Paul Verbraeken

Het verschrikkelijke bankgeheim

Aspecten van het internationale financiële bedrijf



Geschreven: 1985
Bron: Uitgeverij Toestanden — Boeken
Deze versie: Spelling
Transcriptie/HTML: Adrien Verlee, voor het Marxists Internet Archive, april 2007


Inhoud
Woord vooraf
Het Bretton Woodssysteem en hoe het jammerlijk ten onder ging
De ene bank is de andere niet
Het internationale geldbedrijf: spel zonder grenzen
Een bank gaat over kop
Een reisje naar Zwitserland: “The sound of money”
Lenen aan de Derde Wereld: hoe een dubbeltje rollen kan
Lenen aan de Derde Wereld: als het kalf verdronken is...
Besluit
Geraadpleegde literatuur

Woord vooraf

Wat is het hoogste doel van de mens? Rijk worden.
Op welke manier? Op oneerlijke wijze indien mogelijk;
op een eerlijke manier als het niet anders kan.
Wie is de enige en ware God? Geld is God.
Mark Twain

Dit boekje heeft geen enkele wetenschappelijke pretentie: het was niet mijn bedoeling om een theoretische analyse te maken van de internationale financiële structuur in samenhang met de ontwikkeling van de kapitalistische economie. Maar het heeft wel énige pretentie: ik heb getracht om enkele essentiële elementen van het internationale financiële bedrijf te verduidelijken ten behoeve van mensen die er weinig of niets van afweten, dat wil zeggen de meesten onder ons.

De leesbaarheid was één van mijn voornaamste bekommernissen. Dit heeft me er toe gebracht om de zuiver technische aspecten tot een minimum te beperken. Maar zoals elk vakgebied heeft ook de financiewereld haar bijzonder jargon. Elke vakterm wordt eenvoudig (soms te eenvoudig) uitgelegd.

Ondanks zijn geringe omvang kwam dit boekje toch tot stand op basis van een relatief omvangrijke documentatie. Opnieuw uit overwegingen van leesbaarheid leek het me niet gepast om de tekst te doorspekken met een massa voetnoten van bibliografische aard. Slechts voor rechtstreekse citaten en tabellen vermeld ik de exacte bron. Voor het overige verwijs ik naar de korte bibliografie.

Het Bretton Woodssysteem en hoe het jammerlijk ten onder ging

Indien de internationale economische betrekkingen zo zouden functioneren dat tegenover elke betaling die door een land A aan een land B wordt verricht, onmiddellijk een gelijkwaardige tegenbetaling van B aan A staat, zou er geen internationaal aanvaard geld nodig zijn. We kunnen deze veronderstelling nog op een andere wijze formuleren: indien de betalingsbalans van elk land ten opzichte van elk ander land op elk ogenblik in evenwicht zou zijn, zouden de betalingen die voortvloeien uit de buitenlandse handel, investeringen, dienstverlening, toerisme... mekaar permanent compenseren en kunnen verricht worden in het eigen geld.

Een dergelijke hypothese is uiteraard een utopie. Een land waarvan de handelsbalans op jaarbasis in evenwicht is, kan tegenover één of enkele landen een handelstekort hebben dat goedgemaakt wordt door een overschot tegenover één of enkele andere landen. Een globaal handelstekort tijdens de eerste jaarhelft kan gecompenseerd worden door een gelijkwaardig overschot in de loop van de laatste zes maanden. De globale handelsbalans kan bovendien een overschot of tekort vertonen dat wordt weggewerkt door een tekort of overschot op één of enkele andere posten van de betalingsbalans. Ten slotte kan de betalingsbalans zelf niet in evenwicht zijn. Met andere woorden, in de praktijk treedt er voortdurend asymmetrie op, in de ruimte of in de tijd.

Deze asymmetrie leidt tot de noodzaak van een internationaal geld, een algemeen equivalent dat de functies van waardemeter, circulatiemiddel en reservemiddel in zich verenigt. Wanneer we in de geschiedenis terugkijken, zien we dat vooral goud en zilver deze rol hebben gespeeld. De prijzen van de internationaal verhandelde goederen konden ofwel rechtstreeks ofwel via de goud/zilverbinding van het geld waarin ze uitgedrukt werden, vergeleken worden. Een voldoende voorraad van edele metalen was vereist om het betalingsverkeer dat voortvloeide uit de transacties tussen staten (handel, buitenlandse investeringen, transportdiensten, patentrechten, uitgevoerde winsten en dividenden,...) te kunnen voeden. De toename van de internationale goud- en zilverstock mocht niet onbeperkt zijn en geen al te spectaculaire schommelingen vertonen, wilden ze als veilig reservemiddel kunnen fungeren.

Het moeilijke evenwicht tussen zijn rol als circulatiemiddel (die een bepaalde aangroei vereist in functie van de ontwikkeling van de buitenlandse economische betrekkingen) en zijn rol als waardemeter en reservemiddel (die een zo groot mogelijke stabiliteit vraagt) heeft de goede werking van het internationaal algemeen equivalent altijd min of meer problematisch gemaakt. De plotselinge uitbreiding van de stock van edele metalen ingevolge het ontdekken van nieuwe voorraden of van nieuwe productietechnieken heeft meerdere malen tot moeilijkheden en verstoringen geleid.

Maar het probleem kreeg een totaal andere dimensie met de onstuitbare opgang van de kapitalistische productiewijze. De snelle expansie van het kapitalisme in de diepte en de breedte (steeds meer maatschappelijke sferen en steeds meer landen werden in de wareneconomie opgenomen) had een even snelle uitbreiding van de geldeconomie tot gevolg. In de periode van 1750 tot 1913 nam de wereldhandel met 5.450 % toe en vanaf de tweede helft van de 19de eeuw stegen de buitenlandse investeringen in snel tempo. Het precaire evenwicht tussen de verschillende functies van het internationaal algemeen equivalent kon steeds moeilijker gehandhaafd blijven in het kader van een mondiaal economisch systeem dat zich op chaotische wijze ontwikkelde omdat het gebaseerd is op individuele beslissingen van tienduizenden ondernemers, handelaars, financiers en speculanten die in een voortdurende concurrentiestrijd verwikkeld zijn. Men kan rustig stellen dat het kapitalisme, minstens sinds de Eerste Wereldoorlog, in een haast permanente monetaire crisis verkeert, in de mate waarin het door de tegenstelling tussen zijn noodzakelijke drang tot expansie en internationalisering enerzijds en het privé-karakter van het kapitaal en het voortbestaan van de staten anderzijds, geen werkzame basis vindt voor een evenwichtig internationaal monetair systeem.

In de zomer van 1944 was de Tweede Wereldoorlog duidelijk in zijn laatste fase getreden. In Oost-Europa moesten de nazitroepen steeds meer terugplooien onder de druk van het Rode Leger en in het Westen hadden de geallieerde troepen een stevig bruggenhoofd gevestigd in Normandië. Het zou nog slechts een kwestie van maanden zijn vóór de Duitse oorlogsmachine totaal vernietigd was. En hoewel er onzekerheid heerste over de naoorlogse betrekkingen tussen de Westerse landen en de Sovjet-Unie, bestond er voor de deskundige waarnemer geen enkele twijfel omtrent de verhoudingen binnen de kapitalistische wereld.

Het overwicht van de Amerikaanse economie, dat reeds in het begin van de eeuw tot stand kwam, was tijdens de oorlog uitgegroeid tot een absolute hegemonie: drie vierde van het geïnvesteerde kapitaal en twee derde van de industriële capaciteit waren geconcentreerd in de Verenigde Staten, haar handelsvloot bedroeg 60 % van de wereldtonnenmaat. Gedurende de oorlog had de Amerikaanse industrie, in het kader van de Leen- en Pachtwet voor meer dan 50 miljard dollar geleverd aan de bondgenoten en voor nog geen 8 miljard dollar ingevoerd.

Maar dit economische overwicht zou weinig baten indien de andere ontwikkelde kapitalistische landen zich niet snel konden herstellen van de massale vernielingen die de oorlog had aangericht. Vanaf april 1943 waren er reeds intensieve besprekingen tussen Britse en Amerikaanse deskundigen aan de gang, om te trachten op basis van een vergelijk tussen het Keynes-plan en dat van White, een internationale monetaire ordening tot stand te brengen binnen de grenzen van het vrije marktprincipe en waarbij moest getracht worden om de factoren die aanleiding hadden gegeven tot de zware crisis van de dertiger jaren zoveel mogelijk uit te schakelen.

In juli 1944 kwamen vertegenwoordigers uit 44 landen bijeen in het Amerikaanse stadje Bretton Woods voor de finale onderhandelingen die zouden leiden tot de oprichting van het Internationaal Monetair Fonds en de Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling (beter bekend als de Wereldbank). De statuten voor het IMF bevatten de principes die voor de volgende 25 jaar de internationale monetaire betrekkingen tussen de kapitalistische landen zouden regelen:

a) de vrije omwisselbaarheid van de valuta der lidstaten, met andere woorden, het instellen van het vrije geldverkeer dat een noodzakelijke voorwaarde is voor de internationale concurrentie op handelsgebied en voor het bevorderen van de buitenlandse investeringen.

b) de invoering van een systeem van vaste wisselkoersen, met andere woorden, het scheppen van zekerheid in het internationaal betalingsverkeer. De Amerikaanse hegemonie kwam tot uitdrukking in het feit dat de dollar en het goud als basis van het systeem werden genomen met een vaste verhouding tussen beide: 35 dollar voor 1 ounce goud. De regering van de Verenigde Staten, die op dat ogenblik veruit over de grootste goudstock beschikte, verbond zich ertoe om dollarreserves in het bezit van buitenlandse Centrale Banken om te wisselen in goud. Voor elk lid van het IMF werd een officiële pariteit ten opzichte van de dollar of het goud (wat op hetzelfde neerkwam) vastgesteld. De onderlinge wisselkoersen mochten niet méér dan 1 % afwijken van deze pariteit. Elke schommeling buiten die marge moest voorkomen worden door tussenkomst van de Centrale Banken op de wisselmarkt.

c) de instelling van een mechanisme om tijdelijk de betalingsbalans onevenwichten op te vangen, met andere woorden, het voorkomen van de neiging om tekorten weg te werken door beperkende maatregelen in het handels- en betalingsverkeer. Dit mechanisme steunde op het verstrekken van leningen uit een geldpool die door alle lidstaten, in verhouding tot hun economische sterkte, werd bijeengebracht.

Elke overeenkomst, van een ordinair verkoopcontract tot een diplomatiek akkoord, dat in het kader van het kapitalistische economische en politieke systeem tot stand komt, moet door de aard van het systeem zelf, de op dat moment heersende krachtsverhoudingen uitdrukken. Het ‘visionaire’ voorstel van Keynes, die de gelegenheid wou aangrijpen om een nieuw internationaal algemeen equivalent (de bancor) te scheppen, had in Bretton Woods dan ook geen schijn van kans. Door haar verpletterend overwicht kon de regering van de Verenigde Staten haar economische belangen laten overwegen. Het einde van de oorlogseconomie betekende voor dat land een overtollige productiecapaciteit en een overschot aan kapitaal dat niet op een voldoende rendabele wijze binnen de eigen grenzen kon geïnvesteerd worden. Tegelijk beschikte de rest van de wereld, in de eerste plaats West-Europa en Japan, niet over voldoende nationale en internationale koopkracht (dollars en goud) om als interessant afzetgebied voor de Amerikaanse industrie te dienen. Naast politieke overwegingen (de strijd tegen het communisme) was het Akkoord van Bretton Woods (en de Marshallhulp als initieel steuntje) er dus in de eerste plaats op gericht om de kapitaals- en goederenuitvoer van de Verenigde Staten te bevorderen. Via een permanent tekort op de betalingsbalans konden de Verenigde Staten de rest van de wereld bevoorraden met de broodnodige sleutelvaluta. Het is bijzonder leerrijk om de structuur van dit deficit te bekijken voor de periode waarin het Bretton Woods-akkoord van toepassing was:

Globale gecumuleerde betalingsbalans van de VS over de periode 1950-1970 (in miljard dollar):

1) Handelsbalans + 70,70
2) Balans investeringsinkomsten + 70,67
3) Balans directe investeringen - 58,00
4) Balans militaire uitgaven - 50,13
5) Balans diensten en overdrachten - 64,52
———
Totale balans - 31,28

De posten 1), 2) en 3) die slaan op de onmiddellijke economische belangen van de Amerikaanse industrie vertoonden over de Bretton Woods-periode een globaal overschot van 83,37 miljard dollar. Een nog meer gedetailleerde analyse wijst uit dat de elementen van post 5) die verband houden met kapitalistische activiteiten (transport, verzekeringen, telecommunicatie...) eveneens een voortdurend overschot opleverden, dat ‘gecompenseerd’ werd door de negatieve balans van het toerisme, de unilaterale overdrachten (‘ontwikkelingshulp’) en de andere overheidsuitkeringen. Voor het Amerikaanse bedrijfsleven was het dus wel degelijk een goede zaak dat de dollar als sleutelvaluta gold in het internationale betalingsverkeer. Het globale tekort op de betalingsbalans dat daarmee noodzakelijk gepaard ging, werd gefinancierd door alle belastingbetalers en particulieren (militaire uitgaven, overheidsuitkeringen, toerisme...) of door inflatoire geldschepping. Bovendien waren de Verenigde Staten het enige land dat, door de bijzondere positie van zijn valuta, in staat was om zijn betalingsbalanstekort in de eigen munt terug te betalen! Waarom liep het systeem dan spaak?

Zolang de economische hegemonie van de Verenigde Staten geen twijfel leed en de dollar een relatief schaarse en dus gegeerde valuta was op de wereldmarkt, functioneerde het internationale geldstelsel tamelijk probleemloos. Maar dit overwicht begon reeds in de loop van de vijftiger jaren te tanen. De heropbouw van de Europese (vooral de Duitse) en Japanse industrie kwam snel op gang en voorzag de meeste ontwikkelde kapitalistische landen (met uitzondering van Groot-Brittannië) van een modern productieapparaat. De technologische voorsprong van de bedrijven in de Verenigde Staten werd steeds kleiner. In de meeste landen lag ook de loonkost aanzienlijk beneden die in de Amerikaanse industrie. Deze factoren hadden tot gevolg dat de productiviteitsaangroei in de VS gevoelig kleiner was dan in de andere Westerse landen. Voor de periode 1960-1973 bedroeg de gemiddelde jaarlijkse productiviteitstoename in de VS 2,1 %. Voor de voornaamste industrielanden was de stijging als volgt:

Groot-Brittannië 2,6 % België 4,2 %
Canada 2,7 % West-Duitsland 4,3 %
Denemarken 3,1 % Frankrijk 4,9 %
Zwitserland 3,1 % Italië 5,7 %
Zweden 3,5 % Japan 8,4 %
Nederland 4,1 %

Bron: jaarverslag 1983 van de Bank voor Internationale Betalingen, blz. 25.

De ‘Groep van Tien’ groepeert de voornaamste financiële wereldmachten: de Verenigde Staten, Groot-Brittannië, West-Duitsland, Japan, Frankrijk, Italië, Canada, Nederland, Zweden en België, en werd opgericht naar aanleiding van het opzetten van de Algemene Leningsregelingen (General Agreemente to Borrow) — een systeem waarbij de deelnemende landen via het IMF onder uitzonderlijke omstandigheden mekaar met kredietverstrekking bijstaan. In 1964 trad Zwitserland toe als waarnemer, nu is het een volwaardig lid.

Niet toevallig komt de samenstelling van deze groep bijna geheel overeen met die van de beheerraad van de Bank voor Internationale Betalingen, in Bazel gevestigd. Japan heeft geen zitting in het bestuur en het statuut van de Verenigde Staten is nogal verward.

De BIB werd opgericht in het kader van de regeling der Duitse herstelbetalingen na de Eerste Wereldoorlog. Na de nazistische machtsovername in Duitsland leidde de bank een sluimerend bestaan, maar na de Tweede Wereldoorlog kende ze een heropleving van haar activiteiten. Ze speelt nu een sleutelrol in de globale werking van het internationale geldcircuit: ze treedt op als een centrale bank voor de centrale banken, ze speelt een bemiddelingsrol bij een aantal financiële overeenkomsten tussen landen en ze biedt een forum voor (overwegend informele) besprekingen. De beheerraad van de BIB vergadert 10 maal per jaar, meestal op een dinsdag. Tien maal per jaar, meestal op de maandag voor de bijeenkomst van de BIB-beheerraad, vergaderen de vertegenwoordigers van de Groep van Tien. In het kader van deze groep wordt sinds 20 jaar de monetaire strategie van de leidende kapitalistische landen uitgestippeld (o.a. het systeem van de Speciale Trekkingsrechten, het ‘papieren goud’). De groep van Tien vormt in feite de informele leiding van het Internationaal Monetair Fonds.

Hier worden ook de besprekingen gevoerd en de (enkele voorzichtige) beslissingen genomen over het toezicht op het internationale bankbedrijf. Na het débacle van een aantal banken in Groot-Brittannië, de crash van de Herstattbank in Duitsland en het bankroet van de Franklin National in de Verenigde Staten, besloten de monetaire autoriteiten van de Groep van Tien in februari 1975, om te trachten enkele afspraken te maken die ongecontroleerde paniekreacties zouden kunnen beletten. Uit de contacten resulteerde het zogenaamde Concordaat van Bazel (april 1980, aangepast in 1983). Deze overeenkomst bepaalt dat de nationale toezichtsoverheid in eerste instantie verantwoordelijk is voor de internationale operaties van haar banken. Toen in 1982 de Banco Ambrosiano failliet ging, weigerden de Italiaanse zowel als de Luxemburgse monetaire autoriteiten om de verantwoordelijkheid te dragen voor de schulden van de Ambrosiano-Holding in Luxemburg, wat leidde tot een niet geringe onrust op de interbankenmarkt.

De naoorlogse Keynesiaanse politiek, gebaseerd op reusachtige kredietverstrekking aan de particulieren, het bedrijfsleven en de overheid, droeg op korte termijn bij tot het vermijden van ernstige economische inzinkingen maar leidde tot toenemende inflatie. Deze politiek werd toegepast in alle kapitalistische landen maar méér in de Verenigde Staten. En in alle landen steeg de inflatie maar minder dan in de Verenigde Staten. Het precaire evenwicht tussen de contradictorische functies van het internationaal algemeen equivalent (de dollar) kwam op losse schroeven te staan. De sterkere inflatie van de dollar leidde tot een koopkrachtvermindering van de reserves die door de bedrijven, de privébanken en, uiteindelijk, de centrale banken van de Westerse landen werden aangehouden, waardoor de vraag naar omwisseling in zijn ‘alter ego’, het goud, steeds sterker werd. De goudvoorraad van de Verenigde Staten slonk van 24,4 miljard dollar in 1948 tot 10,9 miljard dollar in 1968. Voor diezelfde periode viel het dekkingspercentage in goud van haar kortlopende buitenlandse verplichtingen terug van 413,6 % tot 35,2 %, met andere woorden, één van de uitgangspunten van Bretton Woods, de omwisselbaarheid van dollars in goud aan de vaste koers van 35 dollar per ounce op vraag van de buitenlandse centrale banken, beantwoordde niet langer aan de realiteit. In maart 1968 werd in Washington een overeenkomst gesloten tussen vertegenwoordigers van de belangrijkste kapitalistische landen, die er in feite op neer kwam dat de centrale banken niet langer goud zouden opvragen. Deze officiële bekrachtiging van de zwakke positie van de dollar ondermijnde het geschokte vertrouwen nog verder. De toenemende onzekerheid op de wisselmarkten gaf een enorme stimulans aan een verschijnsel dat niet nieuw was maar dat in de bloeiperiode van het Bretton Woods-systeem slechts optrad bij de nakende devaluatie van één of andere munt: de valutaspeculatie. Robert Aliber stelt het aldus: “Tussen 1967 en 1978 verdienden de speculanten in vreemde valuta - ondernemingen, banken en particulieren - bijna 12 miljard dollar. In 1967 verkochten ze sterling; in 1969 verkochten ze Franse franken en kochten ze Duitse marken. Vanaf 1970 verkochten ze massale hoeveelheden US-dollars om vooral Europese valuta en Japanse yen te kopen. Weinig banken of ondernemingen geven toe dat ze speculeren, het klinkt asociaal. Ze houden veeleer vol dat ze slechts hun risico’s indekken. Iedereen verwijst dan ook naar de ‘gnomen van Zürich’.

De broederschap der gnomen is wereldomvattend. Er bestaan afdelingen in Londen, Parijs, Tokio, New York, in elk financieel centrum dus waar banken en ondernemingen in vreemde valuta handelen. Het lidmaatschap van de broederschap staat open voor ieder die de risico’s wil aangaan; de enige vereiste is de bereidheid om te spelen volgens de regels van de markteconomie. De gnomen kan men aantreffen in Fortune’s lijsten van de grootste 500 US-ondernemingen en de grootste 300 buitenlandse ondernemingen.” (The Money Game, p. 48).

Tijdens de laatste 5 jaar van de Bretton Woodsperiode kende het volume van de valutaverhandelingen een ware explosie: volgens berekeningen van Ian Giddy, professor aan de Columbia University, steeg de dagelijkse handelsomvang van minder dan 25 miljard dollar in 1970 tot méér dan 50 miljard in het begin van 1973 en tot 100 miljard tegen het einde van dat jaar. Aliber raamt de winsten uit valutaspeculatie voor de periode 1967-1972 op ongeveer 5 miljard dollar.

In deze krachtmeting tussen de privébanken en de ondernemingen enerzijds en de centrale banken anderzijds, waren deze laatsten (en uiteindelijk dus de belastingbetalers) de verliezers op twee terreinen. In uitvoering van de IMF-verbintenissen kochten ze de dollars op die de markt overspoelden. Op het moment dat de dollardevaluaties van 1971 en 1973 een feit werden, leden de centrale banken ingevolge hun interventie, grote verliezen. Ten tweede werkte de dollarinvasie inflatoir. De tussenkomsten op de wisselmarkten voedde de inflatie omdat de centrale banken daardoor verplicht werden tot een snellere uitbreiding van hun nationale geldmassa dan ze onder normale omstandigheden zouden doorgevoerd hebben.

In oktober 1969 koppelde de Duitse centrale bank de mark los van haar officiële koers. De zwevende mark begon onmiddellijk te stijgen en toen drie maanden later opnieuw een vaste koers werd bepaald, bleek hij met meer dan 9 % opgewaardeerd te zijn. In het begin van 1971 werd de toestand onhoudbaar. In mei was het dollaraanbod zo groot dat de Deutsche Bundesbank en de Nederlandse Bank alle aankopen ter ondersteuning moesten stopzetten: de mark en de gulden begonnen opwaarts te zweven. Oostenrijk en Zwitserland revalueerden hun munt. In de eerste helft van augustus dreigde de “vlucht uit de dollar” een oncontroleerbaar sneeuwbaleffect te veroorzaken. Op 15 augustus hield president Nixon een toespraak waarin hij aankondigde dat de Verenigde Staten de verplichting tot omwisselbaarheid van de dollar tegen goud aan 35 dollar per ounce opzegden, waarin hij eiste dat de belangrijkste handels‘partners’ zouden revalueren en waarin hij een tijdelijke invoerbelasting van 10 % bekendmaakte.

Het Bretton Woods-akkoord ging in de grootste verwarring ten onder. Met het Smithsonian Agreement van december werd getracht om door een devaluatie van de dollar met 8 % en een verruiming van de schommelmarges ten opzichte van de officiële koers, nog een verwaterde versie van Bretton Woods ineen te timmeren. Die “belangrijkste overeenkomst uit de ganse monetaire geschiedenis”, zoals Nixon het met zijn legendarische zin voor perspectief noemde, hield nauwelijks enkele maanden stand. In juni 1972 begon het Britse pond te zweven, in januari 1973 de Zwitserse frank en in februari de Japanse yen en de Italiaanse lire. De dollar werd opnieuw gedevalueerd, ditmaal met 10 %, maar de bres kon niet meer gedicht worden. Op 1 maart moesten de centrale banken van West-Europa en Japan samen ongeveer 3,5 miljard dollar aankopen om de dollar te steunen, een bedrag dat nooit voordien op één dag was bereikt. Op 2 maart werden alle belangrijke wisselmarkten gesloten. Toen ze op 19 maart weer opengingen behoorde Bretton Woods definitief tot de geschiedenis. De periode van de zwevende wisselkoersen en de permanente monetaire onzekerheid was aangebroken.

De Speciale Trekkingsrechten
Gedurende de jaren ’60 werd gezocht naar de mogelijkheid om naast het goud en de dollar een nieuw internationaal reservemiddel in het leven te roepen. Een dergelijk voorstel was trouwens reeds in 1943 door Keynes gedaan: volgens hem moest het naoorlogs financieel systeem beschikken over een wereldgeld, de Bancor, maar het idee werd gekelderd op de conferentie van Bretton Woods.

De problematiek werd opnieuw onderzocht toen bleek dat de in het Bretton Woods ingebouwde contradictie, het zogenaamde Triffin-dilemma, tot onoplosbare moeilijkheden moest leiden: indiende Verenigde Staten een voortdurend betalingsbalansdeficit wegwerkten zou de rest van de wereld te kampen hebben met een voortdurend tekort aan internationale betalingsmiddelen en deze liquiditeitsschaarste zou de economische groei bedreigen; indien de Verenigde Staten een voortdurend betalingsbalanstekort aanhielden zou de daaruit voortvloeiende opstapeling van dollars in het buitenland het vertrouwen in de omwisselbaarheid van die valuta in goud ondermijnen.

De studies en de soms hardnekkige onderhandelingen over de wenselijkheid, de verdelingscriteria en de exacte rol van het nieuwe reservemiddel leidden tot een compromis: in 1969 werden de eerste Speciale Trekkingsrechten (STR) in het leven geroepen met een ‘waarde’ gelijk aan de toenmalige dollarverhouding tot één ons goud (35 $). Na de ineenstorting van het Bretton Woodssysteem werd het STR omgevormd tot een ‘ korfmunt’ (een gewogen verzameling van reëel bestaande valuta). Sinds 1981 wordt de ‘waarde’ van een STR bepaald door de som van de belangrijkste vijf wereldmunten (dollar, Duitse mark, yen, Franse frank en pond sterling).

De term ‘papieren goud’ die soms voor het STR wordt gebruikt, is misleidend omdat het hier niet om een objectieve waardestandaard gaat, in tegenstelling tot de zuivere gouden standaard, waarbij een munt uitgedrukt wordt in een bepaalde fysieke hoeveelheid (gewicht) goud. Zeker in het nu geldende systeem van vlottende wisselkoersen is het STR een volledig fictieve, subjectieve ‘Maat’: ze wordt bepaald door de op een bepaald ogenblik geldende, onderling vergeleken en gewogen wisselkoersen van vijf valuta, maar die valuta zijn zelf aan geen enkele objectieve maatstaf gebonden.

Het STR heeft trouwens nooit de rol van internationaal reservemiddel gespeeld: een volwaardig wereldgeld zonder één wereldregering en een mondiale centrale bank is even ondenkbaar als een Belgische frank zonder Belgische regering en zonder Nationale Bank. De verhouding van de STR tot de totale hoeveelheid reservemiddelen evolueerde van 5,2 % in 1972 tot 2,5 % in 1982 (indien men de goudreserves aan marktprijs rekent):

Samenstelling van de wereldreserves (in miljard STR)
1972 1977 1982
Goud 61 140 392
Valuta (incl. ECU) 96 204 295
Reserveposities bij het IMF 6 18 26
STR 9 8 18
Totaal 172 370 371

Bron: eigen berekeningen op basis van J. Williamson, A New SDR Allocation, pp. 47, 51.

Het is nauwelijks overdreven om te stellen dat de STR momenteel nog slechts gebruikt worden als administratieve rekeneenheid door enkele internationale instellingen (zo worden de quota van de IMF-leden uitgedrukt in STR).

De ene bank is de andere niet

William G. Patterson, ex-onderdirecteur van de in 1982 over de kop gegane Penn Square Bank, placht wel eens zaken te doen terwijl hij bier dronk uit een cowboylaars en Mickey Mouse-oren droeg. Zelfs naar Amerikaanse maatstaven kan dit vreemd genoemd worden, want één van de elementaire vereisten waaraan een degelijke financier moet voldoen is een onberispelijk voorkomen en het ontbreken van elke buitenissigheid in zijn publiek gedrag. Deze elementen schragen het belangrijkste kenmerk van de bankwereld: vertrouwen. Tenminste, zo leren ons de handboeken. De ideale bankier beheert het geld van zijn klanten als een ‘goede huisvader’: conservatief en toch dynamisch. Zijn integriteit staat boven alle verdenking. Woeker en dubieuze geldzaakjes zijn voorbehouden aan de Jood. En de echte bankier is nooit een Jood, zelfs als hij een jood is.

De laatste jaren hebben een reeks ophefmakende schandalen dit imago nochtans aangetast. In het midden van de zeventiger jaren verloor de Bank van Brussel honderden miljoenen frank door overdreven gesjoemel op de wisselmarkten. Het bankroet van de Duitse Herstatt Bank, eveneens het gevolg van dubieuze operaties op de wisselmarkt, sloeg een gat van 750 miljoen DM en verstoorde voor een hele tijd het vertrouwen op de internationale geldmarkt. In april 1976 belandde de heer Kuhrmeyer, directeur van het Chiasso-filiaal van de respectabele Crédit Suisse, in de gevangenis omdat de door hem opgezette organisatie die het vluchtkapitaal al uit Italië, via een reeks spooktrusts in Liechtenstein, herinvesteerde, over kop ging. In februari 1983 viel de Nederlandse politie binnen in het hoofdkantoor van de Slavenburgbank: fraude. De kwalijke reuk van vuil geld is zelfs doorgedrongen tot in de appartementen van de Paus: achter de crash van de Ambrosianobank schuilt de meest ingewikkelde en misdadige financiële operatie van de laatste decennia. Gaat het in al deze gevallen om misbruik van vertrouwen, de onvermijdelijke uiting van de eeuwige menselijke zwakheid, de fatale maar uitzonderlijke reisgezel van zijn tegenhanger, de integriteit, of vormen deze praktijken de logische voortzetting van de normale gang van zaken? De geschiedenis van het bankbedrijf toont aan dat zijn belangrijkste kenmerk niet moet gezocht worden in het algemene concept ‘vertrouwen’ maar dat het dezelfde fundamenten heeft als de geldeconomie waarin het tot ontwikkeling kwam: winstbejag, ongenadige concurrentie en economische en politieke krachtsverhoudingen. Het element vertrouwen krijgt slechts in dat kader zijn echte betekenis: het is geen absoluut vertrouwen in de eerlijkheid en onkreukbaarheid van de bankier maar in zijn vermogen om zijn positie ten opzichte van de concurrenten te handhaven of, beter nog, te versterken, zijn talent om zichzelf, de bank en haar aandeelhouders te verrijken. Professor Karsten, ex-voorzitter van de Raad van Bestuur van de Amrobank, deed in een redevoering voor de jaarlijkse bijeenkomst van het Nederlands Instituut voor het Bank- en Effectenbedrijf de volgende veelzeggende uitspraak: “Er bestaat een oude wijsheid die mij door één van mijn voorgangers werd doorgegeven: ‘Voor een bankier is het goed om iemand te vertrouwen, maar het is beter niemand te vertrouwen’”.

Het bankbedrijf is nooit een rustige bezigheid geweest. De grote geldhandelaars uit de Europese geschiedenis kenden bijna allemaal een bewogen bestaan. Hun zakelijk lot hing vaak nauw samen met de politieke wisselvalligheden van hun tijd.

De verbanning van de machtige Franse bankier Jacques Cœur door koning Karel VII, diende de materiële belangen van de vorst en had niets te maken met de vergiftiging van diens maîtresse.

Er bestaat geen mooiere illustratie van de vaak avontuurlijke wijze waarop Mayer Rothschild en zijn zonen de basis legden van hun fortuin, in de woelige periode van de Franse revolutionaire en Napoleontische oorlogen, dan de enorme beurscoup van zoon Nathan. Dank zij een aan het ‘huis’ verbonden koerier, wist hij 24 uur vóór de Engelse regering, bankiers en zakenlui dat de geallieerde troepen in Waterloo Napoleon hadden verslagen. Hij verkocht al zijn aandelen op de Londense beurs, lokte een paniek uit en kocht net vóór de sluiting zoveel mogelijk op aan een sterk gedaalde prijs. Toen de volgende dag het nieuws van de overwinning bekend raakte, vlogen de beursnoteringen de hoogte in. De meest ophefmakende financiële operatie uit de negentiende eeuw vormde een waardig sluitstuk van het tijdperk van persoonlijke primitieve accumulatie voor de Rothschilds.

Indien iemand het idee zou opvatten om de geschiedenis van het negentiende-eeuwse bankwezen in de Verenigde Staten te verfilmen, zou hij er best een gangsterfilm van maken: bedrog en vervalsing, geweld en obscure intriges waren gemeengoed.

De beurscrash van 1929 en de spectaculaire bankfaillissementen uit de dertiger jaren zijn nog niet helemaal uit het collectieve geheugen verdwenen. Gevoelige zielen wijden zich dus beter aan tuinieren dan aan bankieren.

De kredietspiraal

Eind 1983 bedroeg de totale binnenlandse uitstaande schuld van ondernemingen, particulieren en overheid in West-Duitsland 1.710 miljard mark of ongeveer 570 miljard dollar terwijl de bruto buitenlandse schuld 77 miljard dollar beliep, met andere woorden een totaal van 647 miljard dollar.

De totale buitenlandse schuld van alle Derde Wereldlanden, waarover de voorbije jaren zoveel werd geschreven en gezegd in de media, bereikte op dat ogenblik 606 miljard dollar.

Ik heb met de vergelijking van beide bedragen geen enkele demagogische bedoeling en ik weet ook wel dat men de economische situatie van één der meest ontwikkelde kapitalistische landen niet kan vergelijken met die van Brazilië of Mexico en dat anderzijds de Duitse buitenlandse nettoschuld aanmerkelijk lager ligt dan 77 miljard dollar (hoewel men over de beoordelingscriteria voor de reserves een leuke discussie zou kunnen opzetten).

Men moet alleen begrijpen dat de massale en ononderbroken stijging van de kredietverstrekking aan ondernemingen, particulieren en overheid één van de belangrijkste structurele kenmerken vormt van de evolutie van de globale kapitalistische economie gedurende de voorbije vier decennia.

Om dit duidelijk te maken volgen hierna enkele cijfers, die een minder impressionistisch karakter hebben dan het bovenstaande voorbeeld.

Sinds de tweede wereldoorlog heeft de totale uitstaande schuld in de Verenigde Staten zich aldus ontwikkeld (in miljard dollar):

1950 1960 1970 1980 1984
Overheid (alle niveaus) 241,4 308,3 450,0 1.063,3 1.573
Bedrijven en particulieren 164,8 416,1 975,3 2.841,9 4.421
Totaal 406,2 724,4 1.425,3 3.905,2 5.994

Bron: Monthly Review, november 1981, p. 19 / Le Monde Diplomatique, februari 1985, p. 30.

De (soms spectaculaire) aangroei van de overheidsschuld is een constante in alle ontwikkelde kapitalistische landen, met uitzondering van Groot-Brittannië:

Evolutie van de overheidsschuld in verhouding tot het Bruto Nationaal Product

Land                               Schuld in %
          van het BNP
               Betaalde interest
               in % van het BNP
1975 1980 1983 1975 1980 1983
____ ____ ____ ____ ____ ____
België 59,8 76,2 105,7 3,6 6,2 9,7
Denemarken 11,9 33,5 62,2 1,2 3,9 8,0
Frankrijk 26,8 25,1 32,2 1,3 1,7 2,8
DBR 25,0 31,6 39,9 1,4 1,9 3,0
Ierland 73,3 89,0 111,8 5,2 7,9 11,1
Italië 45,3 65,3 82,6 4,0 6,2 9,5
Nederland 41,4 46,0 63,4 3,0 3,7 6,1
Groot-Brittannië 71,8 66,0 55,2 4,4 5,2 4,9
Japan 22,5 52,9 66,5* 1,2 3,2 4,0*
Verenigde Staten 44,9 40,1 45,7 2,5 3,3 4,7

* 1982
Bron: Financial Times, 17.9.1984, World Economy Survey, p. 2.

Volgens de meest betrouwbare bron, de Bank voor Internationale Betalingen, ontwikkelde de internationale kredietverstrekking zich tijdens de voorbije vijf jaar als volgt:

Leningen op de internationale markten


1979

1980

1981

1982

1983
Stocks
eind ’83
A. Internationale bankkredieten
(nettobedragen)(1)

125,0

160,0

165,0

95,0

85,0

1.085,0
B. Intternationale obligatieleningen
(nettobedragen)(2)

28,0

28,0

36,5

58,5

59,0

345,0

Totaal (A+B)

153,0

188,0

201,5

153,5

144,0

1.430,0

Dubbeltelllingen(3)

8,0

8,0

6,5

8,5

14,0

70,0
Globale nettofinanciering
onder de vorm van
bankkredieten en obligaties

145,0

180,0

195,0

145,0

130,0

1.360,0

(1) Met aftrek van leningen op de interbankenmarkt.
(2) Met aftrek van amortisaties en terugkoop.
(3) Deel van B opgenomen in A.
Bron: Banque des Règlements Internationaux, 54e Rapport Annuel, Bâle, 18 juin 1984, p. 121.

Kredietverstrekking is de voornaamste bezigheid van de banken. Ze bevoorraden zich bij de particulieren, de bedrijven, de centrale bank of op de interbankenmarkt, en ze verlenen handels- of investeringskrediet aan de bedrijven, consumptiekrediet aan de particulieren en krediet aan de overheid. Geldhandel is de essentie van hun bedrijf. Maar in tegenstelling tot alle andere handelaren die niet méér producten kunnen verkopen dan ze ingeslagen hebben, heeft de bankier sinds lang het geheim van de vermenigvuldiging der broden ontdekt.

Geld verschijnt in eerste instantie onder de vorm van biljetten en munten, in omloop gebracht door de centrale bank die in elk land beschikt over een uitgifte monopolie. Alleen de Nationale Bank van België kan biljetten van honderd, vijfhonderd, duizend of vijfduizend frank drukken of stukken van één, vijf, tien of twintig frank slaan. “De namaker wordt met dwangarbeid gestraft” staat in duidelijk leesbare letters op elk Belgisch bankbriefje. Deze, door de Centrale Banken uitgegeven geldhoeveelheid, noemt men in het jargon chartaal geld.

Wie op een bepaald ogenblik over méér chartaal geld beschikt dan zij of hij nodig heeft voor onmiddellijke consumptie of investering, kan dat overschot deponeren bij een bank en krijgt daarvoor een vergoeding of interest, waarvan de hoogte (de interestvoet) afhangt van de depositotermijn: een zichtrekening, die een dadelijk opvraagbaar tegoed vertegenwoordigt, brengt bijna niets op. De totale hoeveelheid deposito’s vormt het werkkapitaal van de bank. Een hele tijd geleden al hebben de bankiers gemerkt dat slechts een beperkt deel van het chartale geld moet aangehouden worden voor terugbetaling aan de depositohouders. Deze reserve noemt men de liquiditeitscoëfficiënt. Indien we bv. aannemen dat een bedrag van 10 miljard frank bij de banken geplaatst is en de liquiditeitscoëfficiënt 25 % bedraagt, dan ‘ontstaat’ er een bijkomende geldhoeveelheid van 7,5 miljard frank, het giraal of bankgeld. Dit wordt in omloop gebracht onder de vorm van kredietverlening aan particulieren of bedrijven. Een deel van dat girale geld zal opnieuw in deposito’s worden omgezet en deze kunnen, mits inachtneming van de liquiditeitscoëfficiënt, weer door de banken worden uitgeleend, met als resultaat geldschepping van de tweede orde.

In theorie is deze geldschepping alleen begrensd door de aanvankelijke hoeveelheid chartaal geld en de hoogte van de liquiditeitscoëfficiënt, in ons voorbeeld 10 miljard frank en 25 %. De maximale hoeveelheid giraal geld bedraagt in dit geval (waarbij ik de lezer de algebraïsche redenering bespaar),

10 miljard x (1 ÷ 1 — 75/100) = 10 miljard x 4 = 40 miljard

Voor een hoeveelheid chartaal geld van 10 miljard, die ‘verdwijnt’ als deposito, ontstaat een hoeveelheid giraal geld van 40 miljard. Uiteraard gaat het hier om een maximale theoretische vermenigvuldiging van de aanvankelijke geldmassa omdat we ervan uitgaan dat de totaliteit van het verstrekte krediet na korte tijd weer opduikt als een nieuw deposito. In werkelijkheid vertoont dit gesloten circuit een aantal lekken (andere manieren van sparen, betalingen aan het buitenland, het geld blijft in omloop, enz...).

De grote jongens

Wanneer we een internationale rangschikking van de banken opstellen, moeten we één of ander criterium kiezen. We kunnen ze klasseren volgens activa, kapitaal, winst of deposito’s, enz... Die keuze heeft een invloed op de rangschikking van een bank: in 1983 komt de Royal Bank of Canada volgens het criterium van de brutowinst op de 5de plaats maar op basis van de activa slechts op de 20ste. In de rangschikking volgens activa neemt de Banque Nationale de Paris de 6de plaats in maar op basis van het eigen kapitaal plus reserves slechts de 35ste. De vier grote Britse banken scoren duidelijk hoger in een rangschikking, gebaseerd op eigen kapitaal plus reserves dan op activa. Het zou ons te ver leiden om in te gaan op oorzaken en implicaties van die verschillen.

Een vergelijkende tabel kan natuurlijk alleen worden opgesteld indien de cijfergegevens in een gemeenschappelijke valuta worden uitgedrukt. In een ‘systeem’ van zwevende wisselkoersen levert dit van jaar tot jaar nogal wat schommelingen op, die niets te maken hebben met de resultaten van de individuele banken maar veroorzaakt worden door de wisselkoersvariaties. Ter illustratie geven we voor enkele valuta de koerswijziging tov. de Amerikaanse dollar tussen eind ‘82 en eind ‘83: de Braziliaanse cruzeiro — 289,44 %, de Franse frank — 24,13 %, de Duitse mark -14,6 %, de Japanse yen + 12,39 % en het Britse pond -11,30 %. De hierna gepubliceerde tabel van de grootste 50 banken komt uit de lijst van de grootste 500, die elk jaar gepubliceerd wordt door The Banker. Op die lijst vinden we 119 banken uit de Verenigde Staten, 66 uit Japan, 43 uit West-Duitsland, 27 uit Italië, 19 uit Frankrijk en evenveel uit Groot-Brittannië, en 13 uit Zwitserland. Deze 7 landen zijn dus goed voor in totaal 316 banken op de 500. Als we de Hongkong and Shangai Banking Corp. buiten beschouwing laten, treffen we in de top50 slechts één bank uit de Derde Wereld aan (de OPEC-landen inbegrepen!): de Banco de Brasil. Deze enkele ruwe cijfers geven een beeld van de krachtsverhoudingen in het internationale financiële circuit.

De grootste banken
’83 ’82 Bank Activa Deposito’s Kapitaal en reserves Brutowinst
1 1 Citicorp,New York 125.974
4,4
79.794
4,3
5.771
19,9
1.606
28,5
2 2 Bank America Corp, San Francisco 115.442
0,0
95.751
1,4
5.136
11,7
505
-4,0
3 8 Dai-Ichi Kangyo Bank, Tokio 110.333
11,2
88.338
11,9
2.907
2,1
466
27,1
4 10 Fuji Bank, Tokio 103.532
8,3
80.962
7,9
3.084
7,5
644
18,3
5 13 Sumitomo Bank, Osaka
101.147
9,8
79.448
7,3
2.991
10,0
752
39,9
6 3 Banque Nationale de Paris, Paris
101.019
13,9
86.595
16,4
1.541
21,0
334
1,2
7 12 Mitsubishi Bank, Tokio
98.062
6,3
77.665
7,7
2.773
3,4
451
9,4
8 6 Barclays Group, Londen
94.146
9,9
82.723
9,9
4.292
7,1
808
12,5
9 16 Sanwa Bank, Osaka 91.257
6,9
74.155
6,7
2.533
6,2
462
28,0
10 4 Crédit Agricole, Parijs 90.211
13,7
73.435
14,2
3.823
1,5
514
14,5
11 5 Crédit Lyonnais, Parijs 88.123
13,1
77.486
13,1
-
-
-
-
12 7 National Westminster Bank, Londen 87.057
10,1
80.139
10,1
4.173
12,8
730
14,6
13 9 Société Générale, Parijs
86.346
25,0
75.800
26,0
1.138
5,1
209
11,0
14 11 Deutsche Bank, Frankfurt
76.793
5,5
70.854
5,1
2.486
4,3
695
43,3
15 14 Midland Bank, Londen
76.317
9,6
69.926
9,0
2.755
21,6
326
-10,4
16 15 Chase Manhattan Corp, New York 75.350
- 2,2
56.300
-1,0
3.576
8,8
703,3
117,6
17 25 Norinchukin Bank, Tokio 75.235
16,7
65.987
21,6
345
7,3
109
108,8
18 21 Industrial Bank of Japan, Tokio
71.270
4,3
65.918
7,0
1.660
8,7
435
4,1
19 23 Mitsui Bank, Tokio
67.162
6,7
56.710
7,3
1.618
3,8
318
63,9
20 17 Royal Bank of Canada, Montreal
65.654
-5,0
60.479
-5,1
2.682
14,4
729
35,7
21 18 Bank of Tokyo, Tokio
65.021
11,9
51.496
11,1
1.508
2,1
291
17,5
22 29 Tokai Bank, Nagoya
63.172
2,4
51.333
1,7
1.731
8,6
280
26,9
23 20 Manufacturers Hanover Corp, New York
60.918
1,3
42.284
-3,5
2.671
8,0
540
21,9
24 32 Banque Paribas, Parijs
60.524
45,6
32.607
36,8
2.056
16,2
299
7,9
25 35 Long-term Credit Bank of Japan, Tokio
60.327
14,0
52.570
20,4
1.343
6,2
266
7,9
26 22 Dresdner Bank, Frankfurt
59.048
3,6
38.136
-0,1
1.585
8,7
292
40,7
27 24 Hongkong and Shangai Banking Corp, Hongkong
57.998
22,4
52.728
22,6
2.511
25,5
-
-
28 38 Mitsubishi Trust and Banking Corp, Tokio
57.354
10,9
51.777
13,1
1.286
12,3
128
35,9
29 28 J.P. Morgan, New York (Morgan Guaranty Trust) 56.186
2,7
38.070
0,4
3.319
22,5
651
16,6
30 19 Banco do Brasil, Brasilia 56.106
253,9
24.849
303,5
3.334
180,3
1.058
249,2
31 27 Lloyds Bank, Londen 55.747
11,6
51.527
11,3
3.181
13,3
608
27,4
32 40 Taiyo Kobe Bank, Kobe 53.186
4,3
43.825
3,4
1.009
6,0
223
26,7
33 31 Union Bank of Switzerland, Zürich 52.830
8,3
45.071
8,7
2.626
7,5
363
14,1
34 30 Canadian Imperial Bank of Commerce, Toronto 52.811
- 0,6
48.900
- 0,0
1.994
3,2
391
34,6
35 47 Sumitomo Trust &Banking, Osaka 52.299
11,1
47.324
10,9
1.302
10,9
141
36,8
36 48 Mitsui Trust & Banking, Tokio 52.209
11,0
44.964
12,0
1.144
13,3
-
-
37 26 Westdeutsche Landesbank Girozentrale, Dusseldorf 51.054
4,9
49.087
5,3
1.451
-0,4
37
-45,8
38 34 Bank of Montreal, Montreal 48.885
2,0
44.976
2,7
1.941
3,1
311
60,3
39 33 Swiss Bank Corp, Bazel
48.248
8,6
38.892
9,1
2.338
3,6
298
14,0
40 37 Chemical New York Corp, New York 47.789
5,2
32.452
15,9
2.305
18,5
392
21,7
41 55 Daiwa Bank, Osaka 47.137
8,3
40.433
8,2
1.048
1,8
154
23,5
42 36 Algemene Bank Nederland, Amsterdam 43.269
7,0
37.337
6,1
1.192
16,6
222
27,6
43 46 Bank of Nova Scotia, Halifax 42.841
2,6
39.549
2,9
1.497
9,8
429
61,5
44 51 First Interstate Bancorp, Los Angeles 42.664
8,5
32.030
4,9
2.092
16,9
302
45,2
45 41 Banca Nazionale del Lavoro, Rome 42.506
9,0
36.877
8,8
1.226
51,9
102
39,7
46 52 Standard Chartered Bank, London 41.945
19,0
38.882
18,8
1.842
11,3
389
10,8
47 42 Bayerische Vereinsbank, München 41.636
7,6
39.089
8,9
903
2,5
172
23,2
48 44 Continental Illinois Corp, Chicago 41.238
-2,3
29.431
4,5
1.821
6,6
125
257,1
49 39 Commerzbank, Frankfurt 41.073
4,4
28.702
2,3
1.062
5,8
163
63,8
50 64 Yasuda Trust & Banking, Tokio 40.199
18,4
35.740
19,8
796
8,9
81
30,8

De cijfers op de tweede lijnen geven de procentuele wijziging t.o.v. het voorgaande jaar aan.
Bron: The Banker, July 1984


Door de aard van de selectiecriteria vind je in de bovenstaande lijst alleen de zogenaamde handelsbanken, die zich in de eerste plaats bezighouden met het opnemen van deposito’s en het verstrekken van kredieten. Hun voornaamste winstbron is het interestverschil dat tijdens dit proces van financiële bemiddeling ontstaat.

Minder bekend bij het publiek maar even belangrijk voor de functionering van de kapitalistische economie zijn de investeringsbanken die zich gespecialiseerd hebben in het afwikkelen van aandelen- en obligatie-uitgiften, het tot stand brengen van fusies en overnamen van ondernemingen en het verstrekken van financieel advies (o.a. vermogensbeheer) aan bedrijven, regeringen, institutionele beleggers (zoals pensioenfondsen, verzekeringsmaatschappijen) en rijke particulieren. De investeringsbanken spelen de rol van supermakelaars en halen hun winst hoofdzakelijk uit commissielonen.

De scheiding tussen handels- en investeringsbanken, die ofwel wettelijk opgelegd is zoals in de Verenigde Staten, of gegroeid uit de traditie zoals in Groot-Brittannië, bestaat echter niet overal. In West-Duitsland, Zwitserland en Nederland bijvoorbeeld, kunnen de banken alle mogelijke functies vervullen. Zo hebben ze ook de toelating om onbeperkte participaties te nemen in privé-bedrijven.

Vooral de Duitse banken maken hier gebruik van: in 1978 controleerden ze de helft of meer van de stemgerechtigde aandelen in 30 van de grootste 100 ondernemingen van het land. De kampioen van deze klassieke vorm van het financiekapitaal, waarbij industrie- en bankkapitaal op de meest enge wijze vervlochten zijn is de Deutsche Bank. Deze gigant controleert een zeer groot deel van het Duitse economische leven. Enkele voorbeelden:
- de Deutsche Bank is met 77 % de grootste aandeelhouder in de belangrijkste verzekeringsmaatschappij van het Europese vasteland, de Groep Allianz/Müncher Rück;
- de DB is hoofdaandeelhouder van Philipp Holzmann, de grootste Duitse bouwfirma;
- de chemiereus Bayer wordt door de DB gecontroleerd; dit geldt ook voor Siemens, Europa’s grootste bedrijf voor elektrische apparaten en Daimler Benz.

De bank heeft verder nog aanzienlijke belangen in Bosch, Thyssen, Mannesmann, BASF, Henkel, Nixdorf, Volkswagen, Kaufhof, Arbed Saarstahl, AEG-Telefunken, enz. De rechtstreekse en onrechtstreekse politieke invloed van de Deutsche bank is door haar objectieve macht en door het rond haar gevlochten netwerk van persoonlijke relaties moeilijk te overschatten. De bekende uitspraak “Wat goed is voor General Motors is goed voor de USA” kan zonder overdrijving aangevuld worden met de uitspraak “Wat goed is voor de Deutsche Bank is goed voor de Duitse Bondsrepubliek”.

De ontwikkeling in de USA

Vanaf het einde van de negentiende eeuw tot de crisis van 1929 kende de Amerikaanse economie een sterke expansie, die gepaard ging met de opstapeling van enorme fortuinen en machtsposities. Een onderzoek dat in 1913 verricht werd door een comité van het Huis van Afgevaardigden onthulde gedeeltelijk de omvang van het door het financiekapitaal gevlochten netwerk: 18 beheerders van evenveel banken bezetten 746 beheersposten in 134 ondernemingen die een globaal kapitaal van 25 miljard dollar vertegenwoordigen, voor die tijd een enorm bedrag. In 1909 bekleedde de machtige financier J. Pierpont Morgan 72 beheersmandaten in grote maatschappijen.

Het aantal banken steeg in snel tempo. Op het einde van de Burgeroorlog waren er ongeveer 1.500 met totale activa van 1 miljard dollar, bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog waren het er ongeveer 27.000 met totale activa van 12 miljard. Maar de bankwereld werd regelmatig getroffen door crisissen, waarbij die van 1907 (de ‘rich men’s Panic’) bijzonder veel indruk maakte omdat de grote New Yorkse financiële instellingen er in meegesleurd werden.

De meest lucide kapitalisten begrepen dat er enige orde moest geschapen worden in de wildgroei van hun systeem. Daartoe werd in 1913 het Federal Reserve System, het centrale banksysteem van de Verenigde Staten, opgericht. Tijdens de eerste periode van zijn bestaan en met name in de twintiger jaren speelde het FRS echter eerder een ontwrichtende dan een stabiliserende rol. Na de traumatische crisiservaring werd in 1933 door middel van de Banking Act en de Glass-Stegall Act, een hervorming van het FRS en een strengere reglementering van het bankwezen doorgevoerd: een grotere centralisatie door de vorming van de Federal Reserve Board, samengesteld uit 7 door de president benoemde leden; een verbod voor de banken om interest uit te betalen op onmiddellijke opvraagbare tegoeden; het toekennen van bevoegdheid aan de FRB om de interest op termijndeposito’s te beperken; een strikte scheiding tussen de handelsbanken en de investeringsbanken. Die laatste mogelijkheid verbood de handelsbanken om zich in te laten met het verhandelen van aandelen of obligaties terwijl de investeringsbanken geen deposito’s mochten opnemen of leningen verstrekken.

In de Verenigde Staten treft men nog steeds een bijzonder groot aantal onafhankelijke banken aan: eind 1983 waren het er 14.466. Het ‘normale’ proces van opslorping van de kleintjes door de groten werd in 1927 geblokkeerd door de McFadden Act, een wet die banken verbiedt om filialen te openen in een andere dan hun thuisstaat.

De Bank of America, die gevestigd is in Californië, mag dus alleen daar filialen hebben en hetzelfde geldt voor de grote banken uit New York zoals de Chase Manhattan en de Citibank. Maar de deelstaten kunnen nog verdere beperkingen opleggen en hebben dat ook vaak gedaan. Zo is de ongelukkige Continental Illinois, gevestigd in Chicago, onderhevig aan de meest strenge beperking: in de staat Illinois mag een bank geen enkel filiaal hebben. Elders is men iets soepeler en kan een bank bijhuizen openen in de stad waarin ze gevestigd is of in een bepaalde zone daar rond en een twintigtal staten, waaronder Californië en New York, staan de zgn. statewide branch banking toe.

Deze wetgeving heeft geleid tot een hiërarchische structuur in de Amerikaanse bankwereld met een groot aantal kleine plaatselijke banken en min of meer belangrijke regionale banken, en een klein aantal grote banken die actief zijn op de internationale financiële markt. Maar deze hiërarchie betekent geen onderling isolement. Voor wat betreft belangrijke binnenlandse en internationale transacties (vooral leningen) zijn de regionale banken mee betrokken in de initiatieven van hun grote collega’s, wat kan leiden tot niet onbelangrijke onderlinge belangentegenstellingen, zoals we verder zullen zien in het geval van de leningen aan de Derde Wereld.

Sinds 50 jaar is de geschiedenis van de Amerikaanse bankwereld een groot gevecht om deze strikte reglementering van hun activiteiten in de breedte en de diepte, te omzeilen of te doen afschaffen. Onder druk van de banklobby en onder invloed van de ultraliberale economische filosofie van de Reagan administratie, wordt sedert enkele jaren een voorzichtige ‘dereguleringspolitiek’ gevoerd, met als eerste stap de geleidelijke afschaffing van de interestbeperking. Het recente bankroet van de stap Continental Illinois heeft het debat tussen de voor- en tegenstanders van de deregulering opnieuw doen oplaaien, maar het liberaliseringsproces zal waarschijnlijk niet omgekeerd worden, mede omdat het niet volledig beheerst wordt door de overheid.

De banken trachten op alle mogelijke manieren langs de geografische inperking van hun activiteiten heen te komen, wat soms kan leiden tot ingenieuze constructies. Het meest merkwaardige resultaat hiervan is ongetwijfeld de ontwikkeling van niet-bank banken. De wet definieert een bank als een instelling die enerzijds onmiddellijk opvraagbare tegoeden opneemt en anderzijds commerciële kredieten verstrekt. Elke onderneming die slechts aan één van beide voorwaarden voldoet is wettelijk geen bank, valt dus ook niet onder de bankwet en is ipso facto niet onderworpen aan de geografische inperking. Een niet-bank bank neemt termijndeposito’s op en concentreert zich op het consumentenkrediet. Het verbod wordt op tal van andere manieren ontdoken, bvb. door het overnemen van in moeilijkheden verkerende spaarbanken (en daar ontbreekt het momenteel niet aan) die niet aan het interstatebanking verbod onderworpen zijn. Zo kocht Amerika’s grootste bank, de Citicorp, onlangs drie grote spaarbanken in Chicago, San Francisco en Miami.

Volgens een onderzoek van de Federal Reserve Bank of Atlanta controleerden de banken in 1982 méér dan 7.500 dochterondernemingen. De Citicorp alleen al beschikt over ongeveer 1.000 vestigingen in praktisch alle staten.

Het spreidingsverbod komt ook onder druk door de ontwikkeling van het bankautomaten systeem (de Automated Teller Machines): momenteel bestaan er in de Verenigde Staten 200 regionale en 7 nationale netwerken. De klant kan om het even waar geld afhalen, betalingen uitvoeren en inlichtingen bekomen over de toestand van zijn rekening, alleen kan hij buiten de vestigingsstraat van de bank geen stortingen verrichten via de ATM.

Aan de andere zijde van het spectrum, bij de investeringsbanken, is de evolutie eveneens volop aan de gang. De afschaffing van het minimumcommissieloon voor beursmakelaars in 1975 en de schaalvergroting van de aandelentransacties (contracten van 100.000 aandelen zijn thans eerder regel dan uitzondering), stimuleerden de concurrentie en maakten een sterkere kapitaalbasis noodzakelijk. Door de daling van de winstmarges op het afwikkelen van aandelen- en obligatie-uitgiften (underwriting) begonnen de makelaars steeds méér voor eigen rekening te handelen (trading), wat het risico aanzienlijk verhoogde.

In de tweede helft van de jaren ‘70 nam de concentratie in Wall Street dan ook sterk toe. Het aantal makelaars op de New Yorkse beurs daalde van 444 in 1973 tot 364 in 1977. Sindsdien is er opnieuw een stijging, ingevolge het opduiken van kleine, zeer gespecialiseerde firma’s (de zogenaamde ‘boutiques’). Maar binnen de top tien, waar de grote transacties tot stand komen, ging de concentratiebeweging verder, in combinatie met overnamen door ondernemingen buiten de branche. In 1979 slorpte het nummer één van de lijst, Merrill Lynch, de firma White Weid and Co op. Kort daarna kocht Sears Roebuck, de belangrijkste warenhuisketen van het land, die reeds over een grote verzekeringsmaatschappij beschikte, de makelaar Dean Witter. Deze samensmelting deed de term ‘financiële supermarkten’ ontstaan. In 1983 werd de Bache Group, de zesde op de lijst, overgenomen door de grootste verzekeringsmaatschappij van de VS, Prudential Insurance en in april 1984 fusioneerde Shearson Loeb Rhoades, die zich door een tiental fusies tot de tweede plaats had opgewerkt met American Express, dat enkele maanden later een andere belangrijke makelaarsfirma, Lehman Brothers Kuhn Loeb, opkocht. In november 1984 werd Donaldson Lufkin & Jenrette overgenomen door de Equitable Life Insurance Society. De investeringsbank Salomon Brothers had reeds in 1981 zijn toevlucht gezocht bij de grondstoffenhandelaar Phibro-Corporation.

Door deze reeks samensmeltingen zijn de grootste investeringsbanken uitgegroeid tot of opgenomen in gigantische financiële conglomeraten die alle terreinen van de binnen- en buitenlandse geld- en kapitaalmarkt bestrijken: alle vormen van kredietverstrekking en deposito-opname (zicht-, spaar- én termijnrekeningen), effectenhandel, verzekeringen, vermogensbeheer en financieel beheer.

De dereglementering en de grotere concurrentie houden echter grote risico’s in, die door Business Week als volgt werden samengevat: “Tijdens de jaren ‘70 raakten de bankiers in de ban van een aanstekelijke droom: geef ons lage inflatie en dereglementering, zegden ze, en de wereld zal ons toebehoren. In de jaren ‘80 krijgen de bankiers bijna alles wat ze gevraagd hebben, en tot nu toe heeft dat geleid tot een onvoorstelbare beroering. Lage inflatie had een geheel ander resultaat dan de bankiers of hun klanten verwachtten. Vele leners uit de bedrijfswereld kunnen niet langer de prijsverhogingen doordrukken die ze nodig hebben om hun schulden af te betalen, vooral in de energie-, onroerend goed- en landbouwsector. En in plaats van gewoon nieuwe winstmogelijkheden te scheppen, heeft de dereglementering de kosten voor de banken opgedreven om deposito’s aan te trekken en te behouden, en tegelijkertijd de concurrentie in de financiële industrie aanzienlijk verscherpt”. (29 oktober 1984, p. 56).

Rapper maar slapper

Een aantal factoren heeft vanaf de jaren ‘50 het uitzicht van de internationale financiële wereld grondig veranderd. Sommige waarnemers vergelijken deze ‘financiële revolutie’ zelfs met de industriële revolutie van het einde der achttiende en het begin der negentiende eeuw. Het is in elk geval niet overdreven om te stellen dat de internationale geldmarkt zich de afgelopen 20 jaar heeft omgevormd van een verlengstuk van de verschillende nationale markten in een globale markt. Enkele aspecten en consequenties van deze ontwikkeling worden in het volgende hoofdstuk behandeld. Deze globalisering betekent echter niet dat de rol van de afzonderlijke landen, althans niet van de belangrijkste en in de eerste plaats van de Verenigde Staten, onbelangrijk geworden is. Maar de controlemogelijkheden van de nationale regeringen en centrale banken over de gevolgen van hun economische, fiscale en monetaire politiek zijn wel sterk afgenomen. In een recent artikel beoordeelde het vakblad Euromoney de situatie aldus: “De kwantitatieve aangroei van de handel in allerlei financiële instrumenten, en de snelheid waarmee informatie waarop de handelsbeslissingen gebaseerd zijn, aan instellingen en particulieren alom verstrekt wordt, heeft de regeringen de macht ontnomen om hun nationale geld- en kapitaalmarkten te reglementeren van achter de barricades die werden opgeworpen om zich te beschermen tegen buitenlandse gebeurtenissen. Dit heeft tot gevolg dat ganse financiële systemen, die werden opgebouwd in de depressieperiode van de jaren ‘30 (zoals in de USA) en in de naoorlogse periode (zoals in Japan) worden weggevaagd.” (The Great Deregulation Explosion, oktober 1984, p. 55).

De dereglementering, die inderdaad het gevolg is van de druk die het financiekapitaal op de overheid uitoefent, zet zich de laatste jaren steeds meer door over de ganse wereld, van de Verenigde Staten tot Australië, en van Groot-Brittannië tot Japan.

Bovendien vervagen de grenzen tussen de kapitaal- en de geldmarkt steeds meer onder invloed van voortdurende innovaties in de financieringstechnieken. Deze evolutie voltrekt zich zo snel dat er voor een aantal onder hen zelfs geen Nederlandstalige termen bestaan. Maar achter deze technische ontwikkeling gaat een economische realiteit schuil: het kapitalisme beschikt sinds 15 jaar niet meer over een systeem waarbinnen de internationale geld- en kapitaalstransacties op een min of meer ordelijke en zekere wijze kunnen afgewikkeld worden, wat niet zonder invloed is op de modaliteiten van het mondiaal accumulatieproces. De wispelturige interestvoeten en wisselkoersen hebben van de bankiers snelle en handige jongens gemaakt. Zouden ze weten dat het touw waarop ze dansen steeds slapper wordt?

Het internationale geldbedrijf: spel zonder grenzen

In het Palazzo Publico van Siena heeft Ambogio Lorenzetti méér dan 600 jaar geleden zijn fresco’s over ‘De goede regering’ en ‘De slechte regering’ geschilderd. Het laatste is bijna geheel vernietigd, het eerste nagenoeg intact. Was het in de werkelijkheid maar net zo gegaan, moet menig aanschouwer reeds gedacht hebben. Onder de bescherming van de rechtvaardige vorst speelt het leven zich buiten en binnen de stadsmuren vredig af: de boeren bewerken het land, één van hen drijft een varken binnen de stadspoort terwijl een jager met zijn valk op de hand erop uit trekt, de winkeliers zitten temidden van hun uitgestalde waren en de ambachtslieden zijn druk bezig: op de achtergrond wordt een huis gebouwd. En in een logia, voor iedereen zichtbaar, zitten de financiers rond hun tafeltje te palaveren. Het zouden kaartspelers kunnen zijn.

Deze droom van een Siënees uit de veertiende eeuw moet wel erg irrelevant lijken in de ogen van de moderne prozaïsche geldmanager die nog slechts aan een kaartspeler doet denken in de mate dat zijn werk een wereldwijd pokerspel is met onwaarschijnlijk hoge inzetten.

De contacten met het bankbedrijf spelen zich voor de meeste mensen af op het niveau van de zichtrekening, de creditcard, het chequeboekje of de occasionele leningen die ze afsluiten om een nieuwe auto of een huis te kopen. Een kleiner aantal gelukkigen die in een wat hogere salariscategorie zitten, wat geërfd hebben of toevallig een som gewonnen hebben op de Lotto, proberen niet zelden hun geld op de meest renderende manier te plaatsen en van de opbrengst zo weinig mogelijk aan de fiscus te geven. De Fransen en Italianen gaan naar Zwitserland, de Belgen, Nederlanders en Duitsers trekken naar Luxemburg en de Zwitsers en Luxemburgers blijven thuis. Iedereen weet dat deze beleggingen in de sfeer zitten van het kleinschalige misdrijf en de fraude maar de betrokkene maakt zich daarover niet al te druk, zeker niet als hij merkt dat de banken dat ook niet doen. Gedeelde schuld is halve schuld. Bovendien komt hij in aanraking met een nieuwe, vreemde wereld, die zijn ordinaire fiscale fraude tot een avontuur maakt: de reis door de jungle van de schommelende wisselkoersen, de internationale obligatiebeleggingen, de vaste of vlottende interestvoeten, de respectievelijke voor- en nadelen van de Duitse mark, de Zwitserse frank, de dollar of de ECU (jamais vu). Kuifje is in geldland verzeild geraakt.

Maar net als Kuifje zal ook onze frauderende bengel nooit het échte leven leren kennen: de wereld van de Goldfingers, Alfred Brittain van de Bankers Trust (salaris in 1982: 848.500 dollar), John McGillicuddy van de Manufacturers Hanover (778.789 dollar), Bill Butcher van de Chase Manhattan (778.125), Sam Armacost van de Bank of America (559.624 dollar), Walter Wriston van de Citicorp (net met pensioen maar in 1982 goed voor 634.333 dollar), Barry Sullivan van de First Chicago Bank (742.199 dollar), Lew Preston van de Morgan Guaranty (563.409 dollar) en hun collega’s van de grote Britse, Japanse, Duitse en Zwitserse banken.

Indien men hen terug tot leven kon wekken zouden Cosimo Medici, Jacques Cœur en Jakob Fugger, die toch geen kleine jongens waren, hun ogen niet geloven bij het bekijken van de handel en wandel van deze geldmanagers. En zelfs Mayer Rothschild en zijn vijf zonen die nog geen honderdvijftig jaar geleden de Europese geldscène beheersten, zouden stil worden bij de prestaties van hun letterlijke en figuurlijke nazaten. Wat de wereld van de hedendaagse bankier zo verschillend maakt van die van Kuifje en die van hun illustere voorgangers, is de combinatie van de enorme omvang, de wereldomvattende dimensie en het razende tempo van hun bedrijf. En dat is een zeer recente ontwikkeling van het kapitalisme.

De Eurodollar: een krachtige maar gevaarlijke brandstof

De geweldige economische expansie vanaf het midden van de vijftiger jaren veroorzaakte een even massale uitbreiding van het bankwezen. Het ontstaan van de Eurodollarmarkt en de daarmee samenhangende interbankenmarkt en de noodzakelijke invoering van de meest geperfectioneerde communicatietechnieken, bracht een kwalitatieve verandering teweeg in de dimensie en de werkwijze van het financiële kapitalisme.

Vóór de Tweede Wereldoorlog waren de banken in essentie nationale ondernemingen: de meeste brachten hun fondsen bijeen op de binnenlandse markt en leenden daar ook het geld uit. Slechts een beperkt aantal grote banken hield zich bezig met internationale financiering, zoals kredietverstrekking voor de buitenlandse handel of investeringen. Londen was het financieel wereldcentrum: de banken van de City hadden gedurende de bloeitijd van het Britse imperialisme in de 19de eeuw en het begin van de 20ste eeuw, een boel ervaring opgedaan en een mondiaal netwerk van kontakten opgebouwd en het Britse Imperium strekte zich nog steeds uit over de vier continenten. Op het einde van de oorlog waren ook de laatste resten van die macht verdwenen. Het Britse kapitalisme werd in een tweederangspositie teruggedrongen en het Imperium viel uit elkaar: eerst in Azië, later in Afrika. Maar de ondervinding, de knowhow en de contacten bleven bestaan, en toen in het begin der zestiger jaren de Eurodollarmarkt ontstond, werd Londen er het centrum van, dank zij de aanwezige infrastructuur, het hooggeschoolde personeel, de toegeeflijke houding van de Britse overheid, de gunstige ligging in de internationale tijdszones (de markt is er open als Tokio, Hong Kong en Singapore nóg en New York ál open zijn) en het taalvoordeel.

Op het hoogtepunt van de Stalinistische heerschappij bestond er in de Sovjetideologie een trend om steeds meer uitvindingen en ontdekkingen op naam te schrijven van Russische geleerden uit het verre of nabije verleden. In het Westen deed het grapje de ronde dat de Russen alles uitgevonden hadden behalve het ware communisme. Nu wil de ‘petite histoire’ dat de eerste Eurodollars in de vijftiger jaren het levenslicht zagen door toedoen van de Moskou Narodny Bank, de oudste en belangrijkste buitenlandse sovjetbank met hoofdzetel in Londen. De internationale handel van de USSR werd voor het grootste deel in dollars afgewikkeld maar tijdens de Koude Oorlogsperiode was het voor dat land verstandiger die niet te plaatsen bij banken in de Verenigde Staten omdat er voldoende aanleiding kon worden gevonden om die tegoeden te bevriezen. Er liepen nog altijd genoeg mensen rond die antieke obligaties uit de tsaristische periode bezaten en vonden dat de Russische revolutionairen die buitenlandse staatsschuld in 1917 maar hadden moeten overnemen. Bovendien had de Amerikaanse regering nog wat aanspraken in verband met oorlogsschulden. De dollars werden dus (pikant detail: met technische bijstand van de Chase Bank uit New York) in Europa gedeponeerd. Hiermee was, technisch gezien, de Eurodollar geboren en kunnen we hem ook definiëren: onder Eurodollars verstaat men alle dollars die bij een Europese bank geplaatst zijn.

De Eurodollarmarkt heeft zich niet alleen enorm uitgebreid in volume maar heeft ook navolging gekregen onder vorm van Duitse marken, Zwitserse en Franse franken, Japanse yen, Engelse ponden en Nederlandse gulden, die buiten hun respectievelijke thuislanden geplaatst en verhandeld worden: er is een Eurovalutamarkt ontstaan waarbinnen de dollar echter veruit (± 80 %) overheerst. Bovendien worden deze valuta niet alleen in Europa geplaatst maar hebben zich ook in Azië en Amerika ‘offshore’-centra ontwikkeld. Een tiental jaar geleden heeft een economist dan ook voorgesteld om de bankdeposito’s in een andere geldsoort dan die van het land waarin de bank gevestigd is xenovaluta te noemen. Bijgaande tabel geeft een indruk van de verdeling van de xenovalutakoek. De rangschikking is gebaseerd op de geraamde omvang van de passiva in vreemde valuta van de commerciële banken.

De Eurovalutamarkt beheerst sinds méér dan twee decennia het internationale financiële bedrijf. Hier ontlenen en deponeren de privé- en centrale banken en de multinationals hun geldkapitaal. Hier komen de regering van Brazilië, de Bank of America, IBM en de Deutsche Bundesbank bij mekaar. In deze smeltkroes worden de gouden kettingen van het wereldkapitalisme gesmeed.

Het is de grootste geldzee uit de geschiedenis. En de vergelijking met een zee is in vele opzichten gepast: het is een rusteloze massa, voortdurend in beweging, met onzichtbare en soms verraderlijke stromingen en met periodes van storm en kalmte. Het is het element dat de verschillende werelddelen met elkaar verbindt, het graf van menig bankier die zich sterker waande dan de natuurwetten van het wilde kapitalisme maar ook de rijkdom van menig ander.

Hoe heeft dit benepen plasje uit het Kremlin zich kunnen ontwikkelen tot die immense oceaan? Exit de bureaucraten uit de Sovjet-Unie, plaats voor de poenscheppers uit Londen, New York, Frankfurt, Tokio, Zürich en Parijs.

Omvang van de xenovalutamarkt (bruto cijfers)
Land1977 (miljard $)1982 (miljard $)Gemiddelde jaarlijkse aangroei 1977-1982 (in %)
Groot-Brittannië 232 636 34,8
Verenigde Staten * - 147 -
Frankrijk 64 140 23,8
Bahamas 90 132 9,3
Japan 36 124 48,8
Singapore 21 103 78,0
Luxemburg 46 83 16,0
België 22 72 45,4
Canada 25 65 32,0
Bahrein 16 59 53,6
Nederland 27 55 20,8
Hongkong 8 53 112,5
Kaaiman Eilanden 16 47 38,4
Italië 23 43 17,0
Panama 15 43 37,2
Zwitserland 20 34 14,0
Oostenrijk 10 25 30,0
West-Duitsland 16 24 10,0
Spanje 9 19 22,2
Zweden 4 13 45,0
Nederlandse Antillen 2 11 90,0
Denemarken 2 4 20,0
Ierland 2 4 20,0
Andere/onbekend 34 121 51,2
Totaal 740 2.057 35,6

* Dit betreft de sinds enkele jaren in New York opgezette International Banking Facilities, die het mogelijk maken de binnen deze regeling geplaatste valuta (inclusief de dollar!) als extraterritoriaal te beschouwen.
Bron: op basis van tabel 8 in International Financial Markets, Morgan Guaranty Trust of New York, January 1984, p. 9.

De ongebreidelde aangroei van de Eurodollarmarkt is het resultaat van een aantal factoren, die de concrete uitdrukking vormen van de toenemende internationalisering van het kapitalisme vanaf de vijftiger jaren:

- De ontwikkeling van de Amerikaanse investeringen in Europa: tussen 1960 en 1970 steeg de boekwaarde van de VS-investeringen op het oude continent van 6,7 miljard dollar tot 24,5 miljard. Om het tekort op de betalingsbalans in te dijken nam de Amerikaanse regering in het begin van de zestiger jaren een aantal maatregelen (o.a. de Interest Equalisation Tax) die het beperken van beleggingen in het buitenland tot doel hadden. In de praktijk leverden die als enig resultaat op dat de in het buitenland verworven winsten en dividenden in veel mindere mate gerepatrieerd werden en dat de financiering van de Amerikaanse multinationals naar de Eurodollarmarkt verschoof: van 1960 tot 1964 was de rechtstreekse buitenlandse financiering van de VS-investeringen nihil, het jaargemiddelde voor 1965-67 bedroeg 508 miljoen en het gemiddelde voor 1968-69 2,2 miljard dollar.

- De totstandkoming van een Europese economische ruimte, enerzijds via het herstellen van de externe omwisselbaarheid der Europese valuta (zoals we zagen één van de basisprincipes van het Bretton Woods-akkoord) in 1959, en anderzijds door de oprichting in 1958 van de Europese Economische Gemeenschap met haar credo van vrij personen-, goederen- en kapitaalverkeer.

- De internationale concurrentie die de Amerikaanse banken ertoe dreef zich, in navolging van de bedrijven, in het buitenland te installeren, niet alleen om de geografische afstand te verkleinen maar voornamelijk om te ontsnappen aan de destijds heersende bankreglementering in de Verenigde Staten, die niet toeliet rente uit te keren op onmiddellijk opvraagbare tegoeden en bovendien de rentevergoeding op termijndeposito’s aan bepaalde maxima bond. Het aantal agentschappen van VS-banken in Europa steeg van 19 in 1960 tot 103 in 1969.

Tussen 1963 en 1969 klom het aantal VS-vestigingen in landen die zich actief inlieten met de Euro-dollarmarkt, van 9 tot 29 en hun aandeel in die markt groeide van 25 tot 45 %. Deze invasie leidde dan weer tot een reactie van de Europese bankkringen die hun positie op de nieuwe, renderende markt wensten te verdedigen. Om het hoofd te kunnen bieden aan de slagkracht van de grote Amerikaanse concurrenten, sloten de belangrijkste Europese banken samenwerkingsovereenkomsten. Op die wijze ontstonden een aantal consortia zoals de ‘Associated Banks International Company’ of ABECOR (de österreichische Länderbank, de Bank Brussel Lambert, de Banque Nationale de Paris, de Italiaanse Banca Nazionale del Lavoro, de Algemene Bank Nederland, de Dresdner Bank, de Bayerische Hypotheken und Wechselbank en de Britse Barclays Bank), de ‘European Banks International Company’ of EBIC (de Nederlandse Amrobank, de Banca Commerciale Italiana, de Oostenrijkse Creditanstalt Bankverein, de Deutsche Bank, de Britse Midland Bank, de Franse Société Générale en de Generale Bankmaatschappij), de ‘Inter-Alpha Banks Group’ (de Berliner Handelsgesellschaft-Frankfurter Bank, de Italiaanse Banco Ambrosiano, de Crédit Commercial de France, de Kredietbank, de Nederlandse Middenstandsbank, de Deense Privatbanken en de Britse William and Glyn’s) en de Europartners (de Banco di Roma, de Crédit Lyonnais, de Duitse Commerzbank en de Spaanse Banco Hispano-Americanos).

Soort zoekt soort

Een belangrijk deel van de activiteiten op de Eurovalutamarkt speelt zich af op de interbankenmarkt. Hier lenen de banken op een snelle en informele manier geld aan elkaar. Het globale verhandelde volume is aangegroeid van 150 miljard dollar in 1973 tot 1.000 miljard in 1982. Elke transactie, die via de telefoon of de telex tot stand komt en slechts enkele minuten in beslag neemt, heeft een waarde van minstens 1 miljoen dollar maar meestal betreft het veel grotere bedragen, die op korte termijn geleend worden, van één dag (‘overnight’) tot één jaar. De banken contacteren elkaar rechtstreeks of doen een beroep op makelaars die niet alleen een beter overzicht hebben op vraag en aanbod maar er ook voor zorgen dat het anonimaat van de opdrachtgever bewaard blijft zodat de concurrenten de omvang van mekaars kredietlijnen niet kennen.

Volgens schattingen van insiders zijn bijna 70 % van alle deposito’s op de Eurodollarmarkt afkomstig van andere banken. In het begin van de jaren ‘80 bestond een aanzienlijk deel van de buitenlandse deposito’s bij de grootste US-banken uit interbankendeposito’s.

Interbankendeposito’s in % van alle buitenlandse deposito’s

Bank of America 42,4 %
Citibank 33,5
Chase Manhattan 30,1
Morgan Guaranty 41,4
Manufacturers Hanover 47,9
Chemical Bank 61,6
Continental Illinois 52,1
Bankers Trust 44,1
First Chicago 54,9
Security Pacific 41,3
Gemiddelde 44,9

Bron: Groep van 30, geciteerd bij Moffit, p. 70

Vanzelfsprekend kan zo’n intensief bedrijf slechts functioneren als de verbindingen tussen de deelnemers optimaal zijn. Daartoe werden een aantal zeer geperfectioneerde communicatiewerken opgezet, zoals Chips, Chaps en Swift (het gevoel voor humor van de bankiers kent geen grenzen).

Swift (Society for worldwide interbank financial telecommunications) is eigendom van ongeveer 1.100 banken en heeft zijn zetel in Brussel. Het netwerk bestrijkt 50 landen en handelt dagelijks gemiddeld een half miljoen transacties af. In 1981 bedroeg de toetredingsprijs 30.000 dollar, de aansluitingskosten op het net varieerden van 1.000 tot 3.500 dollar. Elke boodschap wordt in code doorgeseind, de 3 centrale computers (in Brussel, Amsterdam en Culpepper in Virginia) zijn ontdubbeld om het risico van onderbreking zoveel mogelijk uit te schakelen.

Chips (Clearing house interbank payments system) verwerkt 90 % van alle internationale dollarverrichtingen. Méér dan 100 banken zijn aangesloten op dit systeem dat vanuit New York opereert. In 1981 werden dagelijks ongeveer 70.000 transacties afgehandeld voor een bedrag van 120 miljard dollar.

Chaps is een gelijkaardig systeem dat zeer recent in Londen werd geïnstalleerd.

Chips, Chaps en Swift vormen het zenuwcentrum van het zenuwcentrum van het internationale financiële bedrijf.

Waarom komen transacties tussen banken tot stand? De volgende vereenvoudigde voorbeelden maken dat duidelijk:

- Bank A beschikt op een bepaald ogenblik over een deposito surplus dat ze niet onmiddellijk kan omzetten in kredieten. Bank B kan een lening ‘verkopen’ maar heeft op dat moment een gebrek aan fondsen. A en B kunnen dan rechtstreeks of via een makelaar in contact treden: de deposito tekorten en overschotten worden via interbancaire kredietlijnen weggewerkt.

- Bank A kan een lening met een looptijd van 6 maanden verkopen aan bedrijf B maar moet die financieren uit deposito’s met een termijn van 3 maanden. Gedurende de periode dat de lening uitstaat, kan de interestvoet op de kortere termijndeposito’s zodanig stijgen dat de winst van A vermindert of zelfs in rook opgaat. A zal dat risico opvangen door het deposito voor 3 maanden op de interbankenmarkt te plaatsen en de lening aan B te financieren met een krediet van 6 maanden dat ze op diezelfde markt opneemt: het interestrisico wordt ondervangen via een transactie op de interbancaire markt. Interestrisico’s bij leningen op langere termijn worden bestreden met de techniek van de ‘schommelkredieten’ (roll-over credits), waarover meer in hoofdstuk 6.

- Een bank meent dat ze, in verhouding tot de valutasamenstelling van de bij haar geplaatste fondsen, te veel kredieten heeft verstrekt in Italiaanse lire en Franse franken, waarvan ze een koersdaling verwacht tijdens de looptijd van drie leningen. Ze kan zich indekken tegen dit wisselrisico door op de interbankenmarkt lires en franken te ontlenen.

- Er kunnen winsten gemaakt worden die inherent zijn aan het mechanisme van de interbankenmarkt. De bank speelt dan op de interestverschillen tussen aan- en verkoop van fondsen of zal het interest en wisselrisico bewust aangaan in plaats van ze te vermijden. Hier komen we terecht in de schemerzone tussen de normale transactie en de speculatie. In feite vloeien beide in elkaar want zonder termijnspeculanten zou het niet mogelijk zijn voor andere partijen om zich tegen risico’s in te dekken. In de aanvangsperiode van de zwevende wisselkoersen zijn nogal wat ‘ongevallen’ gebeurd die voor de nodige opschudding zorgden op de interbankenmarkt, die juist door haar informeel karakter eerder gekenmerkt wordt door een veralgemeend wantrouwen dan door een groot onderling vertrouwen. Soort kent soort!

De interesttarieven op de interbankenmarkt komen tot stand op basis van vraag en aanbod. Uiteraard schommelen ze niet willekeurig: ze worden beïnvloed door de binnenlandse interesttarieven van de belangrijkste kapitalistische landen, in de eerste plaats van de Verenigde Staten. Er bestaat dan ook een onverbrekelijke haat-liefdeband tussen de interbankeninterest en de Amerikaanse prime rate (de interest die de banken in de Verenigde Staten aanrekenen aan hun beste klanten). Elke bank werkt met twee noteringen: de interest die ze wil betalen om een deposito van een collega te aanvaarden (de bid rate) en degene die ze voorstelt als ze zelf een deposito wil plaatsen bij een andere bank (de offered rate). Elke dag wordt in Londen een soort referentietarief bepaald, de zogenaamde London Interbank Fixing. Deze fixing is het rekenkundig gemiddelde van de bid en offered rates voor een deposito van 10 miljoen dollar van 5 banken die zeer actief zijn op de interbankenmarkt (de National Westminster Bank, de Bank van Tokyo, de Deutsche Bank, de Banque Nationale de Paris en de Morgan Guaranty Trust). Elke dag worden dus twee tarieven vastgelegd: de London Interbank Bid Rate en de London Interbank Offered Rate. Het tweede tarief, in het jargon Libor geheten, is bepalend voor de interest die de banken aanrekenen voor internationale leningen buiten de interbankenmarkt. De Libor is de terreur van de Derde Wereldlanden.

Steeds sneller, steeds hoger

Het grote pluspunt van het bestaan der xenovalutamarkt voor de banken is dat er geen enkele vorm van overheidscontrole wordt uitgeoefend. De totale afwezigheid van regulerende voorschriften ontslaat hen van de verplichting om in de transacties die op deze markt tot stand komen enige reserve aan de dag te leggen: elke gedeponeerde dollar, yen of mark wordt uitgeleend. De potentiële winstmarge op de xenovalutamarkt is dus groter dan op de binnenlandse geldmarkt, waar de verschillende centrale banken waken over het aanhouden van de vastgelegde verhoudingen tussen kapitaal, reserves en activa.

Dit verklaart ook de explosieve groei van de zogenaamde ‘off shore’-centra, zoals de Caymaneilanden, Nassau, Singapore, Luxemburg, de Bahamas, Panama en de Nederlandse Antillen, waarvan de financiële betekenis in geen enkele verhouding staat tot hun economisch gewicht. Het zijn overwegend kunstmatige en zelfs fictieve steunpunten voor de internationaal opererende banken, die gebruik maken van de uiterst liberale plaatselijke wetgeving op het vlak van monetaire controle en bankgeheim.

Maar deze aantrekkelijke situatie vormt ook de bron van het enorme risico dat de xenovalutamarkt uitmaakt voor het internationale financiële systeem en in tweede instantie voor de globale kapitalistische economie. Door de snelheid waarmee de enorme geldstromen zich verplaatsen heeft niemand een precies beeld van de ontwikkelingen die zich voordoen. De ‘dealers’ die op de interbankenmarkt en in de valutahandel actief zijn hebben geen tijd om de hen toegespeelde informatie te controleren of nauwkeurig te interpreteren: ze reageren automatisch volgens een aangeleerd reflexenpatroon op de stimuli (in bankkringen spreekt men trouwens van het ‘kudde-instinct’).

De beschrijving die Steven Bell en Brian Kettell in hun Foreign Exchange Handbook geven van de infrastructuur en de werkomstandigheden, zegt voldoende over de zenuwslopende intensiteit van het bedrijf: “Het communicatiesysteem in een valutahandelscentrum zoals Londen is zeer gesofistikeerd. Op het bureau van een handelaar kan men een Reuterbeeldscherm, een Quotronbeeldscherm, een telex en een gecomputeriseerd telefoonsysteem aantreffen. De hoofddealer kan ook een Teleratescherm hebben terwijl nog eens zo’n scherm aan het plafond hangt zodat iedereen in de kamer het kan zien. Het Reuter videoscherm heeft pagina’s die geleverd worden door de banken en handelshuizen, waarop 24 uur op 24 actuele marktinformatie wordt doorgegeven. In New York heeft het systeem twee subsystemen: Monitor I en Monitor II. Monitor I wordt doorgeseind langs de telefoonlijn en toont één marktpagina op 12 lijnen. Wanneer bv. Europa ‘open’ is, kan één handelaar Zwitserse Bank, Bazel in het oog houden (4 contante valutanoteringen). Wanneer het moment is aangebroken om te verhandelen, komt het Monitor II-systeem in werking, dat via de kabel functioneert. Dit heeft een gesplitst scherm dat toegang geeft tot 3 pagina’s tegelijkertijd, één met 3 en twee met 6 lijnen. Indien een klant een transactie wenst te verrichten in sterling, kan een handelaar Barclays, Londen (dat op zijn bovenste lijn sterling toont) oproepen en daaronder Zwitserse Bank, Bazel (contante sterlingnotering en contante Duitse mark, Zwitserse frank en yen). Een handelskamer met 5 Reuterschermen kan aldus 15 stellen noteringen tegelijk tonen. De beslissingen worden genomen naarmate de markten zichtbaar schommelen.

De Telerate, aanvankelijk ontworpen om informatie te verschaffen over de US-interestvoetmarkten, geeft thans ook valuta- en grondstoffenprijzennoteringen. Het volgt de acties van de Fed op de voet en is doorgaans de eerste om Fed-activiteiten op de markt te signaleren. De Quotron, een grondstoffen- en beursnoteringsysteem, bestaat uit twee delen. Het eerste toont grondstoffennoteringen (vorige sluitingskoers, openingskoers, hoge, lage en laatste koersen) voor 16 grondstoffen op elke pagina. Er zijn 4 pagina’s: 64 grondstoffencontracten kunnen tegelijk in het oog worden gehouden. Het tweede deel geeft de laatste verhandeling voor 15 grondstoffen en de Dow Jones-nieuwsdienst. Dit gedeelte wordt gebruikt wanneer men belangrijk financieel nieuws verwacht.

Het simultaan spreken over verschillende telefoons is nu uitgegroeid tot een echte kunst. Elke handelaar kan een vertikaal schakelbord met 60 lijnen hebben, waarvan de meeste verbonden zijn met marktmakers en beurzen. Door de hoorn op te nemen en op een knopje te drukken, activeert de handelaar een signaal dat de klant onmiddellijk vertelt wie opbelt. Elke banktelefoon heeft een gesplitst systeem zodat twee hoorns tegelijk kunnen gebruikt worden zonder dat de tegenpartijen weten dat er twee gesprekken worden gevoerd. Een handelaar kan tegelijk 3 banken in het oog houden op zijn gesplitst scherm, met twee ervan een gesprek voeren en naar de derde telexen. Men kan conferenties houden, waarbij verschillende personen met elkaar spreken.” (pp. 10-11)

Door de techniek van geografische spreiding functioneert de internationale geldmarkt 24 uur op 24. De openingstijden van de belangrijkste 7 centra op de Europese, Amerikaanse en Aziatische continenten overlappen mekaar keurig, zodat er op elk tijdstip van een etmaal telkens een doorschuifmogelijkheid bestaat. Deze overlapping wordt duidelijk wanneer we de openingsuren uitdrukken in de Greenwich Mean Time:

Opening Sluiting
Londen   8.30 uur 16.30 uur
New York 13.00 21.30
Los Angeles 16.00 24.00
Hong Kong 00.00   9.30
Singapore 00.30 10.30
Bahrein   4.30 10.00
Frankfurt   7.30 16.00

Met de Los Angeles-Hongkong-connectie zit men wel een beetje krap maar om Humphrey Bogart te parafraseren: “We’ll always have Sydney”.

Op een dergelijke markt, die letterlijk met de snelheid van het licht evolueert, neemt de rol van geruchten uiteraard buitensporig toe. Bovendien blijft er geen tijd over om de voortdurende informatiestroom op een enigszins afstandelijke manier te interpreteren. In de internationale geldzee gedragen de handelaars zich als een kudde walvissen. De kans op irrationele reacties neemt toe naarmate het systeem zich ontwikkelt. En wanneer één of andere kudde aanspoelt op het strand kunnen de nationale monetaire en politieke autoriteiten proberen om de slachtoffers terug in zee te drijven. Zoals het voorbeeld van Continental Illinois aantoonde kan dat soms veel geld kosten.

Een bank gaat over kop

Ik heb het tv-feuilleton De Bankiers viermaal gezien. Het is een boeiend fresco rond de strijd tussen Kirk Douglas en Christopher Plummer om de directeurszetel van een grote Californische bank. Nadat de oogverblindende Joan Collins (de boze Alexis uit Dynasty) erin slaagt om op de haar gans eigen wijze het overontwikkelde superego van Plummer aan diggelen te neuken, wordt deze door de diabolische Lorne Greene (‘Pa’ Cartwright uit Bonanza) meegesleurd in een gigantische zwendelzaak, die aanvankelijk veel geld belooft op te brengen en dus door de beheerraad van de bank (minus Douglas) enthousiast wordt gesteund. 1-0 voor Plummer. Wanneer de zwendel aan het licht komt, stort Plummer zich, in een dramatische opflakkering van schuldbesef over de schade die hij de bank berokkend heeft, van het dak van de geldbuilding en komt aldus ook letterlijk ten val. Wat niet betekent dat Douglas het makkelijk heeft: een waanzinnige vrouw, een semi-clandestiene relatie met een linksachtige advocate, voortdurende conflicten met de door zijn vriendin gesteunde minder bedeelde zwarte en Mexicaanse bevolkingsgroepen en als klap op de vuurpijl een heroïsche interventie, wanneer een toeloop ontstaat op één van de filialen na het bekend raken van de moeilijkheden die Plummer veroorzaakt heeft. Douglas snelt met massa’s poen naar de brandhaard, springt op een bank (!) die zich vóór het filiaal bevindt en overtuigt de samengetroepte kleine spaarders hun geld niet af te halen. De bank is gered.

In 1982 beginnen de zaken mis te lopen voor de Continental Illinois Bank uit Chicago. Gedurende de zeventiger jaren had ze zich sterk ontwikkeld en was ze haar rivale, de First Chicago, voorbijgestreefd. Ze werd de grootste kredietverstrekker aan handel en industrie in de Verenigde Staten en kwam terecht op de achtste plaats van de binnenlandse bank-toptien. De dubbele olieschok (1973 en 1978) had twee gevolgen: enerzijds een enorm aanbod aan petrodollars vanwege de olieproducerende landen en anderzijds de mogelijkheid om door de aanzienlijke prijsstijging van de aardolie, minder rendabele bronnen winstgevend te maken. Continental Illinois deed geestdriftig mee. De deposito’s van de oliemagnaten werden gedraineerd naar de binnenlandse energiemarkt. Maar op het moment dat de prijzen begonnen te dalen door een wijziging in de vraag-aanbodstructuur, liep het fout. Begin 1982 ging het Californische boorbedrijf Nucorp Energy, dat 270 miljoen dollar geleend had van Continental Illinois, bankroet en ook de 200 miljoen dollar die geleend waren aan de Amerikaanse vestigingen van de Canadese oliemaatschappij Dome Petroleum moesten afgeschreven worden. Het bankroet van de Penn Square Bank uit Oklahoma City, in juli, was de zwaarste slag: Continental Illinois had voor meer dan 1 miljard dollar aan onderparticipaties in olieleningen van de Penn Square in haar portefeuille. De combinatie van deze blunders met de klassieke reeks twijfelachtige leningen in Latijns-Amerika ondermijnden het vertrouwen van de klanten. Zelfs het acteurstalent van Kirk Douglas zou hier tekort geschoten hebben want het overgrote deel van de deposito’s in de bank is afkomstig van grote beleggers (andere banken, pensioenfondsen, de grondstoffenbeurs van Chicago...).

Op donderdag 10 mei 1984 geven C.T. Connover, de Comptroller of the Currency, één der hoogste Amerikaanse monetaire autoriteiten en David Taylor, directeur van de Continental Illinois, elk afzonderlijk een verklaring uit, waarin de geruchten over ernstige moeilijkheden bij de bank worden tegengesproken. Daarmee wordt de grootste bankcrisis sinds de depressie van de dertiger jaren openlijk aangekondigd. Iedereen weet immers dat dergelijke verklaringen in feite het tegendeel betekenen van wat er in gezegd wordt. Nog dezelfde dag zakt de beursnotering van Continental Illinois, die in de voorafgaande 12 maanden reeds 50 % had moeten prijsgeven, naar een nieuw dieptepunt van ongeveer 12 dollar (een maand later zal de koers rond 4 dollar schommelen).

De volgende dag moet de Federal Reserve Board of Chicago (de Centrale Bank van de staat Illinois) 4 miljard dollar aan gereed geld verstrekken om haar deuren open te kunnen houden, maar dit blijkt onvoldoende om de bloeding te stelpen. Tijdens het weekeinde worden op verschillende plaatsen crisisvergaderingen gehouden met het doel de volledige ineenstorting van Continental Illinois te voorkomen. Een regelrechte crash zou niet alleen het Amerikaanse maar het ganse internationale financiële systeem in gevaar brengen.

Op maandag 14 mei kondigt de Morganbank, de meest prestigieuze van alle Amerikaanse financiële instellingen, aan dat een groep van 16 banken een krediet van 4,5 miljard ter beschikking stelt van de noodlijdende collega.

Ook deze opmerkelijke uiting van solidariteit kan het tij niet keren en juist één week na de verklaringen van Connover en Taylor over de ‘ongegronde geruchten’, heeft Continental Illinois reeds 9 miljard dollar op een depositototaal van 28,3 miljard moeten terugbetalen.

Het is duidelijk dat zonder overheidsingrijpen de bank niet kan standhouden. De Federal Deposit Insurance Corporation (FDIC), de officiële depositoverzekeringsinstantie, zorgt, samen met enkele banken, voor een kapitaalinjectie en garandeert, in uitdrukkelijke tegenstelling met haar tot dan toe gevoerde politiek om slechts deposito’s tot 100.000 dollar te dekken, “dat alle maatregelen zullen getroffen worden die noodzakelijk blijken voor een blijvende oplossing, dat alle depositohouders en andere algemene schuldeisers van de bank volledig zullen beschermd worden en dat de dienstverlening van de bank aan de klanten niet onderbroken zal worden”. Bovendien stelt de Federal Reserve Board zich de facto garant voor de bank. De groep van 16 wordt uitgebreid en trekt zijn krediet op tot 5,5 miljard. Door dit drastisch ingrijpen wordt een acuut bankroet vermeden en elk mogelijk sneeuwbaleffect wordt door een massale stroom dollars weggesmolten.

Maar het vertrouwen in de bank is definitief ondermijnd, en blijkbaar méér dan het ‘vertrouwen’ alleen. De opeenvolgende kandidaat-ondernemers trekken zich, na een onderzoek van de boeken, één na één terug.

De knoop moet dringend doorgehakt worden. Op donderdag 26 juli kondigt William Isaacs, voorzitter van de FDIC, op een druk bijgewoonde persconferentie in Washington aan dat zijn organisatie de facto de bank overneemt via een gecompliceerde operatie: méér dan 4,5 miljard dollar aan problematische leningen worden overgekocht voor een bedrag van 3,5 miljard; om de minderopbrengst voor Continental Illinois van 1 miljard te compenseren, brengt de FDIC een gelijk bedrag in, in ruil voor niet-stemgerechtigde aandelen. Daarenboven garandeert de FDIC dat “indien om welke reden dan ook, het permanente financiële bijstandspakket ontoereikend mocht blijken, ze bijkomend kapitaal of andere vereiste vormen van bijstand zal verschaffen”.

Het is een interessant detail dat de FDIC de problematische leningen van Continental aan een aantal Latijns-Amerikaanse landen niet overneemt: officieel om de overheid niet als schuldeiser van buitenlandse regeringen te laten optreden, maar in werkelijkheid om te vermijden dat de werkelijke ‘prijs’ van deze kredieten de andere Amerikaanse banken in problemen zou brengen. Ze beschikken immers allemaal over zo’n sterk overgewaardeerde portefeuille. Iedereen weet dat de keizer naakt rondloopt, maar niemand mag het zeggen.

Op de persconferentie houdt Isaacs hardnekkig vol dat Continental niet genationaliseerd wordt. Hij verklaart: “Continental Illinois is een bank die behoort tot de privé-sector, met een belangrijke investering van de FDIC, die volledig gefinancierd wordt door de bankgemeenschap. Mijn definitie van nationalisatie is, dat een regering met het geld van de belastingbetaler een instelling overneemt, beheert en controleert.” Dit slaat nergens op: de onbeperkte overheidsgarantie engageert wel degelijk de belastingbetaler. De preferente-aandelen kunnen te allen tijde omgezet worden in gewone aandelen en vormden dan een meerderheid van 80 %.

De vakpers weet wel beter. De Financial Times van 30 juli schrijft: “De massale redding, ondernomen om de veiligheid en de gezondheid van het banksysteem te beschermen, is een betekenisvolle wijziging van de op het ‘zwemmen of verdrinken’-principe gebaseerde economische filosofie van de Reagan-administratie, die duidelijk verlegen zit met de hele zaak. Het hoeft dan ook geen verwondering te wekken dat het Witte Huis zich zoveel mogelijk van de Continental-affaire tracht te distantiëren, een strategie die vorige week uitgroeide tot een farce, toen de heer Donald Regan, Minister van Financiën, het reddingsplan dat sommige medewerkers en collega’s van hem hadden opgezet, openlijk bekritiseerde.”

De lotgevallen van Continental Illinois tonen aan dat onder het bewind van de Reagan-administratie, die geleid wordt door fervente verdedigers van de vrije markteconomie, de ‘ontvetting’ van de staatsbureaucratie en het terugschroeven van de overheidsinterventie, alle ideologische principes in één klap verdwijnen wanneer de pijlers van het kapitalistische systeem beginnen te wankelen. Terwijl voor de kleinere banken geen genade geldt en de depositohouders verzekerd zijn tot een bedrag van ‘slechts’ 100.000 dollar, gelden deze regels niet voor de financiële giganten. In werkelijkheid zijn ze stuk voor stuk potentieel genationaliseerd. De Citibank, de Bank of America zullen evenmin als de Deutsche Bank of de Midland Bank ooit bankroet gaan. Ze beschikken over een gigantische verzekeringspolis waarop ze geen premie betalen: zolang de zaken goed gaan blijven de winsten geprivatiseerd, als het misloopt worden de verliezen gesocialiseerd. En u mag eens raden wie dat uiteindelijk betaalt.

- Op 28 april 1980 maakte de FDIC een financieel bijstandplan ten belope van 1,5 miljard dollar bekend voor de First Pensylvania Corporation, de oudste handelsbank van het land en de 23ste op de ranglijst. De bank kwam in moeilijkheden na zware verliezen op haar obligatieportefeuille. De FDIC stelde 325 miljoen en 26 commerciële banken 175 miljoen dollar ter beschikking.

- Sinds het midden van de zeventiger jaren had de Penn Square Bank uit Oklahoma haar activa met 15 vermenigvuldigd, voornamelijk door kredietverlening aan plaatselijke olie- en gasmaatschappijen. Bovendien had ze nog eens voor 2 miljard dollar riskante energieleningen verkocht aan andere banken, waaronder Continental I1linois en Seafirst. De bank ging op 5 juli 1982 bankroet.

- Het faillissement van de United American Bank uit Tennessee op 15 februari 1983 was te wijten aan een foutieve kredietpolitiek en opzettelijke vervalsing van de boekhouding. De eigenaar, Jake Butcher, die twee maal kandidaat was voor het gouverneurschap van de staat Tennessee, bezat een imperium van 40 banken en spaarkassen, waarvan er in de loop van 1983 zeven bankroet gingen.

- Op 23 april 1983 nam de Bank of America de Seafirst Bank, de 29ste bank van de Verenigde Staten met activa van 9,6 miljard dollar, over voor een bedrag van 400 miljoen dollar. Seafirst was in zware financiële problemen geraakt wegens dubieuze energieleningen, deels te wijten aan haar betrekkingen met de Penn Square Bank. De bank leed een verlies van 91,2 miljoen dollar in 1982 en van 456,2 miljoen in 1983.

- Het tweede grootste bankfaillissement uit de geschiedenis van de Verenigde Staten deed zich voor op 14 oktober 1983, toen de First National Midland Bank met activa van 1,4 miljard dollar ten onder ging ingevolge belangrijke verliezen op energieleningen.

Het aantal faillissementen in de Amerikaanse bankwereld is in de afgelopen 5 jaar gestadig gestegen: 7 in 1978; in 1979, ‘80 en ‘81 telkens 10; in 1982 42; in 1983 48 en in 1984 79. Eind 1984 stonden 817 banken op de probleemlijst van de FDIC, meer dan tweemaal zoveel als eind 1982. De voornaamste redenen voor de faillissementen waren de problemen in de energie- en de landbouwsector en de ineenstorting van de onroerend goedsector in het begin van de jaren ’80.

Een reisje naar Zwitserland: “The sound of money”

Op 20 mei 1984 stemden 1,7 miljoen Zwitsers over een voorstel om de 50 jaar oude wet op het bankgeheim een weinig af te zwakken. Het initiatief voor deze volksraadpleging ging uit van de sociaaldemocratische partij en het werd gesteund door de vakbeweging, een aantal kerkelijke organisaties en een tiental, in de ‘Aktion Finanzplatz Schweiz — Dritte Welt’ samengebundelde groepen die actief zijn op het vlak van de ontwikkelingshulp. De voornaamste voorgestelde hervorming was de verplichting voor de bankiers om informatie te verstrekken in geval een onderzoek zou worden ingesteld naar belastingontduiking of naar inbreuken op de wisselcontrole van een ander land. Het voorstel werd verworpen met een meerderheid van 73 %, de financiers uit Zürich en Genève haalden opgelucht adem en konden zich opnieuw aan ernstige zaken wijden.

Waaruit bestaat het beruchte Zwitserse bankgeheim, dat van het land van Willem Tell, Henri Dunant en Suchard één van de belangrijkste draaischijven maakt van het internationale geldcircuit? In de meest strikte betekenis gaat het terug tot de ‘Federale wet op de banken en de spaarkassen’ van 8 november 1934, en meer in het bijzonder het belangrijke artikel 47 in die wet, dat een maximumstraf van 6 maanden of een geldboete van 50.000 Zwitserse frank voorziet voor degene die “een hem toevertrouwd geheim” onthult. Deze bepaling geldt niet alleen voor de bankdirectie en het personeel maar ook voor de bankrevisoren, de leden van de controle-instanties en zelfs voor “hem die een ander ertoe aanzet het beroepsgeheim te schenden”. Ze is ook van toepassing indien de betrokkene zijn functie niet langer uitoefent en aangezien de bescherming van het bankgeheim onder het strafrecht valt, is de openbare aanklager verplicht om een onderzoek in te stellen en eventueel te vervolgen op basis van hem bekende inlichtingen, zelfs wanneer geen klacht wordt neergelegd.

In zijn boek Une Suisse au-dessus de tout soupçon schrijft Jean Ziegler: “Het omgaan met geld heeft in Zwitserland een bijna sacramenteel karakter. Het geld bewaren, ontvangen, tellen, oppotten, speculeren, helen, zijn activiteiten die sinds het moment van de eerste vlucht (van de gegoede, protestantse Franse en Italiaanse burgerij naar Genève, na de herroeping van het Edict van Nantes in 1685), bekleed zijn met een quasi ontologische verhevenheid. Geen enkel woord mag een zo edele activiteit bezoedelen. Ze voltrekt zich in bezinning, in stilte. Wie de zonde begaat om te veel te spreken, ontheiligt haar. Een dergelijk heiligschennis wordt door de wet gestraft” (p. 54).

De wet van 1934 werd door het parlement aangenomen om de Duitse joden te beschermen die hun bezit probeerden te redden van de plundering door het Hitler-regime. Nazi-agenten in Zwitserland trachtten op alle mogelijke manieren de namen van de rekeninghouders te bemachtigen. Daarom werd een zo goed als waterdicht systeem uitgewerkt onder de vorm van de nummerrekening, waarbij de identiteit van de eigenaar slechts aan een selecte groep van bankkaders bekend is, en een absolute zwijgplicht tegenover derden. In 1945 was het grootste deel van de Duitse joden uitgemoord, maar hun geld stond nog op de bank en wierp jaar najaar vruchten af. Vanaf 1952 ondernam het Jewish Agency vergeefse pogingen om 1 miljard Zwitserse frank te recupereren en een aantal overlevende familieleden vingen eveneens bot. In september 1974 werd het dossier van de buitenlandse deposito’s, die dateerden van vóór 1945, definitief afgesloten: de oproep van de regering om de tegoeden vrijwillig aan te geven bij de ‘Meldingsdienst voor het vermogen van verdwenen buitenlanders’ leverde een schamele 2 miljoen frank op.

Maar ondertussen hadden reeds vele anderen de discrete charmes van het Zwitserse bankgeheim ontdekt.

In augustus 1944 werd in het Straatburgse hotel ‘Maison Rouge’ een geheime conferentie gehouden, waaraan vertegenwoordigers van de Duitse industrie, van het Ministerie voor Bewapening en van de Veiligheidsdienst (SD) deelnamen. Deze verlichte geesten hadden begrepen dat het Duizendjarige Rijk niet lang meer zou standhouden en ze namen de beslissing om een deel van het Duitse kapitaal naar veiliger oorden over te hevelen. Niet weinig hoge functionarissen van het nazi-apparaat kwamen gedurende de laatste oorlogsmaanden op hetzelfde idee. De exacte omvang van de bedragen die aldus in de Zwitserse bankkluizen belandden, is steeds een mysterie gebleven. Na de oorlog raamde de Pravda het nazi-kapitaal in Zwitserland op 2 miljard dollar. De Amerikanen, die het geld opeisten in het kader van de herstelbetalingen, maakten aanspraak op 750 miljoen dollar. Ook hier werd slechts een minieme fractie gerecupereerd.

Een aanzienlijk deel van die fondsen werd door honderden nazi’s gebruikt om, vooral in Latijns-Amerika, een nieuw leven te beginnen. De Argentijnse dictator Juan Peron verrijkte zich op schandelijke wijze door hen in de periode 1945-48 naturalisaties te verkopen. Deze dienstverlening leverde hem 100 miljoen dollar op. Toen hij in 1955 door de militairen werd afgezet, kon hij in Europa een uiterst comfortabel leven leiden dank zij dit fortuin dat hij... bij de Zwitserse banken had geplaatst.

In 1975 maakte een groep linkse militairen een einde aan de heerschappij van Haile Sellassie. Gedurende zijn 44-jarig bewind hadden de Ethiopische keizer en de heersende kaste rond hem, 15 miljard dollar naar het buitenland gesluisd. De correspondentie van de ‘Leeuw van Abbessinië’, die in zijn paleis werd gevonden, bevatte een brief van een Zwitserse bank, waarin hem beleefd gevraagd werd voorlopig geen nieuwe goudzendingen te verrichten omdat de beschikbare stapelruimte geheel vol zat.

In januari 1981 publiceerde de Braziliaanse krant Hora de Povo, een geheime, door de CIA opgestelde lijst van 152 vooraanstaande personen die een bankrekening in Zwitserland hadden: het globale bedrag van hun deposito’s beliep ongeveer 14 miljard dollar.

De grote Zwitserse banken zijn niet alleen ‘passieve’ ontvangers van vluchtkapitaal, ze voeren ook een actieve politiek om het binnen te halen. In het geval van Latijns-Amerika vormt Panama de tussenschakel in de overwegend illegale gelduitvoer naar de rijke landen. De ‘Société de Banque Suisse’ beschikt in dat land over de ‘Union Bank of Switzerland, Panama, Inc.’ en de ‘Union des Banques Suisses’ doet er andermans duiten in haar zakje via de ‘Sociedad de Banca Suissa’.

De Zwitserse wetgeving beschouwt de belastingontwijking niet als een misdrijf en de banken zijn niet verplicht om inlichtingen te verstrekken wanneer hierover door buitenlandse diensten een onderzoek wordt gevoerd. Belastingontduiking is wél strafbaar en kan dus aanleiding geven tot het opheffen van het bankgeheim, maar het concept ‘ontduiking’ wordt op een zeer beperkte manier geïnterpreteerd: er moet vervalsing van documenten mee gemoeid zijn en voor de Zwitserse wet is een belastingaangifte géén document. In de praktijk gebeurt er dan ook bijna nooit iets.

In tegenstelling tot vele andere landen is in Zwitserland ‘insider trading’ toegelaten. ‘Insider trading’ houdt in dat personen, die door hun positie in banken of bedrijven op de hoogte zijn van feiten (fusies, overnamebod...) die aanleiding geven tot een plotse stijging van de aandelenwaarde, gebruik maken van deze insiderinformatie om vóór de bekendmaking te kopen. Vooral met de Verenigde Staten ontstaan voortdurend conflicten omdat de Securities & Exchange Commission, die de beursactiviteiten controleert, hiertegen streng optreedt. Sinds 1981 probeert de SEC de namen los te krijgen van de personen die gebruik maakten van Zwitserse banken om méér dan 6 miljoen dollar te verdienen met het opkopen van Santa Fe International Corporation-aandelen, net vóór de fusie van deze onderneming met de Kuwait Petroleum Corporation. Ondanks het sluiten van een ‘inside-trading’-conventie met de VS in 1982, hebben de banken, gedekt door het Zwitserse Federale Gerechtshof, tot nu toe geweigerd om de identiteit van de wetsovertreders bekend te maken...

De clandestiene oorlog tussen de Franse douanediensten en de Zwitserse overheid rond het identificeren van belastingontduikers, haalt geregeld het nieuws. In 1980 werden twee Franse ambtenaren in Bazel het slachtoffer van een door de Zwitserse politie opgezette provocatie: ze werden beschuldigd van ‘economische spionage’ en zaten wekenlang in voorarrest. In de herfst van 1983 onthulde een Franse douanebeambte, Patrice Cahart, dat zijn diensten in het bezit waren geraakt van een lijst met de namen van duizenden Franse burgers die illegale rekeningen in Zwitserland hadden. Cahart zei dat de lijst was verkregen door het samenvoegen van computergegevens, tips van (omgekocht) bankpersoneel en een ‘algemeen netwerk’ dat in Zwitserland opereert. Een commissie van het Franse parlement schatte dat de Fransen in totaal 4 miljard dollar hadden geplaatst op 50.000 rekeningen.

Voor de rest is alles in orde...

Het bankgeheim, in een ruimere betekenis, houdt in dat de Zwitserse wetgeving de banken toelaat om ook bijzonder weinig gegevens over zichzelf aan de openbaarheid prijs te geven. Geconsolideerde balansen zijn nagenoeg onbestaande, zodat het onmogelijk is om inzicht te krijgen in de verrichtingen van buitenlandse vestigingen. Het aanleggen van geheime reserve