeren meer zijn’.[30]

Toch zijn er een paar uitlatingen in Marx’ werk die wijzen op een positievere beoordeling van de revolutionaire potenties van de boerenstand. Zo schreef Marx bij voorbeeld in 1856 aan Engels dat in Duitsland de enige kans op succes voor een proletarische revolutie lag in het verkrijgen van ruggensteun van ‘een soort tweede editie van de Boerenoorlog’. En in de loop van de zeventiger jaren, toen hij wat ontmoedigd was geworden wat betreft het revolutionaire potentieel van de West-Europese industriearbeiders, begon hij de achterlijke Russische boeren met wat meer sympathie te bekijken, en zelfs ging hij hen beschouwen als mogelijke bondgenoten in een strijd voor een socialistische samenleving.[31]

G.J. Harmsen heeft terecht geopperd dat altijd wanneer Marx het had over het conservatisme en de bourgeoishouding van de boeren, hij waarschijnlijk dacht aan de West-Europese landbouwers-grondbezitters, die eerder ‘farmers’ dan ‘peasants’ waren. Telkens wanneer Marx daarentegen over de Duitse en Russische landbouwers schreef als over een mogelijk revolutionaire groep, had hij waarschijnlijk de kleine boertjes op ’t oog van Centraal- en meer nog Oost-Europa, die nooit de status van volledig onafhankelijke landeigenaars hadden bereikt.[32]

Voor de meeste Aziatische boertjes is de kloof die hen van de Westerse landbouwer scheidt nog veel groter. Niemand zal ooit aan de tegenwoordige Franse of Nederlandse ‘boeren’ als aan een revolutionaire kracht denken. Integendeel, poujadisten in Frankrijk en de Boerenpartij in Nederland zijn van het begin af openlijk conservatief en zelfs reactionair geweest. De oorzaak is duidelijk: zoals de vooroorlogse Britse conservatieve premier, Lord Stanley Baldwin het eens, naar het schijnt, heeft gesteld: ‘Als je wilt dat de mensen behoudend zijn, geef hun dan wat om te behouden’. De West-Europese landbouwer is een bourgeois, want ondanks al zijn jammerklachten, waarvan sommige nogal gegrond zijn heeft hij belang bij de tegenwoordige stand van zaken. Een Aziatische boer daarentegen is bijna een proletariër of erger nog, en hij heeft niets te verliezen bij revolutie, behalve ... de ketenen die hem aan zijn landheer of zijn geldschieter binden. Overigens zijn het soms ook geestelijke ketenen: boeren zijn niet zelden gebonden aan machtige plaatselijke landheren door patronagebanden.

Geleidelijk aan zijn marxistische theoretici zich meer bewust geworden van de revolutionaire mogelijkheden onder de boeren. Vooral toen na 1900 revolutionaire bewegingen opkwamen in het overwegend agrarische Rusland paste de marxistische theorie zich steeds meer aan bij de nieuwe werkelijkheid van de revolutionaire praktijk. Het was in ’t bijzonder Lenin die vanaf 1905 steeds meer nadruk legde op het belang van de arme boeren als een revolutionaire factor, in tegenstelling tot de koelakken die zich aansloten bij de conservatieve krachten. Hij kritiseerde Trotski in 1915, omdat die de betekenis van die klasse onderschatte. Hij zelf stelde hen, als potentiële revolutionaire kracht, op één lijn met de industriearbeiders, terwijl Trotski niet alleen de noodzaak volhield dat de leiding bij het stedelijk proletariaat moest berusten, maar zelfs ontkende dat de boeren, die hij als achterlijk beschouwde, ooit een onafhankelijke rol zouden kunnen spelen.

Gedurende en na de Russische proletarische revolutie, die in november 1917 werkelijkheid werd als een vervolg op de burgerlijke revolutie, werd de betekenis van de boerenklasse als een revolutionaire kracht en een belangrijk bondgenoot van de stedelijke arbeiders duidelijk gedemonstreerd. Aangezien de verwachte socialistische revoluties in andere Europese staten uitbleven richtten de Sovjetleiders hun aandacht steeds meer op Azië, waar een verarmde boerenstand een soortgelijke revolutionaire rol zou kunnen spelen.

Toch is de gedachte dat de industriearbeiders de kern en de stoottroep van de revolutionaire beweging moesten vormen in de sovjet-marxistische theorie nooit verlaten.

Aan de Chinese tak van het marxisme, zoals die door Mao Zedong is ontwikkeld, zou de taak te beurt vallen om het onmetelijke revolutionaire potentieel aan te tonen, dat in de verarmde Aziatische boerenklasse aanwezig is, en dit in een land waar van een industriële arbeidersklasse nog maar nauwelijks kon worden gesproken.[33] Maar zelfs Mao heeft het nooit aangedurfd een revolutie zoals die in China plaatsgreep een agrarische te noemen. Al legde hij dan wel veel meer nadruk op het belang van het agrarische aandeel dan de Sovjet-marxisten tot op vandaag doen, hij heeft altijd vastgehouden aan het marxistische beginsel dat een socialistische revolutie tot stand moet komen onder het leiderschap van een industrieel proletariaat. In de praktijk van de Chinese strategie betekende dit, dat gedurende de hele revolutionaire beweging van de dertiger en veertiger jaren, de hoofdrol en het initiatief bij de leiding van de Communistische Partij moest liggen, waarvan werd aangenomen dat die het industriële proletariaat vertegenwoordigde.[34] En al leek het gedurende de Culturele Revolutie dat het leiderschap van de Communistische Partij ernstig was geschokt, in de loop van 1968 schijnt de overheersende rol van de industriearbeiders, als de voornaamste kern van de gezuiverde Communistische Partij, alweer geleidelijk te zijn hersteld.

In dit opzicht scheelt de interpretatie van Castro van de Cubaanse Revolutie niet veel met die van Mao; alleen met dit opvallende verschil, dat naast het proletarische leiderschap ook het leiderschap van revolutionaire intellectuelen speciaal wordt genoemd – wat kan worden verklaard door de geringere rol die de Communistische Partij als zodanig in de Cubaanse Revolutie heeft gespeeld.[35]

In recentere marxistische literatuur is er echter een groeiende tendentie de geslaagde revoluties van de laatste tientallen jaren als in wezen agrarische revoluties te erkennen. Volgens de Oostenrijkse marxist Franz Marek zijn de agrarische revoluties in wezen de enige geweest, die erin geslaagd zijn in bepaalde landen een situatie te scheppen waarin het marxisme als een officieel aanvaarde ideologie kon worden gevestigd.[36]

Aan de andere kant blijft de Sovjet-marxistische theorie het agrarische bestanddeel in een sociale revolutie als in wezen kleinburgerlijk van karakter beschouwen, waardoor in vele gevallen de revolutie van zijn socialistische koers wordt afgeleid. Het is volgens die Sovjet-marxistische theorie juist dit bestanddeel dat de zwakheid van het Chinese experiment uitmaakt en de oorzaak is van zijn ‘afwijkingen’ van het Sovjetmodel, dat altijd nog wordt beschouwd als het meest geslaagde voorbeeld van een proletarische revolutie.[37]

In de Westerse niet-marxistische politieke wetenschap wordt het belang van het agrarische element in revoluties ook steeds meer ingezien. Een jaar of tien geleden publiceerde Barrington Moore, weer een Amerikaanse politicoloog, een vergelijkende studie over revoluties.[38] Evenals Brinton besteedde hij o.a. bijzondere aandacht aan de Engelse en Franse revoluties. Maar hij heeft ook nog drie belangrijke Aziatische landen als studieobject aan het Westerse model toegevoegd. Dit kan verklaard worden uit het feit dat zijn opvatting over de betekenis van de rol van de boeren ver afwijkt van die van Brinton. Uit de ondertitel van zijn boek is het al volkomen duidelijk, dat in Moore’s opvatting agrarische verhoudingen een beslissende rol spelen bij het bepalen van de loop van de sociale en economische ontwikkeling in een gegeven land. Een talrijke verarmde boerenmassa kan de voedingsbodem worden voor een speciaal soort ‘modernisering’, en wel voor een economische, met name industriële ontwikkeling langs dictatoriale lijnen, zoals bij voorbeeld het geval was in Duitsland en Japan.[39] In Frankrijk speelde de boerenmassa eveneens een belangrijke rol. Al was de Franse revolutie dan ook allerminst een boerenrevolutie, toch waren het volgens Moore ‘de boeren die over de revolutie beslisten’.[40] Zolang de boeren mee marcheerden met de Parijse kleine luyden, de ‘sansculottes’, kon de revolutie voortgaan. Toen echter het regiem onder Robespierre al te radicaal was geworden om de grondbezittende boeren nog te kunnen voldoen, liepen ze weg uit de revolutionaire gelederen – en de tijd werd rijp voor Thermidor en de ‘witte terreur’.

Wat de Russische en Chinese revoluties betreft, deze ziet Moore allebei als in wezen ‘boerenrevoluties’.[41] Zijn analyse luidt als volgt: ‘in China zelfs meer dan in Rusland droegen de boeren het dynamiet aan, dat tenslotte de oude orde zou opblazen’.[42] Maar al erkent Moore de boeren als een belangrijke revolutionaire macht, hij beschouwt hen toch als een klasse die haar kracht heeft verbruikt zodra het doel van de revolutie – ‘modernisering’ door een industriële ontwikkeling – is bereikt. Het resultaat van het moderniseringsproces is, naar zijn mening, de vernietiging van de boerenstand als klasse.[43]

In het vervolg van dit werk zullen we op deze stelling terug moeten komen. Op ’t ogenblik is het van belang op te merken dat het boek van Moore een symptoom is van veel groter begrip voor de betekenis van het boerenelement in revoluties, ook onder niet-marxistische schrijvers van vandaag.

Wij komen aldus tot de volgende onderscheidingen. Het allereerste onderscheid is dat tussen ‘nationale’ en ‘sociale’ revoluties.
In de ‘klassieke’ nationale revoluties is het de bourgeoisie – op zichzelf een verre van ondubbelzinnig begrip – die het leiderschap op zich neemt, al mag de boerenmassa dan ook meedoen aan de bevrijdingsstrijd. In de tegenwoordige wereldsituatie is de bourgeoisie echter in de meeste gevallen te nauw gebonden aan buitenlandse belangen om in staat te zijn goede leiding te geven aan een langdurige strijd. Daarom kunnen nationale bevrijdingsbewegingen nieuw-democratische trekken vertonen, hetgeen betekent dat zowel het stedelijk proletariaat als de plattelandsbevolking een veel belangrijkere rol gaan spelen. Een nieuw-democratische revolutie overschrijdt zodoende, óf van het begin af aan óf tijdens zijn later verloop, de grens tussen nationale en sociale revoluties.

‘Sociale’ revoluties vinden wij aan de andere kant telkens wanneer een sociale laag, die samenwerkt op basis van solidariteit, – of, om de marxistische term te gebruiken, die als een ‘Klasse für sich’ functioneert – politieke macht en sociaal overwicht probeert te ontworstelen aan de regerende laag. Het oudere type sociale revolutie, bekend uit de Westerse geschiedenis, werd gekenmerkt door een strijd van de bourgeoisie tegen een aan de macht zijnde aristocratie.

In de tegenwoordige tijd is het de ‘Vierde Stand’ die de macht van een regerende burgerij bedreigd. Maar anders dan in de klassieke marxistische theorie, is het in de Derde Wereld van vandaag niet langer het stedelijk proletariaat dat de beslissende rol speelt in deze sociale revoluties. De boeren worden steeds meer als een sterke revolutionaire macht erkend, al beweren de marxisten nog steeds dat een zekere leiding van andere sociale groepen, hetzij het stedelijk proletariaat, hetzij de intelligentsia, onontbeerlijk blijft.

6. Wereldrevolutie

Een ander begrip dat nog besproken moet worden is dat van ‘wereldrevolutie’. Marx en Engels waren zich goed bewust dat een communistische revolutie, om te kunnen slagen, de nationale grenzen moest overschrijden. In Grundsätze des Kommunismus, een voorstudie voor het Communistisch Manifest, betogen zij dat zo’n revolutie op zijn minst tegelijkertijd zou moeten uitbreken in Engeland, Amerika, Frankrijk en Duitsland, de landen waar het klassenconflict tussen de bourgeoisie en het proletariaat voldoende gerijpt was.

In 1905 breidde Lenin het begrip uit buiten de grenzen van de Westerse wereld en buiten de beperking van gelijktijdigheid en gaf er een nieuwe inhoud aan in termen van een ‘ononderbroken’ revolutie.[44] Hij ontwikkelde de gedachte van een mogelijke overgang van een beweging, die begon als een burgerlijk-democratische revolutie zoals die in Rusland woedde toen hij dit schreef, in een socialistische, wat dan meteen het sein zou kunnen zijn voor een gelijktijdige uitbarsting van socialistische revoluties in West-Europa. Ongeveer in dezelfde tijd verkondigde Trotski soortgelijke ideeën. En sinds die tijd hadden de Russische revolutionairen het begrip ‘wereldrevolutie’ steeds in hun geest – tot de gebeurtenissen van 1917 de theorie, dat een Russische proletarische revolutie de vonk zou doen overslaan op andere meer geïndustrialiseerde landen in Europa, op de proef zouden stellen.

De verwachte kettingreactie bleef uit, hoewel de proletarische solidariteit, in de vorm van stakingen van dokwerkers in een aantal Europese landen, en een muiterij op de Franse vloot in de Zwarte Zee, nogal doeltreffend werkte toen het er om ging de interventieoorlog, die de Geallieerde strijdkrachten tegen de nieuwe Sovjetstaat voerden, in de wielen te rijden.

Als Sovjetleiders dus hoopten op een kettingreactie, moesten ze hun aandacht wel richten op een ander soort samenlevingen: de overheersend agrarische landen in Azië en andere werelddelen buiten Europa, waarvan vele toen nog onder koloniaal gezag stonden. Deze verschuiving in theoretische en tactische benadering was in overeenstemming met de ontdekking van de verarmde boeren als een machtige bondgenoot. Tegelijkertijd was het in overeenstemming met de analyse door Lenin en andere marxisten van het imperialisme als het hoogste stadium in de ontwikkeling van het kapitalisme. Als de kapitalistische uitbuiting tot een wereldsysteem is uitgegroeid, dat gefundeerd is op een lange keten van militaire en politieke bases over de hele wereld, dan moet de revolutie deze keten aanvallen in zijn zwakste schakel – die eerder gevonden kan worden in een land als India dan in het geïndustrialiseerde deel van de wereld.[45]

Maar in 1924, toen Lenin stierf, was de wereldrevolutie nog niet gekomen en de Sovjet-Unie stond geïsoleerd in een vijandige wereld. De Sovjetleiders stonden voor een dilemma: moesten zij prioriteit geven aan de veiligheid en economische ontwikkeling van hun eigen land, of moesten ze voorrang geven aan actie bedoeld om revolutionaire bewegingen in andere landen te provoceren? Om deze kwestie was de controverse tussen Stalin en Trotski hoofdzakelijk geconcentreerd. Trotski ontwikkelde het begrip van de ‘ononderbroken’ revolutie, dat in vroegere geschriften van Marx, Lenin en hemzelf[46] al was gelanceerd, tot een theorie van ‘permanente’ revolutie. Omdat Trotski de boeren als revolutionaire kracht wantrouwde keek hij slechts naar het industrieproletariaat van Europa als enige factor die het socialisme in Rusland zou kunnen redden.

Maar het was Stalin die de overhand kreeg met een strategie die meer gebaseerd was op praktische dan op theoretische overwegingen. Ze kwam neer op het poneren van de stelling, dat het mogelijk is ‘socialisme in één staat’ te vestigen. Later maakten de activiteiten van de Komintern zich geleidelijk los van de buitenlandse politiek van de Sovjetregering die in hoofdzaak gericht was op de uitwendige veiligheid van de Sovjetstaat. Theoretisch werd de wereldrevolutie niet verlaten als beginsel, en de subversieve activiteiten van de Komintern joegen nog lange tijd de gevestigde machten over de hele wereld als een schrikwekkende spookverschijning de stuipen op het lijf, met het gevolg dat de Sovjet-Unie niet als echte partner in de internationale betrekkingen werd aanvaard. Maar langzamerhand leidde het overwicht van de Sovjet-Unie binnen de Komintern en het aan de macht komen van Hitler in Duitsland tot pogingen om de activiteiten, die op een wereldrevolutie gericht waren, te temperen. Stalin en zijn geestverwanten beschouwden de veiligheid van de Sovjet-Unie als staat als de voornaamste garantie voor een uiteindelijke overwinning van een wereldrevolutie. Hiermee verloor de Sovjet-Unie echter wel wat van zijn aantrekkingskracht als wereldcentrum van revolutie voor de echte proletariërs buiten de Westerse wereld, die niets te verliezen hadden dan hun ketenen. Sedert het einde van de Tweede Wereldoorlog is dit proces aanmerkelijk versneld.[47]

Aangezien het in de loop van de Chinese Revolutie duidelijk werd, dat niet het industriële proletariaat van de ontwikkelde landen maar het plattelandsproletariaat van de onderontwikkelde landen de hoofdrol zou spelen in toekomstige revolutionaire bewegingen, kreeg de term ‘wereldrevolutie’ een andere betekenis: namelijk die welke Lin Biao ijkte in zijn beroemde rede van 3 september 1965, ‘Lang leve de overwinning van de volksoorlog’. Daarin werd Mao’s strategie, waarbij de binnenlandse revolutie zich van het platteland, waar genoeg ruimte is om te manoeuvreren, verbreidt naar de steden, door middel van een omsingeling van die steden, uitgestrekt tot de hele wereld. De arme landen met hun verarmde boerenmassa moesten dan gezien worden als één geweldig platteland, terwijl de geïndustrialiseerde landen de steden van de wereld voorstellen. In deze opvatting was de eerste fase van de wereldrevolutie begonnen op het platteland van China en zou deze zich dan als een prairiebrand verspreiden over andere delen van de wereld. Dit zou resulteren in een ernstige verzwakking van de economische, politieke en militaire macht van de sterkste industriële kapitalistische macht van vandaag: de Verenigde Staten van Amerika.[48]

Maar in de afgelopen jaren is ook de Chinese buitenlandse politiek meer gericht geweest op een veiligstelling van de eigen nationale grenzen dan op een morele en daadwerkelijke steun aan revoluties buiten die grenzen. Verzwakking van de Verenigde Staten schijnt trouwens als doelstelling voorlopig naar de achtergrond te zijn gedrongen, terwijl vrees voor de oude bondgenoot, de Sovjet-Unie, de Chinese buitenlandse politiek is gaan beheersen.

7. Burgeroorlog en oorlog

Een ander algemeen probleem is de dooreenstrengeling van de nationale en internationale aspecten van revoluties. In mijn betoog over het begrip ‘wereldrevolutie’ heb ik daarop al min of meer gepreludeerd.

De term ‘burgeroorlog’ heeft op het binnenlandse aspect van een revolutie betrekking, die normaal gesproken binnen een staat als politieke eenheid geacht wordt op te treden. De term ‘nationale’ revolutie houdt echter, zoals we al hebben gezien, in dat althans één segment van de politieke eenheid deze niet erkent als belichaming van de onder het volk levende aspiraties. Een ‘nationale’ revolutie brengt dus noodzakelijk met zich mee dat dezelfde beweging, die vanuit de gezichtshoek van hen die de bestaande politieke structuur vertegenwoordigen het karakter van ‘burgeroorlog’ heeft, vanuit het standpunt van de revolutionairen gezien een internationaal aspect vertoont, dat streeft naar de bevrijding van de overheersing van de ene natie door een andere.

Maar zelfs ‘sociale’ revoluties hebben meestal een aspect dat over de nationale grenzen heen grijpt. ‘Iedere oorlog heeft twee gezichten: het is een conflict zowel tussen als binnen politieke systemen: een conflict dat twee kanten heeft, externe en interne.’ ‘Iedere binnenlandse oorlog heeft wijde internationale vertakkingen en ... kan misschien leiden tot een buitenlandse oorlog en deze in zich sluiten’.

In deze twee beknopte stellingen vat George Modelski de interrelatie tussen binnen- en buitenlandse oorlogen samen.[49]

De zo-even aangehaalde bewering over het burgeroorlog-aspect van ‘iedere oorlog’ – ik zou liever willen zeggen: van bijna iedere oorlog – is door een aantal Nederlandse historici uitgewerkt. Jan Romein heeft de mening verkondigd dat al in de vroege historie bijna iedere oorlog zekere aspecten van een burgeroorlog vertoonde. Op een of andere manier was een oorlog meestal tegelijkertijd een strijd tussen onderling concurrerende sociale groepen, die allebei potentiële bondgenoten hadden binnen het land van de ‘vijand’.[50]

De Amerikaanse Vrijheidsoorlog was niet alleen een strijd van de opkomende Amerikaanse burgerij tegen de Engelse aristocratie in het moederland, maar net zo goed tegen haar bondgenoten in Amerika, de koninklijke ambtenaren en de grootgrondbezitters in de Nieuwe Wereld. ‘Is het wel zeker dat er meer Amerikanen onder Amerikaanse dan onder Britse vlag streden?’ vraagt Jacques Presser.[51]

Ik geloof dat Karl Deutsch een antwoord geeft. Hij gaat uit van de schatting, waaraan ook Presser kennelijk zijn vraag ontleende, ‘dat ruw genomen een derde van de koloniale bevolking de Patriotten ondersteunde in dat conflict, terwijl één derde neutraal was.’ Deutsch voegt er alleen nog een heel belangrijke precisering aan toe: ‘Ofschoon de twee voornaamste facties elkaar zo in evenwicht hielden, kregen de Patriotten er in de loop van de strijd nog 400.000 rekruten bij, terwijl de koninklijken maar 50.000, of één achtste van het aantal van hun tegenstanders, op de been brachten.’ Hij beschouwt dit als een graadmeter ‘van het moreel en de intensiteit van de strijdlust aan beide zijden.’[52]

Maar al moge dit waar zijn, het burgeroorlog-karakter van de Amerikaanse Vrijheidsoorlog wordt met de voorgaande cijfers duidelijk aangetoond.

Waarschijnlijk had ook Jef Suys tot op zekere hoogte gelijk toen hij over de Eerste Wereldoorlog schreef: ‘Deze oorlog was een statenoorlog, niet of nauwelijks een burgeroorlog.’[53] Toch moeten we niet vergeten dat de Duitsers aan Lenin, die de omzetting van de imperialistische oorlog in een burgeroorlog bepleitte, faciliteiten verleenden om terug te keren naar zijn vaderland. En als we buiten de Europese grenzen kijken, merken we op dat de Duitsers Mohammedaanse Indiërs opzetten om tegen de Engelsen op te staan, net als de Engelsen het Arabische nationalisme gebruikten tegen de Turken.

Daarentegen zal niemand de bewering van Suys tegenspreken dat in de Tweede Wereldoorlog de inslag van burgeroorlog onmiskenbaar was.[54] Een aanzienlijk aantal Chinese grootgrondbezitters koos de partij van de Japanners, terwijl Pétain al bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog een potentiële bondgenoot van Hitler was. Suys stelt vast dat de omvang van de Franse collaboratie met de Duitsers niet verklaard zou kunnen worden zonder dit burgeroorlog-aspect. Hoogverraad, vijfde colonne, defaitisme – het zijn allemaal begrippen die meer te maken hebben met de interne sociale spanningen dan dat zij te wijten zijn aan individuele verdorvenheid of karakterloosheid.

Het is de wereldomvattende strijd, geworteld in de Koude Oorlog, tussen ideologisch diametraal tegenover elkaar staande machten die de vervlechting tussen externe- en interne oorlog tot zo’n acuut probleem heeft gemaakt in de tegenwoordige wereld. Men kan nooit zeggen, waar de burgeroorlog ophoudt en de buitenlandse oorlog begint. Wat een ‘politionele actie’ voor de ene partij is, wordt een ‘koloniale oorlog’ voor de tegenpartij. Wat als een ‘binnenlandse aangelegenheid’ begint, kan, zodra de opstandelingen zekere successen hebben behaald en enige internationale ‘erkenning’ krijgen, tot een internationaal conflict uitgroeien. Nog verwarrender is de situatie als een land in tweeën verdeeld is, meestal door een interventie of een buitenlands bezettingsleger. Wanneer de verdeling een poos geduurd heeft (Korea, Vietnam) hebben de sociale en politieke systemen zich in volkomen verschillende richtingen ontwikkeld. Een revolutionaire ontwikkeling in een van de delen – onteigening van grootgrondbezitters, versnelde industrialisatie – wordt in het andere deel kunstmatig geblokkeerd. Elk van de twee regiems vindt bondgenoten onder de bevolking van het andere deel. Een gewapend conflict kan nauwelijks vermeden worden – en ‘interventie’ door machtige bondgenoten ligt in de lijn der verwachtingen.

De hele wereldgeschiedenis door zijn alle mogelijke soorten ‘interventies’, open of verdekt, in de vorm van hulp aan één van de tegenstanders in een burgeroorlog, geprobeerd. Zij die de wettige autoriteiten steunen, en zo de status quo verdedigen, hebben in het algemeen een veiliger positie en kunnen minder makkelijk beschuldigd worden van agressie en bemoeienis met binnenlandse aangelegenheden, dan zij die de opstandigen steunen. De hulp aan de opstandigen kan in verschillende vormen gegeven worden, lopend van sympathiebetuigingen en morele steun, of het verschaffen van asiel en enige vrijheid van beweging voor politieke vluchtelingen, via propaganda en aanmoediging in het openbaar, tot aan materiële hulp in de vorm van uitrusting, het zenden van infiltrerende agenten of technische specialisten om guerrillatroepen te instrueren; verder nog gaat het verschaffen van faciliteiten op eigen grondgebied om opstandelingen te oefenen en tenslotte, als de belangrijkste vorm van hulp die nog net niet met militaire interventie valt gelijk te stellen, het zenden van vrijwilligers.[55]

Of er een beschuldiging van agressie tegen deze soorten van interventie zal worden ingebracht, hangt van verschillende factoren af, vóór alles van de wederzijdse machtsverhoudingen. We zagen al hoe graag de autoriteiten, tegen wie de revolutie is gericht, geneigd zijn de invloed van die buitenlandse agenten te overdrijven.

8. Export van revolutie of van contrarevolutie

Het komt door de marxistische ideologie van een na te streven ‘wereldrevolutie’ dat sinds de Russische Oktoberrevolutie zo veel aandacht werd besteed aan ‘communistische ondermijning’. Interessant genoeg werd juist kort na de revolutie door de Sovjetleiders de theorie ontwikkeld dat revolutie geen voorwerp van export kon zijn. Hoe valt dan deze theorie te rijmen met de duidelijke subversieve activiteiten van de Komintern, die een afspiegeling waren van de ideologie gericht op wereldrevolutie?

De ‘geen export’ theorie heeft echter weinig te maken met indirecte vormen van steun. Zij is alleen gericht tegen de bonapartistische tendentie om de revolutie met kracht van wapens over de grenzen te brengen. De Sovjet-marxisten bedoelen met deze theorie, die in wezen ook door de Chinese communisten wordt aangehangen, dat een revolutionaire beweging in het land zélf rijp moet worden en dat militaire interventie door een socialistische staat vermeden moet worden, opdat de volksmassa’s zich niet van de socialistische ideologie afkeren.

In de praktijk kwam echter de Sovjetstaat meer dan eens in een onoplosbaar dilemma terecht en kon hij toch tot op zekere hoogte ‘export van revolutie’ niet vermijden. De eerste theoretische controverse ontstond omstreeks 1920, toen een jonge officier, Toechatsjevsky, Polen was binnengevallen met een zekere mate van steun van Lenin, maar tegen de felle tegenstand van Trotski in. Trotski voelde – hoewel hij toch de vurigste bepleiter van wereldrevolutie was – dat militaire interventie de verspreiding van een echte revolutionaire atmosfeer zou belemmeren. Na het mislukken van de Poolse expeditie probeerde Toechatsjevsky zijn handelswijze in het openbaar te verdedigen, maar tevergeefs. De ‘geen export’ theorie werd als een beginsel aanvaard.

Dit betekent echter niet dat er van toen af aan geen enkele ‘export van revolutie’ op de punt van de bajonet meer is voorgekomen. Er waren verschillende voorbeelden van interventie door het Rode Leger, alle binnen het grondgebied dat opgeëist werd als behorend tot de Sovjet-sfeer, en telkens met het betoog dat het leger een communistische opstand steunde die al was uitgebroken. De interventie van het Rode Leger in Georgië in het begin van de twintiger jaren, op bevel van Stalin, ontmoette in het bijzonder ernstige kritiek, niet alleen van de kant van Trotski, maar tenslotte ook van Lenin. Alweer kwam het conflict tussen de pragmaticus Stalin en de theoreticus Trotski heel duidelijk aan het licht.

Maar de praktische zin van Stalin was ook oorzaak dat hij, eenmaal aan de macht gekomen, de grootste voorzichtigheid in acht nam als het op het inzetten van het Rode Leger aankwam. Geen bonapartisme bracht de revolutie over de grenzen die in het begin van de twintiger jaren waren vastgesteld. En zelfs toen het Rode Leger, nadat de Tweede Wereldoorlog met succes was beëindigd, diep op het grondgebied van de vijand was doorgedrongen, bleef Stalin terughoudend in zijn buitenlandse politiek. Zijn voornaamste aandacht betrof de veiligstelling van de Sovjet-Unie naar buiten toe. Dit hield in dat hij inderdaad tegenover de Oost-Europese landen, die aan de Sovjet-Unie grensden, de ‘export van revolutie’ in praktijk bracht. Daarbij kon hij op het Rode Leger steunen dat de terugtrekkende Duitsers had nagezeten, een methode die Isaac Deutscher ‘revolutie van bovenaf’ heeft genoemd.[56] Maar in de verder van het centrum van de Sovjetmacht gelegen landen, waar hij Amerikaanse interventie duchtte, hield Stalin zich, in overeenstemming met de verdeling in invloedssferen op de Jalta-conferentie en in andere soortgelijke overeenkomsten, aan een politiek van onthouding en zelfs van zich terugtrekken, niettegenstaande het feit dat er in sommige gevallen een sterke revolutionaire beweging was geweest, zelfs vlakbij de Sovjetgrenzen. Griekenland, Noord-Perzië en China zijn typische voorbeelden.[57] De gewapende invasie in Tsjecho-Slowakije door de Sovjet-Unie en andere ondertekenaars van het Warschaupact, in augustus 1968, is een recent voorbeeld van dit soort ‘export van revolutie’ – maar tegelijkertijd doet dit nog dringender dan in vroegere gevallen, zoals dat van Hongarije, de vraag rijzen of het nog wel ‘revolutie’ is die geëxporteerd wordt en niet juist haar tegendeel.

Evenzo onthield China zich tot dusver van directe militaire interventie, behalve in het geval van Tibet, dat nu eenmaal beschouwd werd als een deel van het Chinese territoir. In Korea werd de interventie officieel beperkt tot het zenden van ‘vrijwilligers’, en dat pas op het moment dat Generaal MacArthur de Chinese grenzen naderde en Chinese industriële installaties in Mantsjoerije en waterkrachtcentrales aan de grensrivier de Jaloe dreigde te bombarderen. Overigens leek het zelfs in de roerige jaren van de Culturele Revolutie wel eens of de Chinese strategie zich bepaalde tot hevige agressiviteit in woorden en tezelfdertijd de grootste voorzichtigheid in daden. Deze houding kan verklaard worden door het dilemma waarin China is gevangen, net als de Sovjet-Unie in de periode tussen de beide wereldoorlogen. Aan de ene kant wilden de Chinezen hun reputatie houden van revolutionairen die solidair zijn met de progressieve krachten over de hele wereld, nu de Sovjet-Unie haar positie als centrum van wereldrevolutie heeft verloren,[58] terwijl ze aan de andere kant onnodige oorlogsrisico’s in gevallen waar hun vitale belangen als staat niet worden bedreigd, schenen te willen vermijden.

Maar sinds de Chinese buitenlandse politiek meer en meer bepaald wordt door de gedachte dat de nabije Sovjet-Unie voor China militair-strategisch een groter gevaar oplevert dan de verre Verenigde Staten, lijkt China als factor in revolutionaire stromingen gericht tegen de Amerikaanse suprematie in de wereld wel sterk op de achtergrond te geraken.

Terwijl men al sinds 1917 in vele delen van de wereld volledig in beslag was genomen door het gevaar van communistische ‘ondermijning’, is dit in de periode van de Koude Oorlog nog versterkt doordat men toen ernstig rekening ging houden met de mogelijkheid dat een burgeroorlog wel eens in een grote echte oorlog zou kunnen omslaan, in het ergste geval zelfs in een atoomoorlog. Na 1945 werd het voorkómen van oorlog, dat al tussen de twee wereldoorlogen op het programma van de Volkenbond had gestaan, een punt van grote zorg voor de Verenigde Naties. Pogingen om daadwerkelijk met het vraagstuk van revolutie klaar te komen faalden echter volkomen. Een van de hoofdoorzaken daarvan is, dat de Verenigde Naties zich tot op grote hoogte baseren op de wettige status quo en dat degenen die de legaliteit verdedigen nu eenmaal altijd in de meerderheid zijn geweest, althans in de Veiligheidsraad. Revolutionaire activiteiten hebben aan de andere kant altijd een aspect van oppositie tegen de wettig bestaande toestand, zelfs als de revolutionairen een zekere juridische basis voor hun acties kunnen aantonen.

Er werden pogingen gedaan om het begrip ‘agressie’ uit te breiden, zodat ook indirecte methoden van ondermijning er onder zouden vallen. De term ‘indirecte agressie’ werd soms gebruikt om allerlei vormen van morele of materiële hulp, voor zover die nog niet op directe militaire interventie neerkwamen, als agressie te bestempelen, die een gerechtvaardigd ingrijpen van de kant van de Verenigde Naties moest uitlokken.

Toch bleek het niet mogelijk, over dit begrip ‘indirecte agressie’ overeenstemming te bereiken op zo een manier, dat deze met agressie wordt gelijk gesteld als basis voor ingrijpen van de Verenigde Naties. Verscheidene lidstaten, waaronder zelfs openlijke verdedigers van de status quo, wilden hun handen vrij houden om allerlei morele en materiële steun te verlenen, die nog geen directe militaire inmenging betekende, ingeval de opstandelingen buiten hun grenzen ideologisch aan hun kant stonden en zich verzetten tegen een regering die of tot het tegengestelde blok behoorde of althans niet werd beschouwd als een betrouwbare bondgenoot. In de kort geleden door de Algemene Vergadering aangenomen resolutie wordt de definitie van agressie dan ook beperkt tot vormen van militair ingrijpen op het territoir of tegen de strijdmachten of strategisch belangrijke installaties van een staat. De enige belangrijke uitbreiding is dat ook vergelijkbare handelingen door ongeregelde troepen of huurlingen worden gelijkgesteld met militaire agressie.[59] Maar daar bleef het verder bij.

Halpern schrijft over de jaren 1958-59, toen de regering van de Verenigde Staten erover dacht stappen te nemen, die zouden leiden tot een veroordeling van ‘indirecte agressie’: ‘Na onze interventie in Libanon wilde onze staatssecretaris, helemaal niet denkend aan de oorzaken van onze zware zorgen, om een VN-resolutie tegen “indirecte agressie” vragen, maar hij bond in toen hij bedacht hoe kwetsbaar we zouden zijn zowel in het debat als wanneer de tekst zou worden aangenomen.’[60]

Men moet bovendien betwijfelen of het opnemen van ‘indirecte agressie’ onder de soorten van agressie, die door het internationale recht veroordeeld worden, werkelijk zou bijdragen tot vermindering van het gevaar voor een grote oorlog. Integendeel zou het een excuus kunnen verschaffen om normale betuigingen van sympathie, in de pers of in redevoeringen, met binnenlandse tegenstanders van een bestaande macht als ‘indirecte agressie’ te brandmerken. Indien ‘indirecte agressie’ tot een inbreuk op het internationale recht zou worden bestempeld, dan zou waarschijnlijk als gevolg daarvan het oorlogsgevaar eerder sterk toenemen dan verminderen.

Het voorgaande vestigt onze aandacht op het feit, dat – in tegenstelling tot de mythe van de wereldomvattende revolutionaire ondermijnende activiteiten – de wereld van vandaag minstens zo sterk door contrarevolutionaire ondermijning wordt verontrust. Het is niet revolutie maar contrarevolutie die gewoonlijk geëxporteerd wordt, zelfs door openlijke militaire interventie.

Export van contrarevolutie is niet alleen een verschijnsel van nu. In vroeger tijden konden de verdedigers van de status quo zich grotendeels bepalen tot het steunen van de wettige machten. De Onheilige Alliantie die ten tijde van het Weense Congres van 1815 werd gesloten, en die het ‘Europese concert’ (de Europese samenwerking) tegen een mogelijke wederopstanding van de revolutie in het leven riep, heeft school gemaakt. Had Talleyrand niet verklaard dat ook non-interventie een soort interventie is? Het Brits-Russische Verdrag van 1907 was niet alleen bedoeld om Duitsland in toom te houden; tegelijkertijd had het een verdeling van Azië in invloedssferen tot gevolg, om te voorkomen dat de ene partij steun gaf aan nationalistische revolutionairen binnen de invloedssfeer van de wederpartij. Het feit dat het Britse gouvernement, en speciaal Lord Curzon, zo gealarmeerd werd door de nationalistische opstanden die in India door Tilak geleid werden, en dat de Russen zich onbehaaglijk voelden als gevolg van de Jong Perzische Beweging, waren hoogstwaarschijnlijk belangrijke overwegingen om het Verdrag te sluiten. Zonder twijfel had Lenin gelijk met zijn bewering dat de grote mogendheden van Europa door al die verdragen en afspraken tsaristisch Rusland hadden aangesteld om de rol van gendarme over Azië te vervullen.[61] Nog vroeger was in China door de Mantsjoe-dynastie buitenlandse militaire hulp gebruikt om de grootscheepse Taiping ‘rebellie’, die zonder enige twijfel een echte revolutie was, neer te slaan.

In de Spaanse Burgeroorlog werd echter de normale procedure omgedraaid. Hier was met wettige middelen een min of meer progressieve regering gevestigd – al werd die wettigheid als gewoonlijk door de tegenstanders bestreden. Maar Duitse en Italiaanse hulplegers hielpen de opstandige troepen van de officier Franco aan de macht. Dit kwam neer op een duidelijke ‘export van contrarevolutie’.

Sedert het einde van de oorlog is steun aan contrarevolutionaire bewegingen een normale gedragslijn geworden voor de Amerikanen, telkens wanneer een heersende klasse, die met Amerikaanse belangen is gelieerd, door volkskrachten wordt bedreigd. Een systeem dat gebaseerd is op kapitalisme brengt economische belangen met zich mee, die zich over de gehele wereld uitstrekken, ondersteund door een alweer over de hele wereld verspreid net van militaire bases. Deze investeringen worden bedreigd door officiële stappen die de buitenlandse economische macht willen beperken. Vandaar dat militaire interventie gebruikt wordt als middel om Amerikaanse belangen te beschermen tegenover de ‘wettige’ regeringen (andere vormen van steun aan contrarevoluties, bij wijze van ‘indirecte agressie’, zoals nog pas in 1973 in Chili, laat ik hier dus buiten beschouwing). De Amerikaanse militaire interventies in Guatemala in 1954 en in de Dominicaanse Republiek in 1965 zijn bekende voorbeelden, naast de Vietnamese oorlog en de uitbreiding daarvan tot Laos en Cambodja, die echter meer bedoeld scheen te zijn om de bescherming van Amerikaanse belangen buiten het eigenlijke Vietnam te dienen.

Hoe het ook zij, export van contrarevolutie is in de tegenwoordige wereld wijdverbreid, en werd zelfs een poos geleden met zoveel woorden bepleit als ‘containment plus’; het betekent een veel grotere bedreiging voor de wereldvrede dan export van revolutie. Als men naar de wereldatlas kijkt, zal men zien dat het beslist niet de Chinezen zijn die met dagelijkse acties en interventies in de binnenlandse aangelegenheden van andere landen de grenslijnen tussen binnen- en buitenlandse oorlog vertroebelen; terwijl de Sovjet-Unie, zelfs al is ze schuldig aan een interventie van dit type in augustus 1968, toch een opmerkelijke zelfbeheersing aan de dag heeft gelegd, zowel in het Tsjecho-Slowaakse als in vroegere vergelijkbare gevallen.

Revolutie heeft tot vandaag getoond zich veel meer bewust te zijn van nationale grenzen en van de fundamentele belangen van de mensheid voor morgen en overmorgen, dan contrarevolutie.

9. Het historische kader van revoluties

In de vorige paragrafen heb ik geprobeerd van het begrip revolutie een definitie te geven, waarbij ik de in hoofdstuk 5 ontwikkelde theoretische analyse van de sociale werkelijkheid als uitgangspunt heb genomen. Nu wil ik proberen het revolutieverschijnsel verder te ontleden tegen de algemene achtergrond van de wereldgeschiedenis.

Al waren de definities en onderscheidingen, die in de voorgaande paragrafen zijn ontvouwd, niet zo maar uit de lucht gegrepen maar zoveel mogelijk met echte historische gebeurtenissen toegelicht, het moet toch mogelijk zijn onze analyse van het revolutieverschijnsel nog verder uit te werken aan de hand van zijn manifestatie in de loop der eeuwen.

Het doel van deze studie is om revoluties als sociale processen te behandelen. Evenals in het eerste deel van dit boek een poging is gedaan het proces en de richting van sociale evolutie vast te leggen, zo zullen we in het volgend hoofdstuk onze aandacht moeten richten op het ontstaan, de gang en het uiteindelijk resultaat van revoluties. Om zo’n analyse in sociologische termen te kunnen uitvoeren, zullen we terug moeten naar het maatschappijmodel dat in het vijfde hoofdstuk is geschetst, en dat een poging was om de diepere wortels niet alleen van het revolutieverschijnsel bloot te leggen, maar ook van het algemene proces van maatschappelijke evolutie.

Aan onze analyse van het revolutionaire proces moet echter vooraf gaan een behandeling van het probleem in hoeverre revolutie – als in het vorige hoofdstuk omschreven – door de menselijke historie heen een blijvend aspect is geweest, en hoe haar karakter de invloed heeft ondergaan van het proces der maatschappelijke evolutie, zoals dit zich afspiegelt in het steeds veranderend patroon van de sociale en politieke werkelijkheid. Dit is de taak die ik mezelf in de resterende paragrafen van dit zesde hoofdstuk heb gesteld. We moeten ons dus duidelijk maken welk soort historische gebeurtenissen, gewoonlijk als ‘revoluties’ aangeduid, werkelijk als zodanig beschouwd moeten worden en dus in ons betoog dienen te worden betrokken, en ze onderscheiden van die gebeurtenissen, die in de gangbare literatuur ten onrechte als ‘revoluties’ worden aangemerkt.

We moeten daarbij onze vroegere definitie van revolutie als criterium nemen, nl. een omverwerping van een gevestigd gezag met als doel een wezenlijke verandering in de richting van emancipatie. Maar we zullen zien dat het toepassen van dit criterium in een feitelijke historische context soms op bijna niet te overkomen moeilijkheden stuit.

10. Revoluties in de moderne tijd

Allereerst zullen we de meer recente gevallen van omverwerping van politieke macht, die in een paar publicaties als de ‘Grote Revoluties’ worden aangeduid, moeten bekijken.[62]

Althans in enkele van deze gevallen lijkt het revolutionaire karakter van de gebeurtenissen nauwelijks twijfelachtig. De Franse Revolutie was een typisch voorbeeld van een ‘sociale revolutie’. Ook al moge de gangbare voorstelling, dat een echte wezenlijke sociale verandering tot stand is gekomen in de zin dat de ‘aristocratie’ als regerende klasse is vervangen door een ‘bourgeoisie’, wat al te simplistisch blijken, toch is het waar dat de omverwerping van het ‘Ancien Régime’ een toestand heeft geschapen waarin verschillende lagen van de Franse ‘Derde Stand’ hun vermogen om invloed uit te oefenen op de nationale zaken aanmerkelijk vergroot zagen. En al volgden er nog verschillende terugslagen – de ‘Thermidor’ van 1794, de napoleontische greep naar de absolute macht, de restauratie na Napoleons nederlaag – voortaan konden toch sommige verworvenheden en ‘fundamentele veranderingen’ die de Franse Revolutie had gebracht, nooit meer volledig ongedaan worden gemaakt.

Op gelijke wijze kunnen de twee ‘Grote Revoluties’ van 1917 in Rusland ongetwijfeld de proef van onze voorafgaande definitie doorstaan. De Februarirevolutie kan alweer tot op zekere hoogte als een ‘bourgeois’ revolutie beschouwd worden, terwijl de Oktoberrevolutie onder veel sterkere invloed van de stedelijke arbeidersklasse stond, zoals die in de plaatselijke sovjets was vertegenwoordigd. Alweer zou een interpretatie in termen van een simpele machtsovername door de bourgeoisie van de aristocratie, en daarna door de arbeidersklasse van die bourgeoisie, het beeld te veel vereenvoudigen zo al niet in feite vertekenen. Alweer is het enige dat we zouden kunnen zeggen, dat de Oktoberrevolutie een situatie schiep waarin de kansen voor emancipatie van de stedelijke arbeidersklasse veel verbeterd werden, hoewel de daaropvolgende ontwikkelingen heus geen rechtlijnige koers zouden nemen.

Precies zo worden de twee Chinese omwentelingen (de ‘burgerlijke’ van 1911-1912 en de ‘socialistische’ die eindigde met de vestiging van de Chinese Volksrepubliek in 1949) terecht revoluties genoemd.

Een andere ‘Grote’ revolutie – de Amerikaanse van 1775 en volgende jaren – was wat gecompliceerder van aard; zij verenigde trekken van een ‘sociale’ revolutie met trekken van een nationale revolutie die gericht was tegen de Britse overheersing. Dit soort onafhankelijkheidsoorlog die tegelijk de eliminatie van een vreemde heersende klasse tot doel heeft, is in de laatste paar eeuwen veel meer voorgekomen dan de louter ‘sociale’ omwentelingen. De hele negentiende eeuw door is nationalisme een sterke motiverende kracht geweest voor volksbewegingen in Europa en in Latijns-Amerika, terwijl dit in Azië en Afrika in de twintigste eeuw ook het geval is geworden. Het zou geen zin hebben de talrijke onafhankelijkheidsoorlogen op te sommen, die karakteristiek zijn voor de laatste 150 jaar, waaronder er heel wat geslaagd zijn. Voor zover het zuiver ‘sociale’ revoluties betreft, blijkt de oogst veel magerder. Vele ervan kunnen als mislukt worden beschouwd, bijvoorbeeld de Parijse Commune van 1871, of de Russische Revolutie van 1905. Al kunnen deze beide met enig recht ‘revolutie’ worden genoemd, het waren beslist geen geslaagde revoluties. Men zou zelfs enige twijfel kunnen koesteren of de opstand van 1918 in Duitsland, die een omverwerping van de Hohenzollern-dynastie tot gevolg had en de vestiging van de Weimarrepubliek, wel volledig door onze definitie van ‘revolutie’ wordt gedekt. ‘De keizer ging, maar de generaals bleven’, werd bitter gezegd; en het werd al in het begin van de twintiger jaren duidelijk dat er geen belangrijke sociale veranderingen te verwachten waren.

Men moet liever buiten Europa naar enigszins geslaagde ‘sociale’ revoluties zoeken, afgezien van de bovengenoemde Franse en Russische revoluties. Een uitzondering moge gemaakt worden voor de revoluties die in Oost-Europa op het eind van de Tweede Wereldoorlog plaatsvonden in het kielzog van de overwinningstocht van het Rode Leger. Van die reeks overwinningen komt waarschijnlijk wat in Joegoslavië gebeurde het dichtst bij een echte sociale revolutie, hoofdzakelijk door interne factoren tot stand gebracht.

Als voorbeelden van zulke geslaagde ‘sociale’ omwentelingen buiten Europa, die niet in de eerste plaats onafhankelijkheidsoorlogen waren, zou men die in Turkije kunnen noemen in 1919 en volgende jaren, geleid door Mustafa Kemal tegen het sultanaat; en verder de Mexicaanse Revolutie van 1911 en de Cubaanse van 1958.

In de negentiende eeuw waren er ook buiten Europa twee grote burgeroorlogen die soms tot de ‘revoluties’ gerekend worden.

Ten eerste de omverwerping van de Sjogoens in Japan in 1868, die meestal de Meiji Restauratie wordt genoemd, maar ook wel eens de ‘Meiji Revolutie’. Sansom neemt wat die term betreft op de volgende manier stelling: ‘In de voorafgaande bladzijden is het woord “revolutie” gebruikt om het proces te beschrijven waardoor de overblijfsels van het feodalisme werden weggevaagd. Maar in de opzet is het geen revolutie geweest die te vergelijken is met de Engelse van 1688[63] of de Franse van 1789. Het was een burgeroorlog die uitgevochten werd met zowel politieke als militaire wapens door het ene deel van een heersende militaire klasse tegen een ander deel. Het doel was een regering te vervangen om ruimte te maken voor nieuwe mensen. De leiders van de overwinnende partij bepleitten geen nieuwe politieke theorie, zoals ook duidelijk te zien is aan de verdeeldheid die hen spoedig uit elkaar dreef; maar toen ze het doel om zich van de macht meester te maken eenmaal hadden bereikt, begrepen ze met vallen en opstaan dat ze bepaalde instellingen moesten uitschakelen. Met andere woorden, de afschaffing van de feodaliteit was meer een bedenksel achteraf.’[64]

Ik zou de opvatting van Sansom willen onderschrijven, dat de Meiji Restauratie en haar naspel geen ‘revolutie’ was in de eigenlijke zin van het woord, maar om enigszins andere redenen dan hij aangeeft.

Aan de ene kant zou men kunnen toegeven dat de uitslag van de burgeroorlog meer ruimte bood voor actie en politieke invloed aan een sociale groep die tot nu toe uitgesloten was van feitelijke macht: de verarmde klasse van de kleine samoerai’s die hun invloed nu konden vergroten ten koste van de grote feodale heren, de daimyo’s. Ook zouden wij kunnen erkennen, dat de burgeroorlog een toestand in het leven heeft geroepen waarbij de deur wijd open was gezet voor allerlei vormen van ‘emancipatie’: er kwamen proefnemingen met parlementaire instellingen, er werden vrij radicale landhervormingen ingevoerd en er werd een grondslag gelegd voor een snelle industriële ontwikkeling; bovendien werden de onderwijsmogelijkheden vergroot.

Een zekere revolutionaire kwaliteit kan aan de afschaffing van het Sjogoenaat ook niet ontzegd worden omdat die alleen maar zou neerkomen op een ‘herstel’ van de feitelijke machtspositie van de keizer: de loyaliteit tegenover de keizer werd door de bewerkers van de omverwerping van het bestaande feodale systeem gebruikt als een politiek hulpmiddel om een maximum aan aanhankelijkheid te bereiken onder het gewone volk zowel als onder verschillende groepen aristocraten. De jonge keizer als éénmakend symbool kon dienen om de ‘revolutie’, of hoe je het ook noemen wilt, ‘tot een succesvol en betrekkelijk bloedeloos einde te brengen’, om Sansom te citeren.[65] De toestand zou daarom tot op zekere hoogte vergeleken kunnen worden met de Chinese Culturele Revolutie, waarbij ook een deel van de ‘Gevestigde Orde’, die geleid werd door voorzitter Mao, feitelijke leiding aan de revolutie gaf tegen de Communistische Partij en de bureaucratie als exponenten van die gevestigde orde, en zodoende – zoals we in het vorige hoofdstuk zagen – een betrekkelijk geweldloos proces kon verzekeren.

Aan de andere kant is het juist deze vergelijking met de Chinese Culturele Revolutie die trekken van de Meiji Restauratie aan het licht brengt welke ons er van weerhouden om haar een ‘revolutie’ te noemen in de ware zin van het woord. De samoerai’s, die de bewerkers van de Restauratie waren, opereerden niet als een georganiseerde groep. Geen massale volksbewegingen zijn, zolang het hele proces duurde, erbij betrokken. De krachten die de omwenteling tot stand brachten waren geen ‘volkslegers’ maar geregelde militaire troepen opgeroepen door de feodale heren. Bovendien misten, zoals Sansom terecht opmerkt, de rebellerende samoerai’s een duidelijke revolutionaire ideologie.

Deze redenen maken de term ‘revolutie’ ongeëigend voor de Meiji Restauratie. In zijn opzet was de Restauratie meer een staatsgreep dan een revolutie, al begon de beweging in zijn verdere loop enige revolutionaire aspecten te vertonen.

Wat betreft de Amerikaanse Burgeroorlog uit het midden van de negentiende eeuw, zouden we de volgende opmerkingen kunnen maken. Over het algemeen wordt de Amerikaanse Burgeroorlog als een ‘revolutie’ beschouwd. Barrington Moore[66] noemt de Burgeroorlog ‘het laatste revolutionaire offensief van de kant van wat men terecht een stedelijke of bourgeois-kapitalistische democratie kan noemen’, en verwijst naar de term ‘tweede Amerikaanse Revolutie’, die Charles en Mary Beard gebruikten. Toch vraagt Moore zich verder in zijn boek af:[67] ‘was het wel een revolutie?’ Voor de Radicalen uit het Noorden ‘kwam de radicale versie van het nieuwe bestel, “Reconstruction” genaamd, neer op het gebruik van de militaire macht van het Noorden om de plantage-aristocratie te vernietigen en een kopie van de kapitalistische democratie in het leven te roepen, door aan de negers eigendom en stemrecht te verzekeren. In het licht van de omstandigheden van die tijd in het Zuiden was dit inderdaad revolutionair.’[68] Maar al mochten die doeleinden ‘revolutionair’ zijn, konden de gebezigde methoden ook met recht zo genoemd worden? Wanneer de aan het bewind zijnde autoriteiten hun geregelde troepen gebruiken tegen een verouderde sociale en politieke structuur in een bepaald deel van hun land, mag dat dan met enig recht een ‘revolutie’ genoemd worden? Technisch gezien had de Burgeroorlog mijns inziens beslist enige aspecten van een ‘contrarevolutie’ (in die tijd werd hij in het Noorden algemeen een ‘rebellie’ genoemd): het was immers een poging van de regerende elite uit de Zuidelijke Staten, waar slaven werden gehouden, om zich af te scheiden van de Unie op het moment dat Lincoln wettig tot President was verkozen. Op zo’n manier wilden zij de plannen van de officiële autoriteiten, om het in het Zuiden aanwezig sociaal en economisch bestel door wettige middelen te vernietigen, verijdelen. Het was de ongehoorzaamheid van de regerende elitegroepen van de Zuidelijke Staten die een van bovenaf begunstigde ware emancipatiebeweging wilde blokkeren, welke de militaire interventie uit het Noorden provoceerde, en zo een Burgeroorlog onvermijdelijk maakte.[69]

De contrarevolutionaire elementen, die in de Amerikaanse Burgeroorlog aanwezig zijn, doen ons beseffen dat tegenover de niet al te talrijke gevallen van ware sociale revoluties er heel wat omwentelingen staan die beslist als contrarevoluties kunnen worden beschouwd: de machtsgrepen van Benito Mussolini, Admiraal Horthy, Tsjang Kai-Sjek, Adolf Hitler, Franco en Papadopoulos zijn onmiskenbare voorbeelden van contrarevolutionaire machtsgrepen.

11. Revoluties in vroeger tijden

De revoluties uit de vorige paragraaf hadden alle plaats in de laatste twee eeuwen. Op de een of andere manier hielden ze alle verband met het proces van snelle verandering op economisch en sociaal gebied dat karakteristiek is voor de moderne wereld. Voor zover het echte sociale revoluties waren, kwamen ze meestal voor aan de vooravond van een periode van snelle industriële ontwikkeling en werden ze voorafgegaan door de groei van klassen die een groter aandeel in de economische voordelen en in de politieke macht opeisten. Een opkomende inheemse burgerij betwistte de bevoorrechte positie van de landadel, die de meeste machtsposities bekleedde binnen de traditionele politieke structuur. In sommige gevallen had een aanvankelijk proces van industriële ontwikkeling al een klassebewuste en roerige stedelijke arbeidersklasse in het leven geroepen, die een beslissende rol kon spelen in het revolutionaire verloop (dit geldt in het bijzonder voor de Russische Revoluties van 1917 en de Chinese Revolutie van na 1945).

Nu zou men zich kunnen afvragen of het revolutie-verschijnsel niet op een of andere manier onontwarbaar verbonden is met de klassenstrijd die met moderne economische groei samengaat. Zou je in een wetenschappelijk verantwoorde zin van ‘revoluties’ kunnen spreken voor de premoderne fase, toen economische groei betrekkelijk langzaam vorderde en klassebewustzijn in het algemeen niet al te zeer was ontwikkeld?

We zouden het er op zijn minst over eens kunnen worden, dat de revoluties van de achttiende eeuw niet de eerste waren. Zowel de Nederlandse opstand tegen de Spaanse overheersing in de tweede helft van de zestiende eeuw als de ‘Great Rebellion’ van de Engelse Puriteinen in het midden van de zeventiende waren in elk geval echte revoluties. De eerstgenoemde was tegelijkertijd een nationale en een sociale revolutie, de tweede uitsluitend een sociale. In beide revoluties betwistte een opkomende inheemse burgerij de voorrechten van een aristocratie, die tot dusver de meeste machtsposities in handen had gehad.

Er is soms met enige grond beweerd dat de Nederlandse opstand tegen het Spaanse regiem onder Koning Philips II bepaalde trekken vertoonde die een stap terug betekenden. Zo ging bij voorbeeld de opstand in tegen de trend naar een centraliserend bureaucratisch bewind, zoals die zich onder de Bourgondische en Habsburgse vorsten had afgetekend. Hij resulteerde dan ook in een herstel van bijzondere privileges voor bepaalde aristocratische groepen of stedelijke autonome lichamen, die door de vorige heersers juist waren te niet gedaan. Toch was de algemene trend van de opstand een poging tot alomvattende vernieuwing van de Nederlandse samenleving. Daarom was de algemene tendentie werkelijk revolutionair, niet slechts nationaal gezien, maar ook in haar sociale en economische aspecten. Zij luidde in de nieuw gestichte Verenigde Republiek der Zeven Provinciën een ware emancipatiebeweging in.

Hoe staat het met Azië vóór de negentiende eeuw? Het is Karl Marx geweest die impliciet ontkende dat er echte revoluties in India konden zijn geweest, toen hij schreef: ‘De Indiase samenleving heeft helemaal geen geschiedenis, althans geen bekende geschiedenis. Wat wij haar geschiedenis noemen is slechts de historie van de opeenvolgende indringers die hun rijken stichtten op de passieve basis van die samenleving, die noch weerstand bood noch veranderde.’[70] En hij breidde zijn diagnose uit tot heel Azië in zijn beroemde uitspraak in Het Kapitaal, waar hij het heeft over de ‘onveranderlijkheid van Aziatische samenlevingen, een onveranderlijkheid die in zo’n treffend contrast staat met de voortdurende ontbinding en wederoprichting van Aziatische staten, en de nooit aflatende wisselingen van dynastieën. De structuur van de economische elementen van de samenleving blijft onberoerd door de onweerswolken aan de politieke hemel.’[71]

En expliciet legde Marx zijn mening, dat er geen echte revoluties in het oude Azië konden voorkomen, neer in zijn uitspraak dat Engeland, door afgewerkte katoentjes in de Indiase maatschappij in te voeren waardoor het Indiase weefgetouw werd afgebroken en het spinnewiel vernietigd, ‘de grootste, en om de waarheid te zeggen de enige sociale revolutie in Azië ontketende waarvan men ooit heeft horen spreken.’[72]

Marx’ ontkenning dat er zich in het oude Azië ‘echte sociale revoluties’ konden hebben voorgedaan, was kennelijk geworteld in zijn opvatting, dat de verschillende vormen van politieke onrust de Aziatische maatschappijen in wezen niet konden beroeren, omdat zij grotendeels werden beheerst door een eeuwenoude, statische ‘Aziatische productiewijze’.[73]

Volgens hem is het klaarblijkelijk de statische en duurzame structuur van de Aziatische plattelandssamenleving die maakte dat elke poging tot revolutionaire verandering in het oude Azië in wezen doelloos was en aan de oppervlakte bleef.

In de niet-marxistische geschiedschrijving over China kan men een begrip tegenkomen, dat zijn wezenlijke wortels vindt in de traditionele Chinese geschiedschrijving en dat enige gelijkenis vertoont met de statische opvatting van Marx over de Aziatische maatschappij. Ik zou hier willen wijzen op het begrip van de ‘dynastieke kringloop’, dat nog steeds in de ene of de andere vorm opduikt in de Westerse geschiedboeken over China.[74] Het heeft te maken met het Chinese begrip van het Hemelse Mandaat. Volgens de leer van Confucius was opstand gewettigd als die gericht werd tegen een vorst die het Hemels Mandaat had verbeurd. De theorie van ‘cyclische verandering’ kwam er nu op neer dat men een terugkerend, min of meer stereotiep, patroon van opkomst, groei en verval kon onderscheiden als kenmerkend voor iedere dynastie. Een nieuwe dynastie kwam aan het bewind door het vorige omver te werpen, dat het Hemelse Mandaat had verloochend. Het begon zijn regering met radicale hervormingsmaatregelen, met vermindering van belastingen en soms met herverdeling van het land, en zo won het de sympathie van de volksmassa’s. Langzamerhand slopen er echter misbruiken in, de bureaucratie en het Keizerlijke Hof werden corrupt en het land begon geconcentreerd te raken in handen van een beperkt aantal grootgrondbezitters. De omstandigheden begonnen voor de boerenbevolking slechter te worden totdat de ontevredenheid zulke grote proporties had aangenomen dat een rebellenleider een aantal volgelingen bijeen kon krijgen dat groot genoeg was om de aan de regering zijnde dynastie omver te werpen. Hiermee begon weer een nieuwe cyclische fase zonder een blijvende verandering achter te laten in de fundamentele omstandigheden van het landelijke leven.

Wat Karl Marx en de voorstanders van de theorie van de ‘cyclische wisseling van dynastieën’ beweren, is dus niet dat deze opstanden op zichzelf mislukt zijn: de oude dynastie kan wel verdreven zijn en de nieuwe heersers kunnen wel getracht hebben een beter soort regering in te voeren. Maar wat zowel Marx als de aanhangers van de kringlooptheorie betogen, is dat op de lange duur de tot stand gebrachte veranderingen slechts oppervlakkig zullen blijken te zijn. De economische en sociale basis van de maatschappij is dezelfde gebleven en vandaar dat de ingevoerde vernieuwingen niet duurzaam zullen zijn. In de opvatting van de ‘cyclische wisseling’ neemt de terugkeer tot de oude toestand als regel zelfs ongeveer twee eeuwen in beslag.

Toch geloof ik dat het niet juist is om een beweging een revolutionair karakter te ontzeggen vanwege zulke vage generalisaties omtrent het uiteindelijke resultaat van de oorspronkelijke opstand. Is de bestudering van de vroege Chinese geschiedenis werkelijk ver genoeg gevorderd om ons in staat te stellen met voldoende zekerheid te verklaren dat er na de rebellie ‘niets nieuws onder de zon’ was? Kunnen wij ooit volhouden dat de Aziatische samenleving over perioden van eeuwen ‘fundamenteel’ onveranderd is gebleven? Dat Marx aannam dat de oude Aziatische samenlevingen stilstonden kan zijn reden hebben gehad in de specifieke situatie in het midden van de negentiende eeuw, toen het Westerse imperialisme zich wijd en zijd verbreidde en daarbij Aziatische maatschappijen aantrof die, in vergelijking met dat Westen, statisch leken en niet toegerust om een passend antwoord te geven op die Westerse uitdaging. Aziatische samenlevingen, vooral India, kunnen een beeld van stilstand gegeven hebben juist omdat het Britse imperialisme een verdovende slag had toegebracht. Daardoor is het mogelijk dat zelfs progressieven als Marx en Engels beïnvloed werden door het vertekende beeld dat men kreeg van Aziatische maatschappijen als men daarnaar keek vanaf de zo snel vooruitgaande Britse torenklok. Bovendien was er nog nauwelijks exacte kennis van Aziatische geschiedenis in die tijd.

Trouwens, de theoretische basis van de opvatting van Marx en Engels dat er in de Aziatische samenlevingen geen vooruitgang zou zijn is door later historisch onderzoek niet bevestigd. Zoals ik al in het Eerste Deel van dit boek aangaf kan de ‘Aziatische productiewijze’ zoals Marx die verkondigde niet als juiste omschrijving van feitelijke agrarische toestanden in veel Aziatische samenlevingen worden aanvaard.

Nog belangrijker is echter de tegenwerping dat we heden ten dage weten dat er überhaupt geen werkelijk stilstaande maatschappijen bestaan noch ooit hebben bestaan. We moeten zowel Marx’ opvatting over een stagnerende Aziatische samenleving als de theorie van de ‘dynastieke kringloop’ beschouwen in het licht van onze bespreking van sociale evolutie als een algemeen patroon van voortgaande emancipatie door de hele geschiedenis der mensheid heen. Evolutie mag in sommige tijden vergelijkenderwijs langzaam zijn gegaan, ze was nooit volkomen afwezig. Het zou ook in strijd komen met onze visie dat elke Aziatische maatschappij deel is van een ‘Wereld in Beweging’, als we een revolutionair karakter aan opstanden zouden ontzeggen, omdat na enige eeuwen de Chinese maatschappij nog in wezen dezelfde was gebleven.

Wel kunnen we toegeven dat in de loop van de negentiende eeuw in China en India meer fundamentele veranderingen hebben plaats gegrepen dan in de vroegere eeuwen, en dat bijgevolg een revolutie als de ‘Taipingopstand’ in een tijd kwam, toen een ‘terugkeer tot een autarkische agrarische economie’ niet langer mogelijk was. Marx heeft dus misschien wel gelijk gehad dat de ‘sociale revolutie’, of liever ‘evolutie’, die de invoer van afgewerkte katoentjes uit Engeland te weeg bracht, dieper en blijvender was dan het type sociale verandering dat in vroeger eeuwen plaatsvond.[75]

Ook onder de Chinese marxisten wordt Marx’ kijk op het oude China als een stilstaande maatschappij niet langer aanvaard. Mao Zedong beschouwt de talloze boerenopstanden de hele Chinese geschiedenis door als een bewijs van China’s ‘roemrijke revolutionaire traditie’,[76] anders dan Karl Marx, die meende dat er geen echte sociale revolutie in China geweest kon zijn vóór de negentiende eeuw. De klassenstrijd van de boeren, de boerenopstanden en de boerenoorlogen vormden de werkelijke drijvende kracht achter de historische ontwikkeling in de Chinese feodale maatschappij.[77] Toch geeft ook Mao toe dat, ‘omdat er in die dagen nu eenmaal geen nieuwe productieve krachten, noch nieuwe productieverhoudingen bestonden en er evenmin enige nieuwe strijdende klasse of vooruitstrevende politieke partij was, de boerenopstanden en -oorlogen geen correct leiderschap kregen zoals nu het proletariaat en de Communistische Partij die verschaffen; elke boerenrevolutie moest mislukken, en de boeren werden telkens opnieuw, hetzij gedurende of na de revolutie, door de landheren en de adel als hefboom gebruikt om een dynastieke wisseling tot stand te brengen. Daarom bleven de feodale economische verhoudingen en de politieke systemen in wezen onveranderd, al werd er dan wel enige sociale vooruitgang geboekt na elke grote revolutionaire boerenworsteling.’ En Mao besluit dan ook dat ‘pas in de laatste honderd jaar’ er een verandering van een heel ander kaliber plaatsgevonden heeft.[78]

Indien we niet langer ontkennen dat bewegingen die uiteindelijk doodlopen een revolutionair karakter kunnen hebben, moeten we wel tot de conclusie komen, dat het gedeeltelijk cyclische karakter van de Chinese geschiedenis aan een verschijnsel te wijten zou kunnen zijn, dat in de Europese geschiedenis bekend staat als een ‘Thermidor’. Volgens sommige schrijvers, op wie we straks in het volgende hoofdstuk terugkomen, loopt iedere revolutionaire beweging op een zeker moment uit op een soort nieuwe stabilisatie, waarin het oorspronkelijke revolutionaire elan verloren is gegaan. De tendens naar een nieuwe stabiliteit is reëel genoeg. Maar dat wil nog niet zeggen dat na die Thermidor de toestand weer is als tevoren. Als de revolutie geslaagd was, heeft zij een nieuwe impuls naar evolutionaire verandering, dat wil zeggen naar emancipatie, tot gevolg gehad.

Onze conclusie kan zijn dat revoluties in elk maatschappijtype kunnen hebben plaatsgegrepen. Maar het is duidelijk dat de kansen om wezenlijke veranderingen tot stand te brengen enorm vermeerderen in een situatie waarin een snel vooruitgaande techniek een omgeving heeft geschapen, die veel stimulerender werkt op sociale groepen om een emancipatiestrijd aan te gaan; met name op groepen die tot nog toe niet voldoende mogelijkheid hadden hun ontevredenheid met de bestaande orde te uiten, en die geen praktische oplossing voor hun problemen zagen.

12. Godsdienst en revolutie in de geschiedenis

In het voorgaand betoog hebben we het idee dat echte sociale revoluties slechts met succes zouden kunnen worden bekroond in een periode, dat de ideologie van de revolutionairen niet langer in hoofdzaak gebaseerd is op religieuze voorstellingen maar op meer rationele grondslag rust, impliciet afgewezen. Zowel de Nederlandse opstand tegen het Spaanse gezag als de ‘Grote Rebellie’ in Engeland werden in het voorafgaand betoog ‘revoluties’ genoemd, hoewel de ideologie die de revolutionaire strijd droeg ditmaal in religieuze termen werd uitgedrukt: calvinistisch protestantisme tegenover katholieke gezagsdragers, of althans heersers die tegenover het katholicisme welwillend stonden. Uit deze voorbeelden blijkt dat godsdienst als drijvende kracht om het bestaande sociale bestel omver te werpen niet noodzakelijk een vlucht uit de werkelijkheid hoeft te zijn, zoals dat het geval is met de meeste chiliastische bewegingen, die met bovennatuurlijke hulp een ‘duizendjarig rijk’, een hemel op aarde, willen stichten.

Voor het negentiende-eeuwse Azië kunnen zowel de Taiping-‘opstand’ als de Indiase Muiterij als echte ‘revoluties’ worden aangemerkt, waarvan de motivatie gedeeltelijk in religieuze termen was gevat. In het verleden vond iedere sociale waarde een gemakkelijke uitdrukking in religieuze termen. Religieuze waarden konden de belangen vertegenwoordigen van hen die de gevestigde orde vertegenwoordigden; maar zij konden net zo goed een verborgen protest tegen die orde bevatten. Zij konden in opstanden uitmonden die een vlucht uit de werkelijkheid betekenden, in een poging een magische snelle uitweg naar een ideale sociale orde te vinden. En tenslotte konden ze ook een werkelijke revolutionaire beweging bezielen, die bewust streefde naar een algehele sociale verandering langs min of meer rationele lijnen.

Daarom zouden we de werking van religieuze factoren in verband kunnen brengen zowel met het type sociale beheersing zoals dat door degenen, die de gevestigde orde vertegenwoordigen, wordt uitgeoefend, als met protest-verschijnselen die samenhangen met de begrippen contrapunt en tegenwaarden, die in hoofdstuk 5 zijn uitgewerkt. Verschillende godsdienstige systemen die dienstbaar zijn aan de gevestigde orde hebben gefunctioneerd of dienen nog als een mechanisme om latente ontevredenheid en daarmee gepaard gaande strevingen naar een beter leven op te vangen en af te leiden naar een rijk dat buiten de realiteit van dit leven ligt. De belofte immers van een hemel na de dood of van een reïncarnatie, een wedergeboorte als een hoger wezen in een toekomstige gedaante, kan voor velen van de ontrechten een ontsnappingsmiddel verschaffen uit de ellende van het dagelijkse leven.

Verborgen protest neemt echter dikwijls eveneens religieuze vormen aan. Tegenwaarden die gericht zijn op machtsbeperking van of verzet tegen de gevestigde orde vinden ook uitdrukking op het terrein van het godsdienstige geloof. Een tegenwicht tegen de hiërarchie van de aanvaarde sociale orde vormt in een aantal religieuze systemen de voorstelling van de intrinsieke gelijkheid van alle menselijke wezens voor God; of die hiërarchie wordt zelfs omgedraaid door de voorstelling van superioriteit van de achtergestelden, zoals die op verschillende plaatsen in het Evangelie naar Lucas tot uiting komt; zoals bijvoorbeeld in de Zaligsprekingen (Lucas 6, 20-25), in de gelijkenis van Lazarus, of in de schier onmogelijkheid ‘voor een rijke man om in het Koninkrijk der Hemelen binnen te treden’.

Aldus kan de zondagskerk, als contrapunt tegenover de hardheid, het geploeter en de steeds terugkerende vernederingen van het dagelijks leven een krachtige emotionele uitlaatklep verschaffen. Het is een genoegdoening voor de gewone man of vrouw te luisteren naar de preken, waarin zij die hoog in het zadel zitten, voor wie ze buiten de kerk moeten buigen en die binnen de kerk hun speciale zitplaatsen hebben het bij de strafsermoenen die vanaf de preekstoel de kerk in worden geslingerd het hardste moeten ontgelden.

In veel gevallen kon echter het verborgen protest, dat inherent was aan de godsdienst, in vormen van openlijk protest uitbarsten. Bijna al deze bewegingen waren echter gedoemd vast te lopen. De vlucht uit de werkelijkheid, die typerend is voor zoveel religieuze manifestaties, beïnvloedt ongetwijfeld ook het karakter van godsdienstige vormen van openlijk protest. De tegenwaarden in religieuze voorstellingen verpakt konden in chiliastische bewegingen tot uitdrukking komen, waardoor een godsdienstige leider met zijn volgelingen de heersende machten kon tarten, en kon proberen een nieuwe duurzame sociale orde, een ‘duizendjarig rijk’, te vestigen waarin deze tegenwaarden zouden kunnen zegevieren. Ongelukkigerwijs werd deze nieuwe sociale orde niet gezien als het resultaat van een langdurige en systematische strijd, gebaseerd op sociale, economische en politieke realiteiten, maar als een volkomen nieuwe wereld die plotseling geboren wordt door Gods wil, zoals die tot uitdrukking komt door tussenkomst van de religieuze leider die beweert zijn spreekbuis te zijn. Al vertoonde zo’n chiliastische beweging enige karakteristieken van een ‘revolutie’ voor zover zij streefde naar een ‘fundamentele sociale verandering’, de ontoereikendheid van de aangewende middelen (zoals amuletten, fetisjen, gebeden) om dat rijk te stichten bracht de beweging toch op zijn best terug tot het niveau van een plaatselijke opstand. Al gauw worden zulke leiders of geëlimineerd, ondanks hun geloof in God versterkt door magische praktijken, of hebben ze zich te onderwerpen aan de gevestigde autoriteiten door de echt revolutionaire aspecten van hun leer en van de toepassing daarvan te laten vallen. Tenslotte komt geen enkele werkelijk fundamentele verandering tot stand en de protestbeweging heeft alleen enige tijdelijke en emotionele verlichting opgeleverd. Voor een korte periode is er een schijn van ontvluchting uit de realiteiten van het leven geweest; maar al gauw komen die realiteiten weer hun plaats opeisen op de ruïnes van een kortstondige droom. De snelle doorsteek naar een nieuwe blijvende sociale orde kon niet anders dan mislukken.[79]

Wat al deze bewegingen gemeen hebben is de beperkte omvang van de werkelijke sociale verandering die ze kunnen bereiken. Zij zijn niet helemaal zonder gevolg. Ofschoon zij telkens weer trekken vertonen van een zekere vlucht, kan toch hun nawerking in termen van sociale realiteiten worden gemeten. Al zijn ze zonder gevolg voor zover betreft hun streven naar een algehele sociale verandering, zij kunnen toch op een meer beperkte schaal effectief zijn, doordat ze een groepssolidariteit op ideologische grondslag kweken die verder gaat dan vroegere banden die op lidmaatschap van genealogische of territoriale gemeenschappen waren gebaseerd. Zij kunnen dus mogelijk de bodem bereiden voor toekomstige evolutionaire ontwikkelingen of revolutionaire vernieuwingen van een meer omvattende aard. Maar op zichzelf kunnen ze niet als ‘revoluties’ gelden; hoogstens kunnen ze als godsdienstige opstanden worden beschouwd.

Echte sociale revoluties in vroeger tijden vertoonden echter net zo goed een godsdienstige inslag. En dat is ook begrijpelijk. In een wereld waarin ideeën over het algemeen in religieuze vormen worden gekleed, zou men zich nauwelijks kunnen voorstellen dat een niet-godsdienstige ideologie brede massa’s tot actie zou kunnen inspireren.

Men kan volhouden, dat zelfs in de moderne wereld het religieuze element bij revolutionaire bewegingen niet helemaal ontbreekt.

Het is bekend dat bij de Franse Revolutie godsdienst beslist geen deel uitmaakte van de heersende ideologie. Een areligieus rationalisme was de overheersende filosofie in de Eeuw van Verlichting. Maar toch bracht diezelfde revolutie ten tijde van de overwinning van haar meest radicale vleugel, de jacobijnen, een beweging voort die in psychologisch en ritueel opzicht als een soort surrogaat voor godsdienst fungeerde, namelijk de Eredienst van de Rede. En Robespierre, die eerst tegen die beweging was geweest, ontlokte nu aan de Conventie een besluit, dat een soortgelijke beweging in het leven riep, de Eredienst van het Hoogste Wezen, die culmineerde in het reusachtige festival van Parijs op 8 juni 1794. Robespierre zelf ‘leidde de oefening als een soort priester van de Republiek terwijl tien- of honderdduizenden toekeken’.[80] Het is duidelijk dat een revolutie om brede massa’s aan te kunnen trekken elementen van eredienst nodig had, die tot dusver, verbonden waren geweest met godsdienst.

In latere revoluties zijn soortgelijke ervaringen opgedaan. In dit verband zou men de Lenincultus kunnen noemen in het mausoleum op het Rode Plein in Moskou, of bepaalde facetten van de Maocultus in China vooral ten tijde van de Culturele Revolutie.

Het is evident dat het soort vurige toewijding, dat vroeger met religieuze bewegingen verbonden was, zich uiten wil in bekende vormen, zelfs al is de heersende revolutionaire ideologie agodsdienstig of zelfs antigodsdienstig, zoals het geval was met de revolutionaire stromingen die zich beriepen op een uitspraak van Marx die religie als ‘opium van het volk’ brandmerkte.[81] Iedere revolutionaire beweging, hoe rationeel ook in haar middelen en directe politieke doeleinden, vertegenwoordigt tegelijkertijd de droom van een volkomen nieuwe sociale orde; en die droom vindt zijn uitdrukking in quasireligieuze vormen.

Aan de andere kant hebben recente ontwikkelingen, vooral in Latijns-Amerika, getoond dat zelfs in de huidige wereld een traditionele godsdienst als het christendom onder zekere omstandigheden het oorspronkelijk revolutionair elan, dat de leer van Christus bezielde, kan terugkrijgen en gloed en inspiratie kan toevoegen aan een revolutionaire beweging. Religie is niet altijd ‘opium van het volk’. Zij kan evengoed dienst doen als een ‘pepmiddel van het volk’. Terwijl de grote meerderheid van de geestelijkheid min of meer met de Gevestigde Orde geassocieerd blijft, sluit een belangrijk aantal leden ervan zich toch aan bij de revolutionaire beweging, zonder de relaties met de kerk te verbreken. Wij zullen op dit verschijnsel in het Derde Deel van dit boek terugkomen.

In de voorgaande paragrafen heb ik een historische achtergrond verschaft voor de taak die ik me in het volgende gesteld heb: te proberen enige algemene opmerkingen te maken over de voorwaarden waaronder revoluties geboren worden en de loop die zij nemen.
Tegen deze historische achtergrond willen we nu trachten de algemene patronen van oorsprong en gang van revoluties te ontdekken, zonder ons van het begin af aan te beperken tot de enkele gevallen die in de annalen van de Europese moderne geschiedenis als de ‘Grote Revoluties’ zijn geboekstaafd.

_______________
[1] Hannah Arendt, On Revolution, 1963, p. 41.
[2] Ibidem, p. 41.
[3] Barrington Moore Jr., Social Origins of Dictatorship and Democracy: Lord and Peasant in the Making of the Modern World, 1966, pp. 202-202. R. Buijtenhuijs, Le mouvement Mau-Mau: Une révolte paysanne et anticoloniale en Afrique noire, 1971, p. 399 e.v., onderscheidt revoltes van opstanden, maar ook van revoluties. Volgens zijn definitie is er bij een revolte wel een verwerping van de maatschappelijke orde als doel, maar deze vindt plaats met ondeugdelijke middelen. Zo rekent Buijtenhuijs boerenopstanden tot revoltes, wanneer deze een spontaan karakter hebben, en bijvoorbeeld een stedelijke leiding ontbreekt. Ik spreek in zo een geval van (mislukte) revolutie. Vgl. mijn beschouwing over de slavenopstanden in Sicilië in de vroegere drukken van dit werk (p. 227).
[4] A.N. Condorcet, ‘Sur le sens du mot Révolutionnaire’, in zijn Oeuvres, dl. 12 (1847), p. 615.
[5] Arendt, op. cit., pp. 36 e.v.; p. 291 nt. 25.
[6] Mirabeau opende zijn Aux Bataves sur le Stadhoudérat met de woorden: ‘Het is een dag van rouw voor Europa, de dag waarop de Pruisische inval uw nobele plannen heeft verijdeld, o ongelukkige Bataven!’ Het is interessant dat hij in dit pamflet de ‘restauratie’ een ‘revolutie’ noemde (uitg. van 1831, p. 81). Dit deden ook verscheidene van zijn Nederlandse tijdgenoten.
[7] Vgl. ook C.H.E. de Wit, De Nederlandse Revolutie van de achttiende eeuw, 1780-1787: Oligarchie en proletariaat, 1974, bv. p. 91.
[8] Kwesi K. Prah, The Social Background of Coups d’Etat (Brazil, Indonesia and Ghana), diss. Amsterdam, 1973.
[9] Charles Tilly, The Vendée, 1964.
[10] Interessant is de conservatieve ‘ideologie’, die door Barrington Moore (op. cit., pp. 191-196) als ‘Catonisme’ wordt betiteld, en die een belangrijke rol speelde in het twintigste-eeuwse fascisme. Vgl. ook noot 35 bij Deel III, hieronder.
[11] Kwesi Prah, op. cit.
[12] Herbert Aptheker, The Nature of Democracy, Freedom and Revolution, 1967, p. 76.
[13] Vgl. Tilly, op. cit., p. 161: ‘De bourgeoisie won aan kracht en zelfbewustzijn naarmate de achttiende eeuw vorderde; de Revolutie bracht een snelle groei van de politieke (curs. van mij. W.) macht van die klasse teweeg’.
[14] Het onderscheid, dat in de tekst gemaakt wordt tussen revolutie en contrarevolutie, vormt het meest wezenlijke verschil met analyses als die van Chalmers Johnson, Revolutionary Change, 1966, en Jean Baechler, Vormen van revolutie, 1972, die dit onderscheid niet maken. Theodor Geiger, Die Massa und ihre Aktion, herdruk 1966, pp. 58 e.v., toonde wel degelijk oog voor dit fundamentele onderscheid. Ik kan hier ook verwijzen naar het aan het begin van dit hoofdstuk opgenomen citaat van Herbert Aptheker.
[15] Arendt, op. cit., p. 9.
[16] Vgl. William Hinton, Hundred Day War: The Cultural Revolution at Tsinghua University, 1972; The Cultural Revolution in the Provinces, Harvard East Asian Monographs no. 42, 1971; vgl. ook de opmerkingen van Mau Tsetoeng bij Edgar Snow, The Long Revolution, 1973, p. 174.
[17] Zie Giovanni Blumer, Die chinesische Kulturrevolution 1965-1967, 1968, pp. 60, 161. Opgemerkt moet worden dat noch K.S. Karol, La deuxième révolution chinoise, 1973, noch Jaap van Ginniken, De linkse stroming in China, 1974, het ingrijpen van de legerradio op 1 juni 1966 vermelden.
[18] Joan Robinson, The Cultural Revolution in China, 1969, p. 24.
[19] Jawaharlal Nehru, An Autobiography, 1955, p. 283.
[20] Vgl. R. Palme Dutt, India To-day, 1949, pp. 314 e.v., 337 e.v. Hij toont aan hoe Gandhi telkens terugschrok van de consequenties van zijn eigen acties, wanneer de belangen van deze groepen aangetast konden worden.
[21] Edward A. Ross, Principles of Sociology, 1920, p. 153.
[22] Zie bv. Stokely Carmichael en Charles V. Hamilton, Black Power: The Politics of Liberation in America, 1967, p. 53: ‘Diegenen van ons die Black Power bepleiten, beseffen heel helder dat een “geweldloze” aanpak van de strijd om burgerrechten een aanpak is, die de zwarten zich niet kunnen veroorloven en een luxe die de blanken niet verdienen.’
[23] Zie dagblad Trouw van 17 oktober 1974.
[24] Kr. Strijd, Geweldloze weerbaarheid, 1974, pp. 62-63, is kennelijk overtuigd dat voor geweldloosheid als strijdmethode ook dan dient te worden gekozen, wanneer de strijd zich richt op fundamentele hervormingen en bevrijding. Maar hij noemt geen voorbeelden waaruit kan blijken, dat zulk een geweldloze strijd ook met succes gevoerd kan worden in situaties, zoals die in de huidige Derde Wereld heersen.
[25] Lyford P. Edwards, The Natural History of Revolution, 1965, p. 24.
[26] George Modelski in: James N. Rosenau (ed.), International Aspects of Civil Strife, 1964, p. 16.
[27] Zie bv. V.I. Lenin, Werke, dl. 9, p. 232: ‘Want vanaf de democratische revolutie zullen wij onmiddellijk, en wel naar de mate van onze kracht, de kracht van het klassebewuste en georganiseerde proletariaat, een begin maken met de overgang naar de socialistische revolutie’; Leo Trotsky, Itogi i perspektivy russkoj revoljucii, 1906; herdrukt in: Trotsky, Permanent Revolution, and Results and Prospects, 1962.
[28] Zie bv. Mau Tse-toeng, ‘On New Democracy’, in: Selected Works of Mao Tse-tung, dl. 3 (1954), speciaal p. 118; Lin Biao in zijn beroemde artikel ‘Long Live the Victory of the People’s War’, sept. 1965, Peking Review, jg. 8, no. 36.
[29] Crane Brinton, The Anatomy of Revolution, 1965, pp. 59-60.
[30] Zie ook Franz Marek, Philosophie der Weltrevolution, 1966, p. 68.
[31] Zie bv. het voorwoord tot de Russische uitgave van het Communistisch Manifest, in 1882 gepubliceerd.
[32] In een lezing voor het Verbond van Wetenschappelijke Onderzoekers. Zie Wetenschap en Samenleving, jg. 22 (1968), pp. 62 e.v. Zie ook Revolutie en contrarevolutie, 1968, pp. 37 e.v.
[33] Vgl. Sebastian Haffner, aangehaald door K.S. Karol, op. cit., p. 165.
[34] Marek, op. cit., pp. 92 e.v.
[35] Zie de Tweede Havana Verklaring van 4-2-62.
[36] Marek, op. cit., p. 80.
[37] N.A. Simonija, Ob osobennostjach nacional’no-osvoboditel’nych revoljucij (Over de bijzonderheden van de nationale bevrijdingsrevoluties), 1969, p. 49.
[38] Moore, op. cit.
[39] Ibidem, p. 433.
[40] Ibidem, p. 77.
[41] Ibidem, p. 467.
[42] Ibidem, p. 227.
[43] Ibidem, pp. 227, 467, 486.
[44] In een in september 1850 gepubliceerd artikel (Werke, dl. 9, 1957, p. 232) had Marx al de term ‘ononderbroken revolutie’ gebruikt.
[45] Zie bv. J.V. Stalin, Foundations of Leninism, 1924.
[46] Het begrip ‘ononderbroken revolutie’ wordt in zijn oorspronkelijke marxistische en leninistische betekenis ook door de Chinese communistische leiders aanvaard, zoals uit het boven aangehaalde artikel van Lin Biao blijkt. Het betekent, in hun opvatting, dat de ‘nieuw-democratische’ revolutie zich zonder veel uitstel tot een ‘socialistische’ kan ontwikkelen.
[47] Voor de voorgaande uiteenzetting heb ik gebruik kunnen maken van het hoofdstuk over wereldrevolutie in Ger Harmsen, Marx contra de marxistische ideologen: Historisch-wijsgerige beschouwingen, 1968, en van Marek, op. cit. Zie ook Thomas P. Thornton, ‘The Emergence of Communist Revolutionary Doctrine’, in: Cyril E. Black en Thomas P. Thornton (eds.), Communism and Revolution: The Strategic Uses of Political Violence, 1964, pp. 43 e.v.
[48] Zie voor een bespreking van deze theorie, Kurt Steinhaus, Zur Theorie des internationalen Klassenkampfes, 1967.
[49] In James N. Rosenau (ed.), International Aspects of Civil Strife, 1964, p. 41. Zie ook Karl W. Deutsch, in Harry Eckstein (ed.), Internal War: Problems and Approaches, 1964, p. 102: ‘In de meeste burgeroorlogen zijn elementen van binnenlandse strijd en van buitenlandse interventie in variërende proporties dooreengemengd.’
[50] Jan Romein, ‘Gedachten over de vooruitgang’, in: Romein, Carillon der tijden: Studies en toespraken op cultuurhistorisch terrein, 1953, p. 59.
[51] J. Presser, Amerika: Van kolonie tot wereldmacht, 1949, p. 131.
[52] Deutsch, loc. cit., p. 105.
[53] J. Suys, Politiek en vrede: Rekenschap van een antithese, 1955, p. 34.
[54] Ibidem, p. 34.
[55] Zie ook Deutsch, loc. cit., p. 101.
[56] I. Deutscher, Stalin: A Political Biography, 1949, p. 554.
[57] Vgl. alweer Harmsen, op. cit. Zie ook Modelski, loc. cit., p. 43. Voor de Sowjet-houding tegenover de Chinese revolutie onmiddellijk na de Tweede Wereldoorlog zie Charles B. McLane, Soviet Strategies in Southeast Asia: An Explanation of Eastern Policy under Lenin and Stalin, 1966, pp. 251, 369-370.
[58] Zie bv. Emanuel Sarkisyanz, Russland und der Messianismus des Orients: Sendungsbewusstsein und politischer Chiliasmus des Ostens, 1955.
[59] Resolutie betreffende de definitie van agressie, aangenomen door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties op 14 januari 1975, no. 3314 (XXIX).
[60] Manfred Halpern in: Rosenau (ed.), op. cit., p. 279.
[61] V.I. Lenin, O nacional’nom i nacional’no-osvoboditel’nom voprose (Over het nationale vraagstuk en het nationale bevrijdingsvraagstuk), 1956, pp. 44-45.
[62] Zie bv. Lawrence Stone, ‘Theories of Revolution’, World Politics, jg. 18 (1965), p. 159, die verwijst naar George S. Pettee, The Process of Revolution, als degeen die deze uitdrukking gebruikte. Crane Brinton, The Anatomy of Revolution, 1965, beperkt zijn behandeling van het revolutieverschijnsel eveneens tot vier ‘grote’ revoluties.
[63] Een merkwaardige vergelijking, immers, zoals we zagen, was de ‘Glorious Revolution’ eerder een restauratie dan een revolutie!
[64] G.B. Sansom, The Western World and Japan, 1950, p. 355.
[65] Ibidem, p. 351.
[66] Moore, op. cit., p. 112.
[67] Ibidem, p. 149.
[68] Ibidem, p. 146.
[69] Tot een soortgelijke conclusie komt Aptheker, op. cit., pp. 84 e.v., waar hij schrijft over de ‘contrarevolutie der slavenhouders’.
[70] Karl Marx, ‘The Future Results of the British Rule in India’, in 1853 gepubliceerd in New York Daily Tribune; zie K. Marx en F. Engels, On Colonialism, z.j., p. 76.
[71] Karl Marx, Capital: A Critique of Political Economy, dl. 1 (1912 uitg.), hfdst. 12, afd. 4, p. 394.
[72] Karl Marx, ‘The British Rule in India’, in 1853 gepubliceerd, in Marx en Engels, op. cit., p. 36.
[73] Zie voor een uitvoerige behandeling van dit begrip het Eerste Deel van dit werk.
[74] Zie bv. Edwin O. Reischauer en John K. Fairbank, East Asia: The Great Tradition, 1958, pp. 114 e.v.
[75] Een soortgelijk standpunt kan men vinden bij Kwang-ching Liu, ‘Nineteenth Century China: The Disintegration of the Old Order and the Impact of the West’, in: Ping-ti Ho en Tang Tsou (eds.), China in Crisis, dl. 1 (China’s Heritage and the Communist Political System, 1968), pp. 93 e.v. Ook Reischauer en Fairbank, op. cit., pp. 115 e.v. zijn van mening dat ‘het begrip dynastieke kringloop het grootste struikelblok heeft geovrmd voor het begrijpen van de Chinese historie’.
[76] Selected Works of Mao Tse-tung, op. cit., dl. 2 (1965), pp. 306-307.
[77] Ibidem, p. 308.
[78] Ibidem, pp. 308-309.
[79] Voor een uitvoerige behandeling van allerlei typen profetische bewegingen kan ik verwijzen naar A.J.F. Köbben, ‘Profetische bewegingen als uiting van sociaal protest’, in: Köbben, Van primitieven tot medeburgers, 1964, pp. 94-153.
[80] R.R. Palmer, The Age of the Democratic Revolution: A Political History of Europe and America, 1760-1800, dl. 2 (The Struggle), 1964, p. 128.
[81] In de Russische Revolutie werd het marxisme stellig als een antigodsdienstige leer opgevat. Zo was de strekking van het tentoongestelde in het godsdienstmuseum, ingericht in de vroegere Kazan-dom te Leningrad, tijdens mijn eerste bezoek in 1960 nog uitgesproken antigodsdienstig.