Bert Mosselmans

Een kritische analyse van het economische neoclassicisme


Bron: Vlaams Marxistisch Tijdschrift, 1996, nr. 3, september, jg. 30
Deze versie: spelling
Transcriptie/HTML en contact: Adrien Verlee, voor het Marxists Internet Archive
| Hoe te citeren?

Laatst bijgewerkt:


Verwant
Marx en de klassieke politieke economie
Beginselen en toepassing van de marxistische economie


In de hedendaagse economische wetenschap is het neoclassicisme de overheersende stroming. Deze kritische analyse is bedoeld voor de geïnteresseerde leek, die dagelijks de gevolgen van dat neoclassicisme ondergaat.


Ter verduidelijking ontwikkelen we eerst een historische schets: wanneer ontstond deze stroming, wie waren de eerste “profeten” van deze nieuwe wetenschap, hoe kunnen we deze opkomst verklaren en wat hielden deze vernieuwingen precies in? In een tweede luik analyseren we de grondslagen van het neoclassicisme. Op welke fundamenten beroept men zich eigenlijk bij de formulering van modellen en theorieën? We zullen namelijk vaststellen dat de fundering een cirkelredenering bevat, waardoor ze niet meer dan een doekje voor het bloeden betekent. Het derde gedeelte gaat dieper in op de maatschappelijke gevolgen van deze werkwijze. We zullen namelijk een aantal – al dan niet geëxpliciteerde – ethische vooronderstellingen blootleggen die aan het model vastkleven. Tenslotte wordt aangetoond dat er zich belangrijke implicaties voordoen op het vlak van de economische politiek van de overheid, die een merkbare invloed heeft op het dagelijks leven van iedereen.

1. De historische wortels van het neoclassicisme


Wanneer men spreekt over de oorsprong van het neoclassicisme, valt onmiddellijk het begrip “marginale revolutie”. Meer bepaald heeft men het dan over het jaar 1871, waarin twee belangrijke werken verschenen: The Theory of Political Economy van de Brit William Stanley Jevons, en Grundsätze der Volkswirtschaftslehre van de Oostenrijker Karl Menger. In 1874 deed de in Lausanne werkende Fransman Léon Walras er nog een schepje bovenop, met de publicatie van Eléments d’économie politique pure ou théorie de la richesse sociale. Deze drie werken kwamen onafhankelijk van elkaar tot stand, een opmerkelijk gegeven indien men bedenkt dat ze algemeen als de oorsprong worden beschouwd van wat tegenwoordig onder de noemer “economische wetenschap” door het leven gaat. Om weer te geven wat deze zogenaamde “aardverschuiving”, veroorzaakt door “simultane ontdekking”, juist inhield, blikken we eerst terug naar het zogenaamde “classicisme”. Vervolgens zetten we een aantal mogelijke verklaringen voor deze “omwenteling” op een rijtje.

1.1. Wat is er veranderd?


Met de belangrijkste Britse auteurs van het “classicisme” bedoelt men algemeen de economen Adam Smith, David Ricardo, Thomas Malthus en John Stuart Mill. De bekendste Franse auteur is Jean Baptiste Say; en een relatief obscure, maar tevens redelijk bekende Duitse auteur is Johann Heinrich von Thunen. Traditioneel laat men het classicisme beginnen in 1776 – het jaar waarin Smiths Wealth of Nations verschijnt – en eindigen in 1871 – het jaar van de “marginale revolutie”.

Een belangrijk klassiek element staat bekend onder de noemer “wet van Say”. In een maatschappij met arbeidsverdeling produceert men niet rechtstreeks voor zichzelf, doch voor een markt waarin goederen geruild worden. In ruil voor gespecialiseerde producten van de eigen arbeid ontvangt men andere producten van andermans arbeid. Een individu produceert dan ook enkel voor anderen met het oog op eigen consumptie – geld is enkel een ruilmiddel, eigenlijk een sluier voor het ware gebeuren. Productie gebeurt dus enkel in functie van consumptie, zodat geaggregeerde overproductie onmogelijk wordt, een aanbod ontstaat pas wanneer de aanbieder zelf vraag heeft naar andere producten. Het mechanisme van de “onzichtbare hand” zorgt vervolgens voor een efficiënte allocatie van de maatschappelijke productiekrachten, door vraag en aanbod juist op elkaar af te stemmen.

De klassieke samenleving is een organisch geheel, bijeengehouden door maatschappelijke wetten. Men onderscheidt drie klassen: de kapitalisten, de arbeiders en de grondbezitters, die elk een eigen functie krijgen toebedeeld. Gegeven een dergelijke samenleving, waarin de wet van Say actief is, luidt de aanvankelijke klassieke vraag hij Adam Smith: hoe moet de samenleving functioneren opdat productie van maximale maatschappelijke welvaart mogelijk wordt? De vraagstelling is praktisch van aard, in de zin dat ze betrekking heeft op concrete staten, zoals Groot-Brittannië. Naarmate het classicisme vordert evolueert de vraagstelling bij Ricardo in theoretische zin: welke zijn de maatschappelijke wetten die productie, distributie en consumptie van welvaart regelen? John Stuart Mill scherpt de zaak verder aan: de economische wetenschap houdt zich enkel bezig met de mens als wezen dat welvaart nastreeft en de middelen vergelijkt om dit doel te bereiken.

De problematiek van de vraag blijft haast onbesproken, daar productie automatisch consumptie impliceert; bovendien zijn aan de groei van de menselijke behoeften geen grenzen gesteld. De hoeveelheid beschikbare menselijke arbeid kan in principe voortdurend toenemen door een toename van de bevolking; door verdergaande productie bestaat er tevens geen rem op de toename van de materiële productiemiddelen. Hét probleem van de klassieke economen is de hoeveelheid grond, die per definitie eindig is. Naarmate men meer en meer voedsel wil produceren, zal steeds nieuwe grond in gebruik worden genomen. Aangezien de meest vruchtbare grond het eerst in gebruik zal worden genomen, en de hoeveelheid beschikbare grond steeds eindig is, bestaan er natuurlijke limieten op de landbouwproductie. Ricardo ontwikkelt in dit kader het concept “differentiële grondrente”: de te betalen grondrente neemt toe naarmate de vruchtbaarheid van de grond in kwestie groter is dan die van de meest intens bewerkte minst vruchtbare grond. Het spreekt immers voor zichzelf dat de meest vruchtbare grond eerst in bewerking wordt genomen, daar deze bij de geringste kosten de grootste hoeveelheid product oplevert. Wanneer nu minder vruchtbare grond in cultivatie wordt genomen, zal de eigenaar van het eerste stuk grond een hogere vergoeding eisen. Maar bovendien treedt het fenomeen van de dalende marginale opbrengsten op: voor iedere bijkomende eenheid arbeid en of kapitaal die men op een stuk grond inzet, zal er een steeds kleiner wordende hoeveelheid meerproduct uit voortvloeien. De eigenaar van een stuk grond zal dan ook een hogere grondrente vragen naarmate het minder bewerkt is.

De maatschappij evolueert automatisch naar een stationaire staat, waarin de winsten laag zijn en de lonen net voldoende om de reproductie van de arbeidskracht te verzekeren, terwijl het aandeel van de grondrente toeneemt. Malthus verdedigt echter de rol van de grondbezitters, daar zij met hun improductieve consumptie de vraag, en zo de productie in stand houden. Zijn uiteenzettingen zijn evenwel verward, en worden door Ricardo met de wet van Say van tafel geveegd – wie iets aanbiedt heeft immers per definitie ook een vraag, zodat de grondbezitters niet nodig zijn om de vraag in stand te houden. Hét grote probleem van de klassieken is dus de beperkte hoeveelheid exogeen gegeven vruchtbare landbouwgrond.

Algemeen worstelen de klassieken met een arbeidswaardeleer, waarbij de waarde van een goed bepaald wordt door de hoeveelheid die vereist was om ze te produceren, of om ze in de huidige omstandigheden (die kunnen verschillen door technische vooruitgang) te reproduceren. De talrijke contradicties waarop de klassieken hieromtrent botsen worden door Marx uiteengerafeld, wat van de arbeidswaardeleer het fundament van zijn politieke economie maakt.

Binnen dit klassiek denkkader wordt de samenleving bestudeerd met behulp van een nog niet duidelijk afgebakende economische wetenschap. Sociaal-maatschappelijke en politieke problemen komen eveneens aan bod; de afscheiding tussen “sociale filosofie” en moraalfilosofie werd niet duidelijk aangebracht. Hoewel met Mill een striktere afbakening ontstaat, blijft het onderzoeksdomein een organisch maatschappelijk geheel waarin ook niet-economische elementen hun rol vervullen. De gehanteerde stijl is die van de “grote sociale traktaten”, en wiskundig geformuleerde wetmatigheden zal de lezer vruchteloos zoeken. Dit alles verandert met de publicatie van Jevons’, Mengers en Walras’ werken. Het concept “marginaliteit” krijgt een centrale rol: de waarde of vergoeding voor een object wordt bepaald door het nut van het laatst in beschouwing genomen element ervan. Nochtans speelt ook de kostprijs een rol (niet alleen van arbeid, maar ook van kapitaal en grond), omdat een stijging ervan het aanbod van het product vermindert en zo het subjectieve nut ervan verhoogt. Naarmate de consument méér eenheden van één goed consumeert, zal het bijkomend nut dat één eenheid oplevert immers verminderen: je derde blikje spuitwater zal je minder bijkomende voldoening schenken dan je tweede of je eerste drankje.

Intern-wetenschappelijk kan men dit beschouwen als de uitbreiding van Ricardo’s principe van de differentiële grondrente naar de andere elementen van de economie toe. Bij Ricardo neemt de hoeveelheid meerproduct dat een land oplevert immers af naarmate meer grond in gebruik wordt genomen (deze is immers per definitie minder vruchtbaar). Bovendien zal een bijkomende eenheid kapitaal of arbeid op een gegeven stuk grond een steeds kleiner meerproduct opleveren naarmate de bewerking toeneemt. Dit principe wordt hier toegepast op alle productiemiddelen: het gaat in feite om de toenemende vermoeidheid van de arbeider en de verhoogde slijtage aan de machine naarmate men de productie opvoert. Maar ook het bijkomend nut neemt af voor iedere bijkomende eenheid consumptie, zoals boven reeds werd gesteld. Binnen het neoklassieke denkkader zijn alle productiekrachten exogeen gegeven (naast grond dus ook arbeid en kapitaal) en verschuift de vraagstelling naar de efficiënte allocatie ervan teneinde maximalisatie van de productie te bereiken. Voortaan staat tevens de vraag centraal, daar ook de individuele consumptie dient gemaximaliseerd. De neoklassieken werken met individuele rationele economische agenten, die vanuit hun exogeen gegeven maatschappelijke situatie hun consumptie (nut) willen maximaliseren, en met rationeel handelende bedrijven, die een maximale winst willen bereiken. Het domein wordt versmald, daar ethische en politieke aspecten voortaan buiten beschouwing blijven. De “politieke economie” evolueert naar “economische wetenschap”. Naar het grote voorbeeld van de natuurkunde wordt voortaan de wiskunde de centrale analysetechniek. Dit globale beeld moet evenwel sterker gespecificeerd worden naar gelang van de “school” die we beschouwen: de Britse school (Jevons): de Oostenrijkse school (Menger): of de school van Lausanne (Walras).

William Stanley Jevons, de belangrijkste Britse vertegenwoordiger, was haast geobsedeerd door het gebruik van de wiskunde. Indien de economische wetenschap waarlijk volwassen wenst te worden, moet de differentiaalrekening op een radicale manier worden toegepast. Ook menselijke gevoelens kunnen gekwantificeerd worden. Bij Jevons verschuift het centrale gezichtspunt van productie naar ruil: een product krijgt pas waarde binnen het kader van de ruil, uitgaande van het nut dat het de consument oplevert. Dit nut is een weliswaar subjectief-psychologisch, maar tevens exogeen gegeven element. Het “marginaal nut” – de hoeveelheid bijkomend nut die de laatste eenheid van een goed in het kader van een goederenbundel levert – wordt het centrale element binnen de waardeleer. De consumenten handelen rationeel en willen hun nut maximaliseren: de productiekrachten worden in functie daarvan ingezet. De economische wetenschap werkt voortaan met abstracte rationele individuele agenten, die als variabelen in differentiaalvergelijkingen kunnen worden ingevoerd. Jevons’ obsessie met het gebruik van de wiskunde komt vooral tot uiting in de door hem samengestelde bibliografie, waarin alle werken vernield worden die voor wiskundige economen – synoniem voor wetenschappelijke economen – van belang kunnen zijn.

Een heel ander beeld levert de Oostenrijkse school op, duidelijk gedomineerd door Carl Menger. Van wiskunde is geen sprake, daar men het kwantificeren van menselijke gevoelens absurd acht. De Oostenrijkers werken met een geïnterioriseerde wereld, onder het motto van Wittgenstein: Ich bin meine Welt. De ware wereld voor ieder individu bevindt zich in zijn hoofd, ze valt samen met het beeld dat het individu zich van deze wereld gevormd heeft. Een individu handelt zo per definitie rationeel: gezien vanuit de innerlijke wereld van een individu moeten immers per definitie alle eigen handelingen rationeel zijn. Wie iemand anders irrationeel noemt heeft in feite gewoon een andere kijk op de wereld, of beschikt over andere informatie. Het concept “nut” komt hier dus nog centraler te staan, en het individu rukt nadrukkelijker op de voorgrond. De waarde van de productiekrachten wordt afgeleid van de waarde van het finaal product, in verhouding tot de bijdrage die de productiekracht in het tot stand komen van het finaal product levert. Ook hier maken we kennis met het “marginaal nut”, zij het op een niet wiskundig geformuleerde wijze.

De school van Lausanne, met als belangrijkste vertegenwoordiger Léon Walras, grijpt echter wel naar de wiskunde. Ook hier vinden we de differentiaalrekening en het principe van de marginaliteit terug. Een bijkomend belangrijk element is echter het evenwicht: gegeven de exogene productiekrachten en de rationeel handelende producenten en consumenten, komt er automatisch een evenwicht op alle markten tot stand. Op iedere afzonderlijke markt werkt immers een denkbeeldige veiler, naar analogie met het beursgebeuren, waarbij in een proces van “tâtonnement” een evenwichtsprijs tot stand komt waarin tegen evenwichtsprijzen en -hoeveelheden geruild wordt. Dit principe geldt ook op de arbeidsmarkt, zodat er steeds volledige tewerkstelling bestaat. Men kan hoogstens van tijdelijke of vrijwillige werkloosheid spreken.

Pas in de jaren 1930 worden de bovenstaande stromingen tot een uniform geheel samengevoegd, een geheel dat nog heden ten dage onder de noemer “economische wetenschap” de universiteiten siert. Naarmate de geschiedenis vorderde en de economische wetenschap geïnstitutionaliseerd raakte, kregen de door Jevons, Walras en Menger gelegde fundamenten meer en meer aanhang, om in de jaren 1930 uit te lopen op een gestandaardiseerd project. Samenvattend kunnen de volgende elementen ontwaard worden:
- als mensbeeld: abstracte, individuele, rationele agenten;
- als maatschappijbeeld: het algemeen evenwicht;
- als stijl en analysetechniek: de differentiaalrekening;
- en als unificerend element: de marginaliteit.

1.2.Waarom is dit op deze manier gebracht?


De grootste aandacht van hedendaagse commentatoren gaat uit naar het principe van de marginaliteit, het unificerend element voor de drie neoklassieke scholen. Nochtans werd dit principe reeds vroeger geformuleerd, onder meer door Hermann Heinrich Gossen in 1854, zoals Jevons ons meedeelt. Bovendien kan men zich afvragen of de “marginaliteit” voor de drie scholen wel dezelfde was en of ze in de drie gevallen dezelfde al dan niet centrale rol vervulde. Absoluut belangrijk zijn de verschillen met betrekking tot de globale culturele achtergrond van de drie auteurs in kwestie.

Léon Walras was mijningenieur en zou via de lectuur van het werk van onder meer Cournot in contact komen met wiskundig geformaliseerde economie. Jevons had een opleiding als scheikundige achter de rug en besteedde veel van zijn tijd aan meteorologie. Het verwondert niet dat intellectuelen met een wiskundige achtergrond, die in aanraking komen met “voorlopers” van wiskundig geformuleerde economische traktaten, hiervan onder de indruk komen en de neiging vertonen om zich in deze arena te werpen. Ook heden ten dage vertoont een wiskundig geschoold individu dat in aanraking komt met de economische problematiek de neiging om het gebied wiskundig te benaderen. De Oostenrijkers waren daarentegen juridisch geschoold. De globale kantiaanse wijsgerige achtergrond valt wellicht niet moeilijk te combineren met de interioriseringsgedachten die zo fundamenteel zijn in de Oostenrijkse waardeleer.

Hoewel deze problematiek bijzonder grondig moet onderzocht worden, lijkt dit niet hét grote vraagstuk. Tot in de 18de eeuw kan men teruggrijpen op auteurs die gelijkaardige ideeën ontwikkelden, zodat men ze als “voorlopers” kan inlijven in het neoklassiek legioen. Een onderzoek naar de globale sociale, culturele en individuele achtergrond en – indien mogelijk – een korte blik op de bibliotheek van de auteur in kwestie, kunnen mijns inziens voldoende uitsluitsel geven over de attitudes die de persoon dreven naar hetgeen hij dan ook daadwerkelijk geschreven heeft.

Het grote probleem is eerder het volgende: waarom heeft het neoclassicisme een dergelijk succes gekend? De nieuwe stroming begon weliswaar niet dadelijk aan een grote zegetocht, getuige daarvan de talrijke discussies die in de late 19de eeuw gevoerd werden. Nochtans is het onmiskenbaar dat een geleidelijke aanvaarding van het “nieuwe” ideeëngoed zich in deze periode voltrok.

Verscheidene verklaringen zijn mogelijk:
- intern wetenschappelijk. Een aantal klassieke theorieën kwamen op de helling te staan: de loonfondstheorie;[1] de verwaarlozing van de problematiek van de vraag: problemen rond substitutie van arbeid door machines, enz.
Algemeen was de klassieke economische theorie nogal “gecompartimentariseerd”: men kende verschillende klassen, verschillende productiemiddelen, verschillende soorten consumptieproducten, waarvoor telkens verschillende wetmatigheden van toepassing waren. Het neoclassicisme wilde een uniformer geheel tot stand brengen. Dit element zal zeker een rol gespeeld hebben, doch verklaart niet waarom de “revolutie” op dat specifiek ogenblik plaatsvond. Een gelijktijdige lichtflits in het brein van drie personen die elkaar op dat ogenblik niet kenden, lijkt geen bevredigende verklaring op zichzelf. Ook andere vragen dienen zich aan: waarom geloofde men plotseling in de kwantificeerbaarheid van menselijke gevoelens, of in de legitimiteit van het gebruik van de wiskunde?
- extern “ideologisch”. Deze marxistisch geïnspireerde visie stelt dat het neoclassicisme toeliet de problematiek van de klassenstrijd te verdoezelen, door voortaan enkel met rationele individuen te werken die zich in een exogeen bepaalde situatie bevinden. De meest gangbare tegenwerping is de stelling dat dit ook met het classicisme mogelijk was. We weten nochtans dat een logische verderzetting van Ricardo’s arbeidswaardeleer noodzakelijk tot een marxistische uitbuitingstheorie aanleiding moet geven: bovendien waren de exposés van de oudere John Stuart Mill omtrent de validiteit van het communisme bijzonder gevaarlijk voor de machthebbers. Anderzijds kan gesteld worden dat neoklassieke grondleggers als Walras en Jevons zeker geen apologeten van het grootkapitaal waren, doch een eerder sociale ingesteldheid bezaten. Hoewel het neoclassicisme kan, en door mindere economen ook zal, gebruikt worden om verborgen interesses te verdedigen, lijkt de grote samenzweringstheorie op zichzelf geen goede verklaring voor de “revolutie”.
- extern “intellectueel”. Aan het einde van de 19de eeuw zou een algemene intellectuele achtergrond bestaan hebben die noodzakelijk zou geleid hebben tot de aanvaarding van het neoclassicisme. Hier vallen evenwel de grote verschillen tussen de Oostenrijkse, Britse en Franse sfeer op. Hier duikt dan opnieuw de tegenwerping betreffende de gelijkaardigheid van de drie stromingen op, en aangaande de mate waarin de “marginaliteit” er een zelfde centrale rol vervult. Hoe dan ook, deze verklaring levert meer vragen dan antwoorden op.
- extern “sociaaleconomisch”. Het sociaaleconomische ontwikkelingsniveau van de drie ontstaansgebieden van het neoclassicisme lijkt eveneens te sterk verschillend om een afdoende verklaring op te leveren. Engeland was immers de grootste industrienatie ter wereld, terwijl het Duitse taalgebied nog een relatieve economische achterstand kende.


De gangbare a priori verklaringen blijven alle onvolledig. Om een bevredigend antwoord te vinden moet het concrete ontwikkelingsproces van het neoclassicisme in beschouwing genomen worden, zijnde de ontwikkeling naar professionalisering, waarbij algehele groepsconsensus gevormd werd. De analyse van de grondslagen van het neoclassicisme, die hierna volgt, legt immers het bestaan van een belangrijke cirkelredenering bloot, evenals een aantal al dan niet expliciet uitgesproken ethische vooronderstellingen. Ons inziens maakt het neoclassicisme heden ten dage furore omdat deze veronderstellingen gedeeld worden met de machtshebbers, waardoor hun economische politiek legitimatie vindt.

2. De grondslagen van het neoclassicisme[2]


De neoklassieke economische theorie gaat uit van een model. In dit model worden in feite gedragsvergelijkingen voor denkbeeldige entiteiten opgesteld, zijnde individuen en ondernemingen die perfect rationeel handelen. Zo zal in dit model de consument, gegeven zijn budgetbeperking, zijn consumptie zo laten verlopen dat zijn nut gemaximaliseerd wordt. Ondernemingen willen daarentegen hun winst maximaliseren, door hun schaarse middelen zo efficiënt mogelijk aan te wenden. Deze gedragsvergelijkingen worden wiskundig geformuleerd, en maken gebruik van differentiaalvergelijkingen en het principe van de marginaliteit. De economische werkelijkheid bestaat dus uit individuele atomen, hetzij consumenten, hetzij producenten, die elk hun exogeen gegeven situatie willen optimaliseren. Het model voorspelt tevens het automatisch tot stand komen van een evenwicht, waarin tegen evenwichtsprijzen en hoeveelheden geruild wordt. Zoals reeds hoger gesteld, geldt dit principe ook op de arbeidsmarkt.

In de praktijk wijst het neoclassicisme zich zelf een domein toe. Dit gebeurt doordat men een deel van de werkelijkheid aanduidt waarop de gedragsvergelijkingen van toepassing zouden zijn. Zo stelt men bijvoorbeeld dat de beursmakelaars zich volgens het gepostuleerde gedragen. Men gaat de beursmakelaars als variabelen nemen en ze in het hierboven geschetste basismodel invoeren. Zo komt men, door uitwerking van de gedragsvergelijkingen, tot een resultaat dat de optimale allocatie van schaarse goederen voorstelt. Dit resultaat geeft dan de meest voordelige situatie voor de makelaars weer.

Het moge duidelijk zijn dat men niet uitgaat van een bepaalde reële situatie, maar in tegendeel van het model vertrekt. Men plakt het model als het ware op die delen van de werkelijkheid, waarin men meent dat het van toepassing is. Deze toepassing levert nochtans geen perfecte beschrijving van de werkelijkheid op, daar ook niet-economische factoren op de realiteit inwerken. Andere motivaties dan nuts- en winstmaximalisatie spelen met andere woorden eveneens een rol in het economisch gebeuren. Aangezien de neoklassieke economen zich hiervan bewust zijn, stellen zij dat het model slechts een benadering van de realiteit vormt. Neoklassieke economische theorieën vormen zo een inexacte generalisering van de realiteit. Het model vervult dus een belangrijke functie, gezien de werkwijze van het neoclassicisme. Daarom verdienen de uitgangspunten ervan bijzondere aandacht. Deze uitgangspunten zijn tweeërlei van aard: in de eerste plaats is er de economische rationaliteit, die aan zowel consument als producent wordt toegedicht, waardoor deze respectievelijk nuts- en winstmaximalisatie nastreven. In de tweede plaats is er de stelling dat er automatisch een evenwicht tot stand komt. Dit laatste wordt in het volgende gedeelte behandeld: we zullen zien dat er belangrijke ethische vooronderstellingen aan vast kleven die hun invloed hebben op het politiek-economische gebeuren.

Vooreerst gaan we evenwel dieper in op het principe van de economische rationaliteit. Volgens Hausman[3] moet men, vanuit pragmatisch standpunt, de economische rationaliteit veronderstellen, daar bij gebrek aan deze geen stabiele modellen mogelijk zijn. Dit is niet meer dan logisch: indien men geen peil kan trekken op het gedrag van het individu, kan men ook geen mogelijke voorspellingen maken over zijn toekomstig gedrag. Anderzijds belichaamt deze constructie duidelijk een cirkelfundering: het model steunt op de rationaliteit, omdat het zonder deze rationaliteit niet zou kunnen bestaan. Deze cirkelfundering moet dan ook op een andere wijze verantwoord worden.

Hausman grijpt naar een “gecombineerde pragmatische en empirische basis”. Meer bepaald verwijst hij naar “introspectie”: indien men enkele kwalificaties doorvoert en een foutenmarge inbouwt, komt men wel tot de vaststelling dat de economische “basiswetten” bij benadering waar zijn. De rationaliteit zelf kan zo evenwel niet verantwoord worden, ze moet in tegendeel reeds vooraf gegeven zijn. Men reflecteert er immers niet zomaar op los: het gaat specifiek over het louter economische gedrag van consumenten en producenten. Dit gedrag is per definitie economisch rationeel; de economische rationaliteit zit dus begrepen in de definitie van economisch gedrag.


Samenvattend kunnen we dus stellen dat het eerste fundament van het neoclassicisme, de economische rationaliteit, niet gefundeerd wordt. Het vormt het uitgangspunt, aangezien nadenken over economie steeds het nadenken over economisch-rationeel gedrag is. Zonder economische rationaliteit zijn stabiele modellen trouwens onmogelijk, zodat hier een cirkelfundering optreedt. Door deze “introspectie” wordt de werkelijkheid gemodelleerd vanuit economisch-rationeel standpunt. Wat erbuiten valt, en dus niet tot economische rationaliteit herleidbaar is, heeft gewoon niets met economie te maken. Meer zelfs: Hausman stelt immers dat de neoklassieke theorie een educatieve functie kan vervullen, doordat individuen leren inzien dat ze niet rationeel handelen. Ze worden ertoe aangezet hun gedrag aan dat van het model aan te passen.

3.Vooronderstellingen van het neoclassicisme en hun invloed op de economische politiek


Het eerste fundament van het neoclassicisme, de economische rationaliteit, kan dus zelf niet verder gefundeerd worden. Met het tweede fundament, het automatisch tot stand komen van een evenwicht, is er evenwel nog meer aan de hand. Uitgaande van het model, waarin zich perfect rationele consumenten en producenten bevinden, kan men wiskundig aantonen dat er zich inderdaad een evenwicht voordoet. Indien zich in de werkelijkheid geen evenwicht voordoet, kan men altijd wijzen op imperfecties: individuen of bedrijven die niet rationeel handelen, of acties zoals het ingrijpen van de overheid die de beweging naar het marktoptimum in de weg staan.

Van belang is vooral de verbinding die de evenwichtsgedachte vertoont met de neoklassieke “welvaartstheorie”. Deze theorie stelt, eenvoudig gezegd, dat het tot stand gekomen evenwicht overeenstemt met het maatschappelijk optimum. Met andere woorden: indien alle consumenten en producenten waarlijk rationeel handelen, en indien er geen belemmeringen bestaan om tot het evenwicht te komen, komt men tot een situatie waarin iedereen beter af is dan in om het even welke andere situatie. De verborgen ethische veronderstelling hierin is het onvoorwaardelijk geloof in de werking van de vrije marktkrachten: indien men deze maar hun gang laat gaan, komt men “per definitie” in de voor iedereen meest voordelige situatie terecht. De marktkrachten worden hier als het ware ethisch gelegitimeerd.

Met rationaliteit en evenwicht, gekoppeld aan de ethische legitimering van de vrije marktkrachten, bezit het neoclassicisme metafysische principes in de betekenis van Glass en Johnson.[4] Deze principes omspannen namelijk de gehele neoklassieke ruimte – men vindt ze in alle theorieën en modellen terug – en ze vervullen er een heuristische functie. Dit laatste betekent in feite dat neoklassieke economen steeds op zoek zijn naar een evenwicht, of naar de factoren die de totstandkoming ervan verhinderen. Een onderzoekprogramma, zoals het neoclassicisme, kan volgens Mair en Miller enkel succes hebben indien deze principes gedeeld worden met de machthebbers.[5] Het succes van het neoclassicisme zou dus verklaard worden door het feit dat ook de machthebbers een onwankelbaar geloof in rationaliteit, evenwicht en vrije marktkrachten bezitten.

Dit laatste lijkt zeker het geval in de Verenigde Staten en in Groot-Brittannië, waar duidelijk neoklassieke economische politieken gevoerd werden en worden. Flexibiliseren van de arbeidsmarkt, afbouwen van de macht van de vakbonden of terugschroeven van de overheidsinterventie zijn immers alle maatregelen die de werking van de vrije markt moeten verbeteren, zodat de rationele consumenten en producenten automatisch naar een evenwicht evolueren dat voor iedereen het meest voordelige is. Doch ook de Belgische regering voert voornamelijk aanbodsgerichte maatregelen door, zoals de alom als noodzakelijk beschouwde verlaging van de arbeidskost, die in wezen neerkomt op minderinkomsten voor de Sociale Zekerheid die dan weer elders moeten gevonden worden. Ook deze politiek is dus gericht op het terugdringen van de overheidsinterventie, ten einde de verwezenlijking van het maatschappelijk evenwicht niet in de weg te staan.

Het gevaarlijke van dit geheel ziet men in zodra men de uitgangspunten van de neoklassieke economische theorie verbindt met de werking van de neoklassieke economische politiek. We zagen immers, dat de rationaliteit vooraf gegeven is en dus niet verder verantwoord wordt; dat het evenwicht logisch voortvloeit uit die rationaliteit; en dat hierdoor, in verbinding met de welvaartstheorie, de vrije marktkrachten worden gelegitimeerd. De economische politiek, die de uitgangspunten van deze theorie deelt, is dan ook gericht op het afbouwen van de overheidsinterventie om de totstandkoming van het evenwicht te bevorderen. Men tracht de voorwaarden, weergegeven in de theorie, die nodig zijn om een dergelijk evenwicht te realiseren, te verwezenlijken. Men tracht dus, met andere woorden, de wereld aan het model aan te passen. De theorie voorspelt immers een voor iedereen aanvaardbaar optimum indien aan de voorwaarden voldaan is, zodat de realisatie van deze voorwaarden het doel van de economische politiek dient te zijn.

Problematisch wordt dit geheel zodra men van veronderstellingen uitgaat die strijdig zijn met de realiteit. Een voorbeeld hiervan vindt men in de crisis van de jaren 1930.[6] Hier trad een discrepantie op tussen de steeds groeiende productie van de industrie enerzijds en de geringe koopkracht van de massa anderzijds. Veel bedrijven gingen failliet, waardoor de werkloosheid enorm steeg; andere voerden prijsverlagingen door, met daaraan gekoppeld een verlaging van de lonen. Het resultaat van dit alles was een verdere daling van de koopkracht, en dus een bevestiging van de uitgangssituatie. Men kwam aldus in een vicieuze cirkel terecht. Vanuit neoklassiek standpunt verwacht men een automatische totstandkoming van een evenwicht, wat evenwel, gezien de neerwaartse prijzen-lonen-spiraal, ijdele hoop bleek. Van volledige tewerkstelling, een nochtans noodzakelijk evenwicht voor de neoklassieken, was helemaal geen sprake.

Het door Keynes geïnspireerde overheidsinterventionisme lag aan de basis van de heropleving, daar zo de koopkracht van de massa opnieuw werd opgekrikt. Keynes’ voornaamste kritieken op het neoclassicisme waren dan ook gericht op het onrealistisch karakter van hun uitgangspunten. Door meer realistische elementen in zijn theorie op te nemen kon hij dan ook een antwoord bieden aan de economische problemen en de daaraan gekoppelde sociale wantoestanden. Zo verwierp hij de neoklassieke totstandkoming van de volledige tewerkstelling en stelde hij dat de economie in een evenwicht van ondertewerkstelling verkeerde – een met het neoclassicisme strijdig “evenwicht”, omdat hier vraag en aanbod niet overeenstemmen. Deze toestand zou voortduren zolang de toekomstverwachtingen pessimistisch bleven, een euvel dat door overheidsinvesteringen kon verholpen worden. Overdreven idealisering en sterk doorgedreven gebruik van de wiskunde kunnen leiden tot theorieën die in strijd zijn met de realiteit, en daarom een desastreuze invloed kunnen hebben indien deze worden toegepast in de economische politiek.

Het neoclassicisme, heden ten dage nog steeds de overheersende stroming in de economische wetenschap, verwordt dus tot een ethisch georiënteerd maatschappelijk hervormingsprogramma. Het vindt geen echte fundering, daar haar basisveronderstellingen reeds vooraf gegeven zijn. Het is gericht op de aanpassing van de realiteit aan het model, door een economische politiek die de overheidsinterventie willen terugdringen. Zoals reeds bleek in de jaren ’30, kan een dergelijke aanpak tot catastrofale resultaten aanleiding geven. We kunnen dan ook sterk betwijfelen of we uit de huidige economische crisis kunnen geraken met een dergelijk theoretisch geheel. Auteurs als Keynes, Marx of Veblen hadden meer oog voor de realiteitswaarde van hun basisveronderstellingen, zodat de beleidsverantwoordelijken beter deze geschriften ter hand nemen. Men kan zich evenwel afvragen of dergelijke zienswijzen stroken met hun belangen.

_______________
[1] Volgens deze doctrine zou een ondernemer vooraf een bepaalde hoeveelheid kapitaal reserveren voor de huur van arbeidskrachten; het aantal in dienst genomenen zou dan afhankelijk zijn van het heersende loonniveau.
[2] Een meer technische uitwerking van mijn argumentatie wordt weergegeven in Mosselmans, B., Het neoclassicisme volgens Daniel M. Hausman: introspectie en cirkelfundering, te verschijnen in Nieuw Tijdschrift van de VUB. De wetenschapsfilosofische aspecten worden beklemtoond in Mosselmans, B., 1995, De fundering van de neoklassieke economie: een (grond)slag in de lucht, in: Ter Hark, M., e.a. (red.), Congresbundel Filosofiedag Groningen 1995, Delft: Eburon, pp. 64-67. Het uitgangspunt van mijn kritische analyse wordt gevormd door Hausman, D., 1992, The Inexact and Separate Science of Economics, Cambridge: Cambridge University Press. De auteur analyseert het neoklassieke model bijzonder grondig, maar trekt de kritiek niet door naar het maatschappelijke en economisch-politieke vlak.
[3] Zie de tweede eindnoot.
[4] Glass, J.C. and W. Johnson, 1988, Metaphysics, MSRP and Economics, in: The British Journal for the Philosophy of Science 39, pp. 313-29.
[5] Miller, Anne G. and Douglas Mair (eds.), 1991, A Modern Guide to Economic Thought, Aldershot Edward Elgar.
[6] Zie hieromtrent Frantzen, D., 1989, Groei en crisis in het naoorlogse kapitalisme, Antwerpen: Kluwer, pp. 66-71.