Ernest Mandel

Groot-Brittannië en de Gemeenschappelijke Markt


Geschreven: september 1962
Bron: Links nr. 20, 1 september 1962
Transcriptie: Valeer Vantyghem
Deze versie: spelling
HTML en contact: Adrien Verlee, voor het Marxists Internet Archive, oktober 2008

Laatste bewerking: 09 oktober 2008


Zie ook:
De EEG en de rivaliteit Europa-Amerika
De Belgische nijverheid in de Gemeenschappelijke Markt

Nieuwe taken en kansen voor de arbeidersbeweging

Groot-Brittannië’s toetreding tot de Gemeenschappelijke Markt is in werkelijkheid een voldongen feit. Voor ’t groot publiek lijken de onderhandelingen van dhr. Heath te Brussel op een thriller vol suspense: twee stappen vooruit, een stap achteruit, en tot het laatste ogenblik blijft men in twijfel of hij het wel zal halen. Voor wie weet wat zich achter de schermen afspeelt, is het echter duidelijk dat de zg. onderhandelingen slechts een koehandel gelden, om de laatste puntjes op het akkoord te zetten. In feite is dit akkoord reeds gesloten.

De Zes van de Gemeenschappelijke Markt hebben tijdens de jongste jaren een veel vluggere economische expansie gekend dan Groot-Brittannië. Het Britse Commonwealth bezit niet de nodige afzetmarkten om, binnen het raam van kapitalistische verhoudingen, een vlugger groeiritme aan de Britse nijverheid te waarborgen. Derhalve bestond er maar één enkele mogelijkheid voor de heersende klasse van Engeland om een vlugge teleurgang van haar economische positie te remmen: toetreding tot de Gemeenschappelijke Markt. Slechts een betrekkelijk kleine minderheid van die heersende klasse, wier bijzondere beroepsbelangen door die toetreding zouden geschaad worden, verzette zich tegen dit algemeen belang van het Britse kapitalisme.

Hoe reageren onze Britse vrienden?

In de Britse arbeidersbeweging heerst in ’t algemeen onbehagen, of open verzet tegen Groot-Brittannië’s toetreding tot de Gemeenschappelijke Markt. Die is gemakkelijk te begrijpen — zelfs al hebben sommige vrienden van de Labour Partij, ook op haar linker vleugel, de fout begaan, om aan dit verzet een nationalistisch karakter te geven, en zich met de reactionaire kringen zoals Lord Beaverbrook te verbinden voor de verdediging van ‘ons’ Empire. De Britse arbeidersklasse voelt instinctief, dat Groot-Brittannië’s toetreding tot de Gemeenschappelijke Markt een deel vormt van een algemeen plan van de heersende klasse, om de structuurcrisis van het Britse kapitalisme op haar wijze voorlopig op te lossen, — ten koste van de levensstandaard der werkende klasse. Zij begrijpt, dat binnen het raam van de Gemeenschappelijke Markt het argument van de ‘verdediging van de afzetmarkten tegen de buitenlandse concurrentie’, nog meer dan vandaag, door de regering en het patronaat zal worden gebruikt, om aan de arbeiders een loonstop of zelfs een vermindering van het reële loon op te dringen. Zij weet eveneens, dat de Gemeenschappelijke Markt een ontmanteling van het vooruitstrevende Britse systeem van maatschappelijke zekerheid met zich mee zou kunnen brengen (uitgaven die vandaag gefiscaliseerd zijn, zullen morgen door bijdragen van patroons en arbeiders moeten worden betaald). Zij wil in plaats van de kapitalistische schijnoplossing van de Britse crisis een echte oplossing toepassen, gesteund op een socialistische planeconomie, — en zij vreest terecht, dat de instellingen van de Gemeenschappelijke Markt maatregelen van echte socialistische planning zouden kunnen verbieden. Het is volgens die lijnen, dat Labour zijn oppositie tegen MacMillans politiek zou moeten ontwikkelen. En het is in diezelfde zin, dat de arbeidersbeweging op het vasteland stelling zou moeten nemen t.o.v. dit probleem.

De euromarkt en de arbeidersstrijd

Sommige socialisten, zelfs linkse socialisten, hebben indertijd het idee van de Gemeenschappelijke Markt met vreugde begroet, omdat zij in de illusie verkeerden, dat het kapitalisme van zich zelf uit ombekwaam is tot doorvoeren van regionaal beperkte internationale economische integratie. Zij geloofden dus, dat de economische integratie van de Zes de verouderde kapitalistische structuur van elk der partners van de Gemeenschappelijke Markt zou doen springen.

In werkelijkheid was de Gemeenschappelijke Markt uitdrukking van een proces van internationale concentratie van het kapitaal, van internationale verbindingen tussen kartels en monopolistische groeperingen, en in die zin volledig te verzoenen met het behoud van een zuiver kapitalistische economie. De nodige aanpassingen aan de mogelijkheden en gevaren van een bredere markt werden binnen het raam van elk ‘nationaal’ kapitalisme doorgevoerd, — meestal ten koste van de ‘nationale’ arbeidersklasse — of zullen binnen verloop van de volgende jaren worden doorgevoerd. Een later stadium zou dan kunnen voeren tot een verregaande interpenetratie van kapitaalinvesteringen binnen de Zeven (de Zes plus Groot-Brittannië) — op voorwaarde, dat de Gemeenschappelijke Markt de schok van de toekomstige recessies overleeft en dat die schok de integratie niet tegenwerkt, hetgeen ver van bewezen is.

Zolang die interpenetratie niet ver gevorderd is, behoudt de werkende klasse van elk land de mogelijkheid, haar eigen oplossingen — die bij ons heten: antikapitalistische structuurhervormingen! — in nationaal verband toe te passen, vooraleer tot hun internationale toepassingen over te gaan. De politieke krachtsverhoudingen zijn verschillend in de Zeven. Het is best mogelijk, het is zelfs waarschijnlijk, dat de kans tot de verovering van de politieke macht eerst zal komen in één, twee of drie landen van de zeven (Groot-Brittannië, België, Italië) dan in alle zeven gelijk. De praktische toepassing van maatregelen van socialistische planning in landen waar dit onmiddellijk mogelijk is, zou de zaak van het internationaal socialisme duizendmaal meer dienen, dan het dwaas opofferen van zulke kansen op het altaar van de Gemeenschappelijke Markt. Wachten tot dat men in alle zeven landen terzelfder tijd zal kunnen socialiseren, betekent in werkelijkheid elke ontwikkeling in socialistische zin voor onbepaalde tijd uitstellen.

De taak van de vakbeweging

Om die reden is het de plicht van de vakbeweging van de Zes, en inzonderheid van het ABVV, om de eis van de Britse vakbonden, dat de Commissie van de Gemeenschappelijke Markt door een amendement van het Verdrag van Rome zou verplicht worden de volledige tewerkstelling te waarborgen, met volle kracht te steunen. Terzelfder tijd moeten alle syndicalisten begrijpen, dat zulk een amendement waardeloos blijft, zolang het alleen op papier staat, en dat het enig middel om het metterdaad te verwezenlijken heet: invoeren van socialistische antikapitalistische structuurhervormingen, van socialistische planning.

Maar de uitbreiding van de Gemeenschappelijke Markt legt aan de vakbeweging nog een andere verplichting op. De patroons hebben in werkelijkheid veel meer ‘internationalisme’ laten blijken dan de arbeidersbeweging: wij moeten de moed hebben, dit feit te erkennen, hoe treurig het ook moge zijn. Zij hebben internationale organisaties opgericht, die de actie van de nationale patroonsorganisaties en de actie van de kapitalistische vennootschappen zorgvuldig binnen het raam van de Gemeenschappelijke Markt coördineren. Die coördinatie gebeurt zonder onderscheid van nationaliteit, ras, geloof of wijsgerige overtuiging: katholieke, protestantse, joodse, vrijzinnige en vrijmetselaars patroons zitten broederlijk rond een gemeenschappelijke tafel en vormen een gemeenschappelijk front tegen de werkende klasse.

De Europese vakbeweging blijft daarentegen verscheurd tussen socialistische, katholieke en communistische bonden, zonder dat de minste gemeenschappelijke actie tussen hen op interprofessioneel plan mogelijk is. En zelfs op het gebied van de zuivere beroepsbelangen, beperken zich de internationale contacten tussen de drie groepen van vakbonden tot voorzichtig, half clandestien gemeenschappelijk overleg; van gemeenschappelijke actie is nog steeds geen sprake.

Dit moet veranderen, wil de uitbreiding van de Gemeenschappelijke Markt niet, tot een bestendige verzwakking van de vakbeweging ten voordele van de patroons voeren. De te verwachten toetreding van Groot-Brittannië tot de Gemeenschappelijke Markt zou het uitgangspunt kunnen worden voor het begin van echte internationale actie van de Europese vakbeweging. Waarom zou het ABVV niet voorstellen, dat ter gelegenheid van de uitbreiding van de Gemeenschappelijke Markt een Europese conferentie van alle vakbonden uit de Zeven landen, zonder exclusieve tegen wie dan ook, zou bijeenkomen om een gemeenschappelijk programma van actie op te stellen en een gemeenschappelijke verdediging van de gemeenschappelijke belangen uit te stippelen? Dat zou de eerste echte — Europese — DAAD worden van ons ABVV, — want wat tot nu toe op dat gebied is gebeurd is enkel gepraat of dagdromerij en niet echte actie!