Ernest Mandel
De crisis 1974-1983 - De feiten, hun marxistische interpretatie
Hoofdstuk 5


... Maar met bijzondere trekjes

In de geschiedenis van het kapitalisme verbindt iedere overproductiecrisis algemene trekken op het niveau van de fundamentele tegenstellingen van de kapitalistische productiewijze met bijzondere trekken die het resultaat zijn van het precieze ogenblik waarop ze zich in de ontwikkeling van de productiewijze voordoet. De veralgemeende recessie van 1973-1974 ontsnapt niet aan deze regel.

Twee bijzondere kenmerken van die recessie verdienen beklemtoond te worden. Van de permanente inflatie met haar stimulerende werking op de kapitalistische bedrijvigheid is men geleidelijk, langs de omweg van de onvermijdelijke versnelling van het inflatieritme en van de anticiperende reflexen die zulk een versnelling uitlokt,[10] in 1970-1971 overgestapt in de stagflatie en dan in 1974-1975 in de slumpflatie. De inflatie heeft geleidelijk opgehouden een stimulerende werking op de kapitalistische productieve bedrijvigheid in haar geheel uit te oefenen; ze begon zelfs een perverse uitwerking te hebben: er dienden inderdaad tegelijk steeds ruimer inflatiedosissen toegediend om de “globale vraag” nog te kunnen stimuleren. De gegevens betreffende de versnelling van het inflatieritme zijn ondubbelzinnig. (De weerslag van de stijging van de olieprijs op het inflatieritme bereikt volgens de OESO voor het geheel der imperialistische landen nog geen 2 %.)


Tabel 9
Jaarlijkse procentuele stijging der consumptieprijzen
(volgens de officiële statistieken)

LandGemiddelde
1960-6519681969197019711972197319741975
(%)(%)(%)(%)(%)(%)(%)(%)(%)
Verenigde Staten1,34,25,45,94,33,36,211,07,8
Japan6,25,55,27,66,34,311,721,011,9
Groot-Brittannië3,64,85,46,49,57,09,216,122,1
BRD2,81,61,93,45,35,56,97,06,1
Frankrijk3,84,86,45,35,55,97,313,711,7
Italië4,91,32,65,05,05,510,819,117,0
Spanje6,017,314,317,914,1
1 gemiddelde voor 1961-1970.

De inflatie wordt gevoed door het cumulatieve effect van drie decennia inflationistische praktijk. Ze is versterkt geworden door de koortsachtige speculatie der jaren 1972-1973 (de “run” naar het goud, grond, gebouwen, diamant, juwelen, kunstwerken maar vooral grondstoffen, d.w.z. alle “reële waarden” die opgewaardeerd worden naarmate het papiergeld deprecieert). Ze wordt verder versterkt door de praktijk der door de monopolies geadministreerde prijzen en door de reusachtige en alsmaar toenemende militaire uitgaven, waaraan de ganse burgerlijke samenleving gewend is geraakt. (Betekenisvol in dit verband is het feit dat bij het aanklagen van de talloze “verantwoordelijken voor de inflatie”, de 250 miljard US$ die de kapitalistische landen jaarlijks voor militaire uitgaven uittrekken, nooit vermeld worden![11])


Tabel 10
Openbare en particuliere schuld in de VS
(in miljard lopende US$)

Jaarbnp
A
openbare
schuld
B
particuliere
schuld
C
B in %
van A
C in %
van A
1946208,5269,4153,4129,473,6
1950284,8239,4276,884,097,2
1955398,0269,8392,267,898,5
1960503,7301,0566,159,7112,4
1965684,9367,6870,453,7127,1
1969923,1484,71383,852,0148,4
19731294,9598,41947,846,6150,4
19741397,4642,92134,446,0152,8

(Bron: cijfers tot 1969: Economic Report of the President, feb. 1970. Cijfers vanaf 1969: Survey of Current Business, juli 1975.)

Maar de hoofdoorzaak van de inflatie is ongetwijfeld de inflatie van het krediet aan de particuliere sector, d.i. het opblazen der bankschulden, van het scripturale geld, dat de voornaamste steun geweest is voor de lange expansieperiode die de versnelling van de inflatie is voorafgegaan. De westerse economie is op een schuldenzee naar de expansie gedreven; de cumulatieve weerslag hiervan heeft de inflatie noodgedwongen moeten versnellen: tabellen 10 en 11.


Tabel 11
Openbare en particuliere schuld in West-Duitsland
(in miljard lopende DM)

Jaarbnp
A
openbare
schuld
B
particuliere
schuld
C
B in %
van A
C in %
van A
195098,11,220,61,221,0
1955181,47,063,33,834,9
1960284,717,6116,26,240,8
1965460,449,5259,310,856,3
1970685,695,4416,713,960,8
19751043,6220,6656,421,166,0

(Bron: Winfried Wolf: “‘Modell Deutschland’ oder Klassencharakter der Krise”, in Mandel/Wolf: Ende der Krise oder Krise ohne Ende, p. 202.)

De recessie gaat trouwens met enkele bijzondere knelpunten gepaard. Verschijnselen van sectoriële schaarste vallen samen met een algemene overvloed aan koopwaren. Zulk een coïncidentie doet zich trouwens gewoonlijk voor op de vooravond of bij het begin van een overproductiecrisis. Die breekt altijd eerst in enkele sleutelsectoren uit om zich geleidelijk over het geheel of de meerderheid der productiesectoren uit te breiden.[12]

Zo heeft de recessie in 1974 een aanvang genomen in de automobiel- en de bouwsector. Ze heeft zich vervolgens uitgebreid tot de textiel, tot de sector van de elektrische huishoudapparatuur en de bouwmaterialen (glas, cement, baksteen) om tenslotte de petroleumnijverheid te bereiken. In de staal is er nog gedurende de ganse zomer van 1974 een toestand van schaarste blijven heersen: daarna is die sector volop door de recessie getroffen geworden. Dezelfde opmerking is van kracht voor de hout- en meubelsector.

Daarentegen bleef in de machinebouw, de steenkool, de petroleum en de sector der graangewassen het aanbod gedurende de ganse eerste fase van de recessie (zie hoofdstukken 10 en 20) onder de vraag liggen. Maar de suiker heeft een bijzonder spectaculaire ommezwaai in de conjunctuur gekend (een prijsdaling met 30 % in enkele weken). De petroleumverkoop nam af in volume. De bestellingen op het gebied van telecommunicatie, waarvan men dacht dat ze voor onbeperkte tijd een voortdurende expansie zouden kennen, beleefden een daling in Europa en in Japan.

Het samenvallen van de recessie en van een zware hongersnood in de Sahelstreek en andere zones van de Derde Wereld heeft rampspoedige gevolgen gehad op de getroffen bevolking. Niets geeft een betere bevestiging van het irrationele en onmenselijke karakter van het kapitalistische systeem dan het feit dat miljoenen mannen, vrouwen en kinderen zwaar ondervoed zijn en kans lopen van honger om te komen, terwijl er ontzaglijke voorraden aan machines, grondstoffen en arbeidskrachten onaangesproken blijven. Indien de productie zou beheerst worden door het lenigen der fysieke noden en niet door het winstbejag, zou men adhv. die reserves de nodige tractoren, meststoffen, elektrische pompen kunnen produceren en de nodige irrigatiekanalen graven, om op korte termijn de productie van levensmiddelen op te drijven en de uitgehongerden te voeden.

_______________
[10] McCracken-rapport, op. cit., pp. 16-17, 275. – Claassen-Salin, op, cit., pp. 48-55.
[11] Met name in de in het McCracken-rapport gemaakte analyse van de oorzaken der inflatie, behalve voor de uitzonderlijke rol van de uitgaven ter financiering van de oorlog in Vietnam en de weerslag hiervan op de inflatievoet in de Verenigde Staten.
[12] Karl Marx, Theorien über den Mehrwert, MEW, 26.2, pp. 523-524.