Henriette Roland Holst - van der Schalk
De revolutionaire massa-actie
Hoofdstuk 6


De massa-actie gedurende de opkomst van het imperialisme

1. De massa-actie in de Russische revolutie van 1905

Uit de West-Europese atmosfeer van sociaaldemocratisch verval, van politieke verburgerlijking en geloof in mechanische opeenhoping van krachten, komen wij thans in de heroïsche sfeer waarin het Russische proletariaat zijn roemrijke, onvergelijkelijke strijd heeft gevoerd tegen het absolutisme.

De Russische revolutie ontsluit aan het internationale proletariaat een nieuw perspectief en opent een nieuw tijdperk in de massa-actie. Want in deze laatste burgerlijke revolutie gebruikt het proletariaat voor de eerste maal zijn eigen strijdmethode, gebruikt haar in zo brede omvang en met zo grote kracht als op nationale basis mogelijk is.

Het is de strijdmethode van de massale staking, het wapen voorbeschikt om een beslissende rol te spelen in de proletarische eindstrijd.

Was de Commune, naar het woord van Marx, de roemrijke voorbode geweest van de komende maatschappij, de Russische revolutie van 1905 was de roemrijke voorbode van de sociale revolutie.

In zoverre een burgerlijke omwenteling dat alle klassen, met inbegrip van het proletariaat, in haar niet anders konden dan strijden voor de vervanging van de autocratie door een burgerlijke staatsorde, was de revolutie van 1905 tevens toch onder een zekere gezichtshoek, een proletarische omwenteling. Zij was dit, ten eerste omdat het proletariaat in haar de meest strijdbare en meest bewuste macht vormde, die op het hoogtepunt van de revolutionaire ontwikkeling zelfs zijn eigen strijdmethoden opdrong aan andere revolutionaire groepen, met name aan het intellect. Zij was dit ten tweede omdat, naar mate de revolutionaire beweging zich verdiepte en verbreedde, de strijd van het proletariaat meer en meer naast de gewone, burgerlijke vrijheden en rechten ook sociale verbetering, sociale verlossing tot inzet kreeg, dat is verlossing van de uitbuiting door het kapitaal.

Wij kunnen hier niet ingaan op de vele factoren historische, economische, politieke, sociaalpsychologische — die te samen de Russische omwenteling van 1905 hebben gevormd. Wij moeten ons bepalen tot enige opmerkingen over de rol van de industriële ontwikkeling, die de economische voorwaarden schiep tot de massale staking als revolutionair strijdmiddel.

Eerst na de Krimoorlog begint in Rusland de kapitalistische productiewijze zich krachtig te ontwikkelen. De eerste voorwaarde tot deze ontwikkeling vormt de bevrijding van de boeren, waartoe na de grote militaire nederlaag in de Krimoorlog de staat noodgedwongen in 1863 overgaat.

Voor Rusland begint daarmee een nieuwe economische periode, gekenschetst door “de snelle opeenhoping van de ‘vrije’ arbeid, de koortsachtige bouw van spoorwegen, de aanleg van havens, de onophoudelijke toevloed van buitenlands kapitaal, de Europeanisering van de industriële techniek, de vergemakkelijking van het krediet, de vermeerdering van de naamloze vennootschappen, de invoering van de goudstandaard, het dolste protectionisme en de lawineachtige groei van de staatsschuld”. (Trotski).

In deze hele economische ontwikkeling, die in de jaren ‘90 een bijzonder intensief tempo aannam, speelde het West-Europese kapitaal een grote rol. Zo het al een aanzienlijk deel van de Russische staatsschuld opslorpte — het zette tevens een deel van die buit om in aandelen, in Russische mijnen, spoorwegen en industrieondernemingen. Zo werd de Russische grootindustrie tot een kolonie van het West-Europese kapitaal, de Russische productie tot een onderdeel van het Europese productieorganisme.

In direct verband tot de rol door het Europese kapitaal bij de ontwikkeling van de Russische industrie gespeeld, staat het feit dat deze in de gewichtigste bedrijven als grootindustrie ter wereld kwam. De reusachtige metaalfabrieken bv., door West-Europees kapitaal in Zuid-Rusland opgericht, werden in de regel kant en klaar uit Amerika ingevoerd. In sommige opzichten zwak en achterlijk, door ultraprotectionisme en staatsbestellingen gesteund en groot gekweekt, vertegenwoordigt de Russische industrie in andere opzichten, bv. wat de grootte van de bedrijven aangaat, van haar geboorte af een hoge vorm van kapitalistische ontwikkeling. En deze omstandigheid maakte de sprongsgewijze vooruitgang en het stoutmoedige optreden van de arbeidersklasse mogelijk.

De uiterst snelle aanwas van een aantal industriesteden als Moskou, Odessa, Rostow, Bakoe, Tiflis en vele andere, roept niet alleen het beeld op van de industriële revolutie, die zich in Engeland omstreeks 1800 voltrok, maar ook dat van de hedendaagse ontwikkeling in de Verenigde Staten van Noord-Amerika.

In de loop van enkele tientallen jaren schiep het Europese kapitaal de Russische industrie, en de Russische industrie schiep op haar beurt de huidige steden, waarin de voornaamste productieve functies door het proletariaat worden vervuld.

Naar alle waarschijnlijkheid was de concentratie van de arbeiders in Rusland bij het begin van de 20ste eeuw verder gevorderd dan zelfs in Duitsland en België: driekwart van alle arbeiders werkten er reeds in de groot- en reuzenbedrijven. Volgens de volkstelling van 1897 bedroeg het aantal loonarbeiders in dat jaar 9.300.000, waarvan ruim één derde deel in de fabrieken en mijnen en aan de spoorwegen werkzaam was. De sterke concentratie en het economische sociale belang van deze bedrijven maken het verklaarbaar, dat de in hen werkzame arbeiders ondanks hun in verhouding tot de bevolking gering aantal, in de revolutie een leidende rol vervulden.

Zodra de Russische arbeidersklasse tot bezinning ontwaakte, vond zij een sterk geconcentreerde staatsmacht tegenover zich en een niet minder sterk geconcentreerde industrie, die bij haar streven naar onbegrensde exploitatie van de arbeiders kon rekenen op krachtige steun van de staat.

De sociale toestand van het proletariaat was boven alle maat ellendig. Lage lonen en lange werkuren sloopten zijn kracht, het leefde in kelders en krotten opeengehoopt, door drankzucht verdierlijkt, door epidemieën geteisterd. In vele streken heerste het trucksysteem; alom ontstal een schandelijk boetenstelsel aan de slecht betaalde arbeiders jaarlijks honderdduizenden roebels. Een erfstuk van de lijfeigenschap waren de talrijke mishandelingen van de arbeiders in de fabrieken, vaak ook moesten zij zich onderwerpen aan visitatie aan de lijve en dergelijke mensonwaardige, behandelingen.

Het ontbreken van alle burgerlijke vrijheden en rechten maakte voor het Russische industrieproletariaat de massastaking tot de enig mogelijke vorm van protest en verzet tegen zijn ondragelijke levensvoorwaarden. En het ruwe ingrijpen door de staatsmacht gaf aan elke massastaking een politiek-revolutionair karakter.

De eerste collectieve daad waarmee het Russische fabrieksproletariaat het toneel betreedt van het openbare leven, is de grote staking van 40.000 textielarbeiders te Petrograd in 1896. Haar aanleiding vormt de inhouding van het loon door de fabrikanten bij de kroningsfeesten ter ere van de troonsbestijging van Nicolaas II. De plotselinge uitbarsting van massaal verzet maakt door heel Rusland een overweldigende indruk, te groter om haar contrast met de dompige atmosfeer van politieke stagnatie waarin zij plaats vindt. De liberale en intellectuele kringen worden onverwacht voor het feit geplaatst dat de moderne arbeidersbeweging niet, gelijk zij meenden, een uitsluitend West-Europees verschijnsel is, maar ook in het eigen land opkomt als een nieuwe kracht.

Met behulp van massa-arrestaties wordt de beweging spoedig onderdrukt, maar reeds dit eerste verzet van het onwetende en rechteloze proletariaat noopt de regering om rekening te houden met de nieuwe vijand die zich tegenover haar verheft. Een wet wordt uitgevaardigd die een maximumarbeidsdag van 11 1/2 uur voor de industrie vaststelt, een andere die staking en aansporing tot staking met gevangenisstraf bedreigt.

Reeds haar eerste optreden bracht de arbeidersklasse in scherpe botsing met al de machtsmiddelen van het tsarisme. En bij iedere verdere economische strijd vond zij die machtsmiddelen tegenover zich. Zo moest zij spoedig inzien hoe politieke bevrijding de onmisbare voorwaarde was tot doeltreffende actie tegen de druk van het kapitaal: elke worsteling kreeg het karakter van een strijd tegen twee fronten, elke economische beweging een politieke inhoud.

Het gevaar lag voor de hand dat de Russische arbeidersklasse bij haar worsteling tegen de autocratie afhankelijk zou worden van het liberalisme. Maar voor dit gevaar behoedde haar, naast de zwakheid en halfslachtigheid van het Russische liberalisme zelf, vooral het feit dat, van het eerste opkomen van de proletarische beweging af, het marxisme deze tot geestelijke leider strekte. Ook in Rusland bewees het de ideologie bij uitnemendheid van een grootindustrieel proletariaat te zijn. Zijn voorhoede nam, dankzij de onvermoeide illegale propaganda van het socialistische intellect, de beginselen van de marxistische wetenschap in zich op met een grondigheid, waarvan de West-Europese arbeider die bijna al zijn vrije tijd aan ‘praktisch’ werk ten dienste van de beweging moest besteden, zich nauwelijks een voorstelling maken kon.

Maar de Russische sociaaldemocratische beweging onderscheidde zich niet slechts door wetenschappelijke grondigheid. Dankzij een aantal nationaal-historische, sociaalpsychologische en politieke factoren, was ook haar zedelijk peil hoger dan dat van de beweging in West-Europa. De nawerking van de communistisch-agrarische instellingen die aan de Russische gedachte en literatuur een bijzonder gehalte geeft en haar grote schrijvers bezielt tot de visie van de eenheid en broederschap van alle mensen, maakte het Russische proletariaat in hoge mate ontvankelijk voor het socialistische ideaal. Toen de arbeiders dit ideaal leerden kennen als het objectieve doel van hun eigen strijd, grepen zij het aan met religieuze geestdrift. Het sociale idealisme, niet afgesleten door de ontnuchterende werking van de dagelijkse, op louter kleine groepsvoordelen gerichte praktijk, openbaarde zich in al zijn schoonheid en kracht bij de onmenselijke beproevingen die de strijdende arbeiders en het proletarische intellect in Rusland doormaakten. Nimmer werd door aard en wezen van de strijd in zo hoge mate een elite van strijdvaardige en opofferingsgezinde idealisten aangetrokken als in Rusland geschiedde. Maar nimmer ook werd de massa zelf in hogere mate door de voorwaarden van de strijd gelouterd en gestaald. Elke deelneming aan de socialistische klassenstrijd, aan manifestatie of staking, elke poging het socialisme door het lezen van geschriften enz. te leren kennen, ja elk verkeer met socialisten betekende voor de gewonen arbeider het zich blootstellen aan arrestatie, gevangenisstraf, dwangarbeid, verbanning, en vaak aan onmenselijke mishandeling.

Het socialisme, dat aldus met opoffering van alles gediend moest worden, behield de zuivere glans van een sociaal ideaal, de beweging bleef een onbaatzuchtig gevoerde worsteling tegen wreed geweld en brute overmacht. Offervaardigheid en heldhaftigheid reinigden de zielen van kleinheid en zelfzucht, strijdbaar idealisme werd de gewone geestes- en gemoedsgesteldheid van de revolutionaire Russische arbeider.

De aanbidders van de indirecte strijdmethoden en ‘der wegen van geleidelijkheid’ bij ons, beschouwen de grote rol die de spontane massa-actie in de Russische arbeidersbeweging speelt, zeer ten onrechte als uitsluitend een gevolg van de ‘achterlijkheid’ van de sociale en politieke verhoudingen in Rusland. Zeker liggen aan het bijzondere karakter van de Russische beweging voor een deel de passieve voorwaarden ten grondslag, door de politieke druk en de industriële concentratie gegeven. Maar niet minder belangrijk is het aandeel van de actieve, sociaalpsychologische voorwaarden, dit wil zeggen de rol gespeeld door de eigenschappen en de gezindheid, die het Russische proletariaat door de aard van zijn zelfopvoeding verwierf. De nieuwe strijdmethode van de massale staking tot zo hoge ontwikkeling te brengen als dit proletariaat deed, zou zeker onmogelijk zijn geweest zonder de objectieve, historische strekkingen die het in Rusland aan het hoofd van de burgerlijke omwenteling stelden. Maar het was in niet mindere mate te danken aan de eigen aard en de activiteit van dit proletariaat zelf, aan zijn moed, zijn offervaardigheid, zijn socialistisch doorzicht.

De Petersburgse textielstaking van 1896 gaf het signaal tot een algemene beweging van de fabrieksarbeiders voor verbetering van arbeidsvoorwaarden door heel Rusland. Alle stakingen werden door militair geweld neer geslagen en eisten talrijke offers aan doden en gewonden, maar de beweging verontrustte de regering zozeer dat zij door haar agent Soebatow sedert 1901 in heel Zuid-Rusland ‘wettige’ vakverenigingen liet oprichten, ten einde het proletariaat van zelfstandige klassenorganisatie af te houden en zijn strijd te belemmeren. Hoe weinig deze bemoeiingen uitwerkten, bewees weldra de grote beweging die in 1903/04 de Kaukasus en heel het zuiden van Rusland in vuur en vlam zette.

Wanneer de regering order geeft enige honderden werkloze arbeiders uit Batoem, het centrum van de petroleumindustrie, naar hun dorpen terug te transporteren, breekt daar een staking uit waarvan de mare zich bliksemsnel door de ganse Kaukasus verspreidt en aanleiding geeft tot talrijke betogingen en sympathie stakingen. Weldra slaat de beweging ook over naar Zuid-Rusland; als protest tegen het gewelddadige optreden van de autoriteiten breken o.a. stakingen uit te Rostow, Saratow en Nisjni-Novgorod. Te Rostow voert een grote stakingsbeweging onder de arbeiders van de spoorwegwerkplaatsen, die weldra op andere bedrijven overslaat, tot onverwachte gebeurtenissen.

Dag aan dag worden openluchtmeetings gehouden, waar de redenaars in bezielende taal spreken over vrijheid en socialisme: de dageraad van de politieke bevrijding breekt aan. Gelijk het dat placht te doen, tracht het tsarisme de beweging in bloed te verstikken. Ook een staking te Kostroma wordt bloedig onderdrukt: voor het eerst poogt de massa zich tegen de troepen te verdedigen door het opwerpen van barricaden. Reeds het jaar daarna blijkt (1903), hoe elke mislukte poging de energie van de massa’s aandrijft tot groter inspanning. Opnieuw breekt in de Kaukasus de strijd uit: bij de beweging te Batoem sluiten zich Bakoe, Tiflis en geheel Zuid-Rusland aan. Te Kiev, Jekaterinoslaw, Nikolajew en Odessa is de staking feitelijk algemeen. Het verkeer staat stil, de prijzen van de levensmiddelen stijgen, er is geen gas en geen elektriciteit, de woningen worden karig verlicht door kaarsen. Maar op de straten bruist een uitbundig politiek leven: de autoriteiten voelen dat het gezag hun ontglipt. “Broederlijke omarmingen, uitroepen van verrukking en enthousiasme, vrijheidsliederen, vrolijk gelach, humor en vreugde waren verneembaar onder de duizendhoofdige menigte, die van ‘s morgens tot ‘s avonds door de straten stroomde. Men kon bijna geloven dat een nieuw, een beter leven op aarde begon.”

Overal vielen talrijke slachtoffers, vooral in Kiev. Daar was de spoorwegstaking geproclameerd geworden; om het vertrekken van treinen tegen te houden wierpen honderden zich tussen de rails. Men dreigt salvo’s op de stakers af te vuren. De arbeiders ontbloten hun borst en roepen ‘schiet’. Een salvo op de weerloze menigte doodt dertig à veertig personen, waaronder vrouwen en kinderen. De bevolking van Kiev beantwoordt deze slachting met de algemene staking. Grote betogingen vinden plaats, waarbij de doden op de schouders van hun kameraden rondgedragen worden. Het komt tot straatgevechten — in Kiev heerst de revolutie.

Ongeveer een kwart miljoen mensen namen deel aan de stakingsbeweging van 1903, die gedurende enige weken Zuid-Rusland tot een soort wonderlijke, chaotische arbeidersrepubliek maakte. Op sommige plaatsen behaalden de stakers directe voordelen, maar van oneindig groter belang dan deze was de snelle groei van de sociale en politieke bewustwording, in dit korte tijdvak van intensief openbaar leven bereikt.

De Russisch-Japanse oorlog brengt voor korte tijd de actie van de massa’s tot stilstand. In haar plaats komen ‘patriottische’ betogingen, door het officiële chauvinisme met behulp van de politie op touw gezet. De berichten van de Russische nederlagen aan de Jaloe en bij Liaojang wekken de liberale kringen uit hun verdoving: zij beginnen — het doet denken aan de actie van de Franse oppositie in de winter van 1848 — een ‘banketcampagne’, verbonden aan een adresbeweging waarin zij politieke rechten vragen, niet voor de massa, maar voor zichzelf.

Gedurende een wijl staat het liberalisme, met zijn weifelmoedigheid, zijn halfheid, zijn zelfzucht, zijn angst, op de voorgrond van het politieke leven. Maar weldra verandert het beeld. “Op de banketten verschijnen steeds vaker onrustige, radicale gestalten, die scherp en onverdraagzaam optreden; somtijds zijn het intellectuelen, dan weer arbeiders”. Tevergeefs trachten de gematigden met deze revolutionaire tot een vergelijk te komen; als zij verjaagd worden van de bijeenkomsten van de burgerlijke oppositie, wenden zij zich tot de links staande elementen uit het intellect, om deze in beweging te brengen. In Petersburg en Moskou komt het in december tot straatbetogingen van studenten, waaraan ook de voorhoede van de arbeidersaristocratie deelneemt. Onder de eigenlijke proletarische massa blijft het nog stil.

“Aan een revolutionair optreden van het volk valt niet te denken,” schrijft de Oostenrijkse journalist Hugo Ganz in het begin van de oorlog van uit Petersburg. “In Rusland bestaat nog geen revolutionair volk”, verzekert de bekende ex-marxist Peter Struve in januari 1905 in zijn orgaan De Bevrijding.

De gebeurtenissen zouden deze woorden weldra logenstraffen.

In december breekt te Bakoe weer een algemene staking uit die als een vlam door de Kaukasus slaat. Maar nog voor het bericht hiervan Petrograd bereikt heeft begint, naar aanleiding van een onbeduidend voorval: het ontslag van twee arbeiders van de Poetilovfabrieken, onder de proletarische massa’s van de hoofdstad een algemene beweging, die de inleiding vormt tot de Russische revolutie.

De 16de januari breekt de staking uit — de 20ste omvat zij 140.000 arbeiders. Naarmate de leiders van de ‘legale’ vakverenigingen de toestand minder beheersen, komen de sociaaldemocraten meer op de voorgrond; in stormachtige gemeenschappelijke beraadslagingen wordt een petitie opgesteld, die het volk de 22ste aan de tsaar zal overhandigen.

“Wij, arbeiders van Petersburg” zo begint het aangrijpende stuk, een wonderlijk mengsel van revolutionaire drang en naïef vertrouwen — “onze kinderen, onze vrouwen en onze oude hulpeloze ouders zijn gekomen, om waarheid en bescherming bij U te vinden. Wij zijn verarmd, men onderdrukt ons, men erkent ons niet als mensen, maar behandelt ons als slaven, die zwijgend hun bitter lot moeten dulden. Wij hebben het ergste gedragen, maar men stoot ons aldoor dieper in de afgrond van armoede, rechteloosheid en onwetendheid. Wij hebben geen kracht meer, o Heer. De grenzen van het geduld zijn bereikt, voor ons is het vreselijke ogenblik gekomen, waarin de dood beter is, dan het voortduren van onverdraaglijke smarten.”

De petitie somt vervolgens alle onderdrukkingen en kwellingen op waaraan de arbeiders blootstaan en gaat dan over tot de formulering van de volgende eisen: amnestie, burgerlijke vrijheid, scheiding van kerk en staat, de achturendag, en in de eerste plaats: de bijeenroeping van een Constituante op de grondslag van algemeen enkelvoudig kiesrecht.

“Zo Gij u niet stoort aan onze smeekbeden, o Heer,” aldus luidt het slot, “zullen wij hier sterven, voor uw paleis. Wij hebben slechts twee wegen voor ons — tot geluk en vrijheid of tot het graf. Wijs ons, Heer, een van beide wij zullen die gaan zonder morren, al is het ook de weg tot de dood. Moge ons leven het offer zijn gebracht aan Rusland, dat al te zeer geleden heeft. Wij zijn bereid om dat offer te brengen.”

De Petersburgse arbeiders hielden woord. Toen hun scharen, die wapens noch revolutionaire vaandels droegen, maar in plechtig zwijgen enkel heiligenbeelden en kruisen, van verschillende zijden het keizerlijke paleis trachtten te naderen, werden zij ontvangen door de geweersalvo’s van de overal opgestelde troepen. Tevergeefs weenden en smeekten de massa’s, tevergeefs trachtten zij de haag van de bajonetten te doorbreken; uren achtereen hield het geknetter van de geweren aan, uren achtereen vielen de doden en gewonden. Het aantal slachtoffers is nooit bekend geworden, heimelijk voerde de politie in de nacht de duizenden lijken weg . . . .

Het antwoord van de massa’s op de schanddaad van de autocratie was een vloedgolf van stakingen door heel Rusland. De arbeiders van al de vele naties die in het Russische rijk leven werden zich in dit uur hun eenheid bewust, een elementaire schok doorsidderde hen, zij verhieven zich tot de daad van de collectieve dienstweigering en brachten het economische en maatschappelijke leven tot stilstand. Meer dan honderd dorpen en steden, verscheiden mijncentra en spoorweglijnen namen deel aan de stakingsbeweging, die een miljoen arbeiders omvatte, twee maanden lang duurde en het gehele land meesleurde in haar werveling.

Natuurlijk braken deze stakingen evenmin uit volgens een vast plan als op hetzelfde tijdstip; alles was spontaan, verward en chaotisch, de solidariteit met het Petersburgse proletariaat vormde overal het uitgangspunt van de beweging, dit verhinderde evenwel niet dat alle mogelijke groepen van arbeiders hun eigen eisen stelden.

Daar, waar de staking door de gewelddadigheid van de machthebbers een tragisch verloop neemt — onder meer vallen te Riga en te Warschau honderden arbeiders als slachtoffers van politie en soldateska — leidt de plechtige uitvaart van de martelaars tot indrukwekkende volksbetogingen. In de Kaukasus breekt een nieuwe beweging uit waarbij de regering, aan haar tradities getrouw, de toorn van de massa’s van zichzelf poogt af te wentelen door Tartaren en Armeniërs tegen elkaar op te hitsen. Te Bakoe, te Batoem en op andere plaatsen komt het tot pogroms: als protest tegen de ophitsingspolitiek van de regering proclameren de arbeidersorganisaties opnieuw de algemene werkstaking.

In het voorjaar wordt Polen voor enige tijd het voornaamste centrum van de revolutie. Te Warschau en te Lodz staat alle arbeid stil, de stakingen groeien uit tot een gewapende opstand met barricadegevechten. Steeds erger woedt de politie en het in haar dienst staande lompenproletariaat, de stijgende verbittering van de arbeiders leidt hen tot bloedige daden van weerwraak.

In de zomermaanden beginnen de boeren in actie te komen. Agrarische troebelen breken uit in verscheiden districten van centraal Rusland, in Polen, Georgië en de Oostzeeprovincies. De boeren maken zich meester van de graanvoorraden, zij steken de huizen van de grootgrondbezitters in brand en hakken de bossen om. Strafexpedities onderdrukken deze bewegingen te vuur en te zwaard.

Maar nu begint het vuur van de opstandigheid in het leger zelf te gloeien. De matrozen van het slagschip Potemkin hijsen de rode vaan, van de rede van Odessa af trachten zij contact te krijgen met de revolutionaire arbeidersorganisaties van de stad. Helaas, de militaire opstand kwam te onverwacht: hij vindt nog geen voldoende ondersteuning. Aan de politie gelukt het om, door het lompenproletariaat geholpen, de beweging neer te slaan.

Steeds meer neemt de contrarevolutie de meest achterlijke en ontaarde delen van proletariaat en kleine burgerij in haar dienst: overal treden de ‘Zwarte honderden’ op, zij terroriseren, mishandelen en vermoorden de arbeiders, de joden en de intellectuelen. Deze beginnen zich in zelfverdediging te wapenen: “De geheime dynamietwerkplaatsen houden op enkel voor kleine terroristische groepen te produceren.”

Intussen vordert snel het revolutioneren van leger en vloot. Een nieuwe opstand van de Zwarte Zeevloot leidt tot een poging om Sebastopol te bezetten. Op het Oostzee eskader en in verschillende Russische en Poolse garnizoenen breken muiterijen uit. Vooral onder de meer ontwikkelde soldaten van de technische wapens heerst grote gisting; daarentegen blijft het grootste deel van de infanterie nog in de oude politieke stompzinnigheid gevangen; de moezjiek steekt in zijn eigen dorp het huis van de landheer in brand, maar schiet, als hij de soldatenrok heeft aangetrokken, zonder aarzelen op bevel van zijn meerderen vreedzaam betogende arbeiders neer.

De stakingsbeweging die in de eerste helft van 1905 Rusland doorbruiste, leidde tot aanzienlijke vooruitgang van het proletariaat in economisch, sociaal en intellectueel opzicht. Talrijke loonsverhogingen werden doorgezet en aanmerkelijke verkortingen van arbeidstijd behaald; in enkele gevallen gelukte het zelfs om de achturige werkdag te veroveren. In tal van bedrijven werden vakorganisaties opgericht, in de grootindustrie kwamen arbeiderscomités tot stand, die met de ondernemers op voet van gelijkheid onderhandelden. Een onlesbare dorst naar kennis, in de eerste plaats natuurlijk van politieke en economische zaken, greep de onwetende massa’s aan. Sommige revolutionaire bladen bereikten na de oktoberdagen een oplage van 600.000 exemplaren; vele socialistische boeken en brochures, originele en vertaalde, werden in miljoenen exemplaren — naar schatting ongeveer 50 miljoen gedurende de jaren 1905-06, — door het gehele rijk verspreid.

De kracht van de volksbeweging en de vernederende vrede met Japan dwongen het tsarisme tot een, meer schijnbare dan werkelijke, politieke concessie: in september verscheen het Doema ontwerp van minister Boelygin. Van revolutionaire zijde gekenschetst als “een parlement zonder parlementaire rechten, een kiesrecht zonder kiezers”, doet dit eerste teken van verzwakking van de autocratie de strijdwil van de arbeidersmassa’s onmiddellijk hoger opvlammen. Een zuiver economische staking van de Moskouse typografen, die weldra naar Petrograd en Riga overslaat, wordt omstreeks half oktober het uitgangspunt van een nieuwe, reusachtige stakingsbeweging, waarbij vooral het spoorwegpersoneel op de voorgrond komt. Ondanks de pogingen van de leiders van het spoorwegverbond, om de arbeiders nog van staking af te houden — de leiding wil die uitstellen tot later, tot het tijdstip van de bijeenroeping van Boelygins schijnparlement — breekt zij spontaan uit op de lijnen Moskou-Koersk en Moskou-Kazan. Van heinde en ver ontvangt het spoorwegcongres, dat te Moskou over de regeling van de pensioenkassen vergadert, telegrafische bewijzen van instemming en gelukwensen. Onder de drang van de massa’s moet de leiding toegeven: de 20ste oktober wordt de algemene spoorwegstaking als ‘proefmobilisatie’ geproclameerd. Een extra congres van spoorwegafgevaardigden stelt twee dagen later de volgende eisen aan de regering: achturendag, burgerlijke vrijheden, Constituante, amnestie.

Het eerst worden alle lijnen stilgezet, die te Moskou samenkomen; de oude tsarenstad wordt van alle zijden geïsoleerd. Wanneer dit voorlopige doel bereikt is, voelt de stakingsstrijd zich meester van de situatie; van nu af aan treedt hij met revolutionaire vastberadenheid op. “Waar de telegraaf weigert om in zijn dienst te treden, rukt hij met krijgshaftige vastberadenheid de draden af en maakt hij de telegraafpalen met de aardbodem gelijk. Hij beveelt de rusteloze locomotieven om stil te staan en hun stoom te laten ontsnappen. Hij bedwingt de elektrische werken, of beschadigt, daar waar zijn arm niet reikt, de elektrische geleidingen en zet de stations in ‘t duister. Waar eigenzinnige tegenstand zijn plannen doorkruist, schroomt hij niet de rails te vernielen, de seinen onklaar te maken, locomotieven omver te werpen, de weg te versperren, spoorwegwagens dwars over de bruggen neer te zetten. . . Slechts voor zijn eigen doeleinden ontslaat hij zich zelf van de gelofte van nietsdoen. Waar hij revolutionaire bulletins nodig heeft zet hij drukkerijen in beweging, hij gebruikt de telegraaf voor stakingsbevelen en laat treinen rijden met afgevaardigden van de stakers. . . Verder duldt hij geen uitzonderingen.”

Elke dag breidt de staking zich verder uit. De 24ste beheerst hij Koerland, de dag daarna vat hij Petersburg in zijn ijzeren ring. Revolutionaire intuïtie wijst hem de juiste weg: eerst de provincie beheersen, in de hoofdstad schrik en opwinding verspreiden en zo de voorwaarden tot zijn verdere uitbreiding scheppen. De 26ste staken de Oostzeesteden Reval, Libau, Riga en Brest, de 27ste begint de staking aan de Siberische spoorweg, de 28ste te Odessa en in de Kaukasus. Drie kwart miljoen mensen omvat hij, negen en dertig grote verkeerscentra, alle lijnen van Europees Rusland en Siberië. De post functioneert niet meer, het oude driespan galoppeert opnieuw langs de grote weg van Petersburg naar Moskou. De prijzen van de levensmiddelen stijgen snel, even snel als de beursnoteringen dalen. De beurs siddert voor de bedreiging van haar oude doodsvijandin de revolutie, die zich ontzaggelijk vóór haar verheft. De spoorwegstaking sleept alle andere bedrijven mee, het stedelijke verkeer wordt tot stilstand gebracht, de fabrieken, de winkels, de koffiehuizen sluiten. Zo sterk is de meeslepende kracht van de staking, dat hij ook het intellect dwingt tot het aanvaarden van het proletarische strijdmiddel bij uitnemendheid: de gezworenen weigeren om de zittingen van de rechtbanken bij te wonen, de advocaten om te pleiten, de dokters om hun zieken te bezoeken. De scholen en de banken worden gesloten. Heel het maatschappelijke raderwerk staat in alle delen van het rijk stil.

Te Charkow, te Odessa, op nog andere plaatsen, komt het tot botsingen met de troepen. De menigte bestormt de wapenwinkels, hier en daar tracht men barricaden op te werpen. Maar in het algemeen wordt weinig geweld gebruikt.

Het vooruitstrevende deel van de bourgeoisie steunde de staking, vele ondernemers betaalden hun arbeiders het hele of halve loon voor de stakingsdagen uit, het intellect — om te beginnen de spoorwegambtenaren, tot die van de hoogste rangen toe — nam aan de oktoberbeweging een werkzaam aandeel.

De spoorwegstaking desorganiseerde de regeringsmachinerie volkomen en bracht een ware paniek in de regeringskringen teweeg. Daarenboven bleek dat het leger niet langer te vertrouwen was: vele soldaten namen aan de meetings deel, ook officieren traden in die dagen op als volksredenaars. Voor de omvang, het elan en de eensgezindheid van de volksbeweging moest de autocratie capituleren: op 31 oktober verscheen het vurig verbeide manifest, dat gedeeltelijke amnestie, vrijheid van spreken (over de drukpers werd niet gerept) controle van de administratie, uitbreiding van het kiesrecht en een Doema met wetgevende macht toezegde.

De liberale ‘bemiddelaar’ Graaf Witte werd minister-president, maar de bloeddorstige schurk Trepow tegelijkertijd tot gouverneur-generaal van Petersburg benoemd en het ‘constitutionele tijdperk’ ingeluid met pogroms die de politie met behulp van de ‘zwarte benden’ in ruim honderd verschillende plaatsen organiseerde. Beestachtige tonelen van plundering en duivels gemartel kwamen voor, orgiën van dronken wreedheid en sadistische wellust. Het aantal doden bedroeg 3 à 4000, het aantal verminkten 10.000.

Onmiddellijk na de uitvaardiging van het manifest had de arbeidersgedeputeerdenraad van Petersburg opgeroepen tot voortzetting van de strijd en de volgende eisen gesteld: volledige amnestie, het terugtrekken van alle troepen uit de hoofdstad en de instelling van een gewapende burgerwacht. De Petersburgse arbeiders bleven nog verscheiden dagen staken en demonstreerden zo hun wantrouwen in de beloften van tsarisme op indrukwekkende wijze, maar in de provincie, waar de invloed van het burgerlijke liberalisme groter was, werd het werk algemeen de 1ste november weer opgenomen.

De oktoberstaking vormt het hoogtepunt van de gezamenlijke krachtsinspanning van alle revolutionaire en halfrevolutionaire klassen: proletariaat, intellect, kleine burgerij en bourgeoisie. Maar tevens is zij van deze gezamenlijke inspanning de laatste uiting. Spoedig na de oktoberdagen maakt de grote bourgeoisie, die haar voornaamste doeleinden reeds bereikt meent te hebben, zich van de beweging los en tracht deze tot staan te brengen. De leidende rol, door het proletariaat in de revolutionaire actie gespeeld, vervult haar met stijgende bezorgdheid. De burgerlijke democratie, de zgn. ‘cadettenpartij’, neemt van de oktoberdagen af een volstrekt lijdelijke houding aan tegenover de revolutionaire strijd van de arbeiders; de grote industriële bourgeoisie organiseert zich in de ‘Bond van de 30ste oktober’ en verklaart, dat de revolutie ten einde is. Het reactionaire grootgrondbezit sluit zich tot verdediging van zijn voorrechten in en buiten de Doema vaster aaneen. Weldra schrijdt de reactie vastbesloten op de weg tot herstel en reorganisatie van haar krachten.

De Russische omwenteling van 1905 was weliswaar niet in haar middelen maar dan toch in haar doel, een burgerlijke revolutie en haar ontwikkeling volgt de algemene lijn van burgerlijke revoluties, die Engels in zijn beroemde voorrede tot de herdruk van Marx’s Klassenstrijd in Frankrijk in de volgende woorden heeft geschetst: “Na de eerste overwinning splitste zich in de regel de overwinnende minderheid; de ene helft was met het verworvene tevreden, de tweede wilde verder gaan, stelde nieuwe eisen, die althans ten dele in het werkelijke of schijnbare belang van de grote volksmassa’s waren. Deze meer radicale eisen werden ook in enkele gevallen doorgezet, vaak echter slechts voor het ogenblik, de meer gematigde partij verkreeg weer de overhand, het laatste verworvene ging opnieuw geheel of gedeeltelijk verloren. De oorzaak hiervan was gewoonlijk dat de voordelen van de eerste overwinning pas door de tweede overwinning van de meer radicale partij verzekerd werden. Was hiermede datgene bereikt, wat voor het ogenblik nodig was, dan verdwenen de radicalen en hun voordelen weer van het toneel.”

Dat de Russische bourgeoisie feitelijk niet vermocht het voor haar ontwikkeling op dat ogenblik nodige — nl. een burgerlijk parlementaire regeringsvorm en een zekere mate van burgerlijke vrijheid — vast te houden, vindt zijn oorzaak hierin dat de ‘meer radicale partij’ waarvan Engels spreekt — in dit geval de arbeidersklasse — er niet in slaagde om door een ‘tweede overwinning’ haar eigen eisen — ditmaal niet schijnbaar maar werkelijk in het belang van de massa’s — zij het ook slechts tijdelijk door te zetten.

Na de oktoberbeweging hingen de kansen van een voortgezette revolutionaire ontwikkeling voornamelijk van drie factoren af. Ten eerste van het tempo waarin de arbeidersklasse zou vermogen haar krachten te organiseren en haar eigen droesem, het lompenproletariaat, uit de troebele hel van zijn barbaarse voorstellingen en gevoelens omhoog te trekken in de klare sfeer van de socialistisch-revolutionaire idee. Ten tweede van de omvang, die de agrarische onlusten, welke na het oktobermanifest opnieuw in Zuid- en Midden-Rusland waren uitgebroken, verder zouden aannemen. En ten derde van de snelheid waarmee de revolutionaire gedachte het leger zou doordringen. “De oktoberdagen ontsluierden de afstand op politiek gebied tussen de bewust revolutionaire stad en het spontaan in beroering geraakte platteland. Zij wierpen de vraag op “aan welke zijde staat het leger?” Zij toonden aan, dat van de oplossing van deze vraag het lot van de Russische vrijheid afhing. De oktoberdagen van de revolutie leidden tot de november orgiën van de reactie. Donkere machten gingen in een ogenblik van revolutionaire stilstand tot de bloedige aanval over. Op vreselijke wijze maakten zij duidelijk dat de revolutie wapens nodig had”.

Van de oktoberdagen af, ontwikkelt de revolutionaire beweging zich steeds meer als zuiver proletarische massabeweging, waarbij het proletariaat van Petrograd optreedt als voorhoede van de strijdende arbeidersmassa’s van het gehele rijk. De leuzen die het stelt, de strijdmiddelen die het aanwendt wekken algemeen krachtige weerklank. En niet minder wordt de vorm van de proletarische organisatie, gelijk zij gedurende de oktoberdagen in de arbeidersgedeputeerdenraad van Petrograd tot stand komt, voorbeeldig voor het gehele rijk.

De revolutie vond het Russische proletariaat als een ongeorganiseerde massa. Een van de vraagstukken die zij opwierp, en wel een dat zo spoedig mogelijk beantwoord moest worden, was, hoe deze massa in een organisatorisch verband te verenigen. De sociaaldemocratie, die tot dusver het grootste deel van haar werk in kleine illegale en ‘ondergrondse’ verenigingen had moeten volbrengen, was wel in staat om het bewustzijn van de brede massa’s te beïnvloeden, maar niet om deze massa’s in korte tijd rondom zich te scharen. Een werkelijke massale organisatie kon enkel worden opgebouwd op de grondslag van het productieproces zelf. Op deze grondslag verrezen gedurende de oktoberdagen spontaan de arbeidersgedeputeerdenraden; zij bestonden uit afgevaardigden van alle fabrieken en werkplaatsen, één op elke 500 arbeiders. Daarenboven waren zowel de socialistische partijen als de vakverenigingen in deze raden vertegenwoordigd.

De arbeidersgedeputeerdenraad van Petersburg trad onmiddellijk na zijn oprichting op de voorgrond van het strijdgebeuren. Hij was het, die in de nacht van 26 oktober besloot, de arbeiders tot de algemene politieke staking op te roepen, hij bewapende en organiseerde een deel van hen als ‘strijdgroepen’ ter bescherming van de gemeenschap tegen het gevaar, dat van de zijde van politie en zwarte honderden dreigden. Hij onderhandelde met de gemeenteraad. hij eiste lokaliteiten voor de volksvergaderingen en geldmiddelen voor de bewapening van de arbeidersklasse. De eerste grote aanval waartoe de arbeidersgedeputeerdenraad in verbond met de vakorganisatie van de typografen na de oktoberdagen overging, gold de vrijheid van drukpers. Toen het tsarenmanifest de censuur niet ophief, besloot de raad, om de vrijheid van drukpers door directe actie te verwezenlijken: hij proclameerde dat enkel die bladen mochten verschijnen, wier redactie zich verplichtte voortaan de voorschriften van de censuur volkomen te ignoreren. Het besluit werd stipt ten uitvoer gebracht, dankzij de revolutionaire solidariteit van de 20.000 Petersburgse typografen.

Op het hoogtepunt van zijn macht had de raad feitelijk de beschikking in handen van wat wel en wat niet gedrukt zou worden. Maar hij misbruikte die macht niet tot onderdrukking van de meningsuiting; ook de bladen van de oppositie konden in ‘t algemeen ongehinderd verschijnen; slechts waar tot gewelddadigheid tegen het volk werd opgeruid en dierlijke instincten opgezweept werden, trad de raad tussenbeide. Zo gelukte het hem in een geval 100.000 manifesten in handen te krijgen en te vernietigen, die tot ‘het uitroeien van de nieuwe heerser, de sociaaldemocratie’, aanzetten.

In de glorievolle oktoberdagen was het proletariaat voor de eerste maal zijn macht bewust geworden, in die dagen ook waren vele nieuwe aspiraties in hem ontwaakt. De arbeiders voelden zich nieuw geboren, een nieuwe glanzende wereld ontsloot zich voor hen. Alom rees een heerlijke geestelijke gloed op, die het proletariaat zelf had helpen ontsteken: de socialistische pers, de politieke vergaderingen, het vakverenigingswerk. Het leven stond voor de arbeiders als een groot feest van hartstochten en daden. Uit de drang, zich daarin te storten, kwam de actie op voor de achturendag.

De 8ste november besloten de afgevaardigden van een van de Petersburgse districten (zonder ruggespraak met de raad) tot invoering van de achturendag in hun werkplaatsen door directe actie. Op vergaderingen vindt dit besluit geestdriftige toestemming, van 10 november af verlaten de arbeiders van de grote metaalfabrieken na acht uur gearbeid te hebben, de werkplaats. Nu de beweging eenmaal aan de gang is, besluit de raad haar zo krachtig mogelijk door te zetten en nodigt hij de Petersburgse arbeiders uit, in alle fabrieken en werkplaatsen eigenmachtig de achturendag in te voeren. Tot de voorbereiding geeft hij hun één etmaal tijd. Twee dagen later is de achturendag in bijna alle grote metaal- en textielfabrieken een feit geworden. Maar van nu af wordt de beweging plotseling door een nieuwe algemene politieke staking doorkruist, die ‘als een wig in haar binnendringt.’

De 8ste was in Kronstadt een militair oproer uitgebroken, dat spoedig werd onderdrukt. De revolutionaire leiders werden ter dood veroordeeld, de regering gebruikte de algemene gisting en verwarring om het lompenproletariaat tot nieuwe pogroms op te hitsen. Tevens werden Lijfland, Polen en alle gouvernementen, waar agrarische onlusten plaats hadden gevonden, in staat van beleg verklaard. Het nieuwe ministerie met Witte aan het hoofd, zette onmiskenbaar koers naar de reactie.

Zowel tegen het doodvonnis van de leiders van het oproer te Kronstadt als tegen de uitvaardiging van de staat van beleg in Polen en Lijfland vonden te Petersburg van de 10de af in tal van fabrieken protestvergaderingen plaats. De drang van de massa’s volgend, die door strijd hun bedreigde makkers te hulp wilden komen, besloot de raad de 14de met overweldigende meerderheid een nieuwe algemene politieke staking uit te roepen, ‘als uiting van broederlijke solidariteit met de revolutionaire soldaten te Kronstadt en met het revolutionaire Poolse proletariaat.’ De staking wordt gehouden onder de leuze: “Weg met de krijgsraden, weg met de doodstraf, weg met de staat van beleg in Rusland en Polen”.

Te Petersburg werd het parool van de raad met bewonderenswaardige eensgezindheid opgevolgd. De staking omvatte naast alle grote fabrieken ook vele kleinere werkplaatsen, die geen deel hadden genomen aan de oktoberbeweging. Echter, in sommige andere zeer gewichtige bedrijven (post, telegraaf, tram) bleven de arbeiders ditmaal doorwerken.

Buiten de hoofdstad was de staking niet zeer omvangrijk en brokkelde zij spoedig af, maar toch noopte zij de regering tot enige tegemoetkoming. Officieus werd bekend gemaakt, dat de matrozen en soldaten die aan de opstand hadden deelgenomen niet voor de bijzondere krijgsraden zouden verschijnen. Verder zou de staat van beleg in Polen worden opgeheven, ‘zodra de beroering bedaard zou zijn’. De raad begroette deze concessies als een ‘morele’ overwinning van het proletariaat. Een gunstig gevolg van de staking was nog deze, de sympathieën voor het revolutionaire proletariaat in het leger onmiskenbaar te versterken. Arbeiders en soldaten werden nader tot elkaar gebracht: dit bleek op vele soldatenmeetings, in deze dagen te Petrograd gehouden. Maar ook had de staking tot uitkomst regering en grote bourgeoisie steeds meer naar elkaar toe te drijven. De mening, ‘dat het nu genoeg was’ won aan kracht. Weldra begonnen de fabrikanten de aanval: zij beantwoordden de actie voor de achturige werkdag met een uitsluiting van honderdduizend man. De raad werd daardoor gedwongen om de strijd voor de invoering van de achturendag op te schorten: een feitelijke nederlaag van het Petersburgse proletariaat, die ingrijpende gevolgen had. Zij brak de betovering die de algemene werkstaking op de bourgeoisie uitoefende en de grenzenloze angst waarmee haar aankondiging sedert de oktoberdagen alle heersenden vervulde. Wat de arbeiders aangaat, wie de terugtocht in de achturenbeweging zeer zwaar viel, van nu af werd onder hen de overtuiging sterker, dat de gewapende opstand zou moeten voltooien wat de algemene staking begonnen was. Reeds eerder, reeds vóór de oktoberdagen, was deze gedachte uitgesproken geworden. Toen te Petrograd de ‘zwarte benden’ het hoofd opstaken en blijkbaar een pogrom werd voorbereid, hadden de arbeiders die bedreiging onmiddellijk beantwoord met het organiseren van strijdafdelingen, zoveel mogelijk met browningrevolvers gewapend. Als eind oktober de geruchten van een naderend pogrom vaste vorm aannemen, grijpt de beweging tot bewapening plotseling geweldig om zich heen. In alle fabrieken, waar met ijzer en staal gewerkt werd, gaat het werkvolk uit eigen beweging wapens smeden. In de nachtelijke zitting die de raad de 29ste houdt, heffen de gedelegeerden op het podium man voor man de wapenklingen hoog en brengen de gelofte van de arbeiders over, om elke poging tot een pogrom met kracht van wapens te onderdrukken. De gewapende macht zorgde ook voor speciale bewaking van de revolutionaire perslokalen. Aan de vastberaden voorbereiding was het grotendeels te danken dat te Petersburg geen pogrom plaats vond. Ook droeg de vrees voor een gewapende opstand in de hoofdstad ongetwijfeld bij tot de uitvaardiging van het oktobermanifest.

De bewapening van het Petersburgse proletariaat richtte zich aanvankelijk vooral tegen de zwarte benden. Maar deze stonden in verbinding met de politie en vormden feitelijk de ongeregelde troepen van de reactie: zo bracht elk bewapend optreden tegen de pogromisten de arbeiders onherroepelijk in conflict met de staatsmacht en haar organen, politie en leger. Meer en meer begon de autocratie ook haar geregelde troepen — in de eerste plaats de Kozakken en de garde — in de strijd te werpen. Zo ontwikkelde de zelfverdediging tegen de moordenaarsbenden zich door de drang van de omstandigheden tot de bewapende opstand van volk tegen leger.

Men versta dit niet, als wierpen de arbeiders zich na de oktoberdagen uitsluitend op het organiseren van de bewapende strijd. Verre van: in alle grote steden werd onvermoeid doorgewerkt aan de opbouw van de vakorganisatie. Alle groepen van uitgebuiten en onderdrukten kwamen in beweging en sloten zich aan bij het industriële proletariaat. Tot in de onderste lagen toe ontwaakte een drang naar lotsverbetering en naar vrijheid. Alle vaste sociale banden en vormen werden opgelost, de maatschappij werd tot een chaos. En in deze chaos ontwaakte de behoefte aan nieuwe vorming, zijn elementen begonnen zich te kristalliseren. Maar de wil tot de daad liet de organisatorische werkzaamheid, hoe koortsachtig deze ook was, ver achter zich, zoals elementaire verontwaardiging en toorn hoog uitgingen boven de politieke bewustwording.

De kracht van de Russische revolutie — als de kracht van elke omwenteling — bestond voor een groot deel hierin, dat zij de ingebeelde belemmeringen tot vooruitgang uit de weg ruimde, die de kleinmoedigheid, de lijdelijkheid, de lafheid van de massa’s tot grondslag hebben, dat zij met één ruk de taaie banden doorscheurde die deze aan de sleurgang van het leven bonden. Maar zij kon deze geestelijke bevrijding niet volvoeren zonder tevens werkelijke hindernissen te onderschatten, zonder zichzelf verwonderlijke krachten toe te schrijven en in haar eigen grenzenloze mogelijkheden te vertrouwen. De grootse uitkomsten, door de oktoberstaking bereikt, de plotselinge verandering en de dronken makende lucht van de politieke vrijheid, dit alles moest het zelfvertrouwen van het strijdende proletariaat haast tot in het oneindige verhogen. De beestachtige onderdrukkingsmiddelen waartoe het oude regiem zijn toevlucht nam, spande de strijdwil van dit proletariaat tot het uiterste en versterkte de drang naar een opperste worsteling; van haar kant stuwde ook de reactie juist hierop aan.

Het vertrouwen in de onoverwinnelijkheid van de revolutie, de overtuiging dat deze zich in stijgende lijn bewoog, deed de meerderheid van de Russische sociaaldemocratie consequent besluiten de Doemaverkiezingen te boycotten en onvoorwaardelijk vast te houden aan de revolutionaire eis van een Constituerende Vergadering, gekozen op de grondslag van het algemene, directe, geheime en enkelvoudige stemrecht. En toen in de loop van november de gisting onder alle lagen van het volk nog toenam, toen in niet minder dan 37 districten van Centraal-Rusland, Polen en Litouwen de agrarische beweging zich uitbreidde en opnieuw in een aantal garnizoenen muiterijen onder de soldaten en matrozen uitbraken — toen het scheen of de stoten van de sociale aardbeving zich met steeds heftiger kracht en bij steeds korter tussenpozen herhaalden, toen werd een beslissende botsing tussen autocratie en volk onvermijdelijk.

Van half november af begon een snelle ontwikkeling in deze richting.

De stakingsactie wordt niet onderbroken: integendeel neemt zij nog scherper vormen aan. Onverwacht breekt eind november een spontane staking van post- en telegraafbeambten uit: opnieuw wordt de beurs door schrik bevangen, de handel lijdt zware verliezen; de stemming van de bourgeoisie wordt ten gevolge hiervan steeds meer reactionair.

De post- en telegraafstaking geeft aanleiding tot de ‘laatste zegepraal’ van de revolutie. Te Koeschta in Midden-Azië is de spoorwegingenieur Sokolow door een speciale krijgsraad ter dood veroordeeld; te middernacht zal het vonnis worden voltrokken. Op dit bericht stelt het Spoorwegverbond onmiddellijk het volgende ultimatum aan de regering: “zo om acht uur ‘s avonds het vonnis niet ingetrokken is staan alle spoorweglijnen stil”. Enkele minuten na de vastgestelde termijn wordt een spoedtelegram van de minister van verkeer ontvangen: aan het ultimatum is voldaan.

Maar op het ogenblik dat de arbeidersklasse deze laatste en schone overwinning behaalde, was het grootste gevaar voor de regering reeds voorbij, het gevaar dat een uitgebreide militaire opstand de stakingsactie zou ondersteunen. Want enkel zo de gepantserde muur die het oude regiem beschermde tot puin verbrokkelde, enkel zo het leger in zijn meerderheid zich achter de revolutie schaarde, kon de massastaking er in slagen het absolutisme omver te werpen.

Te Sebastopol was de toestand einde november voor de regering uiterst kritiek geweest. Een grote muiterij van de marinesoldaten en van de genietroepen werkt aanstekelijk op de vloot: de Potemkin hijst opnieuw de rode vlag, kleinere oorlogsvaartuigen volgen dit voorbeeld. De spoorweg- en havenarbeiders ondersteunen door staking de opstandige soldaten. Maar de staat van beleg wordt geproclameerd, nieuwe troepen, gewillige werktuigen nog in handen van hun officieren, bezetten de stad. Nu gaat een wankeling door de rijen van de opstandelingen: sommigen van hun worden afvallig, het gelukt om de anderen te ontwapenen. De trouw gebleven schepen van het eskader openen een vreselijk vuur op de Potemkim, weldra wordt deze genoodzaakt de witte vlag te hijsen, en na een vierdaagse strijd wordt het revolutionaire Sebastopol tot onderwerping gedwongen.

Niet beter slaagden militaire opstanden te Kiev, Warschau, Jelissametopol, Jekaterinowlow, Petersburg en op andere plaatsen. Nergens gelukte het aan de revolutionaire elementen van de technische wapens om de logge massa’s van de infanterie in beweging te brengen. De boeren, die de overgrote meerderheid van het leger vormden, bleven aan de regering trouw. En daarmee was het noodlot van de revolutie getekend.

Van evenveel gewicht als het dempen van de militaire opstanden was voor de regering het vernietigen van de centrale arbeidersorganisaties, die de voorhoede van de revolutie vormden, met name de Petersburgse arbeidersgedeputeerdenraad, het Spoorwegverbond en de Al-Russische Boerenbond. De 27ste november begint de regering het offensief: op die datum wordt het bestuur van de Boerenbond te Moskou gearresteerd. Veertien dagen later volgt de gevangenneming van de eerste voorzitter van de Petersburgse arbeidersgedeputeerdenraad, Chroestalew. De raad, die de grote aanval voelt naderen, beantwoordt deze uittarting met de publicatie van zijn besluit om “de voorbereidingen tot de gewapende opstand voort te zetten.”

Van haar kant neemt de regering verdere contrarevolutionaire maatregelen. Een groot aantal gouvernementen worden in staat van beleg verklaard, nieuwe ‘tijdelijke’ dwangbepalingen tegen de pers, de spoorwegorganisaties en de stakingen uitgevaardigd. De tsaar ontvangt een deputatie van ‘echt Russische mannen’ en spreekt hen vriendelijk toe. De 16de december eindelijk brengt de regering de grote stoot toe, die sedert lang verwacht werd: de Petersburgse arbeidersgedeputeerdenraad wordt gevangen genomen. Diezelfde dag breken onder de troepen te Moskou onlusten uit; de 19de besluit de Moskouse arbeidersgedeputeerdenraad, die 100.000 proletariërs om zich schaart, tot proclamatie van de algemene politieke staking. De spoorwegmannen en de post- en telegraaf beambten sluiten zich hierbij aan.

De kracht waarmede de staking inzette werd verzwakt, doordat Petrograd faalde. Het proletariaat van de hoofdstad was, na zóveel en zó hevige strijd, volslagen uitgeput. En ditmaal kon de strijd niet eindigen met een vergelijk of een morele overwinning: hij ging op leven en dood. De arbeiders staan tegenover een reusachtig garnizoen, grotendeels bestaande uit gardetroepen, steunpilaren van de autocratie. Slechts een beslissende overwinning in de provincie kon aan het proletariaat van de hoofdstad de moed geven, onder zo gevaarlijke omstandigheden op te staan. Maar deze overwinning bleef uit. Het verkeer op de lijn Petrograd-Moskou werd niet stop gezet, zo konden spoedig militaire versterkingen gezonden worden naar Moskou, het centrum van de opstandige beweging. Gedurende de eerste dagen droeg de staking, die in de oude tsarenstad 150.000 man omvatte, een vreedzaam karakter; in sommige gevallen weigerden de troepen om op het volk te schieten. Maar weldra namen de bloedige botsingen toe; een afdeling dragonders joeg vreedzame betogers met ruw geweld uit elkaar. Dit prikkelt de massa’s, kleine gewapende strijdafdelingen raken telkens slaags met politiepatrouilles en beginnen barricaden op te werpen. Men verdedigt deze niet tot het uiterste, maar gebruikt ze alleen om de opmars van de troepen te belemmeren. In de nauwe stegen en op de binnenplaatsen van de oude stad vinden de kleine groepen van de revolutionaire strijders die hoogstens uit twintig, somtijds slechts uit drie à vier man bestaan, een gunstig terrein voor hun strijdwijze. De massa van de bevolking neemt weliswaar geen actief aandeel aan de worsteling, maar verschaft aan deze strijders alle mogelijke hulp.

In het garnizoen echter kentert de stemming, zij keert zich tegen de revolutionairen. Nu kunnen de ‘onzekere’ regimenten, die aanvankelijk in de kazerne werden gehouden, op de arbeiders losgelaten worden: afmatting, honger, alcohol en de leugens van de meerderen hebben hun werk gedaan.

Door de aankomst van het regiment Semenowski uit Petersburg ondergaat de situatie een beslissende verandering ten gunste van de regering. Met behulp van artillerie zuivert men eerst het centrum van de stad van barricaden. Daarna, wanneer de tegenstand zich in de uitgestrekte arbeiderswijk Presnja heeft samengetrokken, wordt deze in puin geschoten, juist als 80 jaar voordien de Franse regering te Lyon de Croix Rousse in puin deed schieten.

Op 1 januari 1906, het jaar dat aan de beginnende contrarevolutie behoren zal, is te Moskou de orde hersteld. De soldaten, die het bevel hebben gekregen om zonder genade op te treden, zoeken de spoorlijn af om voortvluchtige stakers en opstandelingen in hun schuilhoeken neer te schieten. In de grote centra is de kracht van de arbeidersklasse gebroken. De regering, zich haar macht bewust, stuurt strafexpedities uit naar alle gebieden waar nog opstandige bewegingen voortduren, naar de Oostzeeprovincies, naar Polen, het Donetz mijnbekken, de Kaukasus, de Siberische spoorlijn, enz. Bloedig woedt door heel Rusland de witte terreur; het allerergst in Lijfland en Koerland, waar de Baltische jonkers het roer in handen hebben. Honderden boeren en arbeiders worden in de folterkamers van de gevangenissen met onmenselijke wreedheid gepijnigd, doodgeranseld of opgehangen, duizenden naar Siberië gedeporteerd. Maandenlang wordt stelselmatig door het ganse rijk het moorden voortgezet. Naar een matige schatting werden vanaf de 22ste januari 1905 tot aan de opening van de eerste rijksdoema in mei 1906 14.000 personen bij botsingen of pogroms gedood, 1000 terechtgesteld, 20.000 gewond, 70.000 gearresteerd en tot verbanning veroordeeld.

Met de mislukking van de Moskouse opstand eindigt de eerste periode van de Russische revolutie. De inzinking begint, de revolutionaire energie van de massa’s is in dit jaar van ontzettende worsteling verbruikt. Tevergeefs handhaaft de sociaaldemocratie nog de boycot van de Doemaverkiezingen, in de hoop dat uit de strijd tegen de Doema een nieuwe revolutionaire beweging zal voortkomen. Tevergeefs roept zij in 1907, wanneer de autocratie zich na de ontbinding van de tweede Doema sterk genoeg voelt om het bestaande kiesrecht door een nog veel slechter te vervangen, de massa’s tot een algemene proteststaking op: deze zijn in moedeloosheid en apathie weggezonken, terwijl de uiterste revolutionairen hun krachten vruchteloos verteren in de stelselmatige organisatie van de rode terreur. De ‘nieuwe tactiek’ van de gewelddadige onteigening wist de grenslijnen uit tussen revolutionairen en misdadigers, zij besmet de eigen gelederen met verwildering en zedelijke ontaarding. In dit trouwens korte tijdperk van morele uitputting neemt de tactiek van aanslagen, berovingen en plunderingen van regeringskassen en particulieren de plaats in van de massabeweging. Maar de grote revolutionaire tradities blijven leven, de opstandigheid smeult voort, de nood drijft de massa’s weldra opnieuw tot verzet: zodra een begin van economische herleving de omstandigheden voor de strijd gunstiger maakt, komt de massastaking weer op.

* * *

De Russische omwenteling van 1905 heeft aan de revolutionaire ervaring van het strijdende proletariaat vele nieuwe, schone en sterke bladzijden toegevoegd. Maar hun algemene zin drong, helaas, in de jaren die volgden, àl te weinig tot de arbeiders van West- en Centraal-Europa door. Deze leerden niet inzien dat de Russische omwenteling veeleer dan een herhaling van hun eigen verleden, het prototype, althans in menig opzicht, van hun eigen toekomst was. Thans verandert de wereldoorlog, die de macht van grootkapitaal en staat tot het uiterste omhoog voert en de sterkste proletarische organisaties als kaartenhuizen omverwerpt, die toekomst in een heden. Hij maakt dat in alle landen, maar voornamelijk wel in Midden-Europa het proletariaat zijn toekomstige strijd zal moeten strijden onder voorwaarden in menig opzicht gelijk aan die, waaronder het Russische proletariaat streed in 1905. Daarom wordt doorzicht in het wezen van de eerste grote worsteling van dat proletariaat nu een hulpmiddel tot het uitzetten van de algemene lijnen van tactiek, door de veranderde omstandigheden aan de arbeiders internationaal opgedrongen.

Dit aan te nemen betekent natuurlijk niet, dat men de Russische ervaring mechanisch op West- en Midden-Europese verhoudingen moet toepassen. Maar het betekent dat Rusland het eerste wereldhistorische voorbeeld is, waaraan wij het optreden van moderne grootindustriële arbeidersmassa’s in een revolutionair tijdperk kunnen bestuderen. Het betekent dat uit dit voorbeeld de factoren onderkend kunnen worden, die de gedragingen van zulke massa’s bepalen, de krachten welke hen in beweging brengen, de strijdmethoden die zij toepassen en de doeleinden waarop zij hun inspanning richten.

Reeds in 1906 heeft Rosa Luxemburg in haar geniale brochure over de Russische revolutie en de Duitse arbeidersbeweging uiterst belangrijke gevolgtrekkingen gemaakt over de lessen van die revolutie voor de internationale klassenstrijd. Zij heeft aan de feiten bewezen hoezeer de werkelijke voorwaarden van een revolutionaire stakingsperiode verschillen van het schema, dat voor en ook na 1905 uitgangspunt van de discussies in de Duitse partij was en dat de Belgische partijleiding trachtte te verwezenlijken.

In de plaats van een op zich zelf staande, van boven af bevolen en geregelde enkelvoudige politieke actie, stelselmatig en voorzichtig uitgevoerd, stelt de werkelijkheid de onvoorziene en onweerstaanbare uitingen van een jonge, van leven bruisende kracht, de polsslag en drijfkracht van de revolutie. Overal waar een grootindustrieel proletariaat bestaat, zal de staking in een revolutionair tijdperk de vorm van de beweging van de proletarische massa’s zijn.

In zulk een tijdperk — de Russische revolutie bewijst het — speelt het spontane initiatief van de massa’s een hoofdrol. Van te voren vastgestelde stakingen met louter demonstratief karakter komen voor, maar zij blijven evengoed uitzonderingen als uitsluitend politieke stakingen. Verreweg de meeste van hun zijn tevens uitbarstingen van de lang opgekropte sociale ontevredenheid, episoden van een algemene afrekening tussen kapitaal en arbeid: het economische en het politieke element vloeien daarin ineen, doordringen en bevruchten elkaar, scheppen in onophoudelijke wisselwerking de bonte verscheidenheid van strijdverschijnselen, die te samen de revolutie vormen.

In haar atmosfeer worden de mensen herboren en de verhoudingen omgekeerd. Glanzend als bloemen gaan dagelijks nieuwe mogelijkheden open: de nieuwe wil, de nieuwe zelfbewustheid van de massa’s en hun nieuwe eenheid doen ze ontluiken. Alle opvattingen omtrent de rol van leiding en organisatie, gelijk die zich in het parlementaire tijdperk hadden ontwikkeld, moeten worden herzien. De factor van de berekenende werkzaamheid van bovenaf, van het organiseren van steun en proviand, gelijk wij die bij de kiesrechtstakingen in Zweden en België leerden kennen, verzinkt voor Rusland in het niet, vergeleken bij de activiteit van de volksmassa’s zelf. “In het ogenblik dat een werkelijk ernstig tijdperk van massale stakingen begint,” aldus Rosa Luxemburg, “doen alle ramingen van de onkosten aan een poging denken, om de oceaan leeg te scheppen met een glas. Elke revolutie komt het proletariaat te staan op een oneindige zee van ontberingen en smarten. De oplossing van deze schijnbaar onoplosbare moeilijkheid die elke revolutionaire periode moet overwinnen, ligt hierin, dat zij te gelijkertijd een geweldige hoeveelheid sociaal idealisme vloeibaar maakt. En in dit idealisme vindt de massa de kracht om het ergste leed te doorstaan”.

De taak van de leiding in revolutionaire tijdperken bestaat niet in schoolmeesterachtig afbakenen van de paden van de volksbeweging, maar in geestelijk vooruitzien en voorgaan, in het zoveel mogelijk richting geven aan de onstuimige voorwaartse drang van de massa’s.

De parlementaire periode heeft het verband tussen massastaking en organisatie veel te eng en te werktuigelijk opgevat. Volgens deze opvatting, belichaamd in een aantal resoluties van nationale en internationale congressen, vormden sterke vakorganisaties de ‘eerste voorwaarde’ voor politiek-revolutionaire massa-actie. De Russische omwenteling heeft de onhoudbaarheid van deze bewering aangetoond. De werkelijkheid bleek oneindig veerkrachtiger en rijker aan mogelijkheden dan de theorie, oneindig minder aan een bepaald schema gebonden. De revolutionaire stakingsbeweging in de eerste maanden van 1905 ontstond niet alleen en werd sterker zonder noemenswaardige organisatorische steunpunten, maar zij werd zelf tot het uitgangspunt van een merkwaardige organisatorische werkzaamheid.

Echter de Russische revolutie heeft nog meer gedaan dan met een rijkdom van feiten aantonen, hoe het verband tussen strijd en organisatie niet strak en onwrikbaar is, maar met het wisselende wezen van een tijdperk mede verandert. Zij heeft in de arbeidersgedeputeerdenraden ook een nieuw type van organisatie geschapen, merkwaardig niet enkel als bewijs van de mogelijkheid om grote ongeorganiseerde massa’s op slag binnen organisch verband te brengen, maar vooral ook van uitnemend belang als het prototype van een revolutionaire arbeidersregering,

De Petersburgse arbeidersraad, die aan de raden van het gehele rijk tot voorbeeld diende, bestond in de dagen van zijn grootste bloei uit 562 gedelegeerden, waarvan 351 metaalbewerkers en enkele vrouwen. Hij was de georganiseerde uitdrukking van de klassewil van het proletariaat en tevens de kiem van een waarlijk democratische volksvertegenwoordiging. In hem kwam de wil van de massa’s rechtstreeks tot uiting, door senaat noch bureaucratie gebreideld, en zijn kiezers hadden het recht, hun gekozenen ieder ogenblik door andere te vervangen.

Officieel en formeel vertegenwoordigde de raad ongeveer 200.000 man, dat wil zeggen op zijn best de helft van het Petersburgse proletariaat. Maar in werkelijkheid stonden alle levenskrachtige en gezonde groepen van de bevolking achter hem en vertegenwoordigde hij alle verdrukten en onterfden. Een groot deel van het intellect, bijna alle studenten en de meeste leden van de vrije beroepen volgden zijn politieke leiding, ook onder het merendeel van de lagere beambten vond hij steun. Enkel de kapitalistische uitbuiters en hun parasieten, de roofzuchtige, liederlijke en ontaarde elementen van de hoofdstad waren tegen hem.

Voor zover in zijn vermogen lag, nam de raad de functies van een proletarische regering op zich. Hij leidde de politieke stakingen; hij bewapende de arbeiders en verdedigde de burgerij tegen de aanslagen van de Zwarte Honderden; hij beschermde zoveel hij kon alle verdrukte groepen van de bevolking: bij hem zocht men steun tegen particulieren, tegen ambtenaren en zelfs tegen de regering, De macht van de raad werd begrensd door de materiële machtsmiddelen van het tsarisme, de bureaucratie, het leger, de politie en de justitie.

Al zijn pogingen waren er op gericht de regering te beletten zich van deze machtsmiddelen te bedienen. Zijn voornaamste wapen daarbij was de algemene politieke revolutionaire staking van fabrieksarbeiders, spoorwegpersoneel, spoor- en telegraafbeambten, enz.

Onder een zeker gezichtspunt was dus de taak van de raad de organisatie van de desorganisatie, de bevordering van de anarchie.

Maar terwijl hij er naar streefde om de middelen van productie en vervoer die de staat ten dienste staan, zoveel mogelijk te desorganiseren, trachtte hij ze tevens te reorganiseren en in de dienst van de revolutie te stellen. Hij gebruikte spoor en telegraaf voor zijn eigen doeleinden, hij bracht volgens zijn belofte de Siberische troepen uit Oost-Azië naar Europees Rusland terug, sneller en zekerder dan de officiële spoorweglichamen dit vermocht hadden. Zijn optreden bewees hoe de zegevierende ‘algemene werkstaking’ iets geheel anders is dan enkel een passief kruisen van de armen naar anarchistisch recept, maar integendeel op iedere strook terrein, de vijand afgenomen, de vaan plant van eigen werkzaamheid ten bate van de massa’s. Het bewees hoe de algemene desorganisatie, door de staking teweeggebracht, enkel tot zege kan leiden zo zij door organisatorische middelen verkregen wordt. “In hoe hoger mate de staking de bestaande organisatie van de staat verlamt, hoe meer de organisatie van de staking de functies van de staat op zich moet nemen”, en wel zó op zich nemen, dat uit de revolutionaire massastaking de proletarische organisatie van de arbeid groeit.

Echter, evenwijdig met de ontwikkelingslijn van staking tot proletarische organisatie van de arbeid loopt nog een tweede lijn, die nl. van vreedzame staking tot gewapende opstand. En hier lag het grote probleem van de eerste Russische revolutie; hier verhief de sfinx van de historie zich dreigend vóór haar en eiste een antwoord, dat nog niet kon worden gegeven.

Natuurlijk was de stakingsbeweging van maart-oktober 1905 vreedzaam in betrekkelijke, niet in absolute zin. Reeds de januari en februari bewegingen leidden tot conflicten met de gewapende macht, waarbij de massa’s zich zelfs door middel van barricaden tegen de soldaten trachtten te beschermen. De grote spoorwegstaking in oktober aarzelde niet om geweld te gebruiken tegen personen en zaken, waar dit voor de overwinning nodig was. Maar in het algemeen waren de oktoberdagen dagen van ‘vreedzame’ actie, niet van bloedvergieten en geweld. Zelfs een zo door-en-door kapitalistisch lichaam als het Verbond van de bezitters van ijzer- en staalwerken, constateerde in een officieel schrijven van 31 oktober aan graaf Witte dat “gewelddaden van de zijde van de strijders voor de vrijheid tot de zeldzaamheden behoorden en de volksmassa’s met voorbeeldloze discipline hadden gehandeld”. Hoe groot de tegenstelling was tussen het menselijke, bezonnen optreden van de revolutionaire volksmassa’s en de misdadige, voor wreedheid noch geweld terugdeinzende bende, die over de machtsmiddelen van het rijk beschikte, blijkt o.a. uit de volgende uitlating van de bejaarde letterkundige Nemirowetsch Dantsenko, een man die zeer ver van het proletariaat en het socialisme afstond. “Aan de ene kant”, schreef Dantsenko kort na de oktoberdagen, “de vreselijke nachtmerrie, de dolle walpurgisnacht van een stervend ondier en aan de andere de heerlijke standvastigheid en discipline waarmee de grootse arbeidersbeweging zich ontwikkelt. De arbeiders hebben zich niet bevlekt met moord en roof, integendeel overal ijlden zij de burgerij te hulp en beschermden haar veel beter dan politie, Kozakken en gendarmen tegen de vernielwoede van de broedermoordenaars. Overal waar de zwarte benden hun infaam werk wilden beginnen, traden de strijdscharen hun in de weg.”

Wij zagen onder de invloed van welke gebeurtenissen de revolutionairen tot de overtuiging kwamen, dat de rol van de vreedzame staking was uitgespeeld en enkel de gewapende opstand aan het absolutisme de laatste stoot zou kunnen toebrengen.

Natuurlijk stelden de leiders zich die opstand niet voor als gewoonweg een strijd van volk tegen leger. Wel waren de voorwaarden van de gewapende opstand in sommige opzichten veranderd, sedert de dagen dat Engels zijn klassieke voorrede bij Marx’s Klassenstrijd in Frankrijk schreef, maar van een militaire overwinning van volk over leger kon in het Rusland van 1905 evenmin sprake zijn als in het West-Europa van 1848. Wat de Russische revolutionairen door een opstand meenden te kunnen bereiken was in de grond van de zaak hetzelfde als wat de West-Europese revolutionairen van een vorig tijdperk hadden nagestreefd. Zij hoopten nl. door volk en leger tegenover elkaar te stellen, de desorganisatie van het leger te verhaasten en een groot deel daarvan over te halen, zich aan de zijde van het volk te scharen. Zij wisten, dat de gewapende strijd niet zozeer tegen het leger als wel om het leger gevoerd moest worden, dat enkel, wanneer dit in zijn meerderheid tot de zaak van de vrijheid overging, deze een stevig materieel steunpunt zou krijgen. Hun tactiek beoogde, zo snel mogelijk de eenheid van volk en leger tot stand te brengen. Zij trachtten overal in verbinding te komen met de troepen, om de solidariteit van de arbeidersklasse met de eisen van de soldaten te demonstreren, hun revolutionaire geest op te wekken en hun voorhoede (het was in de regel tevergeefs) af te houden van ontijdige uitbarstingen.

Maar al waren de revolutionairen overtuigd dat “de overgang van het leger tot de revolutie een geestelijk-zedelijk proces is,” zo wisten zij toch dat dit proces met “morele middelen alléén niet bereikt kon worden” (Trotski). Door het leger met het volk te confronteren en voor een keuze te stellen, hoopten zij de stoot te geven die de halfbewuste massa van de soldaten in beweging bracht. De koene daad van het volk, dat de straat betreedt tot een strijd op leven en dood tegen de heersers, zou deze stoot zijn. De leiders wisten zeer goed dat een guerrillastrijd van kleine bewapende groepen, als bv. te Moskou plaats vond, onmogelijk tot een militaire overwinning kon voeren. Maar wel zou die strijd naar zij verwachtten, aan de stemming van een groot deel van de soldaten gelegenheid geven zich te openbaren; hij zou het sein geven tot openlijke splitsing van het leger in een contrarevolutionaire minderheid en een revolutionaire meerderheid, die dan, in verbond met de revolutionaire arbeidersmassa’s, de oude machten en instellingen zou omverwerpen.

Althans een deel van de Russische revolutionairen beseften zeer goed dat iedere poging, om door rechtstreekse actie van het volk het leger voor de zaak van de vrijheid te winnen, meer kans van slagen heeft naarmate zij minder geweld gebruikt. Een bewijs hiervoor vormen de gebeurtenissen in de eerste dagen van de Moskouse opstand.

In een manifest aan de arbeiders gaf de sociaaldemocratie deze de raad, om wanneer soldaten naderden, te trachten met hen in aanraking te komen en hen door kameraadschappelijke woorden te beïnvloeden. “Men vermijde voorlopig alle botsingen en neme slechts zijn toevlucht tot gewapend verzet zo de troepen bijzonder uittartend optreden,” aldus woordelijk dit manifest. Hieruit sprak het inzicht dat elk gewelddadig optreden van het volk tegen de soldaten, door vrees en woede te wekken, juist de eenheid tegenhoudt die alléén tot de overwinning kan voeren. Door toeroepen, smeken, vermanen, door een voortdurend beroep te doen op de solidariteit van de soldaten en niet minder door het voortdurend demonstreren van haar eigen standvastigheid en opofferingsgezindheid, bereikt de massa het zekerst haar doel. Dit alles wekt in de soldaten vertrouwen, medegevoel en bewondering voor het volk, schaamte over hun eigen daden, dit brengt er hen ten slotte toe om naar de opstandelingen over te lopen.

Wij zagen hoe zowel bij de Moskouse opstand als in andere gevallen werkelijk een begin van verbroedering plaats vond. Maar het tartende optreden van de Kozakken en van andere troepen liet deze vruchten nergens rijpen. Het lokte in de regel de weerwraak van de verbitterde revolutionairen uit; de stemming van de soldaten, die aanvankelijk gewankeld hadden, sloeg om, zij gehoorzaamden hun officieren weer en het geweld zegevierde. Zo ging het te Moskou, zo ging het overal. De grote massa’s van de infanterie waren geestelijk nog niet rijp voor aansluiting bij de revolutie en dit maakte haar ondergang onvermijdelijk. De aristocratie behield een sterke materiële grondslag. Op de politieke stompzinnigheid van de in uniform gestoken boerenmassa’s gesteund, bleek zij nog in staat om de bewegingen in alle grote revolutionaire centra, Moskou, Petersburg, de Oostzeeprovincies, Polen, de Kaukasus enz., neer te slaan.

De rechtervleugel van de Russische sociaaldemocratie, die in de partij een minderheid vormde, trachtte de ontwikkeling tot de gewapende opstand en de december catastrofe te voorkomen door vermijding van iedere revolutionaire actie. Zij wilde de tactiek zo inrichten, dat de bourgeoisie niet afgeschrikt werd van verdere samenwerking met het proletariaat. Volgens haar had het proletariaat zich onmiddellijk na de oktoberstaking van de voorgrond terug moeten trekken en, in plaats van een nieuwe worsteling te beginnen voor de constitutionele vergadering, zich moeten bepalen tot algemene agitatie en organisatie en vooral tot het gebruik maken van het kiesrecht. Naar de Doema had de sociaaldemocratie het zwaartepunt van de strijd moeten verplaatsen, zij had de Doema moeten maken tot een algemene revolutionaire tribune, gelijk de sociaaldemocratische fractie dit in Duitsland onder de socialistenwet met de Rijksdag deed.

Ook buiten Rusland is van sociaaldemocratische zijde de boycot van de Doemaverkiezingen vaak de noodlottige fout genoemd, waardoor de Russische revolutie onderging zonder iets wezenlijks te bereiken.

Zij die zo spreken zien het grote verschil in omstandigheden niet en vergeten dat in Duitsland in de jaren ‘70 de revolutie niet heerste. Het Duitse proletariaat bevond zich niet midden in een grootse beweging, die het met heerlijke exaltatie, met grenzeloos zelfvertrouwen en oneindige offervaardigheid vervulde. Te midden van een dergelijke beweging is een ‘stelselmatige en ordelijke terugtocht’, zoals bv. voor de Belgische arbeidersklasse na de mislukking van de tweede en derde kiesrechtstaking zeer wel uitvoerbaar bleek, volslagen onmogelijk. Niet de minderheid in organisatorisch opzicht van het Russische proletariaat, juist zijn meerderheid in revolutionaire deugd, zijn hogere spanning, de bruisende revolutionaire energie en strijdlust die het doorgloeide was oorzaak dat zulk een tactiek onmogelijk werd. Het zou verkeerd zijn om aan de Russische revolutie de maatstaf van de West-Europese arbeidersbeweging in het tijdperk van de wettelijkheid te willen aanleggen — evenals het omgekeerde verkeerd is, zoals de syndicalisten dit wel hebben gedaan.

De boycot van de Doemaverkiezingen van 1906 door de Russische revolutionairen is socialistisch niet minder goed te rechtvaardigen, dan de jarenlange boycot door de Duitse sociaaldemocraten van de verkiezingen voor de Pruisische Landdag. Zij leek het beste middel om mogelijk bestaande illusies in het proletariaat over het wezen van het schijn-constitutionalisme in de kiem te vernietigen. Daarenboven was zij gewenst als protest tegen de vernederende voorwaarden, waaronder de verkiezingen plaats vonden: geen enkel sociaaldemocratisch blad kon verschijnen, geen vergadering plaats vinden, de kiezers gingen ter stembus tussen twee rijen met zwepen gewapende Kozakken. Voor het volhouden van de boycot was het beslissende element de verwachting dat de revolutionaire beweging onder de boeren en in het leger weldra opnieuw machtig aanzwellen zou. Zodra duidelijk bleek dat deze verwachtingen niet verwezenlijkt werden, sprak de Russische sociaaldemocratie zich voor deelneming aan de verkiezingen uit. Zowel in de Kaukasus als in Siberië, dat is overal waar de verkiezingen later plaats vonden dan in het overige Rusland, werd dit besluit nog in 1906 opgevolgd.

Het feit dat de arbeidersklasse sedert de oktoberstaking steeds meer geïsoleerd kwam te staan tegenover de burgerlijke klassen was door geen ‘matiging van de eisen’ en geen ‘verstandige tactiek’ te voorkomen geweest. Het was het gevolg juist van de enorme uitbreiding en de revolutionaire kracht van de stakingsbeweging, van de schrik die zij onder de bourgeoisie verspreidde, van de wrevel en de woede die de voortdurende onderbrekingen van de productie wekten bij het grootindustrieel kapitaal. Hoe heftiger de klassentegenstellingen zich openbaarden, hoe vuriger het verlangen werd van de fabrikanten naar ‘rust tot elke prijs’. Om die rust te verkrijgen wierpen zij zich ten slotte in de armen van de reactie, evenals de Franse bourgeoisie zich na de Februarirevolutie van ‘48 in de armen van de reactie geworpen had.

De proletarische massa’s van Rusland steunden in hun worsteling niet, als de Engelse arbeiders ten tijde van het chartisme, op de overblijfselen van vrijheden en rechten, die, in een vroegere burgerlijke revolutie veroverd, nooit geheel verloren waren gegaan. Zij moesten alles zelf veroveren: het recht van vergadering en dat van vereniging, de vrijheid van woord en die van drukpers, de constitutionele regeringsvorm, het parlementaire stelsel en de moderne rechtspleging. Evenals de boeren in de grote Franse omwenteling vergenoegden zij er zich niet mee nieuwe rechten te eisen, maar zij namen deze door hun eigen actie. Zij plantten hun vaan in de bodem van de onwettelijkheid en zeiden: dit is onze wet. Zij wierpen de voorstellingen omver dat de historische vooruitgang van de arbeidersklasse door het parlement en langs wegen van geleidelijkheid moet geschieden, dat de algemene staking eerst mogelijk wordt na toekenning van onbeperkt verenigingsrecht en na jarenlange opbouw van de vakorganisaties, dat de achturenwerkdag slechts langs de ‘tussenstations’ van de twaalf- en tienurige bereikbaar zou zijn. De Russische arbeidersklasse zette het verkeer en de productie stop, nog alvorens het stakingsrecht te bezitten, en sprong met een koene sprong van de dertien- en veertienurige tot de achturen arbeidsdag.

Maar van hoe enorme betekenis de directe massa-actie in de Russische revolutie ook is, zo betekent dit in het minst niet dat het antiparlementarisme in haar de bovenhand had. Verre van. In het middelpunt van de revolutionaire strijd stond voortdurend de eis van de constituerende vergadering, bijeen te roepen op grondslag van het algemene, directe, geheime en enkelvoudige kiesrecht. In deze eis vonden alle revolutionaire stromingen van de verschillende democratische klassen — het proletariaat, de boeren, de intellectuelen, een deel van de kleine burgerij — hun middelpunt. Voor deze eis proclameerde de Petersburgse arbeidersraad de decemberstaking en bestegen de Moskouse proletariërs de barricaden. Van de verwezenlijking van deze eis hing het af — hierover heerste tussen alle revolutionairen eenstemmigheid — of de stroom van de opgewekte revolutionaire energie in de brede bedding van de wettelijke actie met rustig sterke golfslag verder stromen zou, dan wel telkens, tegen versperringen gestremd, opbruisen in hartstochtelijk verzet, of tijdelijk in onderaardse, illegale actie verdwijnen.

De meest grootse en geweldige rechtstreekse massale acties die de wereld ooit zag, stelde de Russische revolutie in dienst van politiek-parlementaire doeleinden.

Zo haar grote les voor de ‘moderne’ arbeidersbeweging daarom is, dat de tactiek van de wettelijke periode slechts zolang behoort te worden gevolgd als de omstandigheden voortduren waaraan zij haar ontstaan dankt, maar dat zij geenszins tot de enig juiste voor alle tijden moet worden geproclameerd — zo leert zij aan de syndicalisten, dat de strijd voor een politiek-parlementair doel zeer wel samen kan gaan met de ontplooiing van de sterkst mogelijke revolutionaire energie en met de meest uitgebreide directe actie. Even verkeerd en eenzijdig als de syndicalisten handelden, die deze energie enkel en alleen op de economische doeleinden wilden richten, en op haar de tactiek opbouwen ook onder omstandigheden welke de hoge spanning van de wil en het vloeibaar worden van de solidariteit onwaarschijnlijk maakten — even verkeerd en eenzijdig handelden de modernen, die het goede recht van de revolutionaire massa-actie als vorm van de klassenstrijd kortweg loochenden en waar de sociaalpsychologische voorwaarden daarvoor ontstonden, haar op alle mogelijke manieren trachtten te onderdrukken. Zoals de eersten de kracht van het proletariaat uitputten door ontijdige uitbarstingen te provoceren, ontroofden de tweeden aan het proletariaat het geloof in zijn scheppende revolutionaire energie, deden deze wegkwijnen door haar toepassing stelselmatig te beletten. En dit is geworden tot een van de gewichtigste oorzaken van het falen van het proletariaat bij het uitbreken van de wereldoorlog.

2. De groei van de massa-actie in andere landen van 1900 tot 1914

In het IVe hoofdstuk hebben wij de methoden en uitkomsten geschetst van de tactiek die, in het tijdperk van betrekkelijke politieke stagnatie voorafgaande aan de wereldoorlog, het zwaartepunt van de proletarische klassenstrijd meer en meer verplaatste van de actie van de massa’s naar die van hun vertegenwoordigers, aanpassing en compromis in de plaats stelde van onvoorwaardelijke strijd en elk spontaan optreden van de massa’s trachtte te onderdrukken en te vervangen door zorgvuldig berekende en bestuurde bewegingen. De massale demonstraties en stakingen voor speciaal politieke doeleinden die in dit tijdperk plaats vonden, onderscheidden zich, zagen wij, van alle vroegere door het halfofficiële karakter van hun verloop. Hierdoor geleken zij meer op grote en grootse wapenschouwingen of oefeningen van het proletariaat dan op werkelijke worstelingen. Wij zagen echter ook hoe het uitgangspunt van sommige van deze acties een meer spontane beweging was, waarvan de leiding zich meester maakte om ze te regulariseren, zoals een ingenieur de wilde, bruisende kracht van een bergstroom door afdamming aan bepaalde doeleinden dienstbaar maakt. En ook zagen wij dergelijke zorgvuldig georganiseerde acties somtijds een uitbreiding en een karakter aannemen, die volstrekt niet in het plan van de leiding lagen, doordat het elementaire verzet van het proletariaat tegen de kapitalistische uitbuiting zich plotseling onweerstaanbaar doorzette.

Ook in vele massale acties van het parlementaire tijdperk waren dus revolutionaire en spontane elementen aanwezig, die wij bij onze ontleding opzettelijk hebben verwaarloosd om op de daaraan tegenovergestelde strekkingen alle licht te laten vallen. In de werkelijkheid waren acties, gelijk de leiding van de sociaaldemocratie en van de moderne vakorganisatie die voorstond, acties waarbij de massa’s met absolute wiskunstige regelmatigheid manoeuvreerden, uiterst zeldzaam. Andere bewegingen immers kwamen telkens voor, waarin de revolutionaire stemming, de spontane drang en de rechtstreekse activiteit van die massa’s een grote rol speelden. Wat niet anders zeggen wil, dan dat tegenover de heersende strekkingen, het gevolg van de economische bloei en de betrekkelijke politieke stilstand, andere strekkingen opkwamen en zich doorzetten, wortelend in de imperialistische verscherping van de sociale tegenstellingen. De onderlinge krachtsverhoudingen van deze aan elkaar tegenovergestelde factoren hingen natuurlijk van een groot aantal elementen af: historische, economische, politieke, sociaalpsychische en andere. In enkele landen — in Duitsland in de eerste plaats — was van spontane, rechtstreekse activiteit van de massa’s in dit tijdperk zo goed als geen sprake, terwijl in andere daarentegen, zoals Frankrijk en Italië, de drang tot dergelijke activiteit, in bewuste tegenstelling tot de methoden van de moderne arbeidersbeweging, tot een algemene theorie die van het syndicalisme — en een daarmee samenhangende praktijk leidde, die recht tegen deze methoden inging.

Onder de nieuwe praktijk, die van het begin van de 20ste eeuw af steeds algemener werd, rekenen wij alle demonstraties en stakingen, uit de drang van de massa’s opgekomen en waarin hun spontane revolutionaire energie zich vrij ontlaadt, onverschillig of zij een economische dan wel een politieke aanleiding hebben. Niet de aanleiding tot de staking, en evenmin haar onmiddellijke gevolgen zijn ons criterium, maar haar innerlijke wezen, uitbarsting van opgekropte sociale ontevredenheid, uitstroming van revolutionair verzet en algemene klassesolidariteit te zijn.

De oorsprong van al deze massa-acties is in alle gevallen het complex van maatschappelijke krachten, dat wij als imperialistische ontwikkeling samenvatten. De voortgaande bedrijfsconcentratie doet de macht van de ondernemers toenemen, ontneemt aan de ‘moderne’ methoden meer en meer haar kracht. De partiële staking verliest haar reden van bestaan tegenover de bedreiging van de algemene uitsluiting, de scheidsgerechten worden tot het dwangbuis, waarin de aanvalskracht van de massa’s verstijft. De vakorganisatie zelf wordt zo goed als uitgeschakeld in de gecombineerde reuzenbedrijven, waarin het stevig verstrengelde bank- en industriekapitaal geen andere samenhang duldt dan die, door het bedrijfsmechanisme geschapen.

Zo dit de voornaamste werkingen van het imperialisme in de industriële sfeer zijn — op politiek gebied vermeerdert het te gelijkertijd snel de invloed van de meest reactionaire en gewelddadig gezinde groepen van de burgerlijke klasse, leidt tot voortdurende verhoging van de persoonlijke en financiële lasten van het militarisme en tot betrekkelijke of absolute stilstand van de sociale wetgeving. Sterker nog misschien dan een van deze werkingen van het imperialisme, wekt de voortdurende stijging van de prijzen, waarbij die van de lonen achterblijft, in de massa’s een stemming van verbittering en een drang tot spontaan verzet.

Wat echter het grootste en vreselijkste gevaar betreft, waarmee het imperialisme in de jaren 1905-14 de massa’s van alle landen bedreigde: dat van de wereldoorlog, dat is van wederzijdse vernietiging, zo kwam dit hun niet zo helder tot besef, dan dat zij het door scherpe en eenparige massale acties bestreden.

Natuurlijk openbaarden de verschillende strekkingen van het imperialisme zich niet in alle landen met gelijke kracht. Het Duitse imperialisme onderscheidt zich op belangrijke punten van het Engelse, Russische, Franse, Nederlandse, Zweedse, Belgische en Italiaanse. En deze alle onderscheiden zich weer onder elkaar. Hieruit volgt dat het meest verschillende omstandigheden zijn, die tussen 1905 en 1914 aanleiding geven tot massabewegingen in de verschillende landen. In Duitsland en Zweden bv. is die aanleiding in de regel de ondragelijke tirannie van het trustkapitaal, in Engeland de snelle stijging van de prijzen bij gelijkblijvende lonen.

Onafscheidelijk van deze passieve, is de actieve zijde van de ontwikkeling. Niet slechts druk van boven, toenemende sociale nood drijft het proletariaat van onze tijd in de strijd, maar ook toenemende bewustwording. Niet slechts de onmogelijkheid om in het kapitalisme vooruit te komen, ook de groei van zijn machtsbewustzijn en zijn instellingen zetten het aan tot grote worstelingen. In alle landen zijn de massale acties van de laatste vijftien jaar vóór de wereldoorlog de uitkomst van deze twee groepen van in elkaar grijpende factoren. Zo de sociale verhoudingen die het imperialisme schiep, de passieve voorwaarden van deze acties vormen, hun actieve voorwaarden vormt de gezindheid van een massa, overal min of meer door het kapitalistische productieproces gedisciplineerd, door de vakorganisatie beïnvloed en door de ideeën van klassensolidariteit en socialisme geraakt.

De sterkste historische stimulans van de strijdwil van de Europese arbeidersklasse in dit gehele tijdperk is ongetwijfeld de Russische revolutie. Maar men moet haar invloed toch niet overschatten; nog vóór zij uitbrak was de vloed van de nieuwe massale bewegingen aan het opkomen; reeds in de jaren 1900/04 vinden in Frankrijk, in Italië, in Nederland, spontane massastakingen plaats. En de geweldigste massabewegingen die, afgezien van Rusland zelf, in dit tijdvak Europa beroeren, gaan uit van een proletariaat dat slechts in betrekkelijk geringe mate voor de invloed van de internationale verhoudingen en gebeurtenissen openstaat: wij bedoelen de stakingen van de Engelse arbeiders in het transportbedrijf en in de mijnen in de jaren 1910-12. Overal drijven niet enkel invloeden van buiten, maar bovenal eigen noden en begeerten de arbeidersklasse in de strijd.

Vergeleken bij de massa-acties van het chartisme en bij die van de tijden van de eerste Internationale Arbeiders Associatie, treft de geweldige uitbreiding van de massabeweging in onze eigen tijd, de algemeenheid van de sociale verwachtingen waarvan zij de uitdrukking is, de discipline en eenheid, die de arbeiders in haar tonen. Wat betekenen de massale betogingen van het chartistische tijdperk, wat betekent de eerste wilde, half toevallig uitgebroken textielstaking van 1842, vergeleken bij de miljoenen arbeiders omvattende stakingsbewegingen van de Engelse arbeiders in 1911 en 1912? En wat betekenen de op zichzelf staande bewegingen van enige duizenden Franse, Zwitserse en Belgische arbeiders tussen 1866 en ‘69, gemeten met de maatstaf van de internationale beweging van de transportarbeiders in 1911, van de geweldige, min of meer samenhangende worstelingen van de mijnwerkers in België, Duitsland, Frankrijk en Engeland, die uitbraken in de jaren, verlopend tussen de eerste Russische revolutie en de wereldoorlog?

Maar deze enorme uitbreiding van de strijd — een natuurlijk gevolg van de verbreding van het strijdperk, de veralgemening van het kapitalisme — betekent nog niet noodzakelijk in alle opzichten een vooruitgang. In de tijd van het chartisme en nog veel meer in het tijdperk van de eerste Internationale beschouwden de leiders de rechtstreekse activiteit van de massa’s als het sterkste strijdmiddel van het proletariaat. De Centrale Raad van de Arbeiders Associatie — en dit was de grootse idee die heel haar optreden doordrong — trachtte stelselmatig de verschillende massale bewegingen van de arbeiders in de verschillende landen in onderling verband te brengen en door de strijders als een algemene beweging tegen het kapitaal te doen begrijpen.

In het tijdperk daarentegen dat wij hier beschouwen — dat van het innerlijke verval van de tweede Internationale — vindt in die landen waar sociaaldemocratie en moderne vakorganisatie de leiding hebben, dat is in de meest ontwikkelde staten van West- en Centraal-Europa, de in verzet komende proletarische massa haar leiders min of meer openlijk tegenover zich. De vakverenigingsbureaucratie is beducht dat spontane bewegingen de organisaties zullen verzwakken; de sociaaldemocratische parlementariërs zijn beducht voor een doorkruising van hun politieke verdragen en combinaties. Reeds jaren vóór de wereldoorlog vermag het proletariaat vaak enkel en alleen deze acties door te zetten, als het de banden van waardering, erkentelijkheid en liefde die het aan zijn leiders binden, verscheurt en de discipline overwint, die hem als eerste deugd ingeprent is geworden.

Waar daarentegen, zoals in de Romaanse landen, de leiding in handen van syndicalisten is, wordt het proletariaat vaak het offer van hun overspannen en eenzijdige inzichten. Daar wordt het telkens opnieuw in de strijd gejaagd door holle voorspiegeling van een macht, die het bezit noch bezitten kan, omdat die enkel het resultaat kan zijn van een geestelijke eenheid en een spanningsgraad van de revolutionaire energie, waartoe de sociale voorwaarden nog ontbreken. Daar dient het als materiaal voor proefnemingen, waaruit het vaak te voorschijn komt, ontmoedigd, verdeeld en het strijden moe.

Het lichaam, dat in dit tijdperk geroepen geweest ware om aan het proletariaat de eenheid van zijn strijd tot bewustzijn te brengen en het op de weg van de coördinatie van zijn krachten voort te drijven, het Internationaal Socialistisch Bureau, bleek daartoe machteloos. Zelf in hoge mate aangetast door de parlementaire illusies en de machtsoverschatting, die de arbeidersbeweging in het vervalstadium van de periode van de wettelijkheid kenschetsen, in hoge mate besmet door het gif van opportunisme en reformisme, laat het gelegenheid op gelegenheid voorbijgaan om op zich zelf staande bewegingen te verenigen tot een algemene strijd tegen het imperialisme. In de kwestie van de Meiviering wijkt het telkens achteruit voor het bekrompen utilitarisme van de vakverenigingsbureaucratie, dat de resultaten van de beweging uitsluitend schat naar meet- en weegbare voordelen. En wanneer de wereldoorlog reeds zijn dreigende schaduw werpt, verijdelt het door zijn gezag op het buitengewone congres van Bazel de poging van de weinige revolutionaire enkelingen en groepen, die een algemene proteststaking tegen het oorlogsgevaar willen beproeven.

Hier en daar vindt gedurende dit tijdperk een deel van de arbeidersklasse — in Engeland een zeer aanzienlijk deel — de kracht om tegen de leiding in grote acties door te zetten. Hoe erger hun onmiddellijke belangen door een ten top gevoerde tactiek van vergelijk en arbitrage worden geschonden, hoe gemakkelijker de opstand tegen een dergelijke tactiek wordt. Ook in Duitsland komt de noodzakelijkheid van algemene vernieuwing van de strijdwijze reeds bij kleine groepen tot bewustzijn. Maar eer daar de nieuwe inzichten konden doorwerken en de schuchtere pogingen, tegen de leiders in tot actie over te gaan, het karakter van een algemene omwenteling van de tactiek konden aannemen, breekt de wereldoorlog uit en voltrekt zich aan de tweede Internationale het historische wereldgericht.

De van boven af georganiseerde en gereglementeerde, zuiver politieke demonstraties en stakingen, die wij in hoofdstuk IV hebben beschreven, zijn ongetwijfeld van groot belang geweest als middelen tot opvoeding van de arbeidersmassa’s in tucht en zelfbeheersing. Ook hadden zij belangrijk kunnen zijn als inleiding tot een werkelijke revolutionaire worsteling, ware de leiding er niet in geslaagd deze ontwikkeling telkens te verhoeden. De spontane, rechtstreekse actie van de massa’s was inderdaad onverenigbaar met de methode van de wettelijkheid-tot-elke-prijs, de tactiek van compromis en burgerlijke bondgenootschappen. Zolang de ideologie van het tijdvak van politieke stagnatie de leiders en door hen weer de massa’s beheerste, konden de acties, door de nationale sociaaldemocratische partijen en de moderne vakcentrales beraamd en georganiseerd, geen ander karakter dragen dan dat van vreedzame demonstraties.

Echter, massa-acties van deze aard maken in de periode van opkomst van het imperialisme slechts een klein deel van de gezamenlijke proletarische actie uit. Verreweg de meeste grote bewegingen van het proletariaat staan in een meer onstuimig teken, zij dragen het karakter van min of meer algemene ‘afrekeningen’ tussen kapitaal en arbeid, zij verstoren de geregelde loop van het maatschappelijke leven en woelen de maatschappelijke bodem tot in zijn diepste lagen om.

Stakingen van deze soort — werkelijke worstelingen van soms zeer grote arbeidersmassa’s — komen van 1900 af in bijna alle landen voor, om ‘t even of de vakorganisatie op moderne, dan wel op syndicalistische leest is geschoeid, of zelfs, zoals in Engeland, nog gegrondvest in de burgerlijke opvatting van de belangen harmonie tussen kapitaal en arbeid. Men moet echter erkennen, dat zij in de hand gewerkt worden door de grotere spontaniteit van de Romaanse volken, door de verbreiding van de syndicalistische ideeën en de lossere vorm van de syndicalistische organisatie. Terwijl daarentegen de ‘moderne’ hun sterke organisatorische en psychische hinderpalen in de weg stelt.

De talrijkheid van deze stakingen maakt het onmogelijk ze alle enigszins uitvoerig te behandelen, we kunnen dit enkel met de voornaamste doen en de minder belangrijke kort memoreren.

Wij beginnen met de groep van de Romaanse landen: Frankrijk, Italië en Spanje.

In Frankrijk neemt sedert het begin van de nieuwe eeuw de stakingsbeweging sterk toe, zoals blijkt uit de volgende cijfers. Tussen 1894 en 1898 komen 2018 stakingen voor, waaraan 273.500 arbeiders deelnemen, terwijl het aantal stakingsdagen 1.760.000 bedraagt. Tussen 1899 en 1904 komen 4279 stakingen voor; het aantal stakers bedraagt 1.115.000 en het aantal stakingsdagen 20.222.000. De economische bloei in de eerste jaren van de 20ste eeuw en de daarmee samenhangende opkomst van de vakorganisaties is een van de voornaamste oorzaken van de wassende stakingsbeweging.

Toenemend gevoel van menselijke waardigheid, drang naar bevrijding van de persoonlijkheid spelen een grote rol bij de staking van 9000 metaalbewerkers te le Creuzot in 1899, evenals bij die van 10.000 mijnwerkers te Montceau-les-Mines in 1901. Op beide plaatsen verheffen zich de arbeiders spontaan om de alleenheerschappij van het grootkapitaal te breken en een einde te maken aan het afschuwelijke stelsel van dwang en verklikking waaraan zij onderworpen zijn. “Wij zijn het moe,” schrijft Bouveri, de latere burgemeester van Montceau-les-Mines in de Mouvement Socialiste, het tijdschrift van de syndicalisten, “om verdrukt en bespioneert te worden; wij willen vrije mensen zijn.” In beide gevallen eindigt de strijd met een verschrikkelijke nederlaag van de arbeiders. Te Montceau worden 500 ‘raddraaiers’ — ‘slechts’ 500 en geen 1200 dank zij het ingrijpen van de regering: wij leven midden in het experiment Millerand! — ontslagen.

1902 staat in het teken van een algemene mijnwerkersstaking, die, na al jaren te hebben gedreigd als middel van pressie op het parlement ten gunste van de ouderdomspensionering, ten slotte uitbrak als afweer tegen dreigende loonsverlaging. De staking, die 110.000 man, viervijfde van alle mijnwerkers, omvatte, leidde ook nog tot solidariteitsstakingen van kolensjouwers te Duinkerken, Calais en Marseille. Kenschetsend was het optreden van de stakingsleiding, die aldoor op twee gedachten hinkte: door tussenkomst van de socialistische kamerleden de tussenkomst van de regering verzoeken, of een beroep doen op de Federatie van de Arbeidsbeurzen tot het proclameren van de algemene werkstaking in het gehele land. Deze halfslachtige tactiek zou nog vaak herhaald worden.

Een ander zwak punt is het gebrek aan samenhang tussen de verschillende mijnbekkens, waarvan sommige op eigen houtje onderhandelingen met de ondernemers aanknopen, Zo mislukt de staking tenslotte door het gemis aan eenheid en het ontbreken van een vaste gedragslijn.

1904 is een jaar van grote gisting onder het havenproletariaat en de zeelieden. Te Marseille, uitgangspunt en tevens centrum van de beweging, breken successievelijk grote stakingen uit van machinisten, stokers, matrozen en dokwerkers. De beweging slaat over naar andere havenplaatsen aan de Middellandse zee, tot in Spanje en Italië toe werkt zij door en sleept ook de arbeiders van de arsenalen te Brest, Toulon en Lorient mee. In deze drie laatste steden alléén bedraagt het aantal stakers 60.000. Ofschoon de publieke opinie in de beginne op de hand van de stakers is en ook de radicale minister van marine Pellatan hun goedgezind blijkt, (het wegblijven van de matrozen van de schepen wordt niet als desertie beschouwd) gaat de strijd na zes weken verloren.

Eveneens in 1904 vindt de grote actie van de vakverenigingen plaats voor de afschaffing van de gehate verhuurkantoren, (bureaux de placements) broeinesten van afpersing en bedrog. Te Parijs voert zij tot ongeregeldheden en botsingen met de politie; ten slotte neemt de beweging een zo heftig karakter aan, dat de staat van beleg wordt afgekondigd. De uitkomst van de beweging is gunstig; de verhuurkantoren worden bij de wet afgeschaft.

Het jaar 1905 ziet o.a. een algemene staking van de porseleinwerkers te Limoges. Hun actie wordt ondersteund door de gehele proletarische bevolking van de stad, in de eerste plaats door de arbeiders van de schoenfabrieken. De staking, die evenals zo vele grote bewegingen om een nietige aanleiding, het onhebbelijke optreden van een meesterknecht uitbreekt, neemt weldra de afmetingen en het karakter aan van een revolutionaire volksbeweging. Troepen worden ontboden, arrestaties vinden plaats. Openlucht demonstraties, waaraan tienduizenden deelnemen, eisen de invrijheidstelling van de gearresteerden. Het komt tot bloedige botsingen en barricadegevechten. Er vallen talrijke gewonden, een revolutionaire ademtocht waait over de stad. Het conflict eindigt met een morele overwinning van de arbeiders. Op aandringen van de patroonsvereniging wordt de meesterknecht ontslagen, wiens optreden aanleiding was tot het conflict.

1906 is het jaar van de belangrijke poging van de Franse arbeiders tot verovering van de achturendag door directe actie, waartoe het vakverenigingscongres van 1904 te Bourges besloten had. Ruim een jaar van ijverige propaganda was aan de strijd voorafgegaan. Insgelijks hadden de ondernemers en de staat zich krachtig voorbereid op de lang vooruit aangekondigde aanval. Op 1 mei werd deze, voornamelijk te Parijs, met groot elan ingezet. In de bouwvakken, in de metaalnijverheid, onder de houtbewerkers, de aardwerkers, de lithografen en de kleermakers neemt de staking grote afmetingen aan. In ‘t geheel staken in de hoofdstad 140.000 man. Gelijktijdig breken in enige mijnbekkens van Noord-Frankrijk stakingen uit.

De actie voor de achturendag, nadrukkelijk als revolutionaire daad aangekondigd, had de heersende klassen grote schrik aangejaagd. Parijs leek een versterkte legerplaats, in de mijnstreek waren 25.000 man troepen opeengehoopt om 75.000 stakers in bedwang te houden. Hier kwam het tot botsingen, vele arbeiders werden gewond.

De algemene uitkomsten van de beweging bleven ver achter bij de verwachtingen. Hier en daar gelukte het enige loonsverhoging of verkorting van arbeidsduur door te zetten, de achturendag echter werd nergens verworven en de beweging bloedde allengs dood.

Maar de Franse arbeiders laten zich door deze tegenslag nog niet ontmoedigen: 1907 ziet nieuwe massastakingen van de typografen en van de goud- en zilversmeden voor de achturendag. Ook die mislukken. Daarop komt de onstuimige beweging van het Franse proletariaat voor verkorting van arbeidsduur voorlopig tot stilstand — een beweging die vele sympathieke kanten had, van veel revolutionaire moed en daadkracht getuigde, en zeer zeker de idee van de achturendag in het gemoed van honderdduizenden arbeiders wortel deed schieten. Maar juist de krachtige en langdurige propagandistische voorbereiding moest tot gevolg hebben, dat de heersende klasse zich tot de tanden wapende. Deze op zichzelf goede gedragslijn van de leiding schakelde noodzakelijk het element van verrassing en overrompeling uit, dat juist bij de directe actie vaak de doorslag geeft, vooral, wanneer de organisatie niet sterk is.

Ook voor andere categorieën van arbeiders was het voorjaar van 1907 een tijdperk van sterke beroering. Naar aanleiding van een wetsontwerp, dat collectieve dienstweigering voor arbeiders in rijksdienst strafbaar stelde, kwamen de staatsambtenaren in beweging. De bond van arbeiders in rijksdienst, door het Algemeen Verbond van Vakverenigingen gesteund, dreigde met staking; de regering — waarvan de socialistische renegaten Viviani en Briand deel uitmaakten — antwoordde met ontslagen en arrestaties. Ten dele als protest tegen dit regeringsterrorisme brak nu ook in tal van Franse havens een zeeliedenstaking uit, die het prestige van de staat ernstig schaadde, daar onder meer het buitenland de postdienst moest overnemen. De staking eindigde met een voor de arbeiders gunstig compromis.

Ook onder het verkeerspersoneel nam de invloed van het revolutionaire Verbond van Vakverenigingen zienderogen toe. De onhebbelijke wijze waarop een deputatie van demonstrerende postbeambten door de ondersecretaris Simyan werd behandeld — enige leiders werden gevangen genomen, de overige in een telegraafkantoor opgesloten — wierp de lont in het kruit. De 12de maart proclameerde het telegraafpersoneel de staking; telefonisten en bestellers toonden zich solidair; met moeite werd het verkeer in stand gehouden. Op het ontslag van de leiders van het Verbond van Post- en Telegraafpersoneel volgde weldra dat van nog 700 beambten. Maar het algemene solidariteitsgevoel bleek nog niet krachtig genoeg om deze uittarting met een algemene staking van de arbeiders in openbare dienst te beantwoorden. De strijd van de telegrafisten verliep en ging verloren.

In 1910 brak een nieuwe staking van de zeelieden uit te Marseille, voornamelijk gericht tegen de aanstelling van kleurlingen bij de scheepvaartmaatschappijen. Ditmaal beschouwde de regering — Clemenceau was intussen aan het roer gekomen — de staking als revolutionair verzet tegen de militaire discipline; zij deed meer dan vijfhonderd van de zgn. ‘inscrits maritimes’ (ingeschreven zeelieden met blijvende verplichting tot de dienst bij de oorlogsmarine) die aan de staking deelnamen, wegens dienstweigering vervolgen.

Een van de belangrijkste episoden van de strijd tussen kapitaal en arbeid in dit gehele tijdperk is de grote spoorwegstaking van 1910, waarop de bond van spoorwegpersoneel sedert jaren aanstuurde. Al waren het enkel economische eisen: minimumloon, betere pensioenregeling, een wekelijkse rustdag enz., waarom de strijd ontbrandde, hij droeg niettemin een sterk politiek karakter. Immers, iedere uitgebreide spoorwegstaking bedreigt de burgerlijke staat zo ernstig en rechtstreeks in zijn levensbelangen, dat zij de politieke machtsorganisatie van de bourgeoisie onmiddellijk tegenover zich vindt. De belangen van deze laatste werden bij deze gelegenheid waargenomen door ‘de regering van de drie socialistische renegaten’, Briand, Millerand en Viviani. Het afschuwelijkste verraad pleegde Briand, die na jarenlang de rol gespeeld te hebben van een vurig apostel van de stakingsidee, zich nu zonder voorbehoud in dienst van de spoorwegmagnaten stelde.

Het sein tot de staking gaven de arbeiders van de spoorwegwerkplaats La Chapelle bij Parijs, die de 13de oktober het werk spontaan neerlegden. Onmiddellijk volgde het spoorwegpersoneel van de lijnen van het noorden- en noordwesten net hun voorbeeld. Daardoor werd Parijs afgesneden van de industriecentra in het noorden en van de plattelandsdistricten in het westen die de hoofdstad met landbouwproducten verzorgen. Ook werd de directe communicatie met België en Engeland verbroken. De beweging dreigde weldra het personeel van het zuidernet mee te slepen; hier was de stemming zeer oproerig; reeds in het voorjaar was het gekomen tot een plaatselijke staking tussen Nice en Toulon. Maar evenals bij de grote mijnwerkersstaking van 1902, bleek een bedenkelijk gebrek aan samenwerking tussen de verschillende gewesten. Dagen duurde het, eer de stakingsorders hun bestemming bereikten. Dit gebrek aan samenhang, gevoegd bij het falen van de oostelijke lijnen, maakte dat de regering de beweging gemakkelijk meester werd; haar toebereidselen waren getroffen. De mobilisatiebevelen, waardoor het stakingsrecht niet openlijk opgeheven, maar laaghartig gesluipmoord werd, werden onmiddellijk bij het begin van de staking aan 200.000 beambten toegezonden en het stakingscomité na enkele dagen op het redactiebureau van de Humanité gearresteerd. Van alle leiding en alle samenhang beroofd, brokkelde de staking weldra af; dit noopte het tweede stakingscomité reeds de 18de met algemene stemmen tot hervatting van de arbeid te besluiten. De gevolgen van deze nederlaag waren droevig. De organisaties, die vóór de staking 30.000 man telden werden ontzettend verzwakt, honderden van de beste en flinkste leden werden ontslagen. Wederzijdse verwijten, inwendige twisten en scheuring vormden het naspel van de beweging, met zo hoge verwachtingen begonnen.

Van syndicalistische zijde werd de volgende kritiek op de leiding van de staking uitgeoefend. In plaats van de strijd uitsluitend en rechtstreeks tegen de spoorwegmaatschappijen te richten, dat is op economisch terrein te houden, had zij zich door de sociaaldemocraten, (de parlementsleden en de redactie van de Humanité) die feitelijk de leiding hadden, laten overhalen om in de staking een politiek element te mengen. Deze echter richtten hun pogingen niet in de eerste plaats op bestrijding van het spoorwegkapitaal, maar op verkrijging van interventie door de regering. Juist hierdoor echter maakten zij het aan Briand mogelijk, om de stakers voor de publieke opinie te brandmerken als oproerlingen, die de veiligheid van de staat aanrandden, terwijl, zo de strijd zich duidelijk uitsluitend gericht had tegen Rothschild en consorten, het publiek ongetwijfeld op de hand van de stakers zou zijn geweest.

Ook bleek de mobilisatie van honderdduizenden spoorwegmannen een scherp wapen in handen van een regering, die de burgerlijke klassen achter zich heeft. Natuurlijk kan dit wapen zich tegen haar zelf keren, zodra een spoorwegstaking haar professioneel karakter verliest en tot een onderdeel wordt van een algemene revolutionaire beweging. In dat geval zal mobilisatie op grote schaal de strijd allicht verscherpen en veralgemenen, door te leiden tot massale dienstweigering en opstand.

De positie van de regering werd ook nog versterkt door het feit dat zij er in slaagde een deel van het verkeer met automobielen in stand te houden. De voornaamste oorzaak van de nederlaag echter — hierover waren alle richtingen het eens — lag in de totaal onvoldoende voorbereiding, waardoor het plan van een algemene gelijktijdige staking mislukte. De organisatorische zwakheid van het Franse proletariaat wreekte zich bitter.

De nederlaag van het spoorwegpersoneel had een ontmoedigende invloed op de beweging in het algemeen. De jaren 1912 en 1913 zagen wel opnieuw grote stakingen van havenarbeiders en mijnwerkers, maar toch geen acties, welke zich konden meten met die van het tijdvak 1902-10.

Nog behoort vermeld te worden een eendaagse staking van ongeveer 100.000 arbeiders in het Seine departement en te Lyon, in december 1912 als protest tegen het oorlogsgevaar op de Balkan gehouden. Had het buitengewone internationale socialistische congres te Bazel, dat omstreeks diezelfde tijd plaats vond, de rechtstreekse actie van de massa’s tegen de oorlog niet verworpen, de deelneming zou ongetwijfeld nog veel groter zijn geweest.

Bij dit korte relaas van de voornaamste stakingen in Frankrijk moeten wij nog enkele woorden voegen over de bijzondere atmosfeer waarin zij zich doorzetten. Getrouw aan zijn beginsel trachtte het syndicalistische Verbond van Volkverenigingen elke loonstrijd, elk conflict tussen arbeiders en ondernemers te maken tot een voorpostengevecht in de klassenstrijd, een aanval op het geheel van de kapitalistische instellingen en de burgerlijke staat. Zo goed als iedere strijd waarvan het verbond de leiding had, werd opzettelijk en somtijds kunstmatig verscherpt; de rumoerige straatbetogingen, de botsingen met politie en troepen, de ongeregeldheden en onlusten die onophoudelijk voorkwamen en een atmosfeer schiepen van sociale onrust, prikkelde de kapitalistische klasse tot het uiterste. Zoals de ‘modernen’ deze verscherping stelselmatig trachtten te ontwijken, zo trachtten de syndicalisten haar stelselmatig te veroorzaken. Bijna elke strijd eiste talrijke slachtoffers door ontslag of arrestaties; herhaaldelijk vloeide het arbeidersbloed. Een van de ergste bloedbaden vond plaats in de zomer van 1908, onder het ministerschap van Clemenceau. Te Draveil, in de omstreken van Parijs, kwam het bij een staking van zandgravers tot een botsing met de gendarmen, waarbij een tiental arbeiders gewond werden. Toen daarop de bouwvakfederatie een proteststaking van vierentwintiguur proclameerde, vond bij Villeneuve-St. George een nieuwe ergere botsing plaats, waarbij drie doden en een dertigtal gewonden vielen; de leiders van de federatie werden gearresteerd en pas na drie maanden weer vrijgelaten.

Het veelvuldige gebruik dat de heersende klasse in Frankrijk van het leger maakte om stakingen te onderdrukken, leidde tot ijverige propaganda van de kant van de syndicalisten onder de soldaten. Alles werd beproefd om voeling te krijgen met de jonge arbeiders die hun dienstplicht vervulden en hen op te voeden in antimilitaristische geest. Vurig en onverdroten agiteerden de mannen van de federatie, Hervé in de eerste plaats, voor massale dienstweigering in de klassenstrijd en sabotage van de mobilisatie in geval van oorlog. Deze agitatie, die talrijke processen en vervolgingen tot gevolg had, vervulde de heersende klasse met grote bezorgdheid. Maar in de kritieke augustusdagen van 1914 bleek, hoe onnodig die bezorgdheid was geweest. De al te oppervlakkige, vaak holle en snoevende syndicalistische propaganda had evenmin vermocht in Frankrijk een waarachtig revolutionaire, internationalistische gezindheid te kweken, als het formele ‘radicale’ marxisme in Duitsland.

Evenals in Frankrijk, werkten ook in Italië verschillende oorzaken samen om grote groepen van het proletariaat voor de tactiek van de directe actie en de idee van de algemene werkstaking te winnen. Bij de invloed van het impulsieve zuidelijke temperament kwam de teleurstelling en de walging, in arbeiderskringen gevoeld over de reformistische proefneming van de jaren 1900-1904. Zodra de sociaaldemocratische partij tot een machinerie wordt, met behulp waarvan kleine eerzuchtige intellectuelen en middenstanders hun zelfzuchtige aspiraties bevredigen, gaat de werkzaamheid van het proletariaat, door een natuurlijke reactie, zich in de industriële sfeer concentreren en de deelneming van de arbeidersklasse aan de parlementair politieke strijd verschijnt haar als een listig bedrog van avonturiers en volksmisleiders. Naarmate het moderne kapitalisme zich uitbreidde werden ook in Italië de verouderde anarchistische opvattingen steeds meer verdrongen, maar niet de sociaaldemocratie, het syndicalisme was hun erfgenaam. Een teken daarvan was de enorme toename van de spontane stakingen van alle aard, die in Italië in nog hogere mate dan in Frankrijk de jaren 1900-14 kenmerken. Hier volgt een overzicht van de voornaamste.

Eerst echter moeten wij de geweldige worstelingen van de landarbeiders herdenken, die in de jaren 1903, 1904 en 1905 uitbreken en 100.000 tot 150.000 deelnemers omvatten. Deze stakingen staan niet onder syndicalistische invloed, maar onder die van de sociaaldemocratie; het vertrapte, onmenselijk uitgebuite proletariaat van Midden-Italië bewijst daarin, prachtige kwaliteiten van doorzetting en solidariteit te bezitten.

In 1901 komt het in Genua tot een van die scherpe conflicten tussen havenarbeiders en autoriteiten, die zich nog zo vaak zouden herhalen. Als protest tegen de sluiting van de arbeidsbeurs zetten alle categorieën, bij de werkzaamheden in de haven betrokken, het werk stop. Een direct gevolg van de staking is de oprichting van vakorganisaties onder de havenarbeiders en zeelieden.

In 1903 beleeft Italië de eerste poging tot een algemene solidariteitsstaking; zij vindt te Rome naar aanleiding van een staking van typografen plaats. Haar omvang is nog tamelijk gering, van de 200.000 arbeiders van de hoofdstad leggen er circa 34.000 het werk neer. Weldra zou deze poging op onvergelijkelijk grootser schaal herhaald worden.

Ruw en gewelddadig optreden van politie en carabinieri tegen stakende arbeiders was van oudsher gewoonte in Italië, maar het toenemende klassenbewustzijn en het groeiende gevoel van solidariteit wekten eindelijk in de massa’s de stemming waaruit een groots spontaan protest opkwam tegen de onduldbare verachting van lijf en leven van de proletariërs.

Het jaar 1904 was een jaar van vele stakingen, telkens vielen botsingen tussen carabinieri en arbeiders voor waarbij enkele van deze laatsten gewond of gedood werden. Alom had het proletariaat hiertegen geprotesteerd; een volksmeeting te Milaan, waar het hart van de revolutionaire beweging klopte, besloot een nieuw bloedblad onmiddellijk met de algemene proteststaking te vergelden. De Milaanse bestuurdersbond verwittigde de organisaties van heel Italië van dit besluit. En op de tijding dat de 19de september te Castelluozi op Sicilië wederom twee stakende arbeiders het offer van de carabinieri waren geworden, sloeg een vlam solidariteit door het gehele land.

“Twee uren nadat het blad Il Tempo het bericht uit Sicilië onder de arbeiders van Monza verbreid had, was daar tot de staking besloten. Des middags om twaalf uur stonden de raderen stil: 7000 arbeiders staakten. In de avond van dezelfde dag kondigden de leden van de Milaanse Kamer van Arbeid de algemene werkstaking af, en op de morgen van de 16de september lag in Milaan alle arbeid stil. Men schat het aantal stakers op 80.000 à 100.000.”

Een manifest van de sociaaldemocratie, die dag verschenen, begroette het initiatief van de Milaanse Kamer met instemming en beval de organisaties aan de algemene werkstaking zo uitgebreid en intensief als maar mogelijk was over gans Italië tot stand te brengen.

Dit manifest kon intussen enkel voor Rome het teken tot de strijd geven, daar alle bladen die het verbreidden in beslag genomen werden. De verbreiding bleek evenwel onnodig, reeds werd de staking algemeen. In Ligurië werd de arbeid neergelegd nog voordat het bloedbad van Castelluozi bekend was, en wel onder de indruk van de gebeurtenissen van Sestri, waar eveneens op arbeiders geschoten was en twaalf van hun gewond waren. In Genua gingen in de morgen van 17 september het trampersoneel, de gaswerkers en de arbeiders van de elektriciteitswerken tot staking over. Des middags werd door de Kamer van Arbeid de algemene werkstaking geproclameerd, twee dagen lang stond het gehele economische leven stop.

Te Rome, waar de staking in de avond van 17 september afgekondigd werd, omvatte zij eveneens op de gaswerkers na alle bedrijven. Ook de dagbladen moesten ophouden te verschijnen.

Daarna volgden Turijn, Bologna, Livorno, Biella en honderden kleinere steden. Toen de staking hier op een einde liep, ving zij aan in Mantua, Venetië, Napels, Florence, Ravenna en andere plaatsen. De mogelijkheid ontbrak tot een gelijktijdige massale staking over geheel Italië, daar de kranten hetzij niet verschenen, hetzij in beslag genomen waren en de telegraaf tot 18 september enkel ter beschikking van de regering stond. Van gecentraliseerde leiding kon dus geen sprake zijn: de ‘algemene landelijke staking’ bestond feitelijk uit een aantal tijdelijk ongeveer samenvallende stakingen, verbonden door gelijke elementaire verontwaardiging, juist zoals wij dit in Rusland in het voorjaar van 1905 hebben gezien. De 18de werd de order van de Milaanse Kamer van Arbeid, om de arbeid te hervatten, doorgelaten. De Milaanse volksvergadering echter keurde dit besluit niet goed en de arbeiders hervatten het werk eerst de 21ste.

Ook op het platteland verbreidde zich de staking. In de zuiver agrarische provincie Mantua verlieten 120.000 landarbeiders de velden. Tot in de kleinste bergdorpen werd de werking van de staking gevoeld. Het aantal stakers valt niet nauwkeurig op te geven, maar wordt op ongeveer een miljoen geschat. Bijzonder treffend was de sterke deelneming van de ongeorganiseerden.

Slechts één arbeidersgroep, maar een van groot belang in het economische raderwerk, nam geen deel aan de staking. In het grote koor van de solidariteit klonk de stem van de spoorwegmannen niet mee.

De grote Italiaanse sympathiestaking van 1904 schokte het openbare leven in hoge mate. Het lokale verkeer stond stil, de prijzen van brood en andere levensmiddelen vlogen omhoog, de kranten verschenen niet, in vele steden ontbrak alle verlichting. Op sommige plaatsen namen de arbeidersorganisaties maatregelen om te verhoeden dat de staking zich tegen de arbeidende massa’s zelf keerde. Te Ravenna bv. stond de Kamer van Arbeid toe dat de winkels enige uren per dag open bleven, mits de eigenaar zelf bediende; te San Pierdarena werd bepaald dat voor kinderen en oude mensen melk geleverd mocht worden. Te Milaan zette de coöperatiebakkerij op last van de organisatie de arbeid voort. Gedurende vijf dagen oefende de Milaanse bestuurdersbond een dictatoriale macht uit: daar de overheid onmiddellijk bij het uitbreken van de staking de taak om de openbare orde te bewaren had neergelegd, stonden de arbeiders plotseling voor de taak de veiligheidsdienst te organiseren. Te Milaan slaagden zij hierin uitstekend, te Genua minder goed. In ‘t algemeen verliep de staking vreedzaam; de uitspattingen die hier en daar voorkwamen zijn meest op rekening te schrijven van het lompenproletariaat.

Natuurlijk had de staking een politiek naspel. Op aandrang van de rechtse partijen, die zich zeer verontwaardigd toonden over de ‘slappe’ houding van de regering, werd het parlement ontbonden en werden nieuwe verkiezingen uitgeschreven. Deze stonden in het teken van de antisocialistische agitatie. De sociaaldemocratie, door haar burgerlijk democratische bondgenoten, de ‘radicalen’ en de ‘republikeinen’ in de steek gelaten, trad voor de eerste maal in Italië als geheel zelfstandige partij op, tegen welke alle burgerlijke elementen zich verenigden. Liberalen en klerikalen, vroegere doodsvijanden, gingen nu hand in hand om de socialist, de ‘oproermaker’ te bestrijden. Maar al verloor de sociaaldemocratie door dit samengaan van haar vijanden een paar zetels, het aantal stemmen op haar kandidaten uitgebracht nam van 147.000 tot 316.000 toe. De reformisten jammerden over het verlies van zetels, over de versterking van de rechterzijde in de nieuwe Kamer en het politieke isolement van de sociaaldemocratie, terwijl de principiële socialisten zich verheugden over de toeneming van het proletarische klassenbewustzijn, hierbij aan de dag gekomen. De eersten achtten de staking een ‘absolute mislukking’, de tweeden begroetten in haar ‘het eerste optreden van het Italiaanse proletariaat als zelfstandige klasse.’

Nog een ander, in zijn werkingen niet minder gewichtig naspel van de staking, was het wetsontwerp tot zgn. ‘regeling’ van het stakingsrecht van de spoorwegarbeiders en andere arbeiderscategorieën in openbare dienst, dat het volgende jaar verscheen. Het spoorwegpersoneel beantwoordde deze aanslag op de vrijheid van staking met de ‘dienstobstructie’, dat wil zeggen de letterlijke toepassing van alle voorschriften van het spoorwegreglement. De uitwerking hiervan stond bijna gelijk met die van een algemene staking. De ‘obstructie’, die door niemand minder dan Jaurès “een geniale uitvinding van de Latijnse geest” genoemd is, wekte grote verontwaardiging hij het publiek, waaraan zij zeer veel last bezorgde.

Echter, de kracht van het lijdelijke verzet bleek groot genoeg om minister Giolitto tot aftreden te nopen. Na zijn aftreden diende de regering een nieuw wetsvoorstel in, dat als een bedekte terugtocht opgevat kon worden, daar het feitelijk geen bijzondere straf bepalingen tegen stakende spoorwegarbeiders bevatte, doch enkel de maatschappijen het recht gaf deze onmiddellijk te ontslaan. Toch traden de spoorwegorganisaties in staking zodra het ontwerp in behandeling kwam. Door hun scherpe agitatie sedert 1902 hadden zij zich feitelijk hiertoe verbonden. De felle wijze, waarop de gehele burgerlijke klasse zich tegen hen keerde en het feit dat de regering sedert een maand maatregelen genomen had om de staking te onderdrukken, maakten deze tot een hachelijke onderneming. Met behulp van hogere beambten, marinemachinisten en soldaten kon het verkeer gedeeltelijk aan de gang gehouden worden. De enige kans voor de spoorwegmannen lag in een forse uiting van algemene klassesolidariteit. Maar alle pogingen van het spoorwegpersoneel om hun medearbeiders tot staking te bewegen, faalden. Er was nu eenmaal geen stemming voor een staking, het wetsontwerp was niet agressief genoeg om de brede massa’s van het proletariaat in beweging te brengen.

De felle vijandigheid die tussen de syndicalistisch gezinde ferrovieri en de in meerderheid volbloed reformistische kamerfractie heerste, bleek bij deze gelegenheid op betreurenswaardige wijze. De socialistische kamerleden verzuimden schandelijk hun plicht. Velen woonden de discussies in het parlement over de spoorwegwetten zelfs niet bij. De aa