Friedrich Engels
Anti-Dühring


XIV. Slot

Wij zijn nu klaar met de filosofie. Wat er verder nog aan toekomstfantasieën in de ‘Cursus’ voorhanden is, zal ons bezighouden bij de omwenteling in het socialisme door de heer Dühring. Wat heeft de heer Dühring ons beloofd? Alles. En wat heeft hij vervuld? Helemaal niets. ‘De elementen van een werkelijke en dienovereenkomstig op de werkelijkheid van de natuur en van het leven gerichte filosofie’, de ‘streng wetenschappelijke wereldbeschouwing’, de ‘systeembarende gedachten’ en al die andere in hoogdravende uitdrukkingen door de heer Dühring uitgebazuinde prestaties van de heer Dühring bleken, waar wij ze ook aanpakten, puur bedrog te zijn. De wereldschematiek die ‘zonder aan diepte van denken ook maar iets te verliezen de grondvormen van het Zijn met zekerheid vastgesteld heeft’, bleek een oneindig slap aftreksel van Hegels logica te zijn en heeft daarmee het bijgeloof gemeen dat deze ‘grondvormen’ of logische categorieën ergens een geheimzinnig bestaan leiden voor en buiten de wereld waarop zij ‘toegepast’ moeten worden. De natuurfilosofie bood ons een kosmogonie waarvan het uitgangspunt een ‘aan zichzelf gelijke toestand van de materie’ is, een toestand die men zich slechts door de meest reddeloze verwarring over het verband van materie en beweging kan voorstellen en bovendien slechts door het bestaan van een buitenwereldse, persoonlijke god aan te nemen, die alleen in deze toestand beweging kan brengen. Bij de behandeling van de organische natuur moest de ‘werkelijkheidsfilosofie’, nadat zij Darwins strijd om het bestaan en natuurlijke teeltkeus als ‘een stuk tegen de menselijkheid gerichte bruutheid’ verworpen had, beide door de achterdeur weer binnenlaten als in de natuur werkzame factoren, zij het ook van de tweede rang. Zij vond bovendien gelegenheid op het gebied van de biologie een onwetendheid ten toon te spreiden, zoals men ze, sedert men de populair-wetenschappelijke lezingen niet meer kan ontlopen, zelfs bij meisjes uit de beschaafde stand met een lantarentje zou moeten zoeken. Op het gebied van de moraal en het recht was de ‘werkelijkheidsfilosofie’ met het vervlakken van Rousseau niet gelukkiger dan tevoren met het verwateren van Hegel en vertoonde ook ten opzichte van de rechtswetenschap, ondanks alle verzekering van het tegendeel een gebrek aan kennis, als vermoedelijk zelfs bij de allergewoonste Oud-Pruisische juristen maar zelden voorkomt. De filosofie ‘die geen horizon die alleen maar schijn is, laat gelden’, stelt zich juridisch tevreden met een werkelijke horizon die overeenkomt met het gebied waar het Pruisische Landrecht van kracht is. Op de ‘aarden en hemelen van de uiterlijke en innerlijke natuur’, die deze filosofie in haar machtige omwentelingsbeweging voor ons beloofde te ontrollen, wachten wij niet minder dan op de ‘definitieve waarheden in laatste instantie’ en op het ‘absoluut fundamentele’ nog altijd. De filosoof wiens denkwijze iedere neiging tot een ‘subjectivistisch beperkte wereldvoorstelling uitsluit’, doet zich niet alleen kennen als subjectivistisch beperkt door zijn, zoals we hebben aangetoond, uiterst gebrekkige kennis, door zijn bekrompen metafysische denkwijze en zijn potsierlijke zelfoverschatting, maar zelfs door kinderachtige, persoonlijke grillen. Hij komt met de ‘werkelijkheidsfilosofie’ niet klaar zonder zijn weerzin tegen tabak, katten en Joden als algemeen geldige wet aan heel de overige mensheid, de joden inbegrepen, op te dringen. Zijn ‘werkelijk kritisch standpunt’ tegenover andere mensen bestaat daarin hun hardnekkig dingen toe te dichten, die ze nooit gezegd hebben en die de heer Dühring in eigen persoon gefabriceerd heeft. Zijn eindeloos voortborduren op kleinburgerlijke thema’s als de waarde van het leven en de beste soort van levensgenot is van een filisterachtige mufheid, die zijn toorn tegen Goethe’s Faust verklaarbaar maakt. Inderdaad is het onvergeeflijk dat Goethe de immorele Faust tot held maakt en niet de ernstige ‘werkelijkheidsfilosoof’ Wagner. — Kortom, de ‘werkelijkheidsfilosofie’ doet zich, alles bij elkaar genomen kennen, om met Hegel te spreken, als ‘het slapste aftreksel van de Duitse Verlichterij’, een aftreksel waarvan de dunheid en de doorzichtige afgezaagdheid slechts door brokstukken orakeltaal wat dikker en troebeler wordt. En wanneer wij ons door het boek heen gewerkt hebben, zijn we precies zo wijs als tevoren en gedwongen te bekennen dat de ‘nieuwe denkwijze’, de ‘fundamenteel bijzondere resultaten en opvattingen’ en de ‘systeembarende gedachten’ ons wel allerlei nieuwe onzin gebracht hebben, maar ook niet één regel waaruit wij iets konden leren. En deze man die zijn kunsten en zijn waren met trompet en Turkse trom aanprijst gelijk de ordinairste marktschreeuwer en achter wiens grote woorden niets, maar dan ook helemaal niets steekt, die man vermeet zich mannen als Fichte, Schelling en Hegel, van wie de kleinste bij hem vergeleken nog een reus is, kwakzalvers te noemen. Kwakzalver inderdaad — maar wie?