Henriette Roland Holst - van der Schalk-archief
Algemene werkstaking en sociaaldemocratie
Hoofdstuk 5
De arbeidersklasse lijdt evenzeer onder politieke onderdrukking als onder economische uitbuiting. Zij heeft politieke rechten nodig als de lucht tot ademen. Hetzij om zich ruimte te veroveren voor de vakstrijd, die zonder verenigings- en stakingsrecht, vrijheid van spreken en van drukpers niet gevoerd kan worden. Hetzij om de staat de weg van de sociale wetgeving op te stuwen, welke alleen in staat is de ellendigste onder de proletariërs op te heffen tot de hoogte waarop zij met de wil en de kracht tot de klassenstrijd vervuld worden.
Het enige middel waarmee het proletariaat in de hedendaagse staat rechtstreeks en voortdurend politieke invloed kan uitoefenen is het kiesrecht. Daarom is dit het belangrijkste recht, de sleutel tot alle andere rechten en vrijheden en voor het proletariaat onontbeerlijk tot zijn verder voorwaarts schrijden in de kapitalistische maatschappij.
De eis van het algemene, gelijke, geheime en directe stemrecht is dus de fundamentele politieke eis van het proletariaat. Zij wordt gesteld in alle landen waar het proletariaat tot het bewustzijn van zijn klassetoestand begint te komen en zich tegen uitbuiting en onderdrukking begint te verzetten. De idee van het algemeen kiesrecht is verbonden met de sociaaldemocratische beweging in Duitsland; de strijd om het kiesrecht scheen Lassalle het meest geschikte middel om de arbeiders wakker te maken en te organiseren; in België, Oostenrijk-Hongarije, Holland, Zweden, Rusland: overal is het de sociaaldemocratie die de arbeidersmassa’s langs velerlei wegen in de strijd voor het algemeen kiesrecht voert.
De idee van het algemeen kiesrecht is echter niet noodzakelijk met de sociaaldemocratie verbonden. Reeds voordat deze als product van de economische ontwikkeling ontstaan was, had de leuze van het algemeen kiesrecht de arbeiders reeds in één land tot gemeenschappelijke politieke actie samengevoegd: in Engeland.
De middelen, waarmee de arbeidersklasse in de loop van haast een eeuw, en in zeer verschillende fasen van de maatschappelijke ontwikkeling, de strijd voor het kiesrecht voert, zijn natuurlijk zeer verschillend. Hiertoe behoren: vergaderingen, straatbetogingen, verzoekschriften, volksstemmingen, artikelen in de pers enz. Leiden deze tot geen resultaat, dan ligt het voor de hand dat de arbeidsklasse zal pogen het haar onontbeerlijk schijnende recht, dat pas de vreedzame politieke klassenstrijd mogelijk maakt, met geweld af te dwingen. De straatbetogingen nemen een steeds dreigender revolutionair karakter aan, opstootjes en oproertjes ontstaan, en in dit stadium van de beweging wordt, voor zover het proletariaat reeds een verleden van industriële strijd achter zich heeft, de idee van de politieke werkstaking geboren.
Niet aanstonds aan de aanvang van de kapitalistische productiewijze schijnt het neerleggen van de arbeid het proletariaat de vorm van geweld die aan zijn positie in het productieproces beantwoordt. Wat de grote redenaar Mirabeau in een ogenblik van helderziendheid begreep en de heersende klassen van zijn tijd toeriep: “Past op! Breng dit volk niet in woede, want om schrikkelijk te zijn, heeft het slechts werkloos te blijven”, — dat worden de arbeiders zelf zich eerst helder bewust in de loop van een lange ontwikkeling van strijd en verzet tegen de kapitalistische maatschappij.
De idee van de politieke massastaking kan slechts ontwaken in een arbeidersbevolking, die reeds door de sociale verhoudingen op grote schaal tot de vakstrijd gedrongen werd, doch zich nog niet in het bezit bevindt van het belangrijkste politieke recht, het algemeen kiesrecht.
Het baart derhalve geen verwondering dat wij de idee van de politieke massastaking het eerst in Engeland zien opduiken. Daar had reeds in de dertiger en veertiger jaren van de negentiende eeuw de ontwikkeling van de grootindustrie tot een onafgebroken economische strijd tussen arbeiders en patroons geleid. Van politieke democratie was geen sprake. Nog ontbrak de arbeiders het eerste burgerrecht, het kiesrecht. Daar kwam onder de chartisten het plan op van een algemene stilstand van de arbeid, een ‘heilige maand’, ter verovering van de volkscharta. Dat was de eerste maal dat aan het beïnvloeden van de politieke verhoudingen door het neerleggen van de arbeid gedacht werd, als proletarisch machtmiddel dat de voor de arbeidersklasse eigenaardige vorm van geweld is. Of deze zich tot de vreedzame staking bepalen zou, dan wel zo nodig ook tot andere, bij de toenmalige stand van de techniek mogelijke geweldmiddelen moest overgaan, — daaromtrent waren, zoals bekend is, de chartisten het niet met elkaar eens, daar zich onder hen zowel aanhangers van het ‘stoffelijk geweld’, als van het ‘enkel moreel geweld’ bevonden.
Nimmer werd gepoogd het plan van de ‘heilige maand’ te verwezenlijken. Hierop moet de nadruk gelegd worden, aangezien door enkele tegenstanders van de politieke staking de door de Engelse patroons in de textieldistricten uitgelokte stakingen en woelingen van 1842 als zulk een poging genoemd worden. Zo schrijft o.a. Greulich in zijn artikel voor de enquête van de Mouvement socialiste:
“De algemene werkstaking is een kinderlijke droom van slecht georganiseerde arbeiders. De Engelse arbeiders hebben van 1830 tot 1840 in deze droom geleefd en zij hebben menigmaal opmerkelijke pogingen aangewend om hem te verwezenlijken — pogingen waarbij de tegenwoordige algemene werkstaking slechts kinderspel is. Zij bezetten ganse industriële districten en brachten de arbeid in alle fabrieken en mijnen tot stilstand. Revolutionaire energie ontbrak hun niet waar zij verzet ontmoetten, zij belegerden de fabrieken en staken die in brand, zij streden dapper tegen politie en soldaten. En als de algemene werkstaking een beslissend middel geweest ware, zou de Engelse staat geen soldaten genoeg gehad hebben om haar te bedwingen.”
Maar deze poging van de Engelse arbeiders van 1842 heeft volstrekt niets gemeen met de politieke massastaking zoals de sociaaldemocratie die opvat. Dus bewijst zij ook niets tegen deze. De door Greulich bedoelde staking was, zoals Engels reeds in zijn werk over de toestand van de arbeidende klassen in Engeland betoogde, een onvoorbereide opstand waarin de arbeiders gejaagd werden door de liberale fabrikanten. Het is volkomen juist, dat de arbeiders fabrieken en mijnen stilzetten; intussen wisten zij zelf niet met welk doel. Van een algemeen doel was namelijk onder hen zelfs geen sprake.
“Sommigen”, zegt Engels, “wilden de volkscharta doorzetten, anderen, die het hiervoor nog te vroeg achtten, wilden enkel de loonstandaard van 1840 afdwingen. Was de opstand van aanvang af een bewust arbeidersoproer geweest, hij zou waarlijk geslaagd zijn. Maar deze massa’s, die door hun broodheren op straat gejaagd waren zonder het te willen, die volstrekt geen bepaalde bedoeling hadden, konden niets doen.”
Het heeft dus geen zin, de staking van 1842, zoals Greulich het doet, als argument voor de nutteloosheid van de politieke massastaking uit te spelen. Ook Bernstein heeft dit reeds in 1894 in de Neue Zeit (XIII, 1, bl. 690 en vlgg.) aangetoond. Voor de politieke staking, zoals de meerderheid van de sociaaldemocratie haar onder zekere omstandigheden doelmatig acht, ontbraken de Engelse arbeiders toenmaals enige voorname voorwaarden: ontwikkeld klassenbewustzijn zowel als eensgezindheid tussen politieke beweging en vakbeweging.
De massa van de vakverenigingsleden stond zeer koel tegenover het chartisme en toonde zelfs voor de offers van de politieke klassenstrijd een verbazingwekkende onverschilligheid. Het chartisme zijnerzijds had geen belangstelling voor de vakbeweging. Het owense socialisme wederom verwachtte van de politieke arbeidersbeweging, van het chartisme, slechts nadeel voor de arbeiderszaak. Het bracht immers onwil en tegenzin onder de bezittende klassen, die Owen voor het socialisme hoopte te winnen. De vakbeweging echter werd door dit utopische socialisme beschouwd noch als een noodzakelijk strijdmiddel van de arbeiders tegen de verarming die hen uit het kapitalisme bedreigde, noch als de school van de klassenstrijd, doch slechts als een embryonaal orgaan van de toekomstige voortbrengingswijze.
Vakbeweging, politieke arbeidersbeweging en socialisme waren dus in Engeland tussen de jaren 1840-50 nog gescheiden en stonden zelfs vijandig tegenover elkaar. De Engelse arbeiders ontbrak nog het heldere inzicht in de maatschappelijke verhoudingen, dat alleen tot het eensgezind voelen, denken en handelen leidt.
Dit maatschappelijk inzicht, dit eensgezind denken bezitten thans, ook in landen waar het schoolonderricht uiterst gebrekkig is, zoals in België en Italië, de arbeiders in veel hogere mate dan destijds in Engeland. Ook bij het Russische stedelijke proletariaat is dit onlangs aan licht gekomen. Deze vooruitgang is de vrucht van de sociaaldemocratische propaganda. Overal waar in de laatste tientallen jaren een industrieel proletariaat opkwam, hebben de grondgedachten van het modern wetenschappelijk socialisme er haast sedert de wieg op ingewerkt en zijn denken en handelen beïnvloed. Daarbij komt de invloed van de internationale solidariteit. De kennis van de strijd van het proletariaat in de vroegst ontwikkelde landen en de daaruit geputte ervaringen maken het mogelijk dat de arbeiders van de landen waar het kapitalisme later opkwam veel sneller tot het bewustzijn van hun klassen toestand komen, dan zonder die kennis het geval zou zijn.
Is in Engeland de idee van de politieke massastaking het eerst opgedoken, het geboorteland van de eerste poging tot verwezenlijking is België. Het Engeland van 1840 en het België van 1880 hadden de industriële ontwikkeling zowel als de politieke rechteloosheid van het proletariaat gemeen. Ook in België kwam het denkbeeld om langs de weg van de neerlegging van de arbeid voor het fundamentele politieke recht, het kiesrecht, te strijden, eerst ernstig op nadat de arbeiders de maatschappelijke en politieke uitwerking van de massastaking uit eigen ervaring hadden leren kennen. De spontane massastaking van 1886 in de mijnbouw en in de glasindustrie, die van de bourgeoisie enige dagen lang groeten schrik inboezemde, werd voor de latere ontwikkeling van de Belgische arbeidersbeweging van grote betekenis. Toen de socialistische invloed toenam en de leuze van het algemeen kiesrecht bij de massa begon in te slaan, werd, zo de gewone middelen van propaganda te zwak zouden blijken, de politieke staking als dwangmiddel tot verovering van het algemeen kiesrecht door de Belgische arbeiders als vanzelfsprekend beschouwd.
Eer wij de tegen de politieke massastaking geopperde bezwaren en de voorwaarden tot haar welslagen onderzoeken, willen wij de ervaringen omtrent haar praktijk verzamelen. De internationale arbeidersbeweging heeft reeds een gehele reeks, naar doel en uitvoering uiterst verscheidene, door betrekkelijk succes bekroonde zowel als geheel mislukte pogingen van politieke staking aan te wijzen. Bij de kenschetsing van deze pogingen houden wij ons ten opzichte van de beide Belgische stakingen en van de Zweedse staking aan het rapport, dat het bestuur der Hollandse sociaaldemocratie in opdracht van het internationaal bureau publiceerde. Onze beschrijving van de Italiaanse stakingen steunt op de verslagen van de Italiaanse, Duitse en Franse partijpers.
“Onze Belgische kameraden”, zo luidt het rapport van de Hollandse sociaaldemocratie, “hebben ten opzichte van de politieke werkstaking de rijkste ervaring.” Tweemaal maakten zij van dit strijdmiddel gebruik; de eerste maal behaalden zij een betrekkelijk belangrijk succes; de tweede maal leden zij de nederlaag. De Belgische werkstaking van 1893 tot verovering van het algemeen kiesrecht was de eerste in haar soort. Zij werd voorafgegaan door een jarenlange, voortdurend gevoerde propaganda. De vakorganisatie was in 1893 onder de Belgische arbeiders nog zeer zwak en ook de politieke partijvorming liet nog veel te wensen over; maar door de lange veldtocht voor het algemeen kiesrecht hadden de arbeiders twee dingen geleerd: vooreerst, al hun krachten op één punt samen te trekken, het algemeen kiesrecht als het voornaamste doel te beschouwen, waarvoor alles op het spel gezet moest worden; ten tweede, de politieke leiding van de sociaaldemocratie te vertrouwen en te volgen. Niet alleen was in de massa het klassenbewustzijn ontwaakt, het was ook in een politieke eis tot concrete uitdrukking gekomen.
Toen de Algemene Raad van de Partij het parool tot werkstaking uitgaf, volgde in de grote steden en industriële centra de massa van de arbeiders onmiddellijk die opdracht. Deze politieke geschooldheid, een vrucht van jarenlange strijd, is naar onze overtuiging een van de oorzaken die aan de staking van 1893 succes brachten.
Een tweede hoofdoorzaak was het onverwacht uitbreken van de staking en de schrik die zij dientengevolge onder de bourgeoisie verbreidde. Voor de eerste maal in de geschiedenis richtten de arbeiders het wapen van de werkstaking tegen de staat. Elke nieuwe uiting van kracht en strijdvaardigheid hunnerzijds verschrikt de bourgeoisie des te meer, naarmate zij haar minder verwachtte. Een ogenblik meent zij dat haar einde gekomen is. Zo ging het in de meeste landen bij de eerste meibetoging in 1890, zo ging het in België ook in 1893.
De vrees voor de revolutie, waarvan zij in de werkstaking een voorspel zag, de vrees voor de opmars van tienduizenden mijnwerkers naar Brussel, bracht de bourgeoisie een ogenblik in verwarring en verlamde haar wil. Zij verweerde zich wel met haar gewone geweldmiddelen, politie en soldaten, maar haar verweer was onzeker en aarzelend. Liever dan zich aan het gevaar van een in haar ogen dreigende revolutie bloot te stellen, deed zij concessies en gaf gedeeltelijk toe.
Een compromis dus, een halve overwinning van het proletariaat — de invoering van het wel algemene, maar ongelijke kiesrecht — was het resultaat van de eerste politieke werkstaking. Ongetwijfeld was dit resultaat geschikt om het krachtsbewustzijn van het proletariaat in hoge mate op te wekken.
De staking van 1902 echter dwong van de Belgische bourgeoisie niet de gerinste concessie af. Zij was — men lette wel — veel omvangrijker dan die van 1893; driehonderdduizend arbeiders namen er aan deel; organisatie en geschooldheid waren toegenomen; de algemene geestdrift was zeker niet minder dan in 1893. En toch was zij niet in staat de aaneengesloten meerderheid in het parlement of ook de reactionaire partijen daarbuiten in het allerminst het spoor bijster te doen worden. De scherpzinnigste theoretici van de sociaaldemocratie hebben als oorzaak van de mislukking het parlementaire bondgenootschap met de liberalen aangeduid, dat de revolutionaire beweging van het proletariaat verlamde. Wij willen hierop niet verder ingaan en niet onderzoeken in hoeverre een verkeerde tactiek de nederlaag bracht. Een herhaling daarvan zou natuurlijk in de toekomst licht te vermijden zijn. Duidelijk echter was, dat de burgerklasse, nu zij de politieke staking kende, niet meer bij haar nadering de vlucht nam, maar zich met alle onderdrukkingsmiddelen waarover de kapitalistische staat vervoegt, teweerstelde. En dat zonder angst, en in het bewustzijn dat deze onderdrukkingsmiddelen bij de tegenwoordige machtsverhoudingen tussen de klassen wel in staat zijn, aan het uithoudingsvermogen van het proletariaat in de politieke werkstaking weerstand te bieden.
Wat echter de tweede Belgische staking voor het internationale proletariaat zo uiterst belangrijk maakt, is de wijze waarop de Belgische arbeiders de terugtocht volvoerden. Het gelukte hun, de verloren staking op het juiste ogenblik af te breken en de beweging in de beste orde op te heffen. Zij volbrachten, wat aan overwonnen legers steeds als een grote eer aangerekend wordt: zich na de nederlaag in volkomen discipline terug te trekken. Het voorbeeld dat zij gaven bewijst welke eigenschappen en krachten bewustzijn en strijdlust bij het proletariaat kweken. Dit is voldoende om de opvatting te vernietigen, alsof elke nederlaag bij een politieke staking op een ramp behoeft uit te lopen. De Belgische staking van 1902 heeft bewezen, dat dit evenmin bij deze strijdvorm het geval behoeft te zijn, als bij de gewone economische staking, en dat de gevaren, die onvermijdelijk verbonden zijn aan een staking die zich tegen een zo machtige vijand als de moderne staat richt, door eenheid in leiding en optreden zeer verminderd kunnen worden.
Ook de Belgische beweging kostte aan het proletariaat offers en de treurige gebeurtenissen van Brussel en Leuven, waar bij een betoging zes arbeiders door burgerlijke nationale gardes gedood werden, leven nog in aller herinnering. Maar de eenheid van leiding en massabeweging, de eensgezindheid waarmee de arbeid neergelegd en weer opgevat werd, behoedde de Belgische arbeiders voor de ontzenuwende gevolgen van een nederlaag, voor het demoraliserend schouwspel de strijders van gisteren, van hun brood beroofd, als paria’s verdreven, aan ellende overgeleverd te zien. Vergeldingsmaatregelen van de zijde van de patroons kwamen zo goed als in het geheel niet voor. De organisaties bleven onverzwakt, en de verkiezingen, die onder de rechtstreekse indruk van de gebeurtenissen en een sterke antisocialistische reactie bij de door de klerikale propaganda sterk beïnvloede middenklassen gehouden werden, brachten wel hier en daar een kleine achteruitgang, maar over het ganse land toch een aanwas van 16.000 stemmen. Wel verslapte een tijdlang de beweging voor het algemeen kiesrecht, maar het is nog de vraag, of dit alleen aan de mislukte staking toe te schrijven is, en of niet ook zonder deze de parlementaire nederlaag, d.w.z. de verwerping van het socialistisch-liberale voorstel tot grondwetsherziening in de Kamer, tot een tijdelijke verslapping geleid zou hebben. Dit is toch ook zonder staking in Oostenrijk en Holland het geval geweest. En zoals Victor Adler onlangs zeer terecht opmerkte, is zulk een verslapping volkomen natuurlijk, daar men onmogelijk een beweging jarenlang onafgebroken op het kookpunt kan houden.
Wij gaan nu tot de Zweedse staking over en willen de aandacht vestigen op de voornaamste verschillen tussen deze en de beide Belgische. Vooreerst was zij uitdrukkelijk als betoging en niet als dwangmiddel aangekondigd. De Zweedse arbeiders wilden op deze wijze tonen, dat zij ten gunste van het algemeen kiesrecht afstand deden van hun loon en gedurende de gewichtige dagen van de behandeling van de kiesrechtvoorstellen in het parlement hun ganse belangstelling op de grote politieke beslissing samentrokken. Dit uitdrukkelijk uitgesproken doel van de staking had natuurlijk het voordeel dat het een directe mislukking van tevoren uitsloot.
Een tweede belangrijk punt is de van tevoren vastgestelde duur. Vooraf was reeds vastgesteld dat de staking terstond na beëindiging van de behandeling van de kiesrechtvoorstellen in het parlement opgeheven zou worden, dus slechts weinige dagen zou duren. Dit besluit ontnam aan de burgerlijke pers min of meer de gelegenheid om de staking als voorspel van de revolutie voor te stellen en de publieke opinie tegen de arbeiders op te hitsen.
Evenals de eerste Belgische eindigde ook de Zweedse staking met een halve overwinning van de volkswil, een compromis, dat in dit geval de vorm aannam van een verschuiving van de definitieve beslissing.[17] De totaal onvoldoende kiesrechtvoorstellen van de burgerlijke partijen werden verworpen, tegelijkertijd echter ook dat van de sociaaldemocratie, en de regering werd uitgenodigd binnen twee jaren een nieuw ontwerp in te dienen.
Wat de omvang betreft, stond de Zweedse staking zeker bij de Belgische niet ten achter. In Stockholm stonden niet alleen de gehele industrie en de bouwvakken stil, maar ook de arbeiders van de staatsspoorwegen en gasfabrieken, van de reinigingsdienst enz. staakten, en geen enkele burgerlijke krant kon verschijnen. Al was zij ook nog zozeer als betoging aangekondigd, toch bracht zij het economisch leven vrijwel tot stilstand en veroorzaakte aan de bevolking groot ongemak.
Ook hier was, evenals in België, het proletariaat door een jarenlange veldtocht voor het algemeen kiesrecht tot eenheid opgevoed en in politiek bewustzijn geschoold. De leiding was uitsluitend in de handen van de sociaaldemocratie; ter voorkoming van wraaknemingen van de patroons werden de vakverenigingen volkomen buiten spel gelaten en ging de oproep om te staken alleen van de sociaaldemocratie uit. Ten gevolge van deze tactiek en van de grote eenheid en discipline kostte de beweging aan de vakverenigingen zo goed als geen offers. Slechts in één grote fabriek gingen de patroons na afloop van de staking tot de uitsluiting over, deze werd echter weldra weer opgeheven.
Tenslotte willen wij nog meedelen dat naar de overtuiging van onze Zweedse partijgenoten ook hier de overwinning voor een goed deel aan het voor de bourgeoisie onverwachte uitbreken van de staking te danken is.
“Het is ons”, schrijft de afgevaardigde Hjalmar Branting, “gedeeltelijk door overrompeling gelukt en wij weten dat wij in de toekomst met veel scherper daden van wraak van de zijde van de patroons te rekenen zullen hebben. Het is dus duidelijk dat, om succes te hebben, een herhaling van de staking de bourgeoisie veel gevoeliger dan de eerste maal zou moeten treffen, hetzij door langere duur, hetzij door groter omvang of op andere wijze.”
Tot zover het rapport van het bestuur van de Hollandse sociaaldemocratie.
Wij gaan nu over tot de Hollandse werkstaking van 5 tot 10 april 1903. Haar oorzaak was, naar bekend is, de dwangwetten, die naar aanleiding van de schitterende overwinning op 2 februari van de solidariteitsstaking van het spoorwegpersoneel, door de regering ingediend werden. Spoedig na deze overwinning bleek, dat de bourgeoisie de mogelijkheid van een tweede, dergelijke overwinning nimmer zou dulden; haast onmiddellijk na het einde van de staking verschenen in de reactionaire pers artikelen, die van de regering eisten dat zij het spoorwegpersoneel het stakingsrecht ontnemen en de uitoefening daarvan aan de andere arbeiderscategorieën bemoeilijken zou. Einde februari verschenen de later ietwat verzachte wetsontwerpen, die het staken voor het spoorwegpersoneel en voor de arbeiders in openbare dienst met gevangenis tot zes jaren (later in het gewijzigd ontwerp tot vier jaren verminderd) bedreigden en voor de overige arbeiders het posten zeer bemoeilijkten. Nog voor de wetsontwerpen bekend waren, hadden de arbeiders, door de opruiende toon van de burgerlijke pers gewaarschuwd, zich ter verdediging aaneengesloten. De vakvereniging van spoorwegpersoneel had reeds vroeger de uittartingen van de burgerlijke pers beantwoord met de oproep tot haar leden, om zich op het eerste teken tot staking bereid te houden. De havenarbeiders van Amsterdam (voor wie het spoorwegpersoneel de 31ste januari tot solidariteitsstaking overgegaan was) verklaarden zich bereid hun hulp te verlenen. Van een algemene werkstaking was geen sprake, en het was een bewijs voor de zwakte van de vakbeweging, dat de zogenaamd neutrale vakverenigingen, waarvan de meeste min of meer onder anarchistische invloed stonden en over de algemene werkstaking een groot woord pleegden te voeren, thans in het bewustzijn van hun onmacht zwegen.
Het Comité van Verweer, waarin sociaaldemocraten, enkele vakverenigingsmannen en anarchisten samenwerkten, voerde de agitatie in het land met grote energie. Op een zelfde dag werden in het ganse land grote vergaderingen gehouden, die door ongeveer 50.000 arbeiders bijgewoond werden. Aan de eendrachtige en geestdriftige beweging gelukte het echter niet, de intrekking van de dwangwetten te bewerken. Evenmin had de herhaalde inspanning van de sociaaldemocratische fractie in de kamer enig succes. Troelstra poogde vergeefs de regering op de weg van verzoening en billijkheid te leiden door de verdaging van de behandeling van de strafwetten tot na het tijdstip waarop het resultaat van de eveneens door de wet te gelasten enquête over de arbeidsvoorwaarden van het spoorwegpersoneel bekend zou zijn. Minister Kuyper, de ‘sterke man’, weigerde hierop in te gaan: aan het spoorwegpersoneel moesten zijn rechten ontnomen worden, nog eer zijn grieven behoorlijk onderzocht waren. De ophitsing tot een uitbarsting van vertwijfeling paste in het plan van de regering, die begerig was haar kracht en vastberadenheid in de verdediging van de kapitalistische belangen te tonen en haar militaire en andere maatregelen zeer goed voorbereid had. Ook hoopte zij dat de staking de sociaaldemocratie zowel als de onafhankelijke vakverenigingen voor lange jaren krachteloos maken zou.
Einde maart verschenen de gewijzigde wetsontwerpen. De liberalen, die tot dusver een schijnoppositie gevoerd hadden, zwichtten en hun ganse pers hief een loflied aan op de wijsheid en gematigdheid van de klerikale regering, die zo verstandig geweest was aan de raad van de liberale partij gehoor te geven. Alle burgerlijke partijen maakten gesloten front tegen de arbeiders. Toen de Kamer de 1ste april bijeenkwam, vernam zij, dat in strijd met de bepalingen van het reglement van orde de dwangwetten reeds de volgende dag in openbare behandeling zouden komen.
De 2e april hielden de politieke organisaties en vakverenigingen, die zich bij het Comité van Verweer hadden aangesloten, wederom een vergadering. De arbeiders stonden nu voor een onmiddellijk gevaar, de tijd van kalm overleg was voorbij, de behandeling van de wetten was die dag reeds begonnen en binnen weinige dagen zou alles beslist zijn. De arbeiders moesten nu hetzij zich er in schikken dat de strijd tot het parlement beperkt en door de sociaaldemocratische afgevaardigden gevoerd werd, hetzij buiten het parlement de weg van de staking inslaan. In beide gevallen was de nederlaag zeker; de gevolgen van een nederlaag buiten de kamer zouden echter ongetwijfeld van geheel andere aard zijn dan die van een enkel parlementaire nederlaag.
Eerst in deze vergadering van verenigingsbesturen werd, toen de arbeiders de strik reeds om de hals voelden, het definitieve besluit tot staken genomen. Vergeefs waarschuwde onze partijgenoot Oudegeest, voorzitter van de vereniging van spoorwegpersoneel, met ernstige woorden tegen de strijd. In de twee maanden die sedert de bovengemelde oproep aan het spoorwegpersoneel verstreken waren, was er veel veranderd. De spoorwegmaatschappijen hadden hun maatregelen getroffen, ‘ordebonden’, d.w.z. verenigingen van onderkruipers, opgericht of begunstigd, en door te speculeren op persoonlijk voordeel, door dreigementen enz. de besluitelozen, zwakken en wankelmoedigen van de vakvereniging losgemaakt. Wel omvatte deze naar het uiterlijk nog een groot aantal leden, maar inwendig was zij zeer verzwakt en haar strijdlust was aanmerkelijk afgenomen. De christelijke vakverenigingen echter hadden zich met waarlijk hondse aanhankelijkheid aan hun regerende geloofsgenoten voor de dwangwetten verklaard en werkten hun met alle macht in de hand. Het leger stond in het ganse land gereed om alle stations, rangeerterreinen en spoorwegovergangen te bezetten en elke aanraking tussen stakers en niet-stakers zo goed als onmogelijk te maken.
Maar de geest van verzet was door het brutale optreden van de regering in de arbeiders tot het uiterste opgevoerd: de vergadering luisterde niet naar Oudegeests waarschuwingen, doch enkel naar de beschouwingen van die leden van het Comité, die de stand van zaken gunstiger beoordeelden en de raad gaven tot staken over te gaan. Tot de staking in de transportbedrijven (spoorwegpersoneel en havenarbeiders) werd besloten. Door de anarchistische elementen werd verklaard dat de staking geen manifestatie doch pressie bedoelde: intrekking of verwerping van de wetten zou haar oogmerk zijn. Omtrent de duur van de staking werd niets bepaald, evenmin een dag van aanvang genoemd: stilzwijgend gold als zodanig de 5e april. Het besluit zou geheim blijven, in de nacht van 4 op 5 april bleek echter dat de autoriteiten gewaarschuwd waren.
Reeds de eerste dag van de staking bleek dat de geest onder het spoorwegpersoneel een andere was dan de 31ste januari. Zelfs Amsterdam, dat ieder bijzonder betrouwbaar geacht had, leverde een groot aantal onderkruipers. Het verkeer werd bemoeilijkt, maar niet als toen opgeheven. En het feit dat uit Amsterdam steeds weer treinen naar verschillende richtingen vertrokken ontmoedigde de arbeiders op andere stations, waar, zoals in Haarlem, de Haag, Rotterdam, Utrecht, de staking tamelijk algemeen was uitgebroken. De tweede dag breidde de staking zich enigszins uit, in het Noorden en Oosten stond de zaak tamelijk goed. In het katholieke Zuiden daarentegen werd slechts op enige weinige plaatsen korte tijd gestaakt. Van een algemene spoorwegstaking was geen sprake. De spoorwegmaatschappijen stuurden de stakers aanstonds de eerste dag de aankondiging van hun ontslag thuis, tenzij zij zich binnen een bepaalde termijn weer voor de arbeid aanmeldden; dit had in vele plaatsen grote ontmoediging ten gevolge, vooral onder de vrouwen. De staking van de Amsterdamse havenarbeiders werd door de patroons terstond beantwoord met een algemene uitsluiting van alle bij het havenbedrijf betrokken arbeiders (ongeveer 4000), die zij nog verscheiden weken na het einde van de politieke staking volhielden en waarmee zij aan de organisatie van deze arbeiders een slag toebrachten, welke zij thans nog niet te boven gekomen is. In Rotterdam nam de havenarbeidersstaking, zo zij ook al niet algemeen was, toch onverhoopt grote afmetingen aan. Voor de eerste maal werden deze arbeiders verblijdenderwijze in een algemene beweging betrokken.
De 8ste april was de behandeling van de wetten in de Kamer haast ten einde, de discussie werd uitsluitend door de sociaaldemocraten gevoerd; tot obstructie konden zij echter niet overgaan, aangezien de staking daartoe te zwak stond. Onder deze omstandigheden kondigde het Comité van Verweer, om de spoorwegmannen te hulp te komen en hun zwakte te verbergen, de 8ste april in de namiddag, de algemene werkstaking voor alle bedrijven af. Dit was natuurlijk de laatste noodkreet. Te Amsterdam werd er aan gehoor gegeven door de 8000 diamantbewerkers (zoals bekend is, de best georganiseerde arbeiderscategorie) en door het merendeel van de bouwvakarbeiders. De poging tot staking van de bakkers en letterzetters mislukte. Van de gemeentewerklieden legden enige groepen (verlichting en reiniging) het werk neer, dat gedeeltelijk door militairen overgenomen werd. Buiten Amsterdam werd hier en daar in de grotere steden in enkele bedrijven (bouwbedrijf, metaalbewerking, drukkersbedrijven) geheel of gedeeltelijk gestaakt. Alles bijeen omvatte de staking over het gehele land 50- 60.000 arbeiders, waarvan ongeveer 30.000 in Amsterdam.
Zonder twijfel zou de staking bij langere duur in een aantal bedrijven zich nog uitgebreid hebben. Maar de 9e april werd in de namiddag de wet door de Tweede Kamer reeds aangenomen en daarmee was elk verder staken, zij het als middel van verzet of protest, nutteloos geworden. Daarbij stond het met de strijdlust van de spoorwegmannen zeer slecht en elke verdere dag staken moest dit meer aan het licht brengen en hun nederlaag verergeren. Onder deze omstandigheden besloot het Comité in de nacht van 9 op 10 april, de staking op te heffen. Dit werd de volgende morgen bekend gemaakt en hoewel het hier en daar niet zonder moeilijkheden ging, waren toch binnen enkele dagen alle stakingen, die met de algemene beweging samenhingen, beëindigd. In de nacht van 10 op 11 april hield het Comité van Verweer met de besturen van de verenigingen nogmaals een vergadering, om van de plotselinge opheffing van de staking rekenschap af te leggen. Daar werd van anarchistische kant de ergerlijke beschuldiging geuit dat de sociaaldemocratie de beweging verraden had en na een discussie die twee volle nachten duurde en vele betreurenswaardige ogenblikken opleverde, werd uit de belangrijkste vakverenigingen een commissie benoemd, ten einde dit ‘verraad’ nader te onderzoeken. Natuurlijk kon deze commissie, die in meerderheid uit enkel vakverenigingsmannen en tegenstanders van de sociaaldemocratie bestond, geen spoor van het beweerde verraad ontdekken.
Zo eindigde de met zo grote geestdrift aangevangen beweging in een nederlaag, wier gevolgen door verwarring en tweedracht zeer verergerd werden. De kapitalisten, die deze arbeiders, voor wie zij kort tevoren gesidderd hadden, thans verdeeld en weerloos zagen, oefenden vreselijke wraak. Zij voelden zich aangemoedigd door de houding van de regering, die de stakers ‘misdadigers’ noemde, en door de wraakgierige stemming van haast de gehele bourgeoisie. De spoorwegmaatschappijen gaven het voorbeeld: zij sloten meer dan 1500 mannen uit. De andere ondernemers bleven niet achter; het aantal slachtoffers bedroeg in het gehele land ongeveer 5000, een voorbeeldenloos hoog aantal op 50.000 stakers! Daarbij nam dit aantal slechts zeer langzaam af, daar haast alle ondernemers weigerden arbeiders, die aan de staking deelgenomen hadden, weer aan het werk te zetten. Na verloop van een jaar waren nog honderden slachtoffers over, die slechts karig ondersteund konden worden.
De spoorwegstaking mislukte volkomen. De stakers konden bij de hervatting van de arbeid geen enkele voorwaarde stellen, hun aantal was daartoe veel te gering en hun demoralisatie te groot. Hun organisatie werd haast geheel vernietigd en herstelde zich slechts langzaam en moeilijk.[18] Ook een ganse reeks andere vakverenigingen werd ernstig verzwakt; vooral in Amsterdam verloren zij duizenden leden. Een schrikbewind ving aan en de Hollandse vakbeweging heeft zich thans nog niet geheel hersteld van de slag die haar voor twee jaren toegebracht werd.
Uit het voorafgaande blijkt duidelijk waarom zowel de staking van het spoorwegpersoneel als de algemene werkstaking mislukken moest. De economische organisatie was gebrekkig, de voorbereiding en leiding onvoldoende, het politiek bewustzijn van de massa gering. En de vijand, die de staking verwachtte, had tijd gehad om al zijn maatregelen te treffen.
Niettemin was de staking een psychologische noodzakelijkheid. De ongehoorde overwinning van de spoorwegmannen op 2 februari had het hare er toe bijgedragen om het proletariaat overmoedig te stemmen en tot overschatting van zijn krachten te verleiden. De anarchisten hadden sedert jaren de algemene werkstaking gepredikt als algemeen heilmiddel in tegenstelling tot de vakverenigings- en politieke organisatie, en hun invloed op de vakverenigingen was groot. Maar de hoofdoorzaak waarom de staking als laatste verweermiddel uit vertwijfeling bij de arbeiders moest opkomen, lag in het ontbreken van het algemeen kiesrecht. Meer dan de helft van de arbeiders bezit geen stemrecht en die toestand sloot voor het proletariaat de mogelijkheid uit om langs de weg van de politiek-parlementaire strijd de regering, die aan een deel van hun het eerste, onontbeerlijke recht van de arbeider in de kapitalistische maatschappij uit de hand wilde slaan, ten val te brengen! Het klassenbewustzijn was te sterk, dan dat de arbeiders zich zonder strijd lieten ontrechten; de politieke geschooldheid was echter te zwak, dan dat zij hadden kunnen besluiten de strijd te beperken tot de agitatie in het land en de werkzaamheid van de sociaaldemocratische afgevaardigden in het parlement. Voor een groot deel van de arbeiders zou dat van gelijke betekenis zijn geweest met afstanddoen van alle strijd. Zo paste zowel de staking zelf als de wijze waarop zij gevoerd en beëindigd werd, volkomen bij de ontwikkelingsgraad van de Nederlandse arbeidersbeweging.
Het is duidelijk dat, hoewel de arbeiders bedoelden door de staking de regering te dwingen tot intrekking van de wetten, zij voor een dwangmiddel feitelijk veel te zwak was en slechts de betekenis van een protest had.
Ook een proteststaking, maar van onvergelijkelijk veel groter omvang en machtiger uitwerking dan de Hollandse, was de Italiaanse algemene werkstaking van 16 tot 20 september 1904. Zij onderscheidde zich van de Zweedse, Belgische en Hollandse staking vooral door haar geheel spontaan karakter. Van organisatie en beraamd samengaan kon geen sprake zijn, wijl zij volkomen onverwacht uitbrak. Daardoor bestond zij eigenlijk uit een aantal plaatselijke, naast en na elkander gehouden stakingen, die enkel door de zedelijke band van dezelfde machtige verontwaardiging verbonden waren.
In de morgen van de 15e september verbreidde zich door Italië het bericht, dat in Castelluzzi wederom door carabinieri [19] op georganiseerde arbeiders geschoten was en dat twee van hen geveld waren. Deze bloedige daad was een nieuwe schakel in een reeks van moorden die door de verdedigers van de kapitalistische orde binnen weinige maanden te Berra, Candela, Giarratana en Buggerru gepleegd waren. Telkens weer had het proletariaat in openbare vergaderingen geprotesteerd en geëist dat zijn leven tegen gewelddaden beschermd zou worden. Thans werd het overweldigd door een grimmige toorn. Bliksemsnel, zonder overleg, uit de diepte van zijn medegevoel en verontwaardiging, besloot het over te gaan tot de sterkste vorm van protest die het in de kapitalistische maatschappij bezit: tot het weigeren van zijn arbeidskracht, die deze ganse maatschappij in het leven houdt.
“Twee uren nadat het blad Il Tempo het bericht uit Sicilië onder de arbeiders van Monza verbreid had, was daar tot de staking besloten. Des middags om 12 uur stonden de raderen stil: 7.000 arbeiders staakten. In de avond van dezelfde dag kondigden de leden van de Milaanse Kamer van Arbeid de algemene werkstaking af, nadat men nog een etmaal te voren dit middel van protest afgewezen had, toen het na het bloedblad van Sardinië door partijgenoot Dugoni voorgesteld was. In de morgen van de 16e september lag in Milaan alle arbeid stil. Men stelt het aantal stakers op 80.000 a 100.000.” [20]
In de nacht van 15 op 16 september stelden de in Rome aanwezige leden van het bestuur en van de kamerfractie van de sociaaldemocratische partij met de eerste politieke redacteur van de Avanti een manifest op, waarin het initiatief van de Milaanse Kamer van Arbeid toegejuicht en de organisaties aanbevolen werd de algemene werkstaking in de grootst mogelijke uitgebreidheid en intensiteit over gans Italië te bewerkstelligen.
Dit manifest kon intussen enkel voor Rome het teken tot de strijd worden, daar alle bladen die het verbreidden achtergehouden werden. De verbreiding bleek evenwel ook onnodig, want reeds greep de staking overal om zich heen. In Ligurië kwam het tot staking nog voordat het bloedbad van Castelluzzi bekend was, en wel onder de indruk van de gebeurtenissen van Sestri, waar eveneens op arbeiders geschoten was en twaalf van hun verwond waren. In Genua gingen in de morgen van 17 september het trampersoneel, de gaswerkers en de arbeiders van de elektriciteitswerken tot staking over. In de middag werd door de Kamer van Arbeid de algemene werkstaking geproclameerd en twee dagen lang stond alle economisch leven stil.
Te Rome, waar de staking in de avond van 17 september uitgesproken werd, omvatte zij eveneens, op de gaswerkers na, alle bedrijven. Ook de dagbladen moesten ophouden te verschijnen.
Dan volgden Turijn, Bologna, Livorno, Biella en honderden kleinere steden. Toen de staking hier op een eind liep, ving zij aan in Mantua, Venetië, Napels, Florence, Ravenna en andere plaatsen. De mogelijkheid tot gelijktijdige massastaking over geheel Italië ontbrak, daar de couranten hetzij niet verschenen, hetzij in beslag genomen werden en de telegraaf tot 18 september alleen ter beschikking van de regering stond. Op deze dag werd de order van de Milaanse Kamer van Arbeid, om de arbeid de 19e te hervatten, doorgelaten. De Milaanse volksvergadering echter keurde dit besluit niet goed, de arbeiders hervatten het werk eerst de 21ste september.
Ook op het platteland verbreidde zich de staking; in de louter van landbouw levende provincie Mantua verlieten 120.000 landarbeiders de velden; tot in de kleinste bergdorpen werd de uitwerking van de staking bespeurd. Het aantal stakers valt niet nauwkeurig op te geven, maar zal niet ver van het miljoen gebleven zijn.
Slechts één, doch een in het economisch raderwerk zeer belangrijke arbeidersgroep hield zich ver van de staking: in het grote koor van de solidariteit ontbrak de stem van de spoorwegmannen. Alleen in Siena en Napels namen zij aan de beweging deel. Hun afzijdigheid zal gedeeltelijk toegeschreven moeten worden aan het geheel onverwachte uitbreken van de beweging, daar een onmiddellijke mobilisatie voor deze arbeiders niet mogelijk was door de aard van hun arbeid en door de vorm van hun organisatie. Maar een nog groter rol zullen wel gespeeld hebben de bedenkingen die hoe langer hoe meer een belemmerende invloed moeten hebben op het uitbreken van een spoorwegstaking: het bewustzijn van de ontzaglijke draagwijdte van een stilstand van het verkeer, van zijn ernstige maatschappelijke gevolgen en van de grote persoonlijke gevaren die het staken voor deze arbeiders meebrengt. Een zo algemene en geweldige opwinding in de arbeiderswereld kon alleen hierdoor hen onberoerd laten, waar voor hen in veel hoger mate dan voor de arbeiders van andere bedrijven bij de staking het ganse bestaan op het spel stond.
Alles te samen genomen betoonden de massa’s gedurende de staking een hoogst verblijdende kalmte en gematigdheid. Slechts hier en daar kwam het tot enkele, in vergelijking tot zulk een reusachtige beweging zeer onbelangrijke uitspattingen, die bovendien, zoals in Genua en Napels, niet op rekening van de georganiseerde arbeiders gesteld moeten worden, maar door het grotestads-gepeupel gepleegd werden. In enige grote steden deed de regering onvoorzien sedert de eerste dag van de staking afstand van elke uitoefening van de politiefunctie, zij het uit bezorgdheid voor bloedige botsingen, of in de hoop op excessen van het lompenproletariaat, ten einde de ganse beweging te discrediteren. Daardoor stond de arbeidersbeweging onverwacht voor de nieuwe taak, om aanstonds de veiligheidsdienst te organiseren. In Milaan geschiedde dit met goed gevolg, in Genua gelukte het niet altijd de slechte elementen meester te worden.
Gaan wij thans over tot de vruchten van de werkstaking. Van positieve resultaten op wetgevend gebied of van een positieve nederlaag kon in dit geval geen sprake zijn, aangezien de staking uitsluitend betoging was. Het kwam dus hoofdzakelijk op morele uitwerkingen aan en dit maakt het begrijpelijk dat haar gevolgen zeer verschillend beoordeeld zijn. In de beoordeling van de staking is drieërlei waardering waar te nemen, al naarmate de beoordeler tot de linkerzijde, tot het centrum of tot de rechtervleugel van de sociaaldemocratie behoort. Dezelfde uitwerkingen die door de een blijde begroet werden, schenen de ander slechts schade te kunnen toebrengen aan de zaak van het proletariaat.
Voor Turati bijvoorbeeld zijn het bedroevende gevolgen van de staking, dat het de reactie terstond daarna gelukte nieuwe verkiezingen door te drijven en dat zij aan de parlementaire aaneensluiting van de sociaaldemocratie met de radicale en democratische partijen plotseling een einde maakte. Daarentegen beoordeelde Enrico Leone, toenmaals redacteur van Avanti, de toestand aldus:
“De algemene werkstaking heeft getoond, dat het proletariaat geen reden meer heeft zijn afgevaardigden in het wetgevend lichaam tijd en kracht te laten verspillen door ondersteuning van een of andere burgerlijke regering. De massa zal zelf in staat zijn zich van de ene dag op de andere rechten te veroveren. De afgevaardigden mogen zich niet laten sussen ter wille van kleine resultaten, die de vakverenigingen zonder veel moeite langs directe weg zouden bereiken, zodra zij willen.”
De staking was ongetwijfeld — en dat is ons inziens haar grote betekenis — het eerste historisch geweldige optreden van het proletariaat als revolutionaire klasse in het sociale leven van Italië. Tot dusver had het steeds de strijd gevoerd in politiek verbond met de stedelijke kleinburgerij en de kleine boeren: in de staking trad het voor de eerste maal onafhankelijk, als een de ganse kapitalistische maatschappij-inrichting bestrijdende klasse op. Door de staking leerde het de onzekere, weifelende aard kennen van zijn voormalige politieke bondgenoten, die zich ontpopten als scherpe tegenstanders van de revolutionaire actie van het proletariaat.[21]
De staking bewees hoe diep de socialistische gedachte onder de massa wortel geschoten had, hoe levendig het bewustzijn van haar gemeenschappelijke belangen en van haar historische zending in haar geworden was. Haar eerste gevolg voor het proletariaat was een versterking van zijn economische organisatie, een vermeerdering van zijn zelfbewustzijn, een betere waardering van de noodzakelijkheid van de politieke strijd. De vakverenigingen werden zich naast haar macht ook meer bewust van haar taak om niet alleen economische beroepsbelangen te dienen, maar ook draagsters en organen van de proletarische politiek te zijn. Op hun laatste congres is dit inzicht ook tot uiting gekomen. In het algemeen verhoogde de werkstaking sterk het machtsgevoel van het proletariaat, het heeft zijn onontbeerlijkheid in het voortbrengingsproces leren kennen en is vast besloten, elke ernstige aanval op zijn rechten, zowel als elke overweldiging met het uiterste verzet te beantwoorden.
Ongetwijfeld is de maatschappelijke positie van het proletariaat door de staking versterkt. Zij zal zeker tot gevolg hebben dat zij de heersende machten tot voorzichtigheid aanspoort en de overweldiging van strijdende arbeiders door de verdedigers der orde beperkt. Een proletariaat, dat met de daad getoond heeft voor geen offers terug te schrikken om zijn verontwaardiging over de schennis van zijn elementaire menselijke rechten, zijn meegevoel met de vermoorde broeders de heersende klassen duidelijk aan het verstand te brengen — zulk een proletariaat boezemt hun een geheel andere vrees en een geheel ander respect in, dan een proletariaat dat slechts in machteloze woorden aan zijn smart uiting gegeven had. De werkstaking was een vermaning tot de burgerlijke klassen, want zij toonde hun dat zij afhankelijk zijn van het proletariaat; zij was bovendien een dreigend betoog, welk lijden en verderf dit proletariaat aan de ganse maatschappij zou kunnen bereiden, wanneer de machthebbers het door aanvallen op zijn rechten of zijn leven tot de herhaling van zulk een daad van verontwaardiging zouden drijven.
Zeer verschillend in haar uitwerking op de massa waren de gevolgen van de werkstaking op het gebied van de politiek-parlementaire strijd. Zij hebben tot aanmerkelijke wijzigingen in de politieke toestand en in de verhoudingen van de partijen geleid, die de parlementaire invloed van de sociaaldemocratie niet gunstig waren.
Onder de indruk van de werkstaking verenigden zich weldra alle burgerlijke elementen tot een gemeenschappelijke socialistenjacht. Toen de reactionairen er in slaagden de ontbinding van het parlement te bewerkstelligen, vond een algemene mobilisatie tegen de sociaaldemocratie plaats. Het klerikalisme steunde openlijk zijn vroegere doodsvijand, het antiklerikale liberalisme, waar het er op aan kwam een socialist te bestrijden. Giolitti overwon, maar slechts met behulp van de zwartste reactie. De sociaaldemocratie streed alleen tegen alle burgerlijke partijen, daar zich het verbond van de volkspartijen ontbonden had, dat als een vereniging van de socialisten en de burgerlijke democratie ontstaan was onder de druk van de reactie die volgde op de mei-oproeren van 1898.
Tegenover de burgerlijke coalitie kon de sociaaldemocratie er niet in slagen al haar zetels te behouden, doch slechts die welke zij uit eigen kracht, zonder het verbond van de volkspartijen, gewonnen had. Het op socialistische kandidaten uitgebrachte stemmenaantal verdubbelde echter ongeveer (van 146.946 op 316.000), terwijl daarentegen het aantal socialistische vertegenwoordigers in het parlement iets verminderde. De verkiezingen, die in het teken van de algemene werkstaking stonden en naar de voorstelling van de regering het ‘volksoordeel’ daarover zouden vormen, brachten aan de sociaaldemocratie een groot politiek succes, indien ook een parlementaire nederlaag.
Het is zeker begrijpelijk dat, al naar het standpunt van de beoordeler, het oordeel over de werkstaking zeer verschillend moet uitvallen. Wie in de proletarische ontvoogdingsstrijd aan de parlementaire positie en de parlementaire successen van de sociaaldemocratie de grootste betekenis toekent, zal ongunstig oordelen over de gevolgen van de werkstaking, die een ongunstige invloed op deze positie hadden en verdere successen in de naaste toekomst onwaarschijnlijk maakten. Wie echter de solidariteit, het strijdvermogen en het revolutionaire klassenbewustzijn van de massa het hoogst stelt, zal de staking beschouwen als een roemrijke episode in de proletarische klassenstrijd en als een schrede op de weg naar verdere successen, indien hij zich ook niet de bedenking verhelen kan, dat onder de indruk van deze imposante massabeweging tijdelijk een zekere overschatting van dit uitzonderingsmiddel waarschijnlijk is, zowel tegenover de dagelijkse politiek-parlementaire strijdmethoden, als tegenover de wezenlijke macht van het proletariaat, gelijk dat in de aangehaalde woorden van Leone dan ook werkelijk aan het licht komt.
De offers van de algemene werkstaking zijn uiteindelijk voor het Italiaanse proletariaat aanmerkelijk geweest, indien ook al tijdens haar verloop een matig gebruik van de wapens gemaakt is en massa uitsluitingen van de kant van de ondernemers, zoals dit in Holland het geval was, niet voorkwamen. Daarentegen hielden de rechtbanken op de ergste wijze huis, tot einde februari werden reeds ongeveer honderd jaren gevangenisstraf opgelegd, niet zelden twee à drie jaren per hoofd. Een groot aantal processen is echter nog niet afgelopen.
Indien het ook thans nog evenzeer ondoenlijk is een samenhangende beschrijving van de Russische revolutionaire stakingsbeweging te geven, als een eindoordeel te vellen over deze reuzenstrijd, die op het veld van de historie van het proletariaat een nieuwe machtige voor trekt, zo is het toch nog veel onmogelijker, in een verhandeling over de algemene werkstaking de Russische gebeurtenissen stilzwijgend voorbij te gaan. Het Russische proletariaat is het eerste, dat het wapen van de werkstaking met revolutionair-politieke oogmerken ter omverwerping van de heersende staatsmacht toegepast heeft. Bovendien geschiedt deze toepassing in een vorm die tot dusver nimmer voorgekomen is en wiens mogelijkheid in de sociaaldemocratie nooit ernstig vermoedt en onderzocht werd. Daarom is de Russische revolutie, wier inleiding en eigenaardige vorm de stakingsbeweging is, voor het West-Europese proletariaat niet slechts in haar oogmerken, maar ook in haar middelen van de grootste betekenis, kan zij dit proletariaat in vele, zij het ook natuurlijk niet in alle opzichten de rijkste lessen voor zijn eigen toekomstige strijd geven.
Daarom zal hier gepoogd worden een schets van de belangrijkste voorvallen van de Russische stakingsbeweging te geven en daaruit enige voorlopige conclusies te trekken. Aan een volledig overzicht valt niet te denken, niet alleen daar het aan betrouwbare, samenhangende berichten over de beweging ontbreekt, maar ook omdat deze nog niet afgesloten is, met korte tussenpozen nog steeds voortduurt en telkens weer tot kolossale afmetingen aanzwellen kan.
In het hoofdstuk over de veralgemeende staking voerden wij de Zuid-Russische staking van 1903 als voorbeeld aan, om te doen zien welk een uitnemend wapen de solidariteitsstaking kan zijn om een industrieproletariaat wakker te schudden, waaraan alle middelen van openbare werkzaamheid op het gebied van de vakbeweging zowel als van de politiek onthouden worden. Deze stakingsbeweging van 1903 was de eerste grootse uitbarsting van het Russische proletariaat, zijn eerste massaopstand tegen de druk van economisch, sociaal en politiek onrecht.[22] Zij was echter ook het type van de revolutionaire opstand, wiens geweldig aanzwellen er in slagen zal het rotsblok van het absolutisme weg te spoelen, zij was de eerste vloedgolf van de Russische revolutie.
De oorzaken van deze revolutie hebben ons hier niet bezig te houden. De huidige stakingsbeweging kon slechts ontstaan en om zich heen grijpen in een land waar revolutionaire brandstof bij massa’s lag opgehoopt. Zij is het resultaat van de economische, sociale en politieke ontwikkeling van Rusland gedurende vele tientallen jaren. De oorlog in Oost-Azië bespoedigde in hoge mate het rijpen van de vruchten van deze ontwikkeling, door het absolutisme van de rest van zijn militair, economisch en moreel prestige te beroven. De onzekerheid die tengevolge van de Aziatische nederlagen en van de gisting in het land zich van de machthebbers meester maakte, hun ontmoediging en verwarring na de dood van Plehwe, het tijdelijk laten vieren van de teugels en de politiek van schijnconcessies waartoe de regering ook onder de indruk van de aanslag overging — dat zijn enkele van de belangrijkste omstandigheden, die het uitbreken van de proletarische opstand mogelijk maakten en begunstigden.
De aanleiding ertoe was even gering als dit bij haast alle belangrijke historische gebeurtenissen het geval geweest is. De geheime organisatie van de Petersburgse reactionairen besloot de leden van Gapons arbeidersvereniging uit de fabrieken te werpen; het ontslag van enige arbeiders op de Poetiloff-fabrieken was haar eerste stap. Dit vormt het uitgangspunt van een beweging die miljoenen mensen omvatten zou en de eerste besliste schrede van Rusland op de weg van de politieke revolutie ten gevolge zou hebben. Uit solidariteit met de ontslagenen legden hun kameraden het werk neer en binnen weinige dagen staakten de gezamenlijke 12.000 arbeiders van dit reusachtig bedrijf de arbeid. De 17e januari breidde de stakingbeweging zich uit over de arbeiders van andere bedrijven, o.a. ook over enige werven en spoorwegwerkplaatsen In de avond van de 20ste omvatte de staking minstens 75.000, de 22ste meer dan 200.000 man.
Haast de gehele dagbladpers moest ophouden te verschijnen; in alle fabrieken en werkplaatsen rustte de arbeid, ook in die waar slechts vrouwen en kinderen in dienst waren. In deze dagen nam de beweging onder de invloed van de sociaaldemocratie een politiek-revolutionair karakter aan. Naast de tot de ondernemers gerichte, de arbeidsvoorwaarden betreffende eisen, deden thans de stakers de roep naar een constituerende vergadering en een democratische staatsinrichting horen: het proletariaat van de hoofdstad had met de staking als belangrijkste strijdwapen de oorlog verklaard aan het absolutisme.
De 22ste januari brak aan en bracht de gruwelijke slachting onder de scharen die in kinderlijke argeloosheid naar de tsaar optrokken om hulp en redding. De Petersburgse arbeidersbevolking echter bleef in weerwil van de ontzettende aderlating standvastig en het gelukte niet haar tot het beëindigen van de staking te dwingen. Die dag ging de zon van het tsarisme onder en het oude zielenleven van het volk vlood heen — een verleden van grijze onwetendheid, naïeve aanbidding, kinderlijk-mytisch bijgeloof, eerbied en deemoed. En de zon van het proletarisch klassenbewustzijn ging op — eindelijk schemerde voor Rusland de dag.
De salvo’s die de 22ste januari 2000 weerloze mannen, vrouwen en kinderen neervelden, gaven het signaal tot een revolutionair-politieke stakingsbeweging zoals de wereld ze nog niet gezien heeft. Binnen weinige dagen strekte zij zich uit van Petersburg tot de Kaukasus, van Polen tot Oost-Siberië; overal waar in het oneindige Russische rijk fabrieken of werkplaatsen, mijnen of werven zijn, overal waar proletariërs leven, verhieven zich duizenden wrekers van de vermoorden, verhief zich tegen het absolutisme een dreigend leger van strijders vol doodsverachting. En overal was de politiek-economische staking, in de regel met vergaderingen, betogingen, politieke straatredevoeringen verbonden, als een tweesnijdend zwaard tegelijkertijd tegen de politieke tirannie en de kapitalistische uitbuiting gericht. Met vaste tred hadden de Russische arbeiders het politieke strijdperk betreden.
Reeds de 23ste, de dag na het Petersburger bloedbad, brak de staking in Moskou en Kowno uit, als onmiddellijk antwoord van de Russische arbeiders op de beestachtige onderdrukkingspoging van de regering. De 25ste omvatte zij in Moskou 30.000 man. Terzelfder tijd, tussen 24 en 26 januari, tastte zij Reval en Riga aan, spoedig ook Windau en Libau in het noordwesten, het verre Saratoff in het oosten en de spoorwegwerkplaatsen van de lijnen Koersk-Bresk en Moskou-Kasan, de 27ste waren er in Petersburg nog 150.000 stakers in weerwil van het schrikbewind van Trepow, van de fusilades, de arrestaties en de deportaties naar de dorpen; in het begin van februari was hun aantal tot 20.000 gedaald, tegen het midden van de maand echter weer tot 40.000 aangegroeid. Onder deze waren opnieuw de duizenden arbeiders van de Poetiloff-fabrieken. Intussen had zich de beweging over Estland (massastakingen in Narwa en Reval), Koerland (langdurige massastakingen in Riga, Libau, Mitau en Windau), Littauen en Wit-Ruthenië (massastakingen in Wilna, Kowno, Grodno en Homel), aan de Oekraïense kust (Odessa), op de Krim (Kertsj), in Georgië (Tiflis, Batoem, Koetais) en Armenië (Bakoe) uitgebreid, bovenal echter in Polen een nieuwe, geweldige haard gevonden.
De 27ste januari begon de staking in Warschau en Lodz, reeds dezelfde dag omvatte zij op beide plaatsen bijna 100.000 arbeiders. Met razende snelheid verbreidde zij zich over alle Poolse fabrieks- en mijndistricten, o.a. in Czenstochowa, Pabianice, Radom, Dombrowa en Sosnowice. Het gezamenlijk aantal stakers in Russisch Polen wordt op ten minste een half miljoen geschat.
Alles bijeen strekte de stakingsbeweging zich over 150 steden uit en hield langer dan anderhalve maand met onverzwakte kracht aan. Er was inderdaad geen enkele industriestad van Europees Rusland, waar niet de gehele arbeidersbevolking of toch minstens de arbeiders van enige belangrijke takken van bedrijf het werk neergelegd hadden. In vele streken duurden de stakingen van de fabrieksarbeiders en mijnwerkers verscheidene weken.
Gedurende de tweede helft van februari plantte zich de beweging onder nieuwe categorieën van arbeiders en beambten voort. Behalve de eigenlijke handwerkslieden staakten in vele steden apothekers, winkelbedienden, bankpersoneel; in enkele gevallen zelfs de politie.
Een nieuw centrum ontstond voor de beweging in deze tijd in het Dongebied, waar in het begin van maart 250.000 arbeiders aan het staken zijn. De gewichtigste gebeurtenis van die dagen zijn echter de tegen het einde van februari steeds talrijker wordende spoorwegstakingen. In het begin van maart omvatten zij, behalve het Kaukasisch gebied, dertien spoorweglijnen, waaronder Moskou-Kasan, Moskou-Windau, Moskou-Kiew, Moskou — Warschau, Rostoff- Wladikaukas, de Weichselspoorweg enz. Tot ver in Siberië plantte zich de spoorwegstaking voort; ook onder de arbeiders van de spoorwegen of van de spoorwegwerkplaatsen van Krasnojarsk en Tsjita in Trans-Baikalië brak zij uit. Lijnen van duizenden wersten lang en die de belangrijkste bevolkingscentra verbinden, moesten alle verkeer volkomen staken. Zowel het goederentransport als het passagiersvervoer hielden op, in de depots en werkplaatsen rustte de arbeid geheel. Bovenal de graanhandel werd zwaar getroffen. Een grootte hoeveelheid graan die niet verder vervoerd kon worden, verrotte op de stations. Men schat het verlies op meer dan 100.000 ton.
De tot reusachtige afmetingen aangegroeide spoorwegstakingen werden een van de machtigste wapenen in de strijd tegen het absolutisme. Zij brachten de regering zozeer in het nauw dat zij de ‘militarisatie’ van de arbeiders van alle spoorwegen, behalve die van de Midden-Aziatische lijnen, gelastte, dus de staat van beleg proclameerde over het gezamenlijke spoorweggebied van het rijk. In het begin van maart militariseerde zij eveneens, om ook aan de Petersburger stakingen een einde te maken, alle arbeiders van de staatsfabrieken aldaar.
Nadat de eerste grootse stakingsgolf van januari-februari geheel Rusland geschokt had, trad gedurende de maanden maart-april een zekere rustpoos in. Onder de indruk van de nederlaag van Moekden en van het 1-Meifeest groeide de beweging opnieuw aan. In mei kwamen o.a. de 1ste en 4e de algemene werkstakingen in Warschau, de massastaking van de bakkers in Moskou, de algemene werkstakingen in Odessa en Petersburg. In het begin van juli volgden dan de met openlijke opstand verbonden massastakingen in Odessa, later in de zomer de haast onafgebroken woelingen in de Kaukasus. In Warschau wordt de eendaagse politieke algemene staking tot een bestendige instelling, waardoor het proletariaat tegen de schandelijke maatregelen van de regering protesteert — zo tegen de moorden van het leger op 1 mei, zo tegen de gerechtelijke moord op onze partijgenoot Kasprzak. In augustus kwam een nieuwe stakingsgolf op in de Oostzeeprovinciën; daar breidde zich de loonstrijd, die met korte tussenpozen de gehele voorzomer gewoed had, weer tot de geweldige afmetingen van een massastaking met tienduizenden deelnemers uit. Thans (begin oktober 1905) zijn er weer nieuwe berichten van massastakingen in Moskou, die tot een algemene werkstaking dreigen aan te groeien.[23]
Uit dit hoogst onvolledig overzicht, dat als het ware slechts de belangrijkste punten van de stakingsbeweging in het licht wil stellen, blijkt echter duidelijk dit algemene feit: als men onder ‘algemene werkstaking’ slechts verstaat een staking die de grote meerderheid van een land tegelijkertijd omvat, en onder ‘politieke staking’ slechts de werkstaking die zich uitsluitend tegen de politieke macht met een zelfde algemene eis richt, dan is de Russische staking noch algemene werkstaking, noch politieke staking. Zij is niet één beraamde en georganiseerde, regelmatig verlopende reuzenstaking, die zich tegelijkertijd over het ganse gebied van het rijk uitstrekt, maar evenmin bestaat zij uit een reeks opeenvolgende stakingen in verschillende plaatsen. Veeleer golft de beweging rusteloos af en aan, wordt hier zwakker, om daar weer in hoge vlammen op te laaien, wendt zich van het Noorden en het Westen naar het Zuiden en het Oosten, om weder op haar wegen terug te keren en in de oude brandpunten opnieuw uit te barsten. Zij grijpt voortdurend nieuwe streken en nieuwe beroepen aan, doch keert ook telkens tot de vroegere terug, om als een nimmer volkomen gebluste brand voor de derde of vierde maal op te laaien. Zo bij de arbeiders van de Poetiloff-fabrieken te Petersburg, de vakarbeiders te Warschau en de letterzetters te Lodz, die drie, vier en meer malen achtereen met korte tussenpozen tot staking overgingen.
In dit onontwarbaar monster van elkaar kruisende en aflossende, grote en kleine, op en neer golvende stakingen klinkt niet maar éne zich gelijkblijvende, heldere en luide strijdleus, maar er zijn, als stemmen in de storm, een aantal verschillende leuzen te horen. Loonsverhoging, vermindering van de arbeidstijd, achturendag, beëindiging van de oorlog, vergader- en verenigingrecht, nationale zelfregering, gelijk recht voor alle talen, bijeenroeping van een volksparlement tot uitwerking van een grondwet — dit zijn enige van de belangrijkste leuzen. Maar evenals de duizend stemmen in de storm steeds weer tot één overweldigende klank verenigd klinken, zo klinkt ook één enkele wil uit al die verschillende eisen, die uit de revolutionaire drang naar wegneming van economische, sociale en politieke druk voortspruiten: de wil tot vernietiging van het absolutisme.
Wel worden vaak door de een of andere arbeidergroep slechts economische eisen geuit. Maar zelfs als de ondernemers deze inwilligen, houden deze arbeiders niettemin de staking vol of vangen haar na enkele dagen werken weer aan. De stremming van de arbeid wordt tot de gewone toestand van de maatschappij, slechts door korte, onrustige arbeidstijdperken onderbroken. Een bestendige arbeidsverrichting heeft opgehouden en de voortdurende onzekerheid en onrust, het bewustzijn dat ieder uur nieuwe uitbarstingen, nieuwe verwikkelingen kan brengen, vervult ondernemers zowel als regering met zulk een tegenzin en radeloosheid, dat zij vaak liever ertoe overgaan de fabrieken te sluiten, zoals het de 1ste maart te Petersburg bij de Poetiloff-werken en op de Newskiwerf werkelijk voor een tijdlang gebeurde.
De steeds toenemende gisting, het losmaken van alle banden van het maatschappelijk leven, zoals het uit de stakingsbeweging ontstaat, plant de crisis in steeds groter kringen voort en desorganiseert het openbare leven meer en meer. De universiteiten worden gesloten, in Polen grijpt de beweging het gehele schoolwezen aan, alle onderwijs houdt op.[24] Verschillende zenstwo’s verklaren, dat zij in de algemene onrust het bestuur niet meer verder voeren kunnen.
Maar het toppunt van desorganisatie werk vormen de spoorwegstakingen. Het duurde enige tijd, voordat de vloedgolf zich naar deze onder half militaire tucht staande en min of meer van hun klassegenoten geïsoleerde arbeiders voortplantte. Des te noodlottiger bleken echter de spoorwegstakingen voor het reeds verzwakte en gedemoraliseerde absolutisme. Tot dusver kon de staat toch nog zijn ledematen roeren en met behulp van het militair gezag, zo niet de stakingsbeweging meester worden, dan toch zijn heerschappij tegenover haar handhaven. Door de spoorwegstaking veranderde echter de toestand geheel. De staatsmachine wordt tot stilstand gebracht, de nog altijd aanmerkelijke onderdrukkingsmiddelen waarover het absolutisme beschikt, helpen het niet meer. De tot herstel der ‘rust’ benodigde militairen kunnen niet meer vervoerd worden, de afgelegen streken worden van het centrale gezag afgesneden; Polen, de Kaukasus, Siberië worden min of meer aan zich zelf overgelaten.[25] Na de economische, de maatschappelijke en de administratieve desorganisatie voltrekt zich door de spoorwegstaking de desorganisatie van de staat. Bij dat alles heeft zij het onschatbaar voordeel dat zij de revolutie naar het platteland draagt en daarmee tot een aangelegenheid van de ganse bevolking maakt. De boeren, die men natuurlijk de vreselijke gebeurtenissen uit schier alle grote en industriesteden van het rijk onthield, kunnen zich door de stilstand van de spoorwegen overtuigen, hoever het met de desorganisatie van de staatsmacht reeds gevorderd is.
Door de Russische gebeurtenissen blijkt de staking de passende vorm voor elke revolutie waarin het industriële, klassenbewuste proletariaat de belangrijkste massakracht uitmaakt, ook wanneer het niet voor zijn laatste oogmerken, voor de socialistische maatschappij-inrichting, strijdt.
De staking als vorm van revolutie neemt natuurlijk veel heftiger, beslister vormen aan dan de betogingsstaking en de binnen wettelijke perken verlopende pressiepogingen van de laatste jaren in West-Europa. Voor de strijdende arbeiders staat bij de revolutiestaking alles op het spel; voor de verovering van een nieuwe staatsorde waagt zij vrijheid en leven. Zij deinst er niet voor terug in de strijd de oude wettelijkheid te doorbreken, wijl de strijd juist de stichting van een nieuwe wettelijkheid ten doel heeft. De staking is in zulk geval een nieuwe, bij de ontwikkelde, kapitalistische productiewijze en het moderne proletariaat passende vorm van de burgeroorlog, waarin zich de open borst en het onbeschutte hart tegenover de gewapende macht plaatsen. Slechts het inzicht dat het door deze vorm van geweld niet kan overwinnen, houdt het proletariaat van de gewapende opstand terug. Waar echter geweld de bereiking van het doel, de omverwerping van het staatsgezag, nader brengen kan, daar aarzelt het proletariaat niet het te gebruiken. Vandaar plundering en brandstichting in de aan de staat toebehorende magazijnen en brandewijndepots, beschadiging van telegraaf en telefoon, pogingen om spoorwegbruggen in de lucht te doen vliegen enz. De revolutionair-politieke staking betekent geenszins uitsluitend de methode van de lijdzaamheid, de revolutie met gekruiste armen, doch de toepassing van de economische macht van de arbeidersklasse als voornaamste middel — waaraan alle andere middelen ondergeschikt zijn — tot desorganisatie van maatschappij en staat.
Niet te vergeten is echter dat, hoewel de Russische stakingsbeweging in menig opzicht het voorbeeld van elke toekomstige proletarische revolutie mag zijn, deze niettemin waarschijnlijk in menig opzicht van haar zal afwijken. De beide belangrijkste elementen die bij de aanwending van geweld in aanmerking komen, leger en proletariaat, zien er thans in Rusland, dat zich eerst in de aanvang van de burgerlijke ontwikkeling bevindt, natuurlijk heel anders uit dan zij er na vele tientallen jaren van deze ontwikkeling in West-Europa uitzien. Een ruwe beroepssoldateska als de halfbarbaarse Kozakken, die geheel buiten de natie staan, kon zich wel onder het absolutistische regime handhaven, doch is met een burgerlijk staatswezen onverenigbaar. En het Russische proletariaat werd wel door de grootindustriële ontwikkeling tot eenheid en ontwakend klassenbewustzijn gebracht, doch vond in de absolutistische staat de weg tot organisatie versperd; het kon zo goed als geen school in de massastrijd doorlopen en had haast geen gelegenheid om zich in discipline te oefenen.
Deze beide omstandigheden maken de veelvuldige toepassing van geweld, het op de voorgrond treden van gewelddadige strijdmethoden in de Russische omwenteling begrijpelijk. Het eigenaardige machtsmiddel van het proletariaat, de organisatie, steekt nog in de kinderschoenen, al ontwikkelt het zich dan ook in het verloop van de Russische revolutie met ontzaglijke snelheid. De wreedheid, waarmee politie en leger ook tegen vrouwen en kinderen in tal van gevallen optreden — gedurende de laatste maanden kwamen niet minder dan honderd gevallen van bloedige botsingen tussen burgers en troepen voor — de drijfjachten van het tot dit doel in de ‘zwarte honderden’ georganiseerde gespuis en de verarmde kleine burgerij tegen intellectuelen, Joden, Armeniërs en arbeiders, — de door de werktuigen der reactie gepleegde veelvuldige slachtingen — dit alles kweekt natuurlijk in het volk de diepste verbittering. Deze zoekt een uitweg in de vele aanslagen op beambten, politiechefs, officieren, hoge en lage spionnen. De aanslagen worden tot het gewone verdedigingsmiddel der arbeiders en het ‘witte schrikbewind’, bommen worden ijverig vervaardigd [26], de dynamietwerkplaatsen houden op een toebehoren van kleine terroristische organisaties te zijn. Zo tracht de Russische arbeidersklasse die groepen van de bevolking, die tot beulsknechten van de regering gezonken zijn, wier werving voor de heilige zaak des volks uitgesloten schijnt, door geweld vrees in te boezemen. Daarnaast wordt echter voortdurend voortgezet de methode van het vreedzaam inwerken op het leger, de propaganda door onvermoeide schriftelijke en mondelinge agitatie, wier succes in de laatste maanden zich in een ganse reeks militaire opstanden uitte.
* * *
Thans rest nog, enige algemene eindconclusies uit de besproken feiten te trekken.
Het eerste wat er uit blijkt is de toenemende veelvuldigheid waarmee het strijdmiddel van de politieke massastaking door het proletariaat toegepast wordt. Voor twaalf jaren was nog geen enkele dergelijke poging gedaan, van 1893 tot 1901 is er slechts één, in de jaren 1902 tot 1905 echter komen niet minder dan vijf politieke massastakingen voor, van de zuivere manifestatiestaking van de Zweedse arbeiders tot de revolutionaire stakingsbeweging van het Russische proletariaat. Voorts blijkt, dat de politieke staking, aanvankelijk opgekomen als buitenwettelijk middel om de wettelijke bodem voor de politieke klassenstrijd, het algemeen kiesrecht te veroveren, in de loop van de ontwikkeling ook als afweermiddel tegen inbreuk op bestaande rechten in toepassing komt.
Aan de arbeidersklasse wordt blijkbaar het gebruik van dit nieuwe strijdmiddel in zeer verschillende toestanden en bij volslagen verschillende ontwikkelingsmate van de economische en politieke verhoudingen algemeen opgedrongen. De theorie heeft, als altijd, slechts de voorhanden feiten te bestuderen en daaruit de richting van de verdere, waarschijnlijke ontwikkeling af te leiden.
Het onderzoek van deze feiten levert de volgende gronden op voor de toepassing en toenemende veelvuldigheid van de politieke massastaking.
Onder de invloed van de kapitalistische ontwikkeling en de socialistische propaganda wordt onder de arbeiders de behoefte steeds sterker naar verheffing van hun economische en sociale toestand. Het zelfbewustzijn groeit; het verlangen naar verovering en beveiliging van politieke rechten en vrijheden neemt meer en meer toe. Deze groeiende behoefte aan meer rechten en groter vrijheid, het toenemend zelfbewustzijn van het proletariaat heeft echter geenszins een vermindering van verzet bij de heersende klassen ten gevolge. Integendeel: zij kanten zich met de grootste hardnekkigheid tegen elke uitbreiding en zekerstelling van de wettelijke strijdmiddelen van het proletariaat. De politieke organisatie van zijn klasse, de sociaaldemocratie, verliest schijnbaar in parlementaire invloed, hoe meer het aantal aanhangers toeneemt en hoe belangrijker zijn maatschappelijke positie wordt. In menig geval doen de regeringen zelfs moeite om de rechtsbodem die de arbeidersklasse tot de klassenstrijd nodig heeft, in te perken en te vernietigen. De politieke massastaking is het resultaat van beide factoren; zij komt voort zowel uit de toenemende aanvalskracht, het gestegen klassenbewustzijn van het proletariaat, als uit het toenemend verzet van de heersende klasse. Zij wordt onder bepaalde historische en politieke voorwaarden, als de gisting en opgewondenheid van de massa het kookpunt bereikt, met noodwendigheid de verschijningsvorm van de sociaalpolitieke crisis, van de scherpe toespitsing van de verhoudingen in de klassenstrijd.
Wat nu het verloop van de politieke massastaking betreft, zo blijkt uit de aangevoerde feiten, dat haar kansen het minst gunstig zijn, als zij binnen wettelijke perken hervormingen wil afdwingen of bedreigde rechten wil beveiligen, in tegenstelling tot de staking die zich ermee tevredenstelt protest of betoging te zijn, zonder het staatsgezag open strijd te leveren. Het schitterend verloop van de manifestatie- en proteststakingen in Zweden en Italië bracht aan het proletariaat van deze landen een onmiskenbare vermeerdering van zelfbewustzijn en een versterking van haar maatschappelijke positie. De in haar vormen en oogmerken van deze vredelievende demonstratiestakingen het verst verwijderde Russische politiek-revolutionaire stakingsbeweging bewijst anderzijds de kolossale uitwerking van dit wapen, zelfs in de handen van een percentsgewijs zwakke en weinig in de strijd geoefende arbeidersbevolking. Daarentegen verliepen de pogingen, die lagen tussen de uiterste grenzen van de vreedzame pressiestaking en de politiek-revolutionaire staking, met één enkele uitzondering (de Belgische staking van 1893) zonder resultaat en eindigden met een algehele nederlaag van het proletariaat. Deze uitzondering echter was het allereerste geval waarin de politieke staking toegepast werd. Zij verraste de heersende klasse in hoge mate, hoewel de Belgische arbeiders reeds lang tevoren er toe besloten hadden. Bij de tweede Belgische en bij de Hollandse staking daarentegen waren de regeringen, die de uitbarsting zagen naderen, volkomen toegerust en hadden de meest uitgebreide maatregelen getroffen tot bescherming van hen die bleven doorwerken, tot het bezigen van militairen als onderkruipers enz.
“Even onmogelijk als onnodig”, zo luidt de algemene formule waarin de onvoorwaardelijke tegenstanders van de politieke massastaking hun bezwaren kort samenvatten. Onder ‘onmogelijk’ verstaan zij natuurlijk niet dat elke poging tot politieke massastaking in de toekomst achterwege blijven zal, maar dat een welslagen van deze pogingen onvoorwaardelijk uitgesloten is.
Eer wij ons tot de positieve voorwaarden van de massastaking wenden, is het noodzakelijk de redenen te leren kennen die voor haar beweerde onmogelijkheid aangevoerd worden. Wij zullen daartoe voornamelijk aan die partijgenoten het woord geven die deze redenen uiteengezet hebben bij de enquête van de Mouvement socialiste en bij de discussie in onze partijpers. Wel maken niet alle tegenstanders van de politieke massastaking altijd nauwkeurig onderscheid tussen deze en de revolutionair-economische algemene werkstaking. Wij zullen echter deze verwarring zoveel mogelijk verhelpen, door slechts die bezwaren te vermelden die hoofdzakelijk de politieke massastaking betreffen.
Het eerste argument tegen de politieke massastaking luidt, dat zij een krachtproef tussen regeringsgezag en proletariaat is, die steeds ten gunste van het regeringsgezag moet uitvallen, wijl het proletariaat onvoorwaardelijk de zwakste partij is.
“Elk dergelijk conflict,” schrijft W. H. Vliegen in de Mouvement socialiste, “wordt tot een strijd, die in laatste instantie altijd weer deze ene vraag stelt: wie is sterker, de regering of de arbeidersbeweging? Nu, de laatste is de zwakste en zij zal het blijven, zolang zij niet tegen de heersende klasse opweegt in aanhangers en organisatie. Iedere strijd die ten doel heeft de regering door een of ander buitenparlementair middel te dwingen een of ander te doen of te laten, heeft ten slotte de macht in de staat tot inzet.”
Voor Vliegen spreekt deze overmacht van de regering tegenover de politieke staking van zelf.[27]
“Want er zal nooit algemeen genoeg gestaakt worden, om de regering tot capitulatie te dwingen. Niet iedereen zal staken. Zelfs in gunstige omstandigheden zal nog een aanmerkelijk aantal arbeiders aan het werk blijven. In geval van nood kan ieder zijn eigen brood bakken. Scheepvaart en verkeer zijn met militairen in gang te houden. Wel staan de grote bedrijven stil, maar het is onmogelijk dat de productie volkomen stilstaat. In weerwil van de krachtigste agitatie zullen er altijd districten blijven, waar men zelfs boven het gemiddelde zal produceren. Ja, in het hart van iedere stad zal de industrie in zekere mate in beweging blijven.”
Dezelfde opvattingen ten opzichte van Duitsland uit W. Düwell in de Neue Zeit. Ook hem schijnt een werkstaking, die de grote massa van de arbeiders omvat, voorlopig onmogelijk. Meer nog: hij ontkent zelfs voor Duitsland, d.w.z. voor een land met sterke vakorganisatie, de mogelijkheid van een algemene economische staking in één enkele bedrijfstak. En dit op grond van de grote macht van de christelijke vakverenigingen, waarin de arbeiders door de clerus beheerst, bewust tot tegenstanders van de moderne arbeidersbeweging opgevoed worden.
“Als de clerus op een gegeven ogenblik een actie van de arbeiders als tegen de belangen van kerk en godsdienst gericht uitlegt, zou de slagorde uiteengescheurd zijn; vele duizenden, honderdduizenden, die zich wellicht spontaan bij de beweging aangesloten hadden, zouden afvallig, berouwvol het klerikale gebod volgen. Maar het zou zover niet eens komen. Een spontane staking moest, als haar elke voorwaarde tot een overwinning ontbreekt — zo men niet in een een-, twee-, driedaagse algemene werkstaking, die niet in bloed en ijzer ondergaat of niet door de honger bedwongen wordt, een nastrevenswaardige overwinning ziet — spoedig zonder resultaat verlopen; bij een georganiseerde algemene werkstaking zouden zich de honderdduizenden leden van de kerkelijke organisaties helemaal niet aansluiten.” (Neue Zeit, XXIII, 1, 8, bl. 250. W. Düwell, Zur Frage der Generalstreiks.)
Düwell vindt het onzin, een politieke staking te wagen, zolang de katholieke arbeiders niet tot zelfbewustzijn ontwaakt zijn, d.w.z. zich bij de sociaaldemocratie aangesloten hebben.
Maar ook dan nog, meent hij, zal de staking niet algemeen genoeg zijn, om de heersende klassen in ernstige verlegenheid te brengen. Er zijn behalve de in de christelijke vakverenigingen georganiseerde arbeiders nog vele andere, die het kapitaal met hart en ziel toegedaan zijn.
“Gesteld dat het ons gelukken kan, deze bewuste tegenstanders in geestdrift te brengen voor een algemene werkstaking, dan hebben wij altijd nog de onverschilligen niet gewonnen. Hun aantal is groot! Bij deze komen nog de ‘ontmanden’, zij die door de druk van het kapitaal alle wilskracht verloren hebben. Tot hen behoren vrijwel al die ‘jubilarissen’, die zich sedert twintig jaren op een en dezelfde fabriek afsloven. Een staking past volstrekt niet in de voorstellingswereld van zulke lieden; bovendien is hun voortdurende zorg, niets te doen wat hen eventueel zou kunnen beroven van het genot van de door de fabrieksfondsen voorgespiegelde voordelen. Voor vele bewoners van aan de fabriek toebehorende huizen is het bewustzijn, dat zij bij ontbinding van het arbeidscontract ook terstond de woning moeten ontruimen, voldoende om iedere gedachte af te wijzen als zouden zij tegenover de patroon een of andere oppositionele daad kunnen begaan. Daar komt bij dat in de bewerkingsindustrie de mogelijkheid bestaat om in geval van nood voor een groot deel der productie snel aan ongeschoolde arbeiders het werk te leren. Dat is voor zulke arbeiders ook met een betrekkelijk aanmerkelijke verbetering van hun economische toestand verbonden: men zal genoeg mensen vinden, die een zo gunstige gelegenheid niet zouden versmaden.” (Bl. 251.)
Moeilijker dan de arbeiders te winnen zou het nog zijn, ze gedurende verscheidene weken zo bijeen te houden, als het, wil de staking enige kans op succes hebben, volgens de mening van deze partijgenoten volstrekt noodzakelijk zou zijn.
Het beeld van een politieke massastaking, zoals het hier geschetst werd, heeft voor de heersende klassen weinig schrikwekkends. De grote meerderheid der aanhangers van de christelijke vakverenigingen, de talrijke onverschilligen en zwakkelingen blijven aan het werk; de ongeschoolde arbeiders nemen de plaatsen van de geschoolde in. In geen enkele tak van productie, zomin als in enige stad staat de productie volkomen stil, veeleer wordt zij overal, zij het dan ook niet zonder moeite, gaande gehouden, in de achterlijke streken zelfs boven het gemiddelde opgevoerd. Voor het verkeer is evenmin gevaar, daar dit door militairen in gang gehouden wordt. Nu, zulk een massastaking zal aan staat en bourgeoisie geen al te grote zorg baren! De kapitalistische maatschappij zal het met haar zonder veel moeite klaarspelen. Wat Vliegen en Düwell daar beschrijven, is een . . . mislukte poging tot staking. Zoals deze partijgenoten haar voorstellen, vertoont de politieke massastaking de heersende klassen een zeer onschuldig gelaat. Dit wordt echter anders zodra de gevolgen voor het proletariaat ter sprake komen. Hoewel een groot aantal arbeiders aan het werk blijft, wordt het proletariaat als consument toch door de duurte van de levensmiddelen zwaar getroffen. Honger en koude heersen in zijn rijen en drijven het onweerstaanbaar tot de aanranding van de burgerlijke rechtsorde, tot geweld.
“Als de productie stil staat,” schrijft Vliegen, “wordt ieder sociaal bestaan onmogelijk. Geen levensmiddelen op de markt, scheepvaart en spoorwegverkeer zijn onderbroken; de hongersnood vangt aan; de koude eist haar offers. Ja, wie zal het eerst honger moeten lijden? De proletariër. Wie zal het eerst moeten bevriezen? De proletariër. Zeker, de ganse maatschappij wordt aan een schrikkelijke crisis blootgesteld, maar zoals bij alle crisissen is het de proletariër die het eerst en het ergst lijdt.” (Neue Zeit, XXII, I, no. 7.)
“Een algemene werkstaking, die deze naam verdient, moet noodzakelijk tot gewelddadige revolutie gedreven worden, maar in de ongunstigste omstandigheden die men zich denken kan. Want het is niet de bezittende klasse, die het meest door het gebrek aan levensmiddelen, kleren en brandstof getroffen wordt; niet zij is het, die het eerst gebrek aan geneeskundige hulp en artsenijen zal lijden, of wier wijken zich in een toestand van voor de gezondheid gevaarlijke vervuiling bevinden zullen. De ganse last van het gebrek aan levensmiddelen zal dus in deze dagen van duurte op de arbeidersklasse vallen. De heersende klasse zal zo nodig gewapenderhand de winkels van het paar arbeiderscoöperaties ledigen, waarop honderdduizenden arbeidersgezinnen voor hun bestaan zijn aangewezen. De rijken kunnen het land verlaten, zodra de staking uitbreekt, de arbeiders moeten blijven en zullen vreselijke ellende lijden. De heersende klasse zal er niet tegen opzien, waar het gaat om haar bestaan, de machinisten met de revolver te dwingen de locomotieven te besturen. Het lijden zal de armen tot vertwijfeling drijven, hongeroproeren zijn zeker. Plundering is onvermijdelijk; het geweer zal spreken, de mitrailleurs zich laten horen.” (H. van Kol, Mouvement socialiste, bl. 232-233.)
Maar de regeringen zullen deze onvermijdelijke gewelddaden niet eens afwachten, om de staking neer te slaan. In de Sozialistische Monatshefte (november 1904) betoogt J. Leimpeters dat het staatsgezag terstond na het proclameren van de staking de staat van beleg afkondigen, het vergaderrecht opheffen en elke beraadslaging onmogelijk maken zal. De staking zou de reactie in de kaart spelen! “Nu of nooit zou het parool van jonker en jonkersmaat zijn, nu ligt de hydra overwonnen ter aarde, nu zullen wij haar de koppen vertrappen.”
Wel spreekt Leimpeters hier slechts over Duitse toestanden. Hyndman echter is van mening dat de politieke massastaking overal tot gewelddadig ingrijpen van de regering moet leiden, indien niet reeds tevoren de ellende, de gedachte aan vrouwen en kinderen de strijders tot overgave dwingt.
“Een algemene werkstaking, d.w.z. een totale onderbreking van de productie door het gehele proletariaat van een land, eindigt noodzakelijk met de toepassing van geweld, eerst door de heersende klassen en de regering, dan ook door de arbeidersklasse die zich verdedigen moet.”
Maar, mag men vragen, zal een regering er niet tegen opzien, in tijden van algemene opgewondenheid met brutale willekeur op te treden, zolang de massa vreedzaam blijft? Zal zij niet vrezen moeten, dat onder zekere omstandigheden de publieke opinie zich keert tegen hen die het eerst geweld toepassen?
Neen, antwoorden de tegenstanders van de politieke staking, een regering zal daarvoor nimmer behoeven te vrezen, want de publieke opinie zal steeds tegen de arbeiders zijn en elke actie tot onderdrukking van de staking billijken.
“Reeds de bedreiging met zulk een staking zal de tussenklassen, de middenstand, in de armen van onze vijanden drijven, want deze talrijke klasse zal de eerste slagen ontvangen en van haat vervuld zijn tegen het proletariaat, de oorzaak van zijn lijden. Alles wat niet volkomen socialistisch is — en dat zal nog lange tijd de grote meerderheid van de natie zijn — zal zich tegen ons verheffen en de vijand versterken die beschikt over het regeringsgezag, zowel als over het leger.” (Van Kol in de Mouvement socialiste, bl. 233.)
Zo zijn wij weer bij ons uitgangspunt aangekomen. Het proletariaat zal de politieke massastaking nimmer zegevierend voltrekken, wijl het alleen te zwak is en van eventuele ondersteuning door andere klassen geen sprake kan zijn. De staking zal nooit algemeen genoeg zijn om de heersende klassen ernstige schade toe te brengen, nog minder om hun bestaan te bedreigen. Het proletariaat echter zal tot schrikkelijke ellende vervallen, de honger zal de arbeiders tot vertwijfeling brengen. De staat zal hen, met instemming van de ganse maatschappij, met geweld onderwerpen en hun zinneloos onderstaan in bloed verstikken. Zo kan niet slechts, neen, zo moet iedere ernstige poging tot een politieke staking er uitzien.
Een korte beschouwing van deze bezwaren leert ons dat het de bepleiters van deze opvatting aan logica mangelt. De volstrekte tegenstanders van de politieke staking streven er zo ijverig naar al haar schaduwzijden te ontdekken dat zij niet bespeuren, hoe het tweede lid van hun argumentatie niet sluit op het eerste. Want één van beide: of de werkstaking is algemeen (wat niet hetzelfde is als volstrekt), of zij is niet algemeen. Is zij zo algemeen dat voortbrenging en verkeer stilstaan, gebrek aan levensmiddelen ontstaat enz., dan lijdt het proletariaat, maar de staking heeft de bedoelde uitwerking (indien zij daarom ook al nog geenszins haar doel behoeft te bereiken). Staat en maatschappij worden geschokt en gedesorganiseerd. Is zij echter daartoe niet algemeen genoeg, blijven voortbrenging en verkeer enigermate in gang, welnu, dan mislukt de staking. Dan echter kan wel een zekere prijsstijging, kan onder het proletariaat gebrek en ontbering ontstaan, maar tot schrikkelijke ellende, tot hongersnood met zijn consequenties zal het moeilijk kunnen komen en dus zal ook het hongeroproer, de uitbarsting van vertwijfeling uitblijven. In dit geval echter lijkt het niet zeer waarschijnlijk, dat staat en maatschappij de toch reeds machteloze staking met de uiterste inspanning, met bloed en ijzer, zullen neerslaan. Dit zou een zeer slechte tactiek zijn en het beste middel om het proletariaat te verbitteren, het de samenhang te geven die het blijkbaar nog niet bezat. Veel waarschijnlijker is het, dat de staat de mislukte staking rustig zal laten begaan, tot de nood de arbeiders weer onder het juk brengt.[28]
Dus: de staking kan mislukken doordat zij niet algemeen is — of, wanneer zij algemeen is, kan zij hetzij door de uitputting van het proletariaat ineenzinken, hetzij met geweld onderdrukt worden. Onwaarschijnlijk is het echter dat zij door deze beide omstandigheden tegelijkertijd mislukken zal. Maar zelfs als zij door een van deze mogelijkheden mislukken kan, dan is het toch niet noodzakelijk dat dit gebeurt. Haar welslagen is niet van tevoren onder alle omstandigheden uitgesloten, zoals wij verderop zullen uiteenzetten. Het is vooral van belang, dat het ons duidelijk is wat de politieke massastaking bedoelt, wat haar bereikbaar doel is.
De politieke massastaking kan, naar de ervaring leert, door het proletariaat in velerlei situaties toegepast worden, uit velerlei toestanden voortkomen en velerlei doel in het oog vatten. Al naar toestand en doel zal echter haar inhoud, haar betekenis geheel verschillen. Zij kan in het begin van een politieke klassenstrijd van het proletariaat ten doel hebben een parlementair optreden mogelijk te maken; zij kan in het verloop van deze strijd toegepast worden om bedreigde rechten — zij het tegen reactionaire inbreuk, zij het tegen de brutaliteit van het openbaar gezag — te beveiligen. Zij kan echter ook het eindresultaat van een lange periode van de sociaalpolitieke ontwikkeling zijn, die de machtsverhouding tussen bourgeoisie en proletariaat totaal omgewenteld en de tegenstelling tot het uiterste toegespitst heeft. In dit laatste geval zal de politieke werkstaking de vorm zijn van de beslissende strijd om de politieke macht, van de heerschappij in de staat, en slechts als zodanig in toepassing komen.
De wijze van toepassing van de politieke staking, zowel als de heftigheid van het verweer dat zij van de burgerlijke maatschappij ontmoeten zal, zijn dus het resultaat van de gehele maatschappelijke ontwikkeling, zoals verderop nader zal worden aangetoond. Het hier gezegde dient echter tot verklaring van het feit van de uiterlijk veelsoortige vormen van de politieke staking, van de ongelijksoortigheid van haar doel en methoden, zowel als van de geestkracht waarmee zij doorgezet wordt.
De politieke staking treedt steeds en overal op als het voor het proletariaat eigenaardige machtsmiddel; in haar is het los van alle invloed en alle controle van de burgerlijke staat, in openlijk verzet tegen die staat. Dat is echter des te meer het geval naarmate de staking meedogenlozer doorgezet wordt en naarmate de inzet van de strijd groter is. Onder ‘meedogenloos doorzetten’ verstaan wij niet zozeer het meer of minder gewelddadig optreden en de meerdere of mindere uitbreiding van de strijd, als wel de energie, die het proletariaat voor het doorzetten van zijn eis aanwendt, de blijkbare wil om het uiterste te wagen.
Een eis doorzetten wil elke politieke staking, ook haar bastaardvormen die als ‘protest of betogingstakingen’ aangeduid worden willen dat. Ook in die gevallen hopen de arbeiders dat de stakingsactie de een of andere gunstige uitwerking zal hebben, hetzij rechtstreeks door beïnvloeding van de regering, hetzij middellijk door beïnvloeding van de publieke opinie. Iedere proteststaking heeft beïnvloeding tot doel, want men protesteert slechts in de hoop, door het protest een zekere invloed op toekomstige gebeurtenissen uit te oefenen. Zo steekt in iedere betogingstaking een stuk psychische pressiepoging, zoals bv. ook bij de arbeidsrust op 1 mei. In zulke gevallen echter doet de staking geen poging, de bedoelde uitwerking rechtstreeks af te dwingen. Zij wil als het ware de heersers slechts de macht en de eenheid van het strijdende proletariaat tonen. Hen vermanen dat het normale voortbestaan van de maatschappij berust op het rustig bij de arbeid blijven van het proletariaat.
De protest of betogingsstaking is de vorm van politieke staking die in de burgerlijke maatschappij het meest voorkomt. Zij treedt op in situaties waarbij het niet gaat om belangrijke, fundamentele, het ganse leven betreffende belangen, doch waarbij de verontwaardiging over een bijzonder feit — zoals in Italië — de aanleiding tot de staking vormt, zomede daar waar weliswaar gewichtige belangen op het spel staan, maar de arbeidersklasse niet de wil, de revolutionaire energie heeft om de strijd tot het uiterste te voeren, hetzij wijl zij beoogt het doel langs andere weg, met minder offers aan goed en bloed te bereiken, hetzij wijl haar leiders haar van de strijd tot het uiterste weerhouden.
Een dergelijke staking was de Belgische van 1903. Had het proletariaat na de verwerping van het ontwerp tot grondwetsherziening door de Kamer bij de staking volhard, dan zou deze zich tot stakingsdwangmiddel ontwikkeld hebben, tot staking die aan het staatsgezag de openlijke strijd aanbiedt.
Een dergelijke strijd behoeft nog geen beslissende strijd om de heerschappij in de staat te zijn, zoals het Belgische voorbeeld bewijst. Ook indien de Belgische staking doorgezet en overwonnen had, zou zij slechts tot een wijziging van de burgerlijke heerschappij, niet tot haar algehele vervanging door een proletarisch regime geleid hebben. Het stakingsdwangmiddel kan derhalve ook voor afzonderlijke acties van het proletariaat toegepast worden bij een graad van ontwikkeling, waarbij de verovering van de politieke heerschappij nog niet op het spel staat. De stakingsdwang is dan gunstig voor het doorzetten van een aantal ogenblikkelijke eisen van het proletariaat, als: intrekking van een ongewenste maatregel, afkondiging van een gewenst recht, verandering van ministerie die een andere, voor de ogenblikkelijke eisen van het proletariaat gunstiger gestemde regering aan het roer brengt, enz.
Aan de mogelijkheid om een tot drie dagen lang een betogingsstaking door te voeren in landen met enigermate democratische instellingen zal in de boezem van de sociaaldemocratie wel nauwelijks ernstig getwijfeld worden. De staking wil in dit geval slechts een versterkte vorm van straatbetoging zijn, doch veel nadrukkelijker werken, daar zij de bezittende klasse rechtstreeks in haar economisch belang schaadt en — indien zij tot de dagbladpers, het verkeerswezen, de gemeentebedrijven enz. uitgebreid wordt — aan de ganse maatschappij onaangenaamheid en stoornissen bereidt. Intussen loopt het proletariaat door een dergelijke staking steeds gevaar evenveel in sympathie bij alle andere klassen te verliezen als zij aan indruk wint, een omstandigheid die ook sociaaldemocratische tegenstanders van energieke, onvervaarde acties van het proletariaat ertoe gebracht heeft de arbeiders in ieder geval de uiterste gematigdheid bij de betogingsstaking aan te bevelen.
Een verder nadeel van deze soort staking is dat zij bij eventuele herhaling, wat duur of uitgebreidheid — of beide tegelijk — betreft, beslist versterkt moet worden, als haar indruk groter of ook maar dezelfde zal zijn, een omstandigheid die het op zichzelf reeds onmogelijk maakt haar vaak toe te passen. Kan ook al bij deze staking van een bepaald succes of een eigenlijke nederlaag geen sprake zijn — daar zij naar haar aard van rechtstreeks resultaat afziet —, dan zal toch haar meer of minder schitterend verloop, haar grotere of geringere uitbreiding, de energie en zelfbeheersing die het proletariaat erbij toont, in ieder geval in verband met de algemene toestand een spoedig merkbare invloed uitoefenen. Zij zal de heersende klassen voorwaarts drijven op de weg van de door het proletariaat gewenste concessies of ook integendeel soms deze klassen van concessies afhouden, daar de eensgezindheid en kracht van het proletariaat hun in de staking groter bleken dan zij meenden. In dit geval zal zij de reactie versterken, maar ook het klassenbewustzijn van de arbeiders vergroten, kortom, de staking zal de verscherping van de klassentegenstelling sneller voorwaarts drijven.
Het grote meningsverschil in de boezem van de sociaaldemocratie omtrent de toepasselijkheid van de werkstaking als politiek strijdmiddel heeft betrekking op de staking die niet volstaat met protesteren of demonstreren, maar die een wapen in de strijd tegen de regering wil zijn. Zij het dat zij voor een belangrijke bijzondere actie van het proletariaat aanvaard wordt, zij het dat zij zich ontwikkelt tot de beslissende strijd om de politieke heerschappij, — is het voor het proletariaat mogelijk, een van beide doeleinden langs deze weg te bereiken?
Op deze vraag antwoorden de onvoorwaardelijke tegenstanders van de politieke massastaking met: neen. Het schijnt hun uitgesloten dat langs de weg van de staking voor de arbeiders grote politieke beslissingen naar hun wens verkregen kunnen worden. De rijkdom van de kapitalistische klassen in geld en verbruiksmiddelen, zowel als de rijkdom van de regering in georganiseerde dwang- en onderdrukkingsmiddelen maken naar hun mening de toepassing van economische pressiepogingen tot een hopeloos achterstaan. Het proletariaat, als de klasse der bezitlozen, kan evenmin de klasse der bezittenden ‘uithongeren’, als het zich tegenover de staatsmacht kan staande houden.
De mening van de tegenstanders van de politieke massastaking, dat de economische nederlaag van de heersende klassen door ‘uithongering’, zoals de geliefkoosde uitdrukking luidt, bij middel van staking onmogelijk is, onderschrijven ook wij volkomen.
Daartoe zou de duur van de staking bij lange na niet voldoende zijn, zij zou het weerstandsvermogen van het proletariaat ver overschrijden.
De staking te beperken tot enige bedrijfstakken ware belachelijk onvoldoende; elke grotere uitbreiding echter zou voor de arbeiders van noodlottige uitwerking worden, daar zij hun een deel van de hulpmiddelen, die de verderwerkende kameraden hun anders verstrekken konden, zou onttrekken.
Het is echter ook nog op andere gronden volstrekt onmogelijk, de heersende klassen door ‘uithongering’ te verslaan. Zoals G. Eckstein in de Neue Zeit (XXII, I, 12) aantoont, kunnen op deze wijze de stoffelijke belangen van zekere categorieën van de van meerwaarde levende personen in het geheel niet getroffen worden. Het grootgrondbezit, het geldkapitaal zowel als het koloniale kapitaal kan men bij middel van staking niet bij de kladden krijgen.
Resten: de industriële kapitalisten. Deze kan de staking ongetwijfeld aanmerkelijk schade toebrengen, hierop berust ook ten dele haar invloed; maar hen ten ondergang brengen, als kapitalisten vernietigen, dat vermag zij niet. In een langdurige strijd zou de zege ongetwijfeld ten deel vallen aan hen die zich in het bezit bevinden van alle belangrijke voortbrengingsmiddelen, benevens van alle grote voorraden verbruiksmiddelen. Terecht vestigt Leimpeters in de Sozialistische Monatshefte (II, 2, bl. 880) er de aandacht op dat de staking juist de machtigste kapitalisten het minst kan treffen. De onmetelijk rijke grote financiers, de spoorweg- en petroleumkoningen, de kolenbaronnen en staalmagnaten, hen allen zou de hevigste economische storm nauwelijks doen wankelen. “De grootkapitalisten zullen”, zegt Leimpeters, “in een strijd waarin het voor hen ten slotte om zijn of niet-zijn gaat, door geen achtdaagse arbeidsrust overwonnen kunnen worden.” Ja, als het er om ging, de kapitalisten door de staking te overwinnen, tot ‘niet-zijn’ te brengen, dan zou ook een achtmaandse werkstaking nauwelijks voldoende zijn. Het grootkapitaal is door de economische werkingen van de staking niet te overwinnen, eenvoudig wijl de kapitalisten kapitalisten, d.i. bezitters van de voortbrengingsmiddelen zijn.
De heren monopolisten zouden niet dralen hun voorraden gedurende de strijd tot waanzinnige prijzen te verkopen en een aardig extra winstje in te palmen. Zodra de staking door de economische uitputting van de arbeiders beëindigd zou zijn en de productie weer onder de oude maatschappelijke verhoudingen aanving, zou de meerwaarde, die de kapitalisten opnieuw toevloeide, het eventueel geleden verlies spoedig weer vereffenen.
Wel zou de ondergang van vele kleine kapitalisten en hun verdringing door groteren een van de gevolgen van de staking zijn; het tempo van de kapitalistische samentrekking zou versneld worden; de arbeidersklasse echter bereikte daardoor slechts dat haar uitbuiters nog machtiger gemaakt werden dan zij tevoren waren.
Als verbruikers echter kan men de grote kapitalisten nog veel minder te na komen; het uithongeren in deze zin heeft nog minder kans op succes! De almacht van de rijkdom speelt het zelfs in een belegerde, letterlijk uitgehongerde stad klaar, de gewone weelde te vinden. Dit zou ook gedurende een staking het geval zijn.
Maar de politieke massastaking stelt zich niet het onmogelijke doel, de kapitalistische maatschappij ‘uit te hongeren’. Wie haar op die grond bestrijdt, bestrijdt slechts een dwaalbegrip, dat zich in zijn hoofd vormde ten gevolge van de verwarring tussen politieke staking en economische algemene werkstaking.
De politieke werkstaking richt zich tegen de staat; zij tracht niet de maatschappij uit een te halen, doch de politieke machthebbers tot wijken te brengen.
Deze druk op de regering is zowel van directe als van indirecte aard. De indirecte druk wordt uitgeoefend door de maatschappelijke crisis die de staking teweegbrengt en die natuurlijk des te heviger uitwerking heeft naarmate zij algemener is, naarmate zij langer aanhoudt en naarmate de door de staking aangegrepen bedrijfstakken belangrijker zijn voor het maatschappelijk organisme. Het grootbedrijf staakt de productie, het verkeer staat geheel stil of is aanmerkelijk gestoord, de berichten bereiken niet of ongeregeld en te laat hun doel de prijs van de levensmiddelen stijgt snel, verlichting, reiniging, communicatiedienst, misschien ook watertoevoer zijn in de grote steden, de centra van de bevolking, afgesneden. Men leeft als in een vijandelijk land, aan de stoffelijke belangen van de middenstand wordt zware schade toegebracht, de handelsbetrekkingen worden met de dag slechter. Ieder bezitter vreest voor eigendom en leven, het geld heeft zijn almacht verloren: deze nieuwe, beklemmende toestand van maatschappelijke machteloosheid vervult de kapitalistische klassen met zenuwachtige angst. Ieder kijkt naar de regering om hulp, zij moet snel en krachtig handelen, de eigendom bewaken en beschermen, rust en orde handhaven, bovenal echter: aan de stilstand van productie en verkeer spoedig een einde maken, die ontzaglijke massa’s rustende arbeiders weer in de mijnen, fabrieken en werkplaatsen opsluiten, opdat het leven zich opnieuw in het oude spoor voortbeweegt. Hoe echter zal de regering dat tot stand brengen?
De politieke werkstaking is een nationale opstand: ook in de achterlijke of afgelegen plaatsen, waar nog gewerkt wordt, dreigt zij uit te breken; de gisting grijpt de arbeiders van het ganse land aan. Overal is onrust, overal gevaar. Onderdrukkingsmaatregelen van nationale draagwijdte worden vereist om de staking meester te worden, d.w.z. het proletariaat te desorganiseren.
Wel beschikt de huidige staat over geweldige onderdrukkingsmiddelen, maar zal hij ze in dit geval geheel kunnen ontplooien?
Die machtsmiddelen berusten vooral op de kracht van het modern bewapend leger, alsmede op de verkeersmiddelen voor berichten, personen en goederen. Opdat echter de staat zijn machtsmiddelen geheel kan ontplooien, is het volstrekt nodig dat er een snelle, zekere verbinding bestaat tussen het centrale gezag en alle delen van het land. Uit alle bedreigde punten, alle industriële centra eist men troepenzendingen, alom verlangt men spoedige, nauwkeurige bevelen. Maar alle verbindingen zijn onzeker, elke regelmatige en snelle communicatie is onmogelijk. De gecentraliseerde staat valt uiteen; elke provincie, elk district wordt aan zichzelf overgelaten, de onderdrukkingsmaatregelen van de regering moet het aan beraamde samenhang, aan eenheid ontbreken.
Dit is echter niet de enige oorzaak van de desorganisatie van de staat. Verderop zullen wij onderzoeken of zijn voornaamste machtsmiddel, het leger, ook zonder eenheid van actie in staat zou zijn om een volksopstand met geweld te onderdrukken en hoe het zich waarschijnlijk tegenover de strijdenden zou verhouden. Hier willen wij enkel opmerken, dat de staking geenszins aan het leger gelegenheid behoeft te bieden om gewelddadig op te treden. Het geweld kan zich niet uiten, zolang zich geen tot overweldiging geschikt object aanbiedt. De staking behoeft geen oproerig karakter aan te nemen, de massa van de stakers kan vreedzaam blijven, botsingen met de gewapende macht uit de weg gaan, plundering, opstootjes vermijden. Zij kan bij elke sommatie uiteengaan, doch steeds weer samenkomen, steeds de onzichtbare, innerlijke samenhang bewaren die haar door klassenbewustzijn en eenparig streven verleend wordt.
Anders bij de heersers. Onder hen bestaan sedert de aanvang meningsgeschillen over de vraag, hoe de staking het best en het snelst onderdrukt kan worden. Er zijn vechtersbazen, die energiek optreden, een bloed- en ijzertactiek eisen; slimmerds, die tarten of verleiding willen toepassen; gematigden, die een politiek van toegeven wensen; ontevredenen, die de gebeurtenissen aan onbekwaamheid en besluiteloosheid van de regering toeschrijven. Naarmate de gevolgen van de maatschappelijke crisis in hevigheid toenemen, de prijzen van de nodigste levensmiddelen — brood, vlees, melk — stijgen, het gevaar van plundering, van uitspattingen van het lompenproletariaat wast, algemene ontevredenheid en onzekerheid groter worden, naar die mate neemt ook de onenigheid in de rijen van de politieke machthebbers toe. Met elk nieuw teken van hun besluiteloosheid en verwarring dringen de revolutionaire massa’s sterker vooruit, groeien hun vastberadenheid en zelfvertrouwen. Het politiek succes nadert als het resultaat van hun economische machtsmiddelen; de overwinningskans keert zich naar hun zijde, naar de zijde van de taaiste en weerstandskrachtigste organisatie. De uitwerking van zulk een succes wordt door Kautsky aldus aanschouwelijk uitgebeeld:
“Slagen de stakers erin, zolang hun samenhang en doelbewuste lijdzaamheid te bewaren tot zij het regeringsgezag hier of daar gedesorganiseerd hebben, zij het dat zij erin slagen factoren, die de regering nodig heeft, op hun kant te halen, zij het dat de regering zelf door order-, tegenorder, wanorde, verwarring, zwakheid en radeloosheid onder haren aanhang kweekt, dan is het proletariaat op weg naar de overwinning; de bezitters verliezen dan het vertrouwen dat de regering hen beschermen kan, de vrees komt onder hen op dat elk verder verzet hun tot verderf zou kunnen strekken, zij dringen bij het regeringsgezag sterk op toegeven aan, zij laten het in de steek om met het opkomend gezag te onderhandelen en te redden wat te redden is; de regering verliest allen grond onder de voeten en het staatsgezag valt toe aan die klasse die haren organisatorische samenhang in deze crisis het langst heeft weten te bewaren, wier kalmte en zelfvertrouwen de sterkste indruk maakte op de grote onverschillige massa, die door haar bezonnen kracht zelfs haar tegenstanders ontwapende: aan het sociaaldemocratisch geschoolde proletariaat.” (Neue Zeit, XXII, I, 22, bl. 695.)
Deze beschouwingen willen slechts aantonen, dat de overwinning aan het proletariaat ten deel kan vallen, zonder dat van uithongering, van economische vernietiging van de kapitalistische klassen sprake is. Of het echter zo gebeuren zal, dat hangt af van een reeks voorwaarden en omstandigheden die nog nader onderzocht moeten worden. Thans behoeft slechts dit geconstateerd te worden: met het vervallen van het uithongeringsdoel vervalt ook een aantal onmogelijkheden, die aan het welslagen van elke politieke massastaking anders noodzakelijk in de weg staan. Niet de economische, maar de organisatorische meerderheid van de klasse wordt beslissend; daarmee verdwijnt elke noodzaak tot een zo lange duur van de strijd, dat het uithoudingsvermogen van het proletariaat verre overschreden zou worden en onverbiddelijk of met radeloze onderwerping of met radeloze gewelddadigheid zou moeten eindigen.
Ongetwijfeld zal ook de overwinning door desorganisatie van de regering niet binnen zeer korte tijd te bereiken zijn. En iedere dag die zij er in slaagt zich staande te houden en de staking langer te rekken, brengt voor de massa het gevaar van economische uitputting en ineenzakken naderbij, het gevaar dat de nood haar dwingt hetzij de nek onder het juk te buigen, hetzij de perken der burgerlijke rechtsorde te doorbreken.
Waren de arbeiders slechts in staat de strijd gedurende zeer korte tijd, enige weinige dagen uit te houden, dan, ja, stond het slecht met hun kansen. Onder bepaalde voorwaarden echter behoeft dit niet het geval te zijn. Bij de beantwoording van de vraag: hoe spoedig zal de honger de arbeiders tot onderwerping dwingen, moet men niet vergeten, dat geenszins van een volstrekt, maar slechts van een betrekkelijk gebrek aan voedingsmiddelen sprake kan zijn. In de huidige maatschappij met haar kolossaal ontwikkelde productiekrachten zijn immers te allen tijde grote voorraden verbruiksmiddelen opgestapeld, en voordat deze opgeteerd zijn, verloopt reeds enige tijd. Er zijn wel enkele levensmiddelen, zoals het brood, die slechts voor zeer korte tijd vooraf bereid kunnen worden, deze kunnen echter zo nodig door andere, als rijst, bonen enz., vervangen worden. Niet een volstrekt gebrek aan levensmiddelen bedreigt de arbeiders, doch de prijsstijging van de waren. Deze prijsstijging zou weliswaar, daar de meeste levensmiddelen voor het proletarisch gebruik in minderwaardige kwaliteiten aangemaakt worden, vermoedelijk geringer zijn dan bij de eersterangswaren, maar toch zou de arbeidersklasse haar zwaar voelen. Voor zulke gevallen komt een reeks hulpmiddelen in aanmerking die het proletariaat gedurende de crisis staande kunnen houden. Vooreerst voor de beter gestelde arbeiders hun eigen voorraden: menig arbeidersgezin zou zich met zijn spaarpenningen enige tijd boven water kunnen houden. In de tweede plaats komt de ondersteuning van de vakverenigingskassen en verbruikscoöperaties in aanmerking; beide zouden het proletariaat tot aanmerkelijke steun kunnen zijn, deze met waren, gene met geld. Verder het krediet dat bakker en winkelier toch ook bij staking, werkloosheid enz. verlenen, en moeten verlenen, om niet hun proletarische klanten voor altijd te verliezen. Eindelijk de geldmiddelen die de strijders uit de tussenlagen toevloeien, indien de publieke opinie hun gunstig is. Ten slotte de geldzendingen van het internationale proletariaat.
Zeker, ook in het gunstigste geval zouden de strijdende arbeiders door veel nood en veel ontbering getroffen worden. Maar nood en ontbering komen ook thans bij vele stakingen voor, zonder dat de stakers het daarom aanstonds opgeven. Oneindig veel kunnen de mensen uithouden, als grote dingen voor hen op het spel staan, als een grote zaak hun geestdrift inboezemt, ja zelfs reeds als een sterke discipline hen bijeenhoudt. De geschiedenis van ontelbare oorlogen en belegeringen leert ons dit, zowel als die van vele uitsluitingen en stakingen. Bij het proletariaat werken beide elementen samen: opoffering voor een groot doel en discipline; daaruit put het verbazingwekkende kracht.
Ongetwijfeld zou de bourgeoisie er gedurende een revolutionaire stakingsperiode stoffelijk beter aan toe zijn dan de arbeidersklasse; zij zou het voordeel hebben van beter approviandering, het proletariaat echter het voordeel van minder behoeften te bezitten. De vertroetelde bourgeois voelt reeds het ontbreken van de gewone weelde als een ernstige kwelling. De proletariër daarentegen is tegen de ontberingen van het leven gehard en gewoon te derven. Hoe menig arbeidersgezin is er niet dat bij werkloosheid of ziekte van de kostwinner terstond tot beperking van de levensstandaard overgaat. De harde school van het leven staalt het proletariaat, geeft het in dagen van strijd een moreel overwicht op het materieel overwicht van de bourgeoisie.
Er is dus geen reden om aan te nemen dat een georganiseerde, gedisciplineerde, over gemeenschappelijke kassen en instellingen beschikkende arbeidersbevolking de staking slechts weinige dagen zou kunnen uithouden. Ook in dit opzicht kunnen de Russische gebeurtenissen enige lering verstrekken. Zij tonen hoe zelfs ongeorganiseerde, ongeschoolde massa’s met ellendige levensstandaard de strijd verscheidene weken konden voortzetten, zonder dat hongeroproeren uitbraken.
De Russische arbeidersklasse heeft echter bovendien de politieke massastaking toegepast in een vorm die het mogelijk maakt haar over weken en maanden uit te breiden, zonder het proletariaat door volledige uitputting in gevaar te brengen. De algemene werkstaking wordt om zo te zeggen geparcelleerd; het komt niet tot een algemeen, gelijktijdig neerleggen van de arbeid in alle belangrijke takken van bedrijf, doch de beweging neemt de vorm aan van een reeks zowel gelijktijdige als opeenvolgende stakingen, die voortdurend zowel in nieuwe bedrijven uitbreken als zich in oude herhalen. Deze slepende vorm van de politiek-revolutionaire werkstaking kan wel niet zo snel een beslissing brengen als het algemeen gelijktijdig neerleggen van de arbeid in de belangrijkste takken van productie; zij lijkt in aard en gevolgen minder op een stormloop dan op een beleg. Op de duur echter kan zulk een stakingsbeweging, die elke bestendigheid van het maatschappelijk leven ondermijnt, die industrie en handel van elk gevoel van zekerheid berooft, ongetwijfeld de desorganisatie van de staat bewerkstelligen. Daartoe is het bovenal nodig dat het proletariaat in staat is, de stakingsbeweging met korte tussenpozen steeds weer opnieuw te beginnen, de rustige productie tot uitzondering, stilstand en crisis daarentegen tot de gewone maatschappelijke toestand te maken, dus alle normale maatschappelijke verhoudingen op de kop te zetten.
Deze beschouwingen hebben geenszins tot doel te loochenen dat de approviandering van de massa gedurende een politiek-revolutionaire stakingsperiode tot de moeilijkste vraagstukken behoort. Dit vraagstuk wordt echter niet opgelost door, zoals de onvoorwaardelijke tegenstanders van de politieke staking in onze gelederen doen, de moeilijkheden op een te stapelen, zich daardoor elk uitzicht te versperren en van de oplossing zonder meer af te zien. De studie van de geschiedenis leert ons hoe elke revolutie de voortbrenging min of meer tot stilstand brengt. Er is nauwelijks ooit een revolutionaire crisis geweest die niet voor de volksmassa armoede en gebrek op grote schaal meebracht. De geschiedenis leert ons echter ook dat een revolutionaire beweging niet noodzakelijk behoeft te mislukken en leert ons verder dat de verscherping van de revolutionaire crisis een noodzakelijk gevolg van de ellende van de volksmassa was. Vooral de studie van de grote Franse revolutie is in dit opzicht zeer leerrijk.
Uit de voorgaande beschouwingen over de hulpbronnen die de arbeiders bij een politieke massastaking ten dienste staan en over de vormen die zij kan aannemen, blijkt in ieder geval dat het niet volstrekt haar noodlot behoeft te zijn, reeds in de eerste dagen van de strijd, voordat de overwinning nog in het verschiet kan zijn, de rechtsorde te doorbreken en een nederlaag te verwekken. Daarmee echter vervalt de tweede ‘onmogelijkheid’ die aan een eventuele overwinning in de weg staat: de onvermijdelijke botsing met de gewapende macht. Wil de regering met behulp van het leger, d.i. door geweld, de staking meester worden, dan kan dit slechts geschieden doordat de stakers van het doelbewust passief verzet tot het actief verzet overgaan. Want om het passief verzet te breken, om de arbeiders met geweld weer aan de arbeid te drijven, daartoe is de kracht van het machtigste leger niet toereikend. Bij de eigenlijke grootindustrie is iedere poging om de arbeiders tot voortbrenging te dwingen onmogelijk. In het verkeerswezen en in de berichtendienst zullen pogingen tot dwang eerder aangewend worden. Of zij echter iets zouden kunnen uitrichten, is een andere vraag. In het moderne, op groots arbeidsverdeling berustende productieproces grijpt alles ineen; zodra het functioneren van een onderdeel onderbroken wordt, is het ganse organisme gestoord. Dit geldt voor ieder afzonderlijk bedrijf zowel als voor het geheel van de maatschappelijke arbeid. Nemen wij bv. het spoorwegbedrijf. Van Kol voert het geval van de machinist aan, die met de revolver tot de arbeid gedwongen zou worden. Hoe is hij echter in staat die arbeid te volbrengen, als niet eveneens stokers, seinwachters, rangeerders enz. hun arbeid verrichten? Zijn arbeid is toch slechts een enkel radertje in het ontzaglijk samengesteld mechanisme van het moderne verkeer. Moet het gehele spoorwegpersoneel ‘met de revolver’ tot de arbeid geprest worden? Is de staking algemeen, dan zal het leger niet toereikend zijn om de arbeiders tot de voortbrenging te dwingen. Dit is in strijd met het karakter van het moderne productieproces. Toepassing van geweld tot dit doel kan slechts sporadisch plaats vinden en zal op het totale verloop van de strijd nauwelijks invloed hebben.
De eerste voorwaarde tot de politieke massastaking is een talrijk, in het grootbedrijf geconcentreerd proletariaat. In landen waar de concentratie van het kapitaal gering is, het proletariaat zwak in aantal en versnipperd is, de kleinburgerlijke productiewijze de overhand heeft, het grootste deel van de bevolking op het platteland leeft, vrije boeren en ambachtslieden haar ruggengraat vormen — in zulke landen is de overwinning van de politieke massastaking evenzeer uitgesloten als die van het proletariaat in het algemeen. Zodra echter de kapitalistische ontwikkeling zover gevorderd is dat zich een, zij het dan ook vergeleken bij de totale bevolking nog zwak, grootindustrieel proletariaat gevormd heeft, zal, wanneer andere strijdmiddelen, bovenal politieke rechten nog ontbreken, de politieke staking toegepast kunnen worden. Bij een gezamenlijke strijd van alle moderne klassen tegen voorkapitalistische staats- en uitbuitingsvormen zal zij ook het eigenaardig proletarische revolutionaire wapen vormen en maatschappelijke gevolgen teweeg brengen die, indien zij ook al op zichzelf niet voldoende zijn om het bestaande staatsgezag omver te werpen, toch aanmerkelijk daartoe kunnen bijdragen.
Haar ganse kracht echter zal de politieke staking slechts in economisch hoogontwikkelde landen kunnen ontplooien, in landen waar de agrarische bevolking bij de industriële ten achter staat en het proletariaat een aanzienlijk gedeelte van de totale bevolking uitmaakt. Hoezeer dit reeds in de landen van het ontwikkeld kapitalisme het geval is en steeds meer wordt, bewijzen de volgende cijfers:
| Duitsland | ||||||
| 1882: | zelfstandigen | 344 | niet-zelfstandigen | 640 | per | 1000 |
| 1895: | 249 | 751 | 1000 | |||
| België | ||||||
| 1895: | 183 | 817 | 1000 |
De Duitse cijfers hebben betrekking op industrie, handel en akkerbouw, de Belgische alleen op de industrie. In Duitsland vormden dus de zelfstandigen in 1895 24,94 percent der bevolking, de arbeiders 75,06 percent.
Niet alleen echter de massale opeenhoping van het proletariaat moet in aanmerking genomen worden, maar ook zijn samenstelling.
Hoe talrijker deel van de arbeidersklasse van een land in de midden- en grootbedrijven samengetrokken is, des te groter is de mogelijkheid van de politieke massastaking. Haar kansen tot welslagen zijn gunstiger bij een in aantal zwakker, maar in grootindustriële bedrijven samengetrokken proletariaat, dan bij een wel talrijker, maar over een menigte kleinbedrijven verspreide arbeidersklasse. Deze is voor de propaganda moeilijk toegankelijk, zij leeft in groter morele afhankelijkheid van haar broodheren, het kost oneindige moeite haar in een economische of politieke beweging mee te slepen. Bij haar zou de politieke staking slechts geringe kansen hebben, in elk geval zou zij zich slechts langzaam kunnen uitbreiden. In de productie zijn de kleinbedrijven onafhankelijk van elkaar, de stilstand van het ene heeft volstrekt niet noodzakelijk de stilstand van het andere ten gevolge. In de grootindustrie echter wordt ten gevolge van hun hogere organisatie de ganse productie van een bedrijf tot stilstand gebracht, als een deel van de in dat bedrijf tewerkgestelde arbeiders het werk neerlegt.
De neiging van de kapitalistische productiewijze is de voortdurende groei van het groot- en midden- ten koste van het kleinbedrijf. Hoe snel deze centralisatie plaats heeft en hoe ver zij in de ontwikkelde industrielanden reeds gevorderd is, daarvan getuigen de volgende cijfers over de beweging van de klein- midden- en grootbedrijven in Duitsland:
| Bedrijven | |||||
| 1882 | 1895 |
|
|||
| Kleinbedrijf: eenpersoons bedrijven | 1.877.872 | 1.714.351 | - 163.521 | - 8,7 pct. | |
| Gezellenbedrijven: 1-5 personen | 1.004.896 | 1.220.372 | + 215.376 | + 21,4 pct. | |
| Middenbedrijf: 6-50 personen | 112.715 | 191.301 | + 78.586 | + 69,7 pct. | |
| Grootbedrijf: 51 en meer personen | 9.974 | 18.953 | + 8.979 | + 90 pct. | |
| Personen | |||||
| 1882 | 1895 |
|
|||
| Kleinbedrijf: eenpersoonsbedrijven | 1.887.872 | 1.714.351 | - 163.521 | - 8,7 pct. | |
| Gezellenbedrijven: 1-5 personen | 2.457.950 | 3.056.318 | + 598.368 | + 24,3 pct. | |
| Middenbedrijf: 6-50 personen | 1.391.720 | 2.454.333 | + 1.062.613 | + 76,3 pct. | |
| Grootbedrijf: 51 en meer personen | 1.612.247 | 3.044.267 | + 1.431.020 | + 88,7 pct. |
Op elke 100 tewerkgestelde personen vielen in 1895 op het kleinbedrijf 39,9, op het middenbedrijf 23,6 en op het grootbedrijf 36,3 pct.; dus op midden- en grootbedrijf samen 60 pct. Van de 10.269.269 arbeiders werkten er in 1895 reeds 5.498.600 in midden- en grootbedrijven.
In België zijn de cijfers van het grootbedrijf