{459} ad 2) Kapitalistische productie als productie van meerwaarde.

Voor zover het kapitaal nog in zijn elementaire vormen, als ‘waar’ of geld, optreedt, treden de kapitalisten in de reeds bekende karaktervormen als warenbezitters of geldbezitters op. Daarom zijn echter laatstgenoemden in het geheel net zo min kapitalisten als ‘waar’ en geld ‘in het geheel’ kapitaal zijn. Zoals deze zich slechts onder bepaalde voorwaarden in kapitaal omzetten, zo zetten de ‘waren-’ en geldbezitter zich slechts onder dezelfde voorwaarden om in kapitalisten.

Oorspronkelijk trad het kapitaal als geld op, dat zich in kapitaal omzetten moet, of dat alleen nog potentieel kapitaal is.

Zoals enerzijds door de economen de blunder gemaakt wordt om deze elementaire vormen van het kapitaal – ‘waar’ en geld – als zodanig met het kapitaal te identificeren, zo wordt anderzijds de blunder begaan om de gebruikswaarde, de bestaanswijze van het kapitaal – de arbeidsmiddelen – als zodanig als kapitaal te verklaren.

In zijn eerste provisorische (zo te zeggen) vorm als geld (als uitgangspunt van de kapitaalvorming) bestaat het kapitaal alleen nog als geld, dus als een som van ruilwaarden in de zelfstandige vorm van de ruilwaarde, zijn uitdrukking in geld. Maar dit geld moet waarde krijgen. De ruilwaarde moet daartoe dienen om meer ruilwaarde te scheppen. De waardegrootte moet groeien, dat wil zeggen de beschikbare waarde niet alleen behouden, maar een verhoging, Δ (delta) waarde, een meerwaarde maken, zodat de gegeven waarde – de gegeven geldsom als stroming, en de verhoging als resultaat van die stroming realiseren. We komen op deze zelfstandige uitdrukking van geld van het kapitaal terug bij de analyse van zijn circulatieproces. Hier, waar we met het geld alleen nog te doen hebben als uitgangspunt van het directe productieproces, volstaat een enkele opmerking: Het kapitaal bestaat hier alleen nog als een gegeven waardesom G (geld), waarin alle gebruikswaarden opgelost zijn, vandaar in de vorm van geld. De grootte van deze waardesom wordt begrensd door de hoogte of de hoeveelheid van de geldsom, dat zich in kapitaal omzetten moet. Deze waardesom wordt dus kapitaal, doordat ze toeneemt, doordat ze zich in een wisselende grootte omzet. Was ze vooraf een kleine stroom, als resultaat levert het een grote stroom op. Op zich zelf is deze geldsom pas kapitaal, dat wil zeggen volgens haar bestemming, omdat ze op een manier aangewend wordt, uitgegeven moet worden, die haar vergroting als doel heeft. Omdat de waardesom als doel voor haar vergroting uitgegeven wordt, verschijnt dit met betrekking op de beschikbare waarde- of geldsom als haar bestemming, haar innerlijke motivatie, haar tendens heeft betrekking op de kapitalisten. Dat wil zeggen dat de bezitters van deze geldsom, de geldsom deze functie moeten laten ondergaan, als opzet, als doel. In deze oorspronkelijke eenvoudige waarde en gelduitdrukking van het kapitaal (of kapitaal in wording), waarin ze van alle betrekking op gebruikswaarde ontdaan is, ze weggevallen is, vervallen echter ook alle storende tussenkomsten en later verwarrende aanwijzingspunten van het werkelijke productieproces (warenproductie). De kenmerkende specifieke aard van het kapitalistische productieproces toont zich dus zo abstract eenvoudig. Als het oorspronkelijke kapitaal een waardesom x is, dan is het doel en wordt deze x daardoor kapitaal, omdat het in x + Δx omgezet wordt. Dat wil zeggen in een geldsom of waardesom, de oorspronkelijke waardesom plus een overschot over de oorspronkelijke waardesom, in de gegeven geldgrootte plus toegevoegd geld, in de gegeven waarde plus meerwaarde. De productie van meerwaarde, dat het verkrijgen van de oorspronkelijk voorgeschoten waarde insluit, verschijnt zo als het bepaalde doel, het drijvende belang en het uiteindelijke resultaat van het kapitalistische productieproces. Een proces waarin de oorspronkelijke waarde in kapitaal omgezet wordt. Hoe dit bereikt wordt, de werkelijke procedure van deze omzetting van x in x + Δx verandert niets aan het doel en resultaat van het proces. Het kan zelfs ook zonder kapitalistisch productieproces x in x + Δx omgezet worden. Echter niet onder de gegeven voorwaarden en vooronderstelling, dat de concurrerende personen van de maatschappij zich met elkaar confronteren, die slechts als warenbezitters tegenover elkaar staan en alleen als zodanig in contact met elkaar treden (dit sluit slavernij uit). Ten tweede niet onder andere voorwaarden, dan dat het maatschappelijke product als ‘waar’ geproduceerd wordt; dit sluit alle vormen uit, waarin de directe producenten de gebruikswaarde van het hoofddoel en hoogstens het overschot van het product zich in ‘waren’ omzet.{460}

Dit doel, het proces dat x omgezet wordt in x + Δx, toont verder aan welke weg het onderzoek te gaan heeft. De uitdrukking moet de functie van een variabele grootte zijn, of zich tijdens het proces in dergelijke grootte omzetten. Van voren erin gekomen als gegeven geldsom is x een constante grootte, waarvan de verhoging dus 0 is. Het moet dus in het proces in een andere grootte omgezet worden, die een variabel element in zich heeft. En het gaat erom dit bestanddeel te vinden, en tegelijk te duiden, door welke tussenkomst het uit de oorspronkelijk constante grootte een variabele wordt. De verdere beschouwing van het werkelijke productieproces toont dat een deel van x zich weer terug omzet in een constante grootte, namelijk in het arbeidsmiddel. Een deel van de waarde van x toont zich slechts in de vorm van bepaalde gebruikswaarde, in plaats van de geldvorm van dezelfde waarde. Een verandering, die aan het constante karakter van de waarde grootte niets verandert, toont zich in een deel, in zoverre het ruilwaarde is. Nu stelt zich x in het proces voor als c (constante grootte) + v (variabele grootte) = c + v. Nu is echter het verschil Δ(c+v) = c + (v + Δv) en, omdat het verschil van c = 0, = (v + Δv). Wat oorspronkelijk als Δx verschijnt, is dus in werkelijkheid Δv. En de verhouding van deze verhoging van de oorspronkelijke grootte x tot het deel van x, waarvan de verhoging het werkelijk is, moet zijn (Δv = Δx (omdat Δx = Δv)), Δx/v = Δv/v, welke inderdaad de formule voor de meerwaardevoet is.


Omdat het totale kapitaal C = c + v, waarvan c constant en v variabel is, kan C als functie van v beschouwd worden.
Groeit v naar Δv, dan wordt C = C’.


Men heeft dus:
1) C = c + v.
2) C’ = c + (v + Δv).
Trekt men de vergelijking 1) van de vergelijking 2) af, dan houdt men het verschil C’ – C, de verhoging van C = ΔC.
3) C’ – C = c + v + Δv – c – v = Δv.
Dus: 4) ΔC = Δv.

Men heeft dus (3): en vandaar 4) ΔC = Δv. Maar C’ – C is de grootte waarmee C veranderd is, is de verhoging van C of ΔC (=ΔC) dus 4). Of de verhoging van het totale kapitaal is de verhoging van het variabele deel van het kapitaal, vanwege dat ΔC of de verandering van het constante deel van het kapitaal 0 is. Het constante kapitaal is dus in dit onderzoek op ΔC of Δv gezet, dat wil zeggen moet dus buiten beschouwing gelaten worden.

De proportie, waarin v gegroeid is Δv/v (meerwaardevoet). De proportie, waarin C gegroeid is = Δv/c = Δv/c+v, (winstvoet).

De eigenlijke, specifieke functie van het kapitaal als kapitaal is dus de productie van meerwaarde, die, zoals ze zich later realiseert, niets anders is, dan productie van surplusarbeid, toe-eigening van onbetaalde arbeid in het werkelijke productieproces, dat zich realiseert, ‘objectiveert’ als meerwaarde.

Voor de omzetting van x in kapitaal, in x + Δ x, is het nodig dat de waarde of geldsom x zich omzet in de factoren van het productieproces, en vervolgens in de factoren van het werkelijke arbeidsproces. Het is mogelijk in bepaalde industrietakken, dat een deel van de productiemiddelen – het arbeidsvoorwerp – geen waarde heeft, geen ‘waar’ is, hoewel wel een gebruikswaarde. In dat geval zet zich een deel van x slechts om in productiemiddel. Het arbeidsvoorwerp, in zoverre de omzetting van x in beeld komt, beperkt zich tot de aankoop van productiemiddelen, dat wil zeggen de aankoop van ‘waren’ door x, die het arbeidsproces ingaan. Een factor van het arbeidsproces, het arbeidsvoorwerp, is hier nul, in zoverre de waarde in beeld komt. Maar we analyseren de zaak in de volledige vorm, waar ook het arbeidsvoorwerp ‘waar’ is. Voor het geval, waar dat niet zo is, is deze factor nul, zo ver het de waarde betreft, en kan men de berekening rectificeren.

Zoals de ‘waar’ de directe eenheid van gebruikswaarde en ruilwaarde is, zo is het productieproces, dat het productieproces van ‘waren’ is, de directe eenheid van arbeids- en waardevormingsproces. Zoals ‘waren’, dat wil zeggen directe eenheden van gebruikswaarde en ruilwaarde zijn, als resultaat, als product, uit het proces komen, zo gaan ze als constituerende elementen in haar in. Er kan in het algemeen nooit iets uit een productieproces komen, wat niet in de vorm van productievoorwaarden het proces in is gegaan.

De omzetting van de voorgeschoten geldsom, in de factoren van het productieproces is een deel van de warencirculatie, van het ruilproces en lost zich in een serie aankopen op. Dit deel valt dus nog buiten het directe productieproces. Hij leidt haar slechts in, maar is wel de noodzakelijke voorwaarde van het productieproces. Als we in plaats van het directe productieproces het geheel en de continuïteit van de kapitalistische productie beschouwen, vormt deze omzetting van het geld in de factoren van het productieproces, de aankoop van productiemiddelen en arbeidsvermogen, zelf een innerlijk factor van het totale proces.{461}

Beschouwen we nu de vorm van het kapitaal in het directe productieproces, dan heeft het zoals de eenvoudige ‘waar’ de dubbelvorm van gebruikswaarde en ruilwaarde. Maar in beide vormen krijgen verdere bestemmingen, die zich onderscheiden van die van de eenvoudige, zelfstandig beschouwd als ‘waar’, als verder ontwikkelde bestemmingen.

Wat vervolgens de gebruikswaarde betreft, dan was zijn bijzondere inhoud, zijn verdere bestemming volledig onverschillig aan de begripsbestemming van de ‘waar’. Het artikel, dat ‘waar’ en vandaar drager van ruilwaarde moet zijn, moet ergens een maatschappelijke behoefte bevredigen, en daarom ergens sommige bruikbare eigenschappen bezitten. Dat is alles. Anders is het met de gebruikswaarde van de ‘waren’, die in het productieproces functioneren. Door de aard van het arbeidsproces lossen eerst de productiemiddelen op in arbeidsvoorwerp en arbeidsmiddel, of verder als een bepaalde grondstof aan de ene kant, instrumenten, hulpmaterialen aan de andere kant. Het zijn deze vormbestemmingen van de gebruikswaarden, die uit de aard van het arbeidsproces zelf voorkomen, en zo is – in betrekking op de productiemiddelen – de gebruikswaarde verder voorbestemd. De vormbestemming van de gebruikswaarden wordt hier zelfs essentieel voor de ontwikkeling van de economische verhoudingen, van de economische categorie.

Verder echter scheiden zich in het arbeidsproces de in haar binnentredende gebruikswaarden in twee streng begripsmatige gescheiden factoren en tegenstellingen (geheel als zojuist gezegd, de tot voorwerp geworden productiemiddelen). Aan de ene kant de tot voorwerp geworden productiemiddelen, de objectieve productievoorwaarden, aan de andere kant het werkzame arbeidsvermogen, de zich doelmatig uitende arbeidskracht, de subjectieve productievoorwaarde. Dit is een verdere vormbestemming van het kapitaal in zoverre het als vorm van de gebruikswaarde in het directe productieproces verschijnt. In de eenvoudige ‘waar’ is bepaalde doelmatige arbeid, spinnen, weven in het spinsel, in het weefsel belichaamd, ‘geobjectiveerd’. De doelmatige vorm van het product is het enige spoor, dat de doelmatige arbeid achtergelaten heeft en dit spoor zelf kan opgelost zijn, zoals het product de vorm van een natuurproduct heeft, zoals vee, tarwe. In de ‘waar’ verschijnt de gebruikswaarde tegenwoordig, als het beschikbare, dat in het arbeidsproces slechts als product verschijnt. De afzonderlijke ‘waar’ is inderdaad een afgewerkt product, dat na zijn ontstaansgeschiedenis ligt, waarin het proces inderdaad opgeheven is, waardoor zijn bijzondere nuttige arbeid die in hem belichaamd is, ‘geobjectiveerd’ is. In het productieproces wordt de ‘waar’, ‘waar’. Ze wordt voortdurend als product door het proces afgestoten, zo dat het product zelf slechts als een factor van het proces verschijnt. Een deel van de gebruikswaarden, waarin het kapitaal in het productieproces verschijnt, is het levende arbeidsvermogen zelf. Een arbeidsvermogen met een bepaalde specificatie, een bijzondere gebruikswaarde van het productiemiddel met de overeenkomende specificatie. Het toont zich als een activerend arbeidsvermogen, als zich doelmatig uitende arbeidskracht, die het productiemiddel als een tot voorwerp gemaakt factor van haar activiteit maakt en haar daarom uit de oorspronkelijke vorm van haar gebruikswaarde in de nieuwe vorm van het product omzet. De gebruikswaarden zelf maken daarom in het arbeidsproces een werkelijk omzettingsproces door, of die nu mechanisch, chemisch of van fysieke aard is. Terwijl in de ‘waar’ de gebruikswaarde een gegeven ding met bepaalde eigenschappen is, is het nu de omzetting van de als grondstof en arbeidsmiddel functionerende dingen, gebruikswaarden. Het wordt omgezet door de levende arbeid en door de in haar actief geworden levende arbeid, dat het actuele arbeidsvermogen zelf is, in een gebruikswaarde van veranderde vorm – het product. Zo vervalt dus de vorm, die het kapitaal als gebruikswaarde in het arbeidsproces aanneemt. Als eerste in de begripsmatig opgeloste en op elkaar betrokken productiemiddelen. {462} Ten tweede als de begripsmatige afsplitsing, de uit de natuur van het arbeidsproces ontsprongen afsplitsing van de objectieve arbeidsvoorwaarden, de productiemiddelen en de subjectieve arbeidsvoorwaarden, als het doelmatig actieve arbeidsvermogen, dat wil zeggen als de arbeid zelf. Ten derde, als we naar het gehele proces kijken, verschijnt de gebruikswaarde van het kapitaal hier als gebruikswaarde van het producerende proces, waarin de productiemiddelen volgens deze specifieke bepaaldheid als productiemiddelen van de doelmatige activiteiten, overeenkomend met haar gegeven aard, als specifiek arbeidsvermogen te functioneren. Het totale arbeidsproces als zodanig verschijnt, in de levende wisselwerking van zijn objectieve en subjectieve factoren, als de totale vorm van de gebruikswaarden, dat wil zeggen de echte vorm van het kapitaal in het productieproces.

Het productieproces van het kapitaal is voor alles, van zijn echte kant beschouwd, het als proces beschouwd, die door nuttige arbeid met gebruikswaarden nieuwe gebruikswaarden vormt – het echte arbeidsproces. Als zodanig zijn de factoren, de begripsmatig bepaalde bestandsdelen, die van het arbeidsproces in het algemeen, van elk arbeidsproces, op welk niveau van de economische ontwikkeling en op basis van welke productiewijze dan ook. Omdat dus de echte vorm of de vorm van de objectieve gebruikswaarde, waarin het kapitaal bestaat, zijn materiële substraat is, de noodzakelijke vorm van de productiemiddelen – arbeidsmiddel en arbeidsvoorwerp – die voor de productie van nieuwe producten dienen. Omdat ze verder in het circulatieproces, in de vorm van waren, dus in het bezit van de kapitalisten als warenbezitters, als gebruikswaarde al beschikbaar zijn (op de markt), voordat ze volgens hun specifieke doel in het arbeidsproces functioneren. Omdat dus het kapitaal, in zoverre het zich in objectieve arbeidsvoorwaarden presenteert, volgens zijn gebruikswaarde uit productiemiddelen, grondstoffen, hulpmaterialen en arbeidsmiddelen, werktuigen, gebouwen, machines bestaat, wordt daaruit de conclusie getrokken dat alle productiemiddelen potentieel, in zover ze als productiemiddel functioneren, actueel kapitaal zijn. Dit is omdat kapitaal een noodzakelijk factor van het menselijke arbeidsproces in het algemeen is, afgezien van elke historische vorm, het daarom iets eeuwigs is en door de aard van de menselijke arbeid voorwaardelijk is. Evenzo, omdat het productieproces van het kapitaal in het algemeen arbeidsproces is, is het arbeidsproces als zodanig, het arbeidsproces in alle maatschappelijke vormen, noodzakelijk het arbeidsproces van het kapitaal. Het kapitaal wordt zo als een ding beschouwd, dat een zekere objectieve rol speelt, de hem als ding toekomende rol in het productieproces. Het is dezelfde logica die van toepassing is; omdat geld goud is, goud op zichzelf geld is, omdat loonarbeid arbeid is, alle arbeid noodzakelijk loonarbeid is. Zo wordt de identiteit bewezen, doordat alle productieprocessen identiek zijn, worden de verschillen van hun specifieke onderscheid vastgehouden. De identiteit wordt daardoor bewezen, omdat het van het onderscheid afgeleid wordt. Wij komen in de loop van deze paragraaf op dit beslissende belangrijke punt uitvoerig terug. Hier voorlopig alleen dit:

Ten eerste: de ‘waren’, die de kapitalist gekocht heeft zijn, om ze als productiemiddel in het productieproces, respectievelijk arbeidsproces te consumeren, zijn eigendom. Ze zijn inderdaad slechts, zijn in waren omgezet geld en evenzeer verschijningsvorm van zijn kapitaal toen dit geld was; ja, op nog intensievere manier, in zoverre ze in de vorm beschikbaar zijn, waarin ze werkelijk als kapitaal functioneren, dat wil zeggen als middel voor waardeschepping, als waardevorming van de waarde, dat wil zeggen voor zijn vermeerdering. Deze productiemiddelen zijn dus kapitaal. Anderzijds heeft de kapitalist met het andere deel van de voorgeschoten geldsom arbeidsvermogen, arbeiders of zoals in hoofdstuk 4 ontwikkelt en staat, levende arbeid gekocht. Dit behoort hem daarom eveneens toe, als de objectieve voorwaarden van het arbeidsproces. Maar dan nog wordt hier het volgende specifieke onderscheid geldig; de werkelijke arbeid is datgene, wat de arbeider de kapitalist werkelijk geeft als equivalent voor het in arbeidsloon omgezette deel van het kapitaal, voor de {463} koopprijs van de arbeid. Het is de besteding van zijn levenskracht, de verwerkelijking van zijn productieve vaardigheden, zijn beweging, niet die van de kapitalisten. Als persoonlijke functie beschouwd, in haar werkelijkheid is de arbeid de functie van de arbeiders en niet die van de kapitalisten. Vanuit het standpunt van de ruil beschouwd, is het datgene, wat de kapitalist van hun krijgt in het arbeidsproces, niet dat, waarmee de kapitalist hun in het arbeidsproces confronteert. Dit vormt dus een tegenstelling tot de objectieve arbeidsvoorwaarden, dat als kapitaal, en in zoverre als de verschijningsvorm van de kapitalisten, de subjectieve arbeidsvoorwaarde, de arbeid zelf of veel meer de arbeider, die arbeidt, de arbeiders confronteert in het arbeidsproces zelf. Zo komt het, dat zowel vanuit het standpunt van de kapitalisten als van de arbeiders, het productiemiddel, als verschijningsvorm van het kapitaal, als uitzonderlijk kapitaal van de arbeid, dus als het andere element, waar in zich het voorgeschoten kapitaal omzet, de arbeiders confronteert. Het productiemiddel verschijnt zo ook buiten het productieproces potentieel als specifieke bestaanswijze van het kapitaal. Het ontwikkelt zich verder, zoals het zich laat aanzien, deels vanuit het algemene karakter van het kapitalistische waardevormingsproces (de rol die daarin de productiemiddelen spelen als absorbens van de levende arbeid), deels vanuit de ontwikkeling van de specifieke kapitalistische productiewijze (waarin machinerie tot werkelijke heerser over de levende arbeid wordt). Daarom is op basis van de kapitalistische productieprocessen deze niet te scheiden samensmelting van de gebruikswaarden, waarin het kapitaal in de vorm van productiemiddelen bestaat, essentieel. De bestemming van deze productiemiddelen, deze dingen als kapitaal, wat een bepaalde maatschappelijke productieverhouding is, juist zoals in deze productiewijze, is het een in haar gevangen product op zichzelf, het geldt als ‘waar’. Dit vormt een basis voor het fetisjisme van de politieke economen.

Ten tweede: de productiemiddelen gaan als bepaalde ‘waren’, als katoen, kolen, spinsels vanuit de circulatie het arbeidsproces in. Ze gaan er in de verschijningsvorm van de gebruikswaarde in, die ze hadden, zolang ze nog als ‘waren’ circuleerden. In het proces binnengetreden, functioneren ze dan met de aan hen als gebruikswaarde overeenkomende, hun als materie materieel toekomende eigenschappen van katoen als katoen. Het verhoudt zich echter anders met het deel van het kapitaal, dat we variabel noemen, dat echter pas door zijn ruil tegen arbeidsvermogen in het variabele deel van het kapitaal werkelijk omgezet wordt. Zijn werkelijke vorm beschouwd, stelt het geld – van dit kapitaal deel – dat de kapitalist in de aankoop van arbeidsvermogen uitgaf, niets anders voor als de op de markt beschikbare of voor hem binnen bepaalde voorwaarden verworven levensmiddelen, die in de individuele consumptie van de arbeiders opgaan. Het geld is enkel de omgezette vorm van deze levensmiddelen, die de arbeider zodra hij het ontvangen heeft, terug omzet in levensmiddelen. Deze omzetting, alsook gelijk de consumptie van deze waren als gebruikswaarde, is een proces dat direct niets te maken heeft met het directe productieproces, preciezer arbeidsproces, het valt veel meer buiten dit proces. Het ene deel van het kapitaal en daardoor het totale kapitaal, wordt daardoor in een variabele grootte omgezet, dat in plaats van het geld, een constante waardegrootte heeft. De levensmiddelen, waarin het zich realiseren kan, hebben eveneens constante waardegrootte, het wordt van de andere kant in een element geruild, het levende arbeidsvermogen, dat waarde scheppend is en dat als waardescheppend element groter of kleiner kan zijn. Het kan zich als variabele grootte realiseren, in het algemeen in alle omstandigheden slechts als een stromende, vormende – en daarom binnen verschillende grenzen – wordende grootte in plaats van dat het als geworden grootte, als factor in het productieproces binnentreedt. Nu kan weliswaar in de realiteit de levensmiddelenconsumptie door de arbeider zelf, in het arbeidsproces inbegrepen zijn (ingesloten zijn), zoals de consumptie van instrumentele materie door de machines op dezelfde manier ingesloten is. De arbeider verschijnt dan slechts als een door het kapitaal gekocht instrument, dat voor zijn functie in het arbeidsproces van de consumptie, de toevoeging van een zekere portie levensmiddelen als zijn instrumentele materie in behoefte voorziet. Dit vindt min of meer plaats al naar gelang de omvang en de brutaliteit van de uitbuiting van de arbeiders. Van daaruit is het begrijpelijk, dat het niet op deze enge manier (we zien meer bij 3, bij de reproductie van de gehele verhoudingen) in de kapitaalverhouding opgenomen is. Gemiddeld consumeert de arbeider zijn levensmiddelen tijdens de onderbreking van het directe arbeidsproces, terwijl de machine haar tijdens haar functioneren verbruikt. (Dier?) Dan echter, voor de gehele arbeidersklasse, wordt een deel van deze levensmiddelen door de familieleden geconsumeerd, die nog niet, of niet meer werken. Inderdaad kan zich in de praktijk het onderscheid tussen een arbeider en een machine of die tussen dier en machine, wat betreft instrumentele goederen, en de consumptie ervan reduceren. Toch is dit niet noodzakelijk en hoort het daarom niet in de begripsbepaling van het kapitaal. In ieder geval verschijnt formeel het in het arbeidsloon geïnvesteerde deel van het kapitaal als een niet meer aan het kapitaal, maar aan de arbeider behorend deel, zodra het zijn echte vorm, die van de in de consumptie van de arbeiders binnentredende levensmiddelen aangenomen heeft. De vorm van de gebruikswaarde, die het als ‘waar’ voor zijn binnentreden in het productieproces had – als levensmiddel – is zeker onderscheidend van de vorm, die het aanneemt in dit proces en die zich als actief uitende arbeidskracht, daarom levende arbeid zelf is. Dit onderscheid is dus specifiek aan dit deel van het kapitaal dat {464} in de vorm van productiemiddel beschikbaar is. Dit is weer een reden, waarom op basis van de kapitalistische productiewijze, de productiemiddelen in buiten zichzelf staande betekenis en in onderscheid van en in tegenstelling tot de levensmiddelen als voor zichzelf als kapitaal verschijnen. Deze schijn lost zich - afgezien van het later te ontwikkelen – eenvoudig op omdat de gebruikswaardevorm, waarin het kapitaal aan het einde van het productieproces verschijnt, het product is. Dit product verschijnt zowel in de vorm van productiemiddelen als levensmiddelen, beiden zijn dus in gelijke mate als kapitaal beschikbaar en daarom vormen ze ook een tegenstelling tot het levende arbeidsvermogen.



Komen we nu tot het waardevormingsproces.


Met betrekking tot de ruilwaarde toont zich weer het onderscheid tussen de ‘waar’ en het kapitaal dat in het waardevormingsproces is opgenomen.

De ruilwaarde van het in het productieproces binnentredende kapitaal is kleiner dan de ruilwaarde van het op de markt verworven of voorgeschoten kapitaal. Want het is slechts de waarde van de ‘waren’, die als productiemiddelen in het proces binnentreden – dat wil zeggen de waarde van het constante kapitaaldeel – dat in het productieproces als waarde binnentreedt. In plaats van de waarde van het variabele deel van het kapitaal, hebben we nu de waardevorming als proces. De arbeid die waarde vormend is, die zich voortdurend als waarde realiseert, gaat ook vloeiend over in de gevestigde waarde en gaat over tot nieuwe waardevorming.

Wat nu vervolgens de instandhouding van de oude waarde betreft, voor het waardedeel van het constante deel hangt dit af van de waarde van de in het proces binnentredende productiemiddelen, dat niet groter dan nodig is. Dus de ‘waren’, waaruit ze bestaan moeten slechts de voor het productiedoel maatschappelijke noodzakelijke arbeidstijd behouden, waarin de arbeid al geobjectiveerd is, dus in de gebouwen en de machinerie. Het zijn deze zaken van de kapitalisten waarop ze bij de inkoop van deze productiemiddelen moeten toezien. Ze moeten voor de vorming van het product de gemiddelde kwaliteit als gebruikswaarde hebben, als grondstof, als machines, dus met de gemiddelde kwaliteit functioneren. Ze mogen de arbeid, de levende factor, geen ongebruikelijke hindernissen geven, bijvoorbeeld dat de kwaliteit van de grondstof, en ook de gebruikte machinerie goed is en niet meer dan de gemiddelde afval aan de ‘waren’ afgeeft. Dit alles is de zaak van de kapitalisten. Verder hangt het behouden van de waarde van het constante kapitaal af van de mogelijkheid dat het slechts productief geconsumeerd wordt. Dat het niet verkwist wordt, omdat anders een groter deel van de geobjectiveerde arbeid opgenomen zou worden dan maatschappelijk noodzakelijk is. Gedeeltelijk hangt het van de arbeiders zelf af, en hier begint het toezicht van de kapitalisten. Door taakstelling, loonaftrek weet de kapitalist zich hiervan te verzekeren. De arbeid moet ordentelijk, doelgericht verricht worden, de omzetting van productiemiddel in product moet volgens de regels gaan. De als doel gestelde voortgaande gebruikswaarde moet als resultaat werkelijk uit de productie komen in een geslaagde vorm. Hier komt weer het toezicht en de discipline van de kapitalisten naar voren. Eigenlijk, opdat het productieproces niet gestoord wordt, niet onderbroken wordt en werkelijk tot een product leidt in de door de aard van het arbeidsproces en zijn objectieve voorwaarden gegeven termijn (tijdruimte). De waardevorming hangt voor een deel af van de continuïteit van de arbeid, dat met de kapitalistische productie intreedt. Deels ook van de van buiten komende oncontroleerbare toevalligheden. In zoverre treedt met elk productieproces een risico op voor de hem binnenkomende waarden, een risico dat de kapitalisten 1) ook buiten het productieproces lopen en dat 2) elk productieproces eigen is, niet alleen dat van de kapitalist. Het kapitaal beschermt zich daartegen door de arbeider verantwoordelijk te maken voor het proces. De met zijn eigen productiemiddelen werkende directe producent is aan dezelfde risico’s onderworpen. Dit is niet alleen kenmerkend voor het kapitalistische productieproces. Als in de kapitalistische productie dit risico aan de kapitalisten toekomt, dan is dat alleen omdat zij zich het eigendom van de productiemiddelen toegeëigend hebben.

Wat echter nu de levende factor van het waardevormingsproces betreft is 1) de waarde van het variabele kapitaal kan worden behouden, doordat het vervangen wordt, gereproduceerd wordt. Dat wil zeggen dat aan de productiemiddelen een even grote hoeveelheid arbeid toegevoegd wordt, evenveel als dat de waarde van het variabele kapitaal of het arbeidsloon bedroeg. En 2) een verhoging van zijn waarde wordt toegevoegd, om meerwaarde te scheppen, zodat er een overschot van de arbeidshoeveelheid boven het in het arbeidsloon opgenomen deel ontstaat, een toegevoegde arbeidshoeveelheid dat in het product geobjectiveerd wordt.

Daarin komt het onderscheid tot uitdrukking tussen de gebruikswaarde van het voorgeschoten kapitaal of de ‘waren’, waaruit het bestaat, en de vorm van de gebruikswaarde van het kapitaal in {465} het arbeidsproces. Het onderscheid betreft die tussen de ruilwaarde van het voorgeschoten kapitaal en de verschijning van de ruilwaarde van het kapitaal in het waardevormingsproces. Het kapitaal komt als productiemiddel in het proces, als het constante kapitaal, in dezelfde gebruikswaarde vorm, die de ‘waren’, waaruit het bestaat, voorheen hadden. Terwijl de gebruikswaarde die klaar is, waaruit het variabele kapitaal bestond, de levende factor, dat nieuwe gebruikswaarden vormt, de zich tot waarde vormende arbeidskracht, de echte arbeid, die komt binnen op deze plaats in het productieproces. Hier verschijnt de waarde van het productiemiddel, van het constante kapitaal, en neemt als zodanig de positie in het waardevormingsproces in. Terwijl de waarde van het variabele kapitaal helemaal niet in hetzelfde proces intreedt, maar vervangen wordt door de waarde scheppende activiteit, de als waarde vormend proces bestaande activiteit van de levende factor.

Opdat de arbeidstijd van de arbeiders in verhouding tot de duur van de arbeidstijd waarde vormt, moet ze maatschappelijke noodzakelijke arbeidstijd zijn. Dat wil zeggen de arbeider moet een bepaalde tijd de normale maatschappelijke hoeveelheid doelmatige arbeid verrichten, en de kapitalist dwingt hem daartoe. Zijn arbeid moet minstens het normaal maatschappelijke gemiddelde aan intensiteit bezitten. De kapitalist zal proberen dit zo veel mogelijk boven haar minimum te laten uitstijgen en in een gegeven tijd zo veel arbeid als mogelijk uit hem onttrekken. Want elke intensiteit van de arbeid boven het gemiddelde levert hem meerarbeid op. Hij zal verder proberen het arbeidsproces zo veel mogelijk te verlengen boven de beperkingen. Er moet gewerkt worden om de waarde van het variabele kapitaal, het arbeidsloon, te vervangen. Bij gegeven intensiteit van het arbeidsproces zal hij er naar streven om, bij een gegeven duur, de intensiteit zo mogelijk te vermeerderen. De kapitalist dwingt de arbeider om zijn arbeid te doen voor de normale norm van intensiteit, en waar mogelijk tot een hogere norm te komen. Hij dwingt hem, zo veel mogelijk zijn arbeidsproces boven de noodzakelijke tijdsduur voor de vervanging van het arbeidsloon te verlengen.

Door dit kenmerkende karakter van het kapitalistische waardevormingsproces krijgt ook de echte vorm van het kapitaal in het productieproces, zijn vorm als gebruikswaarde een verdere aanpassing. Ten eerste moeten de productiemiddelen in een mate beschikbaar zijn, die toereikend is niet alleen voor de absorptie van de noodzakelijke arbeid, maar ook voor de surplusarbeid. Ten tweede verandert de intensiteit en uitbreiding van het werkelijke arbeidsproces.

De productiemiddelen, die de arbeider gebruikt in het werkelijke arbeidsproces, zijn weliswaar het eigendom van de kapitalisten, echter ze staan tegenover de arbeid, waarvan het zijn eigen levensuiting is, zoals vroeger ontwikkeld, als kapitaal. Maar van de andere kant, is het de arbeider die zijn arbeid gebruikt. In het werkelijke arbeidsproces gebruikt hij de arbeidsmiddelen als leider van zijn arbeid, en het arbeidsobject als de materie, waarin hij zijn arbeid realiseert. Hij zet dus de productiemiddelen om in de doelgerichte vorm van het product. Anders doet zich echter de zaak voor vanuit het standpunt van het waardevormingsproces. Het is niet de arbeider die de productiemiddelen, maar het zijn de productiemiddelen die de arbeider aanwenden. Het is niet de levende arbeid, die zich in de geobjectiveerde als zijn objectieve orgaan realiseert. Het is de geobjectiveerde arbeid, die zich door het opnemen van de levende arbeid realiseert en vermeerdert, en daardoor tot zich waarde vormende waarde, tot kapitaal wordt, en zo functioneert. De productiemiddelen verschijnen enkel nog als opnemers, van een zo groot mogelijke hoeveelheid levende arbeid. De levende arbeid verschijnt alleen nog als het middel van de waarde vormende beschikbare waarde en daarom als haar kapitalisering. En afgezien van wat zich vroeger ontwikkelde, verschijnen juist daarom weer de productiemiddelen uitgesproken tegenover de levende arbeid als verschijningsvorm van het kapitaal. En wel nu als heerschappij van de vergane, dode arbeid over de levende. Juist als waarde vormend wordt de levende arbeid voortdurend in het waardevormingsproces als de geobjectiveerde arbeid ingelijfd. De arbeid, als uiting van levenskracht, is de persoonlijke activiteit van de arbeiders. De arbeid is ook waarde vormend, in het proces door de objectivering. Het is de arbeid van de arbeiders, zodra het in het productieproces ingetreden is, dat zelf een bestaanswijze van de kapitaalwaarden is, in hem opgenomen. Deze waarde bevattende en nieuwe waarde scheppende kracht is daarom de kracht van het kapitaal, en elk proces verschijnt als het proces van zijn eigen waardevorming, en nog meer als de verarming van de arbeiders, die de door hen geschapen waarde meteen als aan hen vreemde waarde schept.{466}


Op basis van de kapitalistische productie verschijnt deze vaardigheid van de geobjectiveerde arbeid om zich in kapitaal om te zetten, dat wil zeggen in productiemiddelen om te zetten, in middelen van bevel over en uitbuiting van levende arbeid. Het kapitaal behoort op zichzelf aan de kapitalist, waarmee het immers potentieel op deze basis verbonden is, onafscheidelijk van de kapitalisten, en daarom als eigenschap, die de kapitalisten als dingen, als gebruikswaarden, als productiemiddelen toekomt. De dingen verschijnen daarom op zichzelf als kapitaal en het is kapitaal omdat het een bepaalde productieverhouding uitdrukt. Kapitaal drukt een bepaalde maatschappelijke verhouding uit, waarbij, in de productie de bezitters van de productievoorwaarden tegenover het levende arbeidsvermogen optreden als een ding. Precies zoals de waarde, als de eigenschap van een ding en de economische bestemming van het ding als een ‘waar’, als een zakelijke kwaliteit verscheen. Precies zoals de maatschappelijke vorm, die de arbeid in de vorm van geld had, zich als eigenschappen van een ding weergaf. Inderdaad is de heerschappij van de kapitalisten over de arbeiders slechts de heerschappij van de verzelfstandigde, tegenover de arbeiders verzelfstandigde arbeidsvoorwaarden. De arbeidsvoorwaarden, waartoe buiten de objectieve voorwaarden van het productieproces ook de objectieve voorwaarden van de instandhouding en werkzaamheid van de arbeidskracht, dus de levensmiddelen behoren, ze verheffen zich boven de arbeiders zelf. Hoewel deze verhouding zich pas realiseert in het echte productieproces, dat zoals we gezien hebben, wezenlijk het productieproces van meerwaarde is, wat de instandhouding van de oude waarde insluit. Het productieproces is het eigen waardevormingsproces van het voorgeschoten kapitaal. In de circulatie staan de kapitalist en de arbeider slechts als warenverkopers tegenover elkaar. Door het specifieke tegenovergestelde karakter van de soorten van ‘waren’, die ze aan elkaar verkopen, betreedt de arbeider noodzakelijkerwijs het productieproces als bestanddeel van de gebruikswaarden van het kapitaal. Hoewel pas in het productieproces deze verhouding werkelijk wordt, pas dan wordt de koper van arbeid, die slechts potentieel bestaande kapitalist was, werkelijk kapitalist. De door de verkoop van zijn arbeidsvermogen in loonarbeider omgezette arbeider komt in dat proces pas werkelijk onder het bevel van de kapitalist. De functies, die de kapitalist uitoefent, zijn alleen maar de met bewustzijn en wil uitgeoefende functies van het kapitaal zelf, de zich waarde vormende waarden door het opnemen van de levende arbeid. De kapitalist functioneert slechts als gepersonifieerd kapitaal, het kapitaal als persoon, zoals de arbeider slechts als de gepersonifieerde arbeid, dat aan hem als kwaal, als inspanning verschijnt, dat echter aan de kapitalisten als de rijkdom verschaffende en vermeerderende substantie toebehoort. De arbeid verschijnt inderdaad als aan het kapitaal in het productieproces ingelijfd element, zijn levende, variabele factor. De heerschappij van de kapitalisten over de arbeider is daarom de heerschappij van het object over de mensen, de dode arbeid over de levende, het product over de producenten. Dit is omdat de ‘waren’ de overheersingsmiddelen, maar alleen als middel van de heerschappij van het kapitaal zelf, over de arbeiders worden. Ze zijn enkel resultaten van het productieproces, de producten zelf. Het is volledig dezelfde verhouding in de materiële productie, in het werkelijke maatschappelijke levensproces. Dat is het productieproces, dat zich op ideologisch gebied in de religie weergeeft, de omkering van het subject in het object en omgekeerd. Historisch beschouwd verschijnt deze omkering als het noodzakelijke doorgeefpunt, om de schepping van de rijkdom als zodanig af te dwingen. Dat wil zeggen door op meedogenloze wijze de productiekrachten van de maatschappelijke arbeid, die alleen de materiële basis van een vrije menselijke samenleving zouden kunnen vormen, op kosten van de meerderheid tot arbeid te dwingen. Deze tegenstrijdige vorm moet doorgemaakt worden, precies zoals de mens zijn geesteskracht vervolgens als onafhankelijke macht tegenover religies vorm moet geven. Het is het vervreemdingsproces van zijn eigen arbeid. In zoverre staat hier de arbeider van te voren hoger dan de kapitalist. De laatste worstelt zich door het vervreemdingsproces en vindt daarin absolute bevrijding, terwijl de arbeider als zijn offer van te voren daar tegenover in een rebellerende verhouding staat en het als een knechtingsproces ervaart. In zoverre het productieproces tegelijk werkelijk arbeidsproces is en de kapitalist als opzichter en leider zelf een functie in het werkelijke proces uit te voeren heeft, wordt zijn activiteit {467} inderdaad een specifieke, met veelvuldige inhoud. Maar het arbeidsproces zelf verschijnt slechts als middel van het waardevormingsproces, volledig zoals de gebruikswaarde van het product als drager van zijn ruilwaarde. De eigen waardevorming van het kapitaal, de schepping van de meerwaarde, is dus het bepalende, beheersende en het overstijgend doel van de kapitalisten. De absolute drijfveer en inhoud van zijn doen, inderdaad slechts de gerationaliseerde drijfveer en doel van de schatvorming. Een volledig armzalige en abstracte inhoud, die de kapitalisten van de andere kant evenzeer onder de knechting van de kapitaalverhoudingen verschijnen laat, hoewel ook van de andere kant, op de tegenovergestelde pool, als de arbeider.

De oorspronkelijke verhouding verandert, waarin de potentiële kapitalist arbeid koopt (na hoofdstuk 4 zouden we dit zo kunnen zeggen in plaats van arbeidsvermogen), van de arbeiders, om een geldwaarde te kapitaliseren, en de arbeider die de beschikking over zijn arbeidsvermogen verliest, zijn arbeid verkoopt, om zijn leven te onderhouden. Dit is de noodzakelijke inleiding en voorwaarde en betekent in zichzelf en op zichzelf, dat nu in het werkelijke productieproces de ontwikkelde verhouding verduidelijkt, waarin de warenbezitter tot kapitalist, tot de personificatie van het kapitaal wordt, en de arbeider tot enkel personificatie van de arbeid voor het kapitaal wordt. Zoals elke eerste verhouding, waar beiden tegenover elkaar staan als schijnbare warenbezitters, is het uitgangspunt, zoals we later zullen zien, het resultaat en het product van het kapitalistische productieproces. Maar daarna moeten beide acties uit elkaar worden gehouden. Het eerste hoort bij de circulatie. Het tweede ontwikkelt zich op basis van het eerste in het werkelijke productieproces.

Het productieproces is de directe eenheid van arbeidsproces en waardevormingsproces, zoals ook zijn directe resultaat, de ‘waar’, directe eenheid van gebruikswaarde en ruilwaarde is. Maar het arbeidsproces is slechts middel van het waardevormingsproces en het waardevormingsproces is als zodanig wezenlijk de productie van meerwaarde, dat wil zeggen het objectiveringsproces van onbetaalde arbeid. Daardoor is het totale karakter van het productieproces specifiek bepaald.


Als we het productieproces vanuit twee verschillende gezichtspunten beschouwen 1) als arbeidsproces, 2) als waardevormingsproces, dan is daarin opgesloten, dat het slechts één op zichzelf, ondeelbaar arbeidsproces is. Er wordt niet dubbel gewerkt, eenmaal om een doelgericht product, eenmaal om een gebruikswaarde te maken. Eénmaal om de productiemiddelen in producten om te zetten, en de andere keer om waarde en meerwaarde te scheppen, om de waarde in waarden om te zetten. De arbeid wordt slechts in haar bepaalde, concrete, specifieke vorm of manier, als bestaanswijze toegevoegd, waarin ze de doelgerichte activiteit is, die de productiemiddelen in een bepaald product, spinsel en katoen in garen omzet. Het is slechts ‘spinarbeid,’ die toegevoegd wordt en dat door haar toevoeging voortdurend meer garen produceert. Deze echte arbeid is waarde bepalend, in zoverre ze een normale mate van intensiteit bezit. Ze is waarde bepalend of wordt slechts betaald, in zoverre ze het bezit is van de kapitalist en in zoverre deze echte arbeid van gegeven intensiteit in bepaalde, door de tijd gemeten hoeveelheden, zich in het product materialiseert. Zou het arbeidsproces ophouden bij het punt, waar de hoeveelheid van de in de vorm van spinnen toegevoegde arbeid gelijk is aan de hoeveelheid van het in het arbeidsloon opgenomen arbeid, dan zou er geen meerwaarde worden geproduceerd. De meerwaarde realiseert zich daarom ook in een meerproduct, hier als hoeveelheid garen boven de hoeveelheid waarvan de waarde, de waarde is van het arbeidsloon. Als waardevormingsproces verschijnt het arbeidsproces, omdat de aan hem toegevoegde concrete arbeid een hoeveelheid maatschappelijke noodzakelijke arbeid is door zijn intensiteit. Een bepaalde hoeveelheid maatschappelijk gemiddelde arbeid is toegevoegd, en omdat deze hoeveelheid buiten het arbeidsloon valt, realiseert deze hoeveelheid arbeid een toegevoegde hoeveelheid waarde. Het is de kwantitatieve berekening van de bijzondere concrete arbeid als noodzakelijke maatschappelijke gemiddelde arbeid. Een berekening, die echter de echte factor is, vanwege de normale intensiteit van de arbeid, dat als herstel van een bepaalde hoeveelheid producten alleen de daartoe maatschappelijke noodzakelijke arbeidstijd omgezet wordt. De noodzakelijke arbeidsduur voor de vervanging van de waarde van het variabele kapitaal, wordt in het arbeidsproces met een surplus arbeidstijd verlengd.{468}

Uit het eerder ontwikkelde volgt, dat de uitdrukking “geobjectiveerde arbeid” en de tegenstelling van kapitaal als geobjectiveerde arbeid tegenover levende arbeid tot een groot misverstand kan leiden.

Ik heb al eerder[8] aangetoond, dat de analyse van de ‘waar’ van de “arbeid” bij alle huidige economen tweeledig en onvolledig is. Het is niet voldoende om de analyse tot de arbeid te beperken, maar naar de arbeid in de dubbelvorm uit te breiden. Een analyse, waarin de arbeid enerzijds zich als concrete arbeid, als in de gebruikswaarde van de waren realiseert, anderzijds als maatschappelijk noodzakelijke arbeid in de ruilwaarde berekend wordt. Vanuit het eerste gezichtspunt hangt alles van de bijzondere gebruikswaarde af, het specifieke karakter van de arbeid. Hoe het op de door de arbeid geschapen gebruikswaarde, het specifieke stempel drukt, het maakt tot een concrete gebruikswaarde als onderscheid van andere tot dit bepaalde artikel. Daarentegen wordt van de arbeid als bijzondere nuttigheid, een bepaalde aard en manier volledig geabstraheerd, in zoverre het als waarde vormend element berekend wordt, of de ‘waar’ als haar objectivering berekend wordt. Als zodanig is het zonder onderscheid, als maatschappelijk noodzakelijke, algemene arbeid, volledig gelijkwaardig ten opzichte van elke bijzondere inhoud. Dat is de reden waarom het ook een zelfstandige uitdrukking heeft, als geld, de prijs van de ‘waar’, dat een aan alle ‘waren’ gemeenschappelijke, alleen door hoeveelheid onderscheidbare, uitdrukking krijgt. Volgens de eerste benadering geeft zich de zaak in de bepaalde gebruikswaarde van de ‘waren’, in een bepaald bestaan als ding weer. Volgens de tweede benadering geeft het zich in het geld weer, omdat het nu als geld, of dit alleen maar als geld, of enkel als rekengeld in de prijs van de ‘waar’ bestaat. Volgens de eerste benadering gaat het uitsluitend om de kwaliteit, volgens de tweede enkel om de hoeveelheid arbeid. Volgens de eerste benadering geeft zich het onderscheid van de concrete arbeid in de deling van de arbeid weer, volgens de tweede in een gelduitdrukking zonder onderscheid. In het productieproces staan we actief tegenover dit onderscheid. Het zijn niet meer wij die het maken, maar het onderscheid wordt in het productieproces zelf gemaakt.

Het onderscheid tussen geobjectiveerde arbeid en levende geeft zich nu in het echte arbeidsproces weer. De productiemiddelen, bijvoorbeeld katoen en spindels, zijn producten, gebruikswaarden, waarin een bepaalde nuttige concrete arbeid, machinebouw, katoenplanten belichaamd is. Terwijl de spinarbeid in het proces verschijnt als een door de productiemiddelen verkregen arbeid, en niet alleen verschijnt als een specifieke onderscheidende arbeid, maar als levende arbeid. Levende arbeid, die verschijnt als zich realiserende arbeid dat haar product voortdurend van zich afstoot, in tegenstelling tot de arbeid die al als arbeid in haar karakteristieke producten als geobjectiveerde arbeid verschijnt. Ook vanuit dit standpunt doet zich een tegenstelling voor, tussen aan de ene kant de beschikbare verschijningsvorm van het kapitaal en aan de andere kant de levende arbeid als bijdrage van de arbeiders. Verder in het arbeidsproces treedt de geobjectiveerde arbeid op als het objectieve moment, element voor de realisering van de levende arbeid.

Geheel anders echter verschijnt het vraagstuk, zodra het waardevormingsproces, als de vorming en schepping van nieuwe waarde beschouwd wordt.

De arbeid, die hier opgenomen is in de productiemiddelen, is een bepaalde hoeveelheid algemene maatschappelijke arbeid en vertegenwoordigt daarom een bepaalde waardegrootte of geldsom, in feite de prijs van deze productiemiddelen. De arbeid, die toegevoegd wordt, is een bepaalde toegevoegde hoeveelheid algemene maatschappelijke arbeid en vertegenwoordigt daarom een waardegrootte en geldsom. De in de productiemiddelen ondertussen opgenomen arbeid is dezelfde als de nieuw toegevoegde. Ze onderscheiden zich enkel daardoor, dat de ene geobjectiveerd is in gebruikswaarden, en de andere opgenomen is in het proces van deze objectivering. De ene is verleden tijd, de andere tegenwoordige, de ene dood, de andere levend, de ene geobjectiveerd in het verleden, de andere zich objectiverend in de huidige tijd. In de omvang waarin de vroegere arbeid levende arbeid inzet, wordt het zelf een proces, wordt het waarde, wordt het proces een stroom dat een resultaat voor de grote stroom schept. Dit proces van opnemen van toegevoegde levende arbeid is het eigen waarde vormende proces, de werkelijke omzetting in kapitaal. {469} De zichzelf waarde vormende waarde, de omzetting uit een constante waardegrootte in een variabele en procesmatige waardegrootte. In ieder geval kan deze toegevoegde arbeid alleen in de vorm van concrete arbeid toegevoegd worden en daarom kunnen ook de productiemiddelen alleen in hun specifieke vorm als bijzondere gebruikswaarden toegevoegd worden. De in deze productiemiddelen opgenomen waarde wordt alleen door haar consumptie als arbeidsmiddel door de concrete arbeid in stand gehouden. Dat sluit echter niet uit, dat de beschikbare waarde, de in de productiemiddelen geobjectiveerde arbeid, zich niet alleen met eigen hoeveelheid vermeerdert. Maar zich ook met de hoeveelheid van de in het variabele kapitaal geobjectiveerde arbeid vermeerdert. In die mate waarmee het proces levende arbeid opneemt, en deze zichzelf objectiveert als geld, als algemeen maatschappelijke arbeid. Het is daarom uitdrukkelijk zo in deze betekenis, dat het zich in deze betekenis betrekt op het waarde vormende proces, dat het eigenlijke doel van de kapitalistische productie is. Het kapitaal, als geobjectiveerde arbeid, geaccumuleerde arbeid, voorbestemde arbeid, stelt zich tegenover de levende arbeid, directe arbeid, op en wordt zo ook door economen tegenover elkaar gezet. Toch vervallen ze hier regelmatig in tegenspraak en dubbelzinnigheid, zelfs Ricardo, omdat ze de analyse van de ‘waar’ op de arbeid in de dubbele vorm niet duidelijk uitgewerkt hebben.

Door het oorspronkelijke ruilproces tussen kapitalist en arbeider, als warenbezitters, betreedt alleen de levende factor, het arbeidsvermogen, als een factor van de echte vorm van het kapitaal het productieproces. Pas in het productieproces zelf zet zich de geobjectiveerde arbeid door opname van de levende arbeid om in kapitaal en zet zich daarom de arbeid om in kapitaal.

Aantekening
Het door pagina 96 tot 107 onder de rubriek: “het directe productieproces” bij elkaar gebrachte, hoort hier, het komt met het vorige overeen en beide corrigeren elkaar. Ook dit hoort hier thuis op pagina 262 tot 264 van dit boek.

{469a} Dit hoort bij pagina 469.

_______________
[8] Zonder die verwarring was in het algemeen de discussie niet mogelijk, of buiten de arbeid ook niet de natuur aan het product bijdraagt. Dit betrekt zich alleen op de concrete arbeid.