Geschreven: 1871
Bron: Uitgeverij Pegasus Amsterdam, 1936
Vertaling: onbekend
Deze versie: Spelling, punctuatie, soms zinsbouw
Transcriptie/HTML: Adrien Verlee, voor het Marxists Internet Archive, januari 2007
Inleiding van Fr. Engels
Eerste adres van de Generale Raad over de Frans-Duitse oorlog
Tweede adres van de Generale Raad over de Frans-Duitse oorlog
Adres van de Generale Raad over de burgeroorlog in Frankrijk
I
II
III
IV
Het vandalisme van de “beschermers van de beschaving”
Karl Marx. Uit brieven aan Kugelmann over de Parijse Commune:
I. 12 april 1871
II. 17 april 1871
III. 18 juni 1871
De Internationale Arbeidersassociatie tegen de laster van Jules Favre
De uitnodiging het Adres van de Internationale Generale Raad over de Burgeroorlog in Frankrijk opnieuw uit te geven en van een inleiding te voorzien, kwam voor mij onverwachts. Ik kan daarom hier slechts kort de belangrijkste punten aanstippen.
Aan het bovengenoemde grotere geschrift laat ik de twee kortere manifesten van de Generale Raad over de Frans-Duitse oorlog voorafgaan; vooreerst omdat naar het tweede hiervan, dat zelf weer zonder het eerste niet overal begrijpelijk is, in de Burgeroorlog wordt verwezen; en verder, omdat deze beide, ook door Marx opgestelde toespraken, niet minder dan de Burgeroorlog schitterende proeven zijn van de wonderbaarlijke, voor de eerste maal in De 18de Brumaire van Louis Bonaparte aan de dag getreden gave van de schrijver, het karakter, de strekking en de noodzakelijke gevolgen van grote geschiedkundige gebeurtenissen duidelijk te begrijpen op een tijdstip, waarop deze gebeurtenissen zich nog voor onze ogen voltrekken of eerst pas zijn afgelopen; en eindelijk, omdat wij in Duitsland nog altijd onder de, door Marx voorspelde gevolgen van die gebeurtenissen hebben te lijden.
Of is het niet uitgekomen, wat de eerste toespraak zegt, dat wanneer de verdedigingsoorlog van Duitsland tegen Louis Bonaparte zou ontaarden in een veroveringsoorlog tegen het Franse volk, al het ongeluk, dat op Duitsland neerkwam na de zogenaamde bevrijdingsoorlogen, weer met nieuwe heftigheid zou opleven? Hebben we niet nog eens twintig jaren Bismarck heerschappij gehad, in plaats van de demagogen vervolgingen de uitzonderingswet en de ophitsing tegen de socialisten, met dezelfde politie willekeur, met letterlijk dezelfde wetsuitlegging, die de haren te berge doet rijzen?
En is niet de voorspelling letterlijk uitgekomen dat de annexatie van Elzas-Lotharingen “Frankrijk in de armen van Rusland” zou drijven, en dat na deze annexatie Duitsland of openlijk de knecht van Rusland zou worden, of zich na een korte rust tot een nieuwe oorlog zou moeten voorbereiden, en wel, “tot een rassenoorlog tegen de verbonden rassen van de Slaven en Romanen?” Heeft de annexatie van de Franse provincies Frankrijk niet in de armen van Rusland gedreven? Heeft Bismarck niet twintig jaar lang tevergeefs om de gunst van de tsaar gedongen, gedongen met diensten, nog lager dan die het kleine Pruisen, vóór het de “eerste grote mogendheid van Europa” was geworden, aan de voeten van het heilige Rusland placht te leggen? En hangt niet nog iedere dag wéér, als het zwaard van Damocles, ons een oorlog boven het hoofd, op welke eerste dag alle schriftelijk vastgelegde vorstenbondgenootschappen zullen verstuiven als kaf — een oorlog waarvan niets zeker is dan de volstrekte onzekerheid van de afloop. Een rassenoorlog die geheel Europa overlevert aan de verwoesting door vijftien of twintig miljoen bewapenden, en die alleen daarom nog niet woedt, omdat zelfs de sterkste van de grote militaire staten angst koestert voor de volslagen onberekenbaarheid van het eindresultaat?
Des te meer is het plicht, deze halfvergeten schitterende bewijsstukken van de vooruitziende blik van de internationale arbeiderspolitiek van 1870 voor de Duitse arbeiders weer toegankelijk te maken.
Wat voor deze beide toespraken geldt, geldt ook voor De burgeroorlog in Frankrijk. Op de 28ste mei bezweken de laatste Communestrijders voor de overmacht op de hellingen van Belleville, en reeds twee dagen later, op de 30ste, las Marx de Generale Raad het werk voor, waarin de historische betekenis van de Parijse Commune in korte, krachtige, maar zo scherpe en vooral zo ware trekken is uiteengezet, als in de gehele ontzaglijke literatuur over dit onderwerp nooit weer is bereikt.
*
Dankzij de economische en politieke ontwikkeling van Frankrijk sedert 1789 werd Parijs sinds 50 jaren in een situatie gebracht, dat hier geen revolutie kon uitbreken, die niet een proletarisch karakter aannam, in die zin dat het proletariaat, dat de overwinning met zijn bloed kocht, na de overwinning met eigen eisen optrad. Deze eisen waren meer of minder vaag en zelfs verward, al naar de toenmalige stand van de ontwikkeling van de Parijse arbeiders. Maar tenslotte kwamen ze allen neer op afschaffing van de klassentegenstelling tussen kapitalisten en arbeiders. Hoe dit moest geschieden, wist men weliswaar niet. Maar de eis zelf, in welke vage bewoordingen hij ook was gekleed, bevatte een gevaar voor de bestaande maatschappelijke orde: de arbeiders, die hem stelden, waren nog gewapend. Voor de bourgeoisie, die het roer van de staat in haar handen hield, was dus ontwapening van de arbeiders een gebiedende eis. Vandaar na elke, door de arbeiders bevochten revolutie een nieuwe strijd, die met de nederlaag van de arbeiders eindigt.
Dit gebeurde voor de eerste keer in 1848. De liberale bourgeois van de parlementaire oppositie hielden hervormingsfeestmalen om de kiesrechthervorming, die voor hun partij de heerschappij zou waarborgen, door te zetten. In de strijd met de regering meer en meer gedwongen, om een beroep op het volk te doen, moesten zij de radicale en republikeinse lagen van de bourgeoisie en van de kleine burgerij langzamerhand meer naar voren laten komen. Maar achter deze lagen stonden de revolutionaire arbeiders, en deze hadden zich sinds 1830 veel meer politieke zelfstandigheid eigen gemaakt, dan de bourgeois en zelfs de republikeinen vermoedden. Op het ogenblik van de crisis tussen regering en oppositie begonnen de arbeiders het straatgevecht. Louis Philippe verdween. Met hem de kiesrechthervorming. In plaats daarvan ontstond de republiek, en wel een republiek, die door de zegevierende arbeiders zelf als “sociaal” werd aangeduid. Wat onder deze sociale republiek moest worden verstaan, dat was voor niemand duidelijk, ook voor de arbeiders zelf niet. Maar zij hadden thans wapens en waren een macht in de staat. Zodra dus de zich aan het roer bevindende bourgeoisrepublikeinen enigermate vaste grond onder hun voeten voelden, was hun eerste doel, de arbeiders te ontwapenen. Dit geschiedde door hen door directe woordbreuk, door openlijke hoon, en door de poging de werklozen naar een afgelegen provincie te verbannen, in de opstand van juni 1848 te jagen. En nu volgde een bloedbad onder de weerloze gevangenen, zoals er niet meer gezien was sinds de dagen van de burgeroorlogen, die de ondergang van de Romeinse republiek inleidden. Het was de eerste keer dat de bourgeoisie toonde tot welk een krankzinnige wraakzuchtige wreedheid zij wordt geprikkeld, zodra het proletariaat tegenover haar als afzonderlijke klasse met eigen belangen en eisen durft optreden. En toch was 1848 nog kinderspel, vergeleken met haar woede in 1871.
De straf volgde op de voet. Kon het proletariaat Frankrijk nog niet regeren, de bourgeoisie kon het reeds niet meer. Ten minste toentertijd niet, toen zij voor het merendeel nog monarchistisch gezind, en in drie dynastieke partijen en een vierde republikeinse partij was gesplitst. Haar onderling gekrakeel maakte het de avonturier Louis Bonaparte mogelijk alle machtposities — leger, politie, bestuursmachinerie, — in bezit te nemen en op de 2de december 1851 de laatste vaste burcht van de bourgeoisie, de Nationale Vergadering, uit elkaar te jagen. Het tweede keizerrijk begon, de uitbuiting van Frankrijk door een bende politieke en financiële avonturiers, maar tevens begon een industriële ontwikkeling, zoals onder het bekrompen en angstige systeem van Louis Philippe, onder de uitsluitende heerschappij van slechts een klein gedeelte van de bourgeoisie, nooit mogelijk was geweest. Louis Bonaparte ontnam de kapitalisten hun politieke macht onder het voorwendsel, hen, de bourgeois, tegen de arbeiders te beschermen, en de arbeiders op hun beurt tegen hen; maar daarvoor in de plaats begunstigde zijn heerschappij de speculatie en de industriële werkzaamheden, kortom: de opbloei en de verrijking van geheel de bourgeoisie in tot dusverre ongekende mate. In nog veel grotere mate weliswaar ontwikkelde zich de corruptie en de massale diefstal, die zich rondom het keizerlijke hof groepeerden en van deze verrijking hun hoge procenten trokken.
Maar het tweede keizerrijk betekende een beroep op het Franse chauvinisme; het betekende het terugeisen van de in 1814 verloren grenzen van het eerste keizerrijk, op zijn minst die van de eerste republiek. Een Frans keizerrijk binnen de grenzen van de oude monarchie, ja, zelfs binnen de nog meer ingekorte grenzen van 1815 — dit was op de duur een onmogelijkheid. Vandaar de noodzakelijkheid van oorlogen af en toe en van grensverruiming. Maar geen grensuitzetting verblindde zozeer de fantasie van de Franse chauvinisten als die van de linker Rijnoever. Eén vierkante mijl aan de Rijn betekende bij hen meer dan tien in de Alpen of ergens anders. Gegeven het tweede keizerrijk, was het terugeisen van de linker Rijnoever, in één keer of bij gedeelten, slechts een kwestie van tijd. Deze tijd kwam met de Pruisisch-Oostenrijkse oorlog van 1866; door Bismarck en door zijn eigen al te sluwe weifelpolitiek in de verwachte “gebiedsschadeloosstelling” bedrogen, restte thans Bonaparte niets meer dan de oorlog, die in 1870 uitbrak en hem in Sedan en van daar in Wilhelmshöhe deed belanden.
Het noodzakelijke gevolg was de Parijse revolutie van 4 september 1870. Het keizerrijk viel in elkaar als een kaartenhuis; de republiek werd weer geproclameerd. Maar de vijand stond voor de poorten. De legers van het keizerrijk waren òf in Metz hopeloos ingesloten òf in Duitsland gevangen. In deze nood veroorloofde het volk de Parijse afgevaardigden in het gewezen wetgevende lichaam, zich als “regering van de nationale verdediging” op te werpen. Men stond dit des te eerder toe, omdat thans voor het doel van de verdediging alle voor de militaire dienst geschikte Parijzenaars in de Nationale Garde dienst hadden genomen en gewapend waren, zodat nu de arbeiders een grote meerderheid vormden. Maar al spoedig kwam de tegenstelling tussen de bijna alleen uit bourgeois bestaande regering en het gewapende proletariaat tot uitbarsting. Op de 31ste oktober werd het stadshuis door arbeidersbataljons bestormd en een gedeelte van de regeringsleden gevangen genomen; verraad, directe woordbreuk van de regering en de tussenkomst van enige, uit kleinburgers bestaande bataljons bevrijdden hen weer, en om niet de burgeroorlog binnen de wallen van een, door een vreemde krijgsmacht belegerde stad te doen ontvlammen, liet men de bestaande regering op haar post.
Eindelijk, op de 8ste januari 1871, capituleerde het uitgehongerde Parijs. Maar met tot dusver in de krijsgeschiedenis ongekende eer. De forten werden overgegeven, de vestingwal ontwapend, de wapens van de linietroepen en van de Mobiele Garde uitgeleverd en deze zelf als krijgsgevangenen beschouwd, maar de Nationale Garde behield haar wapens en kanonnen en sloot alleen een wapenstilstand met de overwinnaars. En deze zelf durfden Parijs niet in triomf binnen trekken. Slechts een klein, bovendien gedeeltelijk uit openbare parken bestaand hoekje van Parijs durfden zij bezetten, en ook dit slechts voor een paar dagen! En gedurende deze tijd waren zij, die Parijs 131 dagen lang omsingeld hadden gehouden, zelf omsingelt door de gewapende Parijse arbeiders, die zorgvuldig er voor waakten dat geen “Pruis” de enge grenzen van het de vreemde veroveraar overgelaten hoekje overschreed. Zulk een eerbied boezemden de Parijse arbeiders het leger in, waarvoor al de legers van het keizerrijk de wapens hadden gestrekt; en de Pruisische jonkers, die gekomen waren, om op de haard van de revolutie wraak te nemen, moesten eerbiedig blijven staan en voor diezelfde gewapende revolutie salueren!
Gedurende de oorlog hadden de Parijse arbeiders zich ertoe bepaald, de energieke voortzetting van de strijd te eisen. Maar thans, nu na de capitulatie van Parijs de vrede tot stand kwam, thans moest Thiers, het nieuwe hoofd van de regering, inzien dat de heerschappij van de bezittende klassen van de grootgrondbezitters en de kapitalisten — in voortdurend gevaar verkeerde, zolang de Parijse arbeiders de wapens in handen hielden. Zijn eerste werk was de poging om hen te ontwapenen. Op de 18de maart zond hij linietroepen met het bevel, de, aan de Nationale Garde toebehorende, gedurende het beleg van Parijs vervaardigde, en met, door openbare intekening verkregen gelden betaalde artillerie te roven. De poging mislukte. Parijs maakte zich als één man tot verzet gereed en de oorlog tussen Parijs en de, te Versailles zittende Franse regering was verklaard. De 26ste maart werd de Parijse Commune gekozen en op de 28ste werd ze uitgeroepen. Het Centraal Comité van de Nationale Garde, dat tot dusverre de regering had gevoerd, diende haar zijn ontslag in, nadat het nog tevoren de afschaffing van de schandelijke Parijse “zedenpolitie” had afgekondigd. Op de 30ste schafte de Commune de conscriptie en het staande leger af, en verklaarde de Nationale Garde, waartoe alle weerbare burgers moesten behoren, tot de enige gewapende macht. Ze schold alle huishuren van oktober 1870 tot april 1870 kwijt, onder afschrijving van de reeds betaalde huursommen op de toekomstige huurtijd, en zette elke verkoop van panden in de stedelijke bank van lening stop. Dezelfde dag werden de in de Commune gekozen buitenlanders in hun ambt bevestigd, daar “de vaan van de Commune die van de wereldrepubliek is”. — Op de 1ste april werd besloten dat het hoogste salaris van een Communebeambte, dus ook van haar leden zelf, niet hoger mocht zijn dan 6000 francs[1]. — De volgende dag werd de scheiding van kerk en staat afgekondigd, evenals de afschaffing van alle betalingen voor godsdienstige doeleinden door de staat en de omzetting van alle bezittingen van de geestelijkheid in nationaal eigendom. Vervolgens werd op de 8ste april bevel gegeven om alle religieuze symbolen, schilderijen, dogma’s, gebeden, kortom, “al hetgeen tot het geweten van ieder persoonlijk behoort”, uit de scholen te verbannen, en dit werd geleidelijk ten uitvoer gebracht. — Op de 5de werd tegen het dagelijks opnieuw voorkomende doodschieten van gevangen genomen Communestrijders door de Versaillaanse troepen een decreet over het in hechtenis nemen van gijzelaars uitgevaardigd, dat evenwel nooit is toegepast. — Op de 6de werd de guillotine door het 137ste bataljon van de Nationale Garde te voorschijn gehaald en onder luid gejubel van het volk in het openbaar verbrand. — Op de 12de besloot de Commune, de na de oorlog van 1809 door Napoleon van veroverde kanonnen gegoten overwinningszuil van de Place Vendôme als zinnebeeld van het chauvinisme en van de volksophitsing omver te werpen. Dit werd op de 16de mei uitgevoerd. — Op de 16de april verordende de Commune een statistische opgave van de door de fabrikanten buiten werking gestelde fabrieken, en het uitwerken van plannen om deze in bedrijf te doen nemen, door de, in coöperaties te verenigen, tot dusver daarin werkzame arbeiders, zowel als voor een organisatie van deze coöperaties in een grote bond. — Op de 20ste schafte zij de nachtarbeid voor de bakkers af, zowel als de arbeidsbemiddeling, die sedert het tweede keizerrijk door van politie wege benoemde sujetten arbeiders-uitbuiters van de eerste rang — als monopolie werd bedreven; ze werd aan de gemeentebesturen (maires) van de twintig Parijse arrondissementen opgedragen. — Op de 30ste april beval zij het sluiten van de pandjeshuizen, die een particuliere uitbuiting van de arbeiders waren, en in strijd waren met het recht van de arbeiders op hun gereedschap en op krediet. — Op de 5de mei besloot zij het slopen van de boetkapel, opgericht als zoenoffer voor de terechtstelling van Lodewijk XVI.
Zo trad sinds de 18de maart het, tot dusverre door de strijd tegen de buitenlandse invasie op de achtergrond gedrongen klassekarakter van de Parijse beweging scherp en zuiver te voorschijn. Zoals in de Commune bijna alleen arbeiders of erkende arbeidersvertegenwoordigers zitting hadden, zo droegen ook haar besluiten een beslist proletarisch karakter. Of ze vaardigde hervormingen uit, die de republikeinse bourgeoisie slechts uit lafheid had nagelaten, maar die voor de vrije ontplooiing van de actie van de arbeidersklasse een noodzakelijke grondslag uitmaakten, zoals het verwezenlijken van de stelling dat tegenover de staat godsdienst niets anders dan een persoonlijke aangelegenheid is; óf zij vaardigde besluiten uit, die rechtstreeks in het belang van de arbeidersklasse waren en gedeeltelijk diep in de oude maatschappijorde ingrepen. Dit alles kon evenwel in een belegerde stad op zijn hoogst een begin van verwezenlijking vinden. En van begin mei af nam de strijd tegen de voortdurend talrijker zich verzamelende legermassa alle krachten van de regering in beslag.
De 7de april hadden de Versaillanen zich van de overgang van de Seine, bij Neuilly, aan het westelijk front van Parijs, meester gemaakt; daarentegen werden zij op de 11de, bij een aanval op het zuidelijk front door generaal Eudes, met bloedende koppen teruggeslagen. Parijs werd voortdurend gebombardeerd, en wel door dezelfde lieden die het bombardement van dezelfde stad door de Pruisen als heiligschennis hadden gebrandmerkt. Deze zelfde lieden bedelden nu bij de Pruisische regering om snelle terugzending van de gevangen Franse soldaten van Sedan en Metz, die voor hen Parijs moesten heroveren. Deze troepen kwamen langzamerhand aan en gaven aan de Versaillanen van het begin van mei af een beslist overwicht. Dit kwam reeds tot uiting toen Thiers op de 23ste april de onderhandelingen afbrak voor de, door de Commune aangeboden ruil van de aartsbisschop van Parijs en een ganse reeks van andere, te Parijs vastgehouden papen tegen de enkele Blanqui, die tweemaal in de Commune was gekozen, maar te Clairvaux gevangen zat. En nog meer veranderde de taal van Thiers. Tot dusverre terughoudend en dubbeltongig, werd hij nu plotseling overmoedig, dreigend, brutaal. Aan het zuidelijke front namen de Versaillanen op de 3de mei de schans van Moulin Saquet; op de 9de het volslagen in puin geschoten fort van Issy; op de 14de het fort van Vanves. Aan het westelijke front rukten zij langzamerhand, terwijl zij de talrijke, tot aan de ringmuur zich uitstrekkende dorpen en gebouwen veroverden, tot aan de noordwal zelf op; op de 11de gelukte het hun, door verraad en ten gevolge van de nalatigheid van de hier geplaatste Nationale Garde, de stad binnen te dringen. De Pruisen, die de noordelijke en de oostelijke forten bezet hielden, gaven de Versaillanen verlof, over het, volgens de wapenstilstand voor hen verboden terrein in het noorden van de stad naar voren te trekken, zodat zij aanvallend konden optreden over een breed front, dat de Parijzenaars als door de wapenstilstand gedekt moesten beschouwen, en daarom maar zwak bezet hielden. Dientengevolge was de tegenstand in de westelijke helft van de stad, in de eigenlijke luxestad, slechts zwak. Hij werd heftiger en hardnekkiger naar mate de binnendringende troepen de oostelijke helft, de eigenlijke arbeidersstad, naderden. Eerst na een strijd van acht dagen moesten de laatste verdedigers van de Commune op de heuvels van Belleville en Ménilmontant het opgeven, en nu bereikte het vermoorden van weerloze mannen, vrouwen en kinderen, dat de gehele week door in stijgende mate had gewoed, zijn hoogtepunt. De achterlader doodde niet snel genoeg meer. Bij honderden werden de overwonnenen met mitrailleurs neergeschoten. De “Muur van de Gefedereerden” op het kerkhof Père-Lachaise, waar de laatste massamoord werd voltrokken, staat er nog altijd, als een stomme, welsprekende getuige van de razernij, waartoe de heersende klasse in staat is, zodra het proletariaat voor zijn recht durft op te komen. Toen kwamen de massa-arrestaties. Toen het slachten van allen onmogelijk bleek te zijn, werden willekeurig uit de rijen van de gevangenen uitgezochte slachtoffers doodgeschoten, de rest in een groot kamp overgebracht om daar af te wachten, totdat zij voor de krijgsraad werden geleid. De Pruisische troepen, die om de noordelijke helft van Parijs gelegerd waren, hadden bevel geen vluchtelingen door te laten. Toch deden de officieren dikwijls een oog toe, als de soldaten meer naar het gebod van de menselijkheid luisterden dan naar dat van het oppercommando. Met name komt aan het Saksische legerkorps de roem toe dat het zich zeer humaan gedroeg en velen doorliet, die duidelijk de stempel van Communestrijders droegen.
Zien wij heden, na twintig jaar, op de daden en de historische betekenis van de Parijse Commune van 1871 terug, dan zullen we vinden dat er nog enige aanvullingen op de uiteenzetting in de Burgeroorlog in Frankrijk kunnen worden gegeven.
De leden van de Commune splitsten zich in een meerderheid, de blanquisten, die ook een overwegende rol hadden gespeeld in de Nationale Garde, en een minderheid: de overwegend uit aanhangers van de proudhonistische socialistische school bestaande leden van de Internationale Arbeidersassociatie. Toentertijd waren de blanquisten, wat de grote massa betreft, slechts uit revolutionair, proletarisch instinkt socialisten; slechts weinigen waren door Vaillant, die het Duitse wetenschappelijke socialisme kende, tot groter principiële klaarheid gekomen. Zo is het te begrijpen dat in economisch opzicht veel werd nagelaten van hetgeen volgens onze huidige opvattingen de Commune had moeten doen. Het moeilijkst te begrijpen is zeker de heilige eerbied, waarmee men voor de poorten van de Bank van Frankrijk bleef staan. Dit was ook een grote politieke fout. De bank in de handen van de Commune, dat was meer waard dan tienduizend gijzelaars. Dat betekende de druk van de ganse Franse bourgeoisie op de Versaillaanse regering in het belang van de vrede met de Commune. Nog wonderlijker evenwel was, dat toch nog zoveel goede dingen door de, uit blanquisten en proudhonisten samengestelde Commune werden gedaan. Het spreekt vanzelf, dat voor de economische decreten van de Commune, zowel wat de roemvolle als wat de slechte kanten betreft, in de eerste plaats de proudhonisten verantwoordelijk waren, zoals voor haar politieke daden en tekortkomingen de blanquisten. En in beide gevallen wilde het de ironie van de geschiedenis, zoals gewoonlijk wanneer doctrinairen aan het roer komen, dat zowel dezen als genen het tegendeel deden van wat de leerstellingen van hun school voorschreven.
Proudhon, de socialist van de kleine boeren en van de kleine bazen, haatte de associatie met een positieve haat. Hij zei daarvan dat ze meer kwaads dan goeds in zich sluit, dat ze van nature onvruchtbaar is, schadelijk zelfs, omdat ze de vrijheid van de arbeider aan banden legt, dat ze een zuiver dogma is, onproductief en bezwaarlijk, in strijd met de vrijheid van de arbeider zowel als met de arbeidsbesparing, en dat haar nadelen sneller groeien dan haar voordelen, en dat, met haar vergeleken, concurrentie, arbeidsdeling, privaat eigendom, economische krachten zijn. Slechts voor de uitzonderingsgevallen, zoals Proudhon ze noemt, van de grote industrie en van de grote bedrijfslichamen, bv. spoorwegen, — was volgens Proudhon de associatie van de arbeiders op haar plaats. (Zie: Idée générale de la révolution, 3. étude.) [2]
En in 1871 had de grote industrie zelfs te Parijs, de centrale zetel van het kunstambacht, reeds zó zeer opgehouden, een uitzondering te zijn, dat het verreweg belangrijkste decreet van de Commune een organisatie van de grote industrie en zelfs van de manufactuur voorschreef, die niet slechts op de associatie van de arbeiders in elke fabriek moest berusten, maar ook al deze coöperaties in een groot verband moest verenigen; — kortom, een organisatie, die, zoals Karl Marx volkomen terecht in de Burgeroorlog zegt, ten slotte op het communisme, dus op het directe tegendeel van Proudhons leer, moest uitlopen. En daarom was ook de Commune het graf van Proudhons school van het socialisme. Deze school is thans uit de Franse arbeiderskringen verdwenen. Hier heerst thans onbetwist, bij possibilisten niet minder dan bij marxisten, de theorie van Marx. Slechts onder de “radicale” bourgeoisie worden nog proudhonisten gevonden.
Niet beter ging het met de blanquisten. Groot gebracht in de school van de samenzwering, bijeengehouden door de, daaraan beantwoordende straffe discipline, gingen zij van de opvatting uit dat een betrekkelijk klein getal van vastberaden, hecht georganiseerde mannen in staat zou zijn, op een gegeven gunstig moment niet slechts het roer van de staat te grijpen, maar ook door het ontplooien van grote, niets ontziende energie zo lang te handhaven, totdat het hun zou zijn gelukt, de massa van het volk met de revolutie mee te sleuren en om de kleine, leidende schare heen te groeperen. Daartoe behoorde voor alles de meest gestrenge dictatoriale centralisatie van alle macht in de hand van de nieuwe revolutionaire regering. En wat deed de Commune, die, wat de meerderheid betreft, juist uit deze blanquisten bestond? In al haar proclamaties aan de Fransen in de provincie riep zij deze op tot een vrije federatie van alle Franse communes met Parijs, tot een nationale organisatie, die voor de eerste keer werkelijk door de natie zelf zou worden geschapen. Juist de onderdrukkende macht van de tot dusverre bestaande, gecentraliseerde regering, leger, politieke politie, bureaucratie, die Napoleon in 1798 had geschapen en die sedert elke nieuwe regering als welkom werktuig had overgenomen en tegen haar tegenstanders gebruikt, juist deze macht behoorde overal te vallen, zoals ze reeds te Parijs was gevallen.
De Commune moest van stonde aan erkennen, dat de arbeidersklasse, eenmaal tot de heerschappij gekomen, niet met de oude staatsmachine kan voort werken; dat deze arbeidersklasse, wil ze niet haar eigen, eerst pas veroverde heerschappij weer teloor zien gaan, enerzijds de gehele oude, tot dusverre tegen haar zelf aangewende onderdrukkingsmachinerie moest afschaffen, doch anderzijds zich moet beveiligen tegen haar eigen afgevaardigden en beambten, door dezen, zonder uitzondering, als te allen tijde afzetbaar te verklaren. Waarin bestond de karakteristieke eigenschap van de nu toe bestaande staat? De maatschappij had zich voor het verzorgen van haar gemeenschappelijke belangen, oorspronkelijk door eenvoudige arbeidsdeling, eigen organen geschapen. Maar deze organen, welker spits de staatsmacht is, hadden zich mettertijd, “in dienst van haar eigen bijzondere belangen, van dienaren in meesters van de maatschappij veranderd. Zoals dit bv. niet slechts in de erfelijke monarchie” maar even goed in de democratische republieken is te zien. Nergens vormen de “politiekers” een meer op zich zelf staande en machtiger afdeling van de natie dan juist in Noord-Amerika. Hier wordt elk van de grote partijen, aan wie om beurten de heerschappij toevalt, zelf weer geregeerd door lieden, die uit de politiek een zaak maken, die op zetels in de wetgevende vergadering zowel van de Bond als van de afzonderlijke staten speculeren, of die van de agitatie voor hun partij leven, en als deze heeft gewonnen, door baantjes worden beloond. Het is bekend, hoe de Amerikanen sinds de laatste dertig jaren dit ondragelijk geworden juk pogen af te schudden, en hoe zij desniettemin steeds dieper in dit moeras van de corruptie wegzinken. Juist in Amerika kunnen wij het best zien, hoe dit zelfstandig worden van de staatsmacht tegenover de maatschappij, als wier eenvoudig werktuig ze oorspronkelijk was bestemd, in zijn werk gaat. Hier bestaat geen dynastie, geen adel, geen staand leger buiten het paar man ter bewaking van de Indianen, geen bureaucratie met vaste aanstelling of recht op pensioen. En toch hebben wij hier twee grote benden van politieke speculanten, die om de beurt de staatsmacht in bezit nemen, en met de meest corrupte middelen en voor de meest corrupte doeleinden uitbuiten, en de natie is machteloos tegen deze, zogenaamd in haar dienst staande, in werkelijkheid haar evenwel beheersende en uitplunderende twee grote kartels van politiekers.
Tegen deze, in alle tot nu toe bestaande staten onvermijdelijke verandering van de staat en de staatsorganen van dienaren van de maatschappij in meesters van de maatschappij, paste de Commune twee onfeilbare middelen toe. In de eerste plaats bezette zij alle posten, besturende, recht sprekende, onderwijzende, door keuze volgens het algemeen stemrecht van de belanghebbenden, en wel niet het recht van terugroeping te allen tijde door dezelfde belanghebbenden. En ten tweede betaalde zij voor alle diensten, hoge zowel als lage, slechts het loon, dat andere arbeiders ontvingen. Het hoogste salaris, dat ze ten slotte betaalde, was 6000 franken. Daarmee was de deur voor baantjesjagers voor goed gesloten, ook zonder de bindende mandaten bij gedelegeerden in vertegenwoordigende lichamen, die er ten overvloede nog aan werden toegevoegd.
Dit verbrijzelen van de tot nu toe bestaande staatsmacht en het vervangen daarvan door een nieuwe, in waarheid democratische, is in het derde hoofdstuk van de Burgeroorlog grondig behandeld. Het was evenwel nodig, hier nog eens op enkele trekken daarvan in te gaan, omdat juist in Duitsland het bijgeloof in de staat zich uit de filosofie in het algemeen bewustzijn van de bourgeoisie en zelfs van vele arbeiders heeft overgeplant. Volgens de filosofische voorstelling is de staat de “verwezenlijking van de idee”, of het in het filosofisch overgebrachte rijk Gods op aarde, het gebied, waarop de eeuwige waarheid en gerechtigheid tot werkelijkheid wordt, of behoort te worden. En daaruit volgt dan een bijgelovige verering van de staat en van al wat met de staat samenhangt, die des te gemakkelijker ingang vindt, naarmate men zich van kindsbeen af er aan heeft gewend, zich in te beelden, dat de, aan de ganse maatschappij gemeenschappelijke zaken en belangen niet anders kunnen worden behartigd, dan tot dusverre het geval is geweest, n.l. door de staat en zijn goed bezoldigde overheidspersonen. En men gelooft reeds een zeer geweldige stoutmoedige stap te hebben gedaan, als men zich van het geloof in de erfelijke monarchie heeft vrij gemaakt en bij de democratische republiek zweert. In werkelijkheid echter is de staat niets dan een machine ter onderdrukking van de ene klasse door een andere, en wel in de democratische republiek niet minder dan in de monarchie, en in het beste geval een kwaad, dat het, in de strijd om de klassenheerschappij zegevierende proletariaat erft en welke ergste kanten het, evenmin als de Commune, zal kunnen nalaten met de grootst mogelijk spoed te besnoeien, totdat een in nieuwe vrije maatschappijtoestanden opgegroeid geslacht in staat zal zijn, zich van de gehele staatsrommel te ontdoen.
De sociaaldemocratische filister [3] heeft onlangs weer een heilzame schrik gekregen bij het woord: dictatuur van het proletariaat. Nu goed, mijnheren, wilt u weten, hoe deze dictatuur er uit ziet? Kijkt dan naar de Parijse Commune. Dat was de dictatuur van het proletariaat.
Londen, op de twintigste gedenkdag van de Parijse Commune.
18 maart 1891
F. Engels.
In het openingsadres van onze Associatie van november 1864, zeiden wij: “Als de bevrijding van de arbeidersklasse de broederlijke vereniging en medewerking van de arbeidersklasse veronderstelt, hoe kan zij dan deze grote zending vervullen, zolang een buitenlandse politiek, die misdadige plannen nastreeft, nationale veroordelen tegen elkaar ophitst, en in roofgierige oorlogen goed en bloed van het volk verspilt?” En wij duidden de buitenlandse politiek, waarnaar door de Internationale wordt gestreefd, aan met de woorden: “De eenvoudige wetten van de zedelijkheid en gerechtigheid, die de betrekkingen tussen particuliere personen behoren te regelen, moeten ook geldigheid verkrijgen als de hoogste wetten in het verkeer tussen de volken.”
Geen wonder dat Louis Bonaparte, die zijn macht had geüsurpeerd door het uitbuiten van de klassenstrijd in Frankrijk, en ze verlengde door herhaalde oorlogen naar buiten, van de aanvang af de Internationale als een gevaarlijke vijand heeft behandeld. Aan de vooravond van de volksstemming zet hij een campagne op touw tegen de leden van de besturende comités van de Internationale Arbeidersassociatie te Parijs, Lyon, Rouaan, Marseille, Brest, kortom in gans Frankrijk, onder het voorwendsel, dat de Internationale een geheim genootschap zou zijn en een complot smeedde om hem te vermoorden, welk voorwendsel al spoedig door zijn eigen rechters als volkomen ongerijmd werd onthuld. Wat was de werkelijke misdaad van de Franse secties van de Internationale? Dat zij luid aan het Franse volk verklaarden: voor het plebisciet stemmen betekent: stemmen voor het despotisme naar binnen en de oorlog naar buiten. En het was inderdaad haar werk, dat in alle grote steden, in alle industriële centra van Frankrijk, de arbeidersklasse zich als één man verhief om het plebisciet te verwerpen. Ongelukkigerwijze werd haar uitspraak overstemd door de plompe onwetendheid van de landelijke districten. De effectenbeurzen, de kabinetten, de heersende klassen en de pers van bijna geheel Europa vierden het plebisciet als een schitterende overwinning van de Franse keizer op de Franse arbeidersklasse; in werkelijkheid was het een signaal voor het vermoorden niet van een enkeling, maar van gehele volken.
Het oorlogscomplot van juli 1870 is slechts een verbeterde uitgave van de staatsgreep van december 1851. Op het eerste gezicht scheen de zaak zo dwaas, dat Frankrijk aan de werkelijke ernst daarvan niet wilde geloven. Veeleer schonk het geloof aan de afgevaardigde die in de krijgszuchtige redevoeringen van de ministers niets anders dan een beursmanoeuvre zag. Toen op de 15de juli de oorlog eindelijk aan het wetgevend lichaam officieel werd meegedeeld, weigerde de gehele oppositie voor het voorlopig krediet te stemmen. Zelfs Thiers brandmerkte de oorlog als “afschuwelijk”; alle onafhankelijke dagbladen van Parijs veroordeelden hem, en, zonderling genoeg, stemde de provinciale pers bijna zonder tegenspraak daarmee in.
Intussen waren de Parijse leden van de Internationale weer aan het werk. In de Réveil van 12 juli publiceerden zij hun manifest “aan de arbeiders aller naties”, waarin wordt gezegd:
“Opnieuw bedreigt politieke eerzucht de vrede van de wereld onder het voorwendsel van het Europese evenwicht en de nationale eer. Franse, Duitse en Spaanse arbeiders! Verenigen wij onze stemmen tot een kreet van afschuw tegen de oorlog. . . Oorlog om een kwestie van verstoord evenwicht of om een dynastie kan in de ogen van de arbeiders niets zijn dan een misdadige dwaasheid. Tegenover de oorlogszuchtige oproepen van hen, die zich van de bloedschatting loskopen en in het openbare ongeluk slechts een bron van nieuwe speculaties zien, protesteren wij luide, dat wij vrede en arbeid nodig hebben! . . . Broeders in Duitsland! Onze tweespalt zou slechts de volledige triomf van het despotisme aan beide zijden van de Rijn ten gevolge hebben. . . Arbeiders van alle landen! Wat op dit ogenblik ook het resultaat van onze gemeenschappelijke pogingen moge zijn, — wij, de leden van de Internationale Arbeidersassociatie, voor wie er geen grenzen bestaan, wij zenden u, als pand van onverbrekelijke solidariteit, de goede wensen en de groeten van Frankrijks arbeiders”.
Op dit manifest van onze Parijse secties volgden talrijke Franse adressen, waarvan wij er hier slechts één kunnen aanhalen: de verklaring van Neuilly-sur-Seine, opgenomen in de Marseillaise van 22 juli:
“Is de oorlog rechtvaardig? Neen! Is de oorlog nationaal? Neen! Hij is uitsluitend dynastiek. In naam van de gerechtigheid, van de democratie, van de ware belangen van Frankrijk, sluiten wij ons volkomen en energiek bij de protesten van de Internationale tegen de oorlog aan”.
Deze protesten vertolkten de ware gevoelens van de Franse arbeiders, zoals een eigenaardige gebeurtenis al spoedig bewees. Toen de, oorspronkelijk onder het presidentschap van Louis Bonaparte georganiseerde “bende van de 10de december”, in kielen als arbeiders verkleed, op straat werd losgelaten om daar door Indiaanse krijgsdansen de oorlogskoorts aan te wakkeren, antwoordden de werkelijke arbeiders van de voorsteden met zulke overweldigende vredesdemonstraties, dat de politieprefect Piétri het raadzaam achtte aan alle verdere straatpolitiek plotseling een einde te maken onder het voorwendsel dat het getrouwe volk van Parijs aan zijn lang ingetoomd patriottisme en zijn overstromende oorlogsgeestdrift voldoende lucht had gegeven.
Wat ook het verloop van Louis Bonapartes oorlog met Pruisen moge zijn, de doodsklok van het tweede keizerrijk heeft reeds te Parijs geluid. Het zal eindigen, zoals het begonnen was: met een parodie. Maar vergeten wij niet dat de regeringen en de heersende klassen van Europa het Louis Bonaparte mogelijk maakten, achttien jaar lang de wrede klucht van de restauratie van het tweede keizerrijk te spelen.
Van Duitse zijde is de oorlog een verdedigingsoorlog. Maar wie bracht Duitsland in de noodzakelijkheid zich te moeten verdedigen? Wie maakte het Louis Bonaparte mogelijk oorlog tegen Duitsland te voeren? Het was Bismarck, die met dezelfde Louis Bonaparte samenspande om een populaire oppositie in eigen land neer te slaan en Duitsland voor de Hohenzollern dynastie te annexeren. Ware de slag bij Sadowa verloren in plaats van gewonnen, dan hadden Franse bataljons, als bondgenoten van Pruisen, Duitsland overstroomd. Had Pruisen na de overwinning ook maar een ogenblik gedroomd, tegenover het geknechte Frankrijk een vrij Duitsland te stellen? Juist het tegendeel! Het hield angstig de aangeboren schoonheden van zijn oude stelsel in stand en voegde er bovendien alle trucs van het tweede keizerrijk aan toe: zijn werkelijk despotisme en zijn schijndemocratie, zijn politieke ogenverblinding en zijn financiële zwendelarij, zijn hoogdravende frasen en zijn gemene zakkenrollerkunsten. Het bonapartistische regime, dat tot dusverre slechts aan één kant van de Rijn bloeide, had daarmee aan de andere zijde zijn tegenhanger gekregen. En waar het er zo mee gesteld was, wat kon er dan anders uit voortvloeien dan oorlog?
Wanneer de Duitse arbeidersklasse toelaat, dat de huidige oorlog zijn streng defensief karakter opgeeft en in een oorlog tegen het Franse volk ontaardt, dan wordt overwinning en nederlaag al even rampzalig. Al het onheil, dat op Duitsland neer kwam na de zogenaamde bevrijdingsoorlogen, zal met versterkte hevigheid weer opleven.
De beginselen van de Internationale zijn evenwel te ver verbreid en te stevig in de Duitse arbeidersklasse geworteld, dan dat wij voor zulk een treurige afloop zouden moeten vrezen. De stem van de Franse arbeiders heeft in Duitsland een echo gevonden. Een massavergadering van arbeiders te Brunswijk heeft op de 16de juli zich met het Parijse manifest volkomen eens verklaard, elke gedachte van een nationale tegenstelling tegen Frankrijk afgewezen en besluiten genomen, waarin wordt gezegd:
“Wij zijn tegenstanders van alle oorlogen, maar vooral van dynastieke oorlogen. . . Met diepe bezorgdheid en smart zien we ons in een verdedigingsoorlog gedreven als in een onvermijdelijk kwaad; maar tegelijkertijd roepen wij geheel de denkende arbeidersklasse op, de herhaling van zulk een verschrikkelijke, sociale ramp onmogelijk te maken, door voor de volken zelf de macht op te eisen om over oorlog en vrede te beslissen en zich zo tot meesters van hun eigen lot te maken”.
Te Chemnitz heeft een 50.000 Saksische arbeiders vertegenwoordigende vergadering van vertrouwensmannen met algemene stemmen het volgende besluit genomen:
“In naam van de Duitse democratie en met name van de arbeiders van de sociaaldemocratische partij verklaren wij de tegenwoordige oorlog als van uitsluitend dynastieke aard. . . Met vreugde grijpen wij de ons door de Franse arbeiders aangeboden broederhand. . . Gedachtig aan de leuze van de Internationale Arbeidersassociatie “Proletariërs van alle landen, verenigt u”, zullen wij nooit vergeten dat de arbeiders van alle landen onze vrienden en de despoten van alle landen onze vijanden zijn”.
De Berlijnse sectie van de Internationale antwoordde eveneens op het Parijse manifest:
“Wij stemmen van ganser harte met uw protest in. . . Wij leggen de plechtige gelofte af dat noch trompetgeschal, noch kanongebulder, noch overwinning, noch nederlaag ons zal afhouden van ons gemeenschappelijk werk van de vereniging van de arbeiders in alle landen”.
Op de achtergrond van deze tot zelfvernietiging voerende oorlog loert de sombere gestalte van Rusland. Het is een slecht voorteken dat het signaal voor de tegenwoordige oorlog juist op het ogenblik werd gegeven, toen de Russische regering haar strategische spoorwegen had voltooid en reeds troepen samentrok in de richting van de Proeth. Op welke sympathieën de Duitsers ook terecht aanspraak mogen maken in een verdedigingsoorlog tegen een bonapartistische overval, zij zouden die spoedig verliezen, als zij de Duitse regering veroorloofden, de hulp van de Kozakken in te roepen, of ook maar aan te nemen. Mogen zij zich herinneren dat na zijn onafhankelijkheidsoorlog tegen de eerste Napoleon, Duitsland tien jaren lang hulpeloos aan de voeten van de tsaar lag.
De Engelse arbeidersklasse reikt de Franse, evenals de Duitse arbeiders, broederlijk de hand. Zij is vast overtuigd dat, hoe ook het einde van deze afschuwelijke oorlog moge zijn, het verbond van de arbeiders van alle landen ten slotte de oorlog zal uitroeien. Terwijl het officiële Frankrijk en het officiële Duitsland zich in een broedermoordende strijd storten, zenden de arbeiders elkaar betuigingen van vrede en vriendschap. Dit enkele grote feit, zonder weerga in de geschiedenis van het verleden, opent het uitzicht op een helderder toekomst. Het bewijst dat, in tegenstelling tot de oude maatschappij met haar economische ellende en haar politieke verstandsverbijstering, een nieuwe maatschappij ontstaat, wier internationaal principe de vrede zal zijn, omdat bij iedere natie hetzelfde principe heerst: — de arbeid! De baanbreekster van deze nieuwe maatschappij is de Internationale Arbeidersassociatie.
Londen, 23 juli 1870
In ons eerste manifest van 23 juli zeiden wij:
“De doodsklok van het tweede keizerrijk heeft reeds te Parijs geluid. Het zal eindigen zoals het begonnen was: met een parodie. Maar vergeten wij niet dat de regeringen en de heersende klassen van Europa het Louis Bonaparte mogelijk maakten, achttien jaar lang de wrede klucht van de restauratie van het tweede keizerrijk te spelen”.
Dus reeds voor de krijgsoperaties begonnen waren, behandelden wij de bonapartistische zeepbel als een ding uit het verleden.
Wij hebben ons omtrent de levensvatbaarheid van het tweede keizerrijk niet vergist. Wij hadden ook geen ongelijk, toen wij de vrees uitspraken dat de Duitse oorlog “zijn streng defensief karakter” zou verliezen en in een oorlog tegen het Franse volk ontaarden. De verdedigingsoorlog eindigde inderdaad met de overgave van Louis Napoleon, de capitulatie van Sedan en de proclamatie van de republiek te Parijs. Maar reeds lang vóór deze gebeurtenissen, reeds op hetzelfde ogenblik dat de gehele ontbinding van de bonapartistische gewapende macht zekerheid werd, besloot de Pruisische militaire camarilla tot verovering. Koning Wilhelms eigen proclamatie in het begin van de oorlog stond hun weliswaar als een lelijke hinderpaal in de weg. In zijn troonrede voor de Noord-Duitse Rijksdag had hij plechtig verklaard, slechts tegen de keizer van de Fransen en niet tegen het Franse volk oorlog te voeren. Op de 11de augustus had hij een manifest aan de Franse natie uitgevaardigd, waarin hij zei:
“Keizer Napoleon heeft de Duitse natie, die gewenst heeft, en nog steeds wenst, in vrede met het Franse volk te leven, te water en te land aangevallen. Ik heb het bevel over het Duitse leger op mij genomen om deze aanval af te weren, en de militaire gebeurtenissen hebben mij er toe gebracht de grenzen van Frankrijk te overschrijden”.
Niet tevreden, het “zuiver defensieve karakter” van de oorlog te doen uitkomen door de bewering, dat hij slechts het opperbevel over de Duitse legers op zich had genomen, om “overvallen af te weren”, voegde hij er aan toe, dat hij er slechts “door militaire voorvallen toe was gebracht”, de grenzen van Frankrijk te overschrijden. Een verdedigingsoorlog sluit natuurlijk aanvalsoperaties niet uit, door “militaire voorvallen” gedicteerd.
Dientengevolge had zich dus deze godvrezende koning voor Frankrijk en de wereld tot een zuiver defensieve oorlog verplicht. Hoe kon hij van deze plechtige belofte worden bevrijd? De toneelregisseurs moesten het doen voorkomen alsof hij tegen zijn wil aan een onweerstaanbaar gebod van de Duitse natie toegaf. Zij gaven de liberale Duitse middenklasse met haar professoren, haar kapitalisten, haar gemeentebestuurders, haar journalisten onmiddellijk het wachtwoord. Deze middenklasse, die in haar strijd voor de burgerlijke vrijheid van 1846-1870 een nog nooit vertoond schouwspel van besluiteloosheid, onvermogen en lafheid heeft gegeven, was natuurlijk hoogst verrukt, als brullende leeuw van het Duitse patriottisme op het Europese toneel te treden. Zij nam de valse schijn van staatsburgerlijke onafhankelijkheid aan, om zich voor te doen als dwong zij de Pruisische regering tot — wat? — tot de geheime plannen juist van deze regering. Zij deed boete voor haar jarenlange, bijna religieus geloof in de onfeilbaarheid van Louis Bonaparte, door luid de verbrokkeling van de Franse republiek te eisen. Luisteren wij nu een ogenblik naar de plausibele voorwendsels van deze pittige patriotten!
Zij durven niet beweren dat het volk van Elzas-Lotharingen naar Duitse omhelzing snakt: juist integendeel. Om zijn Frans patriottisme te tuchtigen, werd Straatsburg een vesting, beheerst door een zelfstandige citadel, zes dagen lang, doelloos en barbaars met “Duitse” granaten gebombardeerd, in brand geschoten, en werd een groot aantal weerloze inwoners gedood. Zeker! De grond van deze provincie had lange tijd geleden tot het sedert lang gestorven Duitse Rijk behoord. Het schijnt derhalve, dat het aardrijk en de mensen, die daarop zijn opgegroeid, als onverjaarbaar Duits eigendom in beslag moeten worden genomen. Zou de oude kaart van Europa eens naar het historische recht worden omgewerkt, dan mogen wij in geen geval vergeten, dat de keurvorst van Brandenburg te zijner tijd voor zijn Pruisische bezittingen de vazal van de Poolse republiek was.
De sluwe patriotten verlangden evenwel Elzas en Duits-Lotharingen als een “materiële garantie” tegen Franse overvallen. Daar dit verachtelijke voorwendsel vele zwakzinnige mensen in de war heeft gebracht, voelen wij ons verplicht, hierop nader in te gaan.
Het lijdt geen twijfel, dat de algemene samenstelling van de Elzas, samen met die van de daartegenover gelegen Rijnoever, en de aanwezigheid van een grote vesting als Straatsburg ongeveer halfweg tussen Bazel en Germersheim, een Franse inval in Zuid-Duitsland zeer begunstigt, terwijl zij eigenaardige moeilijkheden biedt voor een inval uit Zuid-Duitsland in Frankrijk. Verder valt er niet aan te twijfelen dat de annexatie van Elzas en Duits-Lotharingen aan Zuid-Duitsland een veel sterkere grens zou geven; het zou dan meester zijn van de kam van de Vogezen over haar gehele lengte en over de vestingen die de noordelijke passen daarvan dekken. Ware Metz ook geannexeerd, dan zou Frankrijk zeker voor het ogenblik van twee van de voornaamste operatiebasissen tegen Duitsland zijn beroofd, maar dit zou het niet beletten, nieuwe bij Nancy en Verdun op te richten. Duitsland bezit Koblenz, Mainz, Germersheim, Rastatt en Ulm, louter operatiebasissen tegen Frankrijk, en heeft hiervan in deze oorlog rijkelijk gebruik gemaakt; met welke schijn van rechtvaardiging zou het de Fransen Metz en Straatsburg kunnen misgunnen, de enige twee belangrijke vestingen, die zij in deze streek bezitten?
Bovendien bedreigt Straatsburg Zuid-Duitsland slechts, zolang dit een van Noord-Duitsland gescheiden macht is. Van 1792 tot 1795 werd Zuid-Duitsland nooit van deze kant aangevallen, omdat Pruisen aan de oorlog tegen de Franse revolutie deelnam; maar zodra Pruisen in 1795 zijn afzonderlijke vrede sloot en het Zuiden aan zijn lot overliet, begonnen de aanvallen op Zuid-Duitsland, met Straatsburg als basis, en duurden zij voort tot 1809. In werkelijkheid kan een verenigd Duitsland Straatsburg en ieder Frans leger in de Elzas onschadelijk maken, als het al zijn troepen tussen Saarlouis en Landau samentrekt, zoals in deze oorlog is gebeurd, en oprukt of een slag aanneemt, op de weg van Mainz naar Metz. Zolang de hoofdmassa van de Duitse troepen daar staat, kan elk, van Straatsburg naar Zuid-Duitsland binnenrukkend leger worden omgetrokken, en wordt het in zijn verbindingen bedreigd. Als de huidige veldtocht iets heeft bewezen, dan is het wel het gemak, waarmee Frankrijk van Duitsland uit kan worden aangevallen.
Maar eerlijk gezegd, is het in het algemeen niet een ongerijmdheid en een anachronisme, als men militaire overwegingen verheft tot het beginsel, volgens hetwelk de nationale grenzen behoren te worden bepaald? Als we deze regel wilden volgen, had Oostenrijk nog aanspraak op Venetië en de Minciolinie, en Frankrijk op de Rijnlinie, ter bescherming van Parijs, dat zeker meer aan aanvallen uit het Noordoosten, dan Berlijn uit het Zuidwesten, is blootgesteld. Als de grenzen door militaire belangen behoren te worden bepaald, zal er aan de aanspraken nooit een einde komen, doordat iedere militaire linie noodzakelijkerwijze gebrekkig is en door annexatie van nog meer gebied verbeterd kan worden en zij bovendien nooit voor goed en rechtvaardig kan worden bepaald, doordat ze steeds door de overwinnaar aan de overwonnene wordt opgelegd en dus reeds de kiem van een nieuwe oorlog in zich draagt.
Dit is de leer van de ganse geschiedenis: het gaat met naties zoals met individuen. Om hun de mogelijkheid van aanvallen te ontnemen, moet men hen van alle verdedigingsmiddelen beroven. Men moet hen niet alleen bij de keel grijpen, maar ook doden. Als ooit een veroveraar “materiële waarborgen” nam om de krachten van een natie te breken, dan was het Napoleon I door zijn verdrag van Tilsit, en de manier waarop hij dit tegen Pruisen en het overige Duitsland ten uitvoer legde. En niettemin brak enige jaren later zijn reusachtige macht als een verrotte rietstengel tegenover het Duitse volk. Wat zijn de “materiële waarborgen”, die Pruisen in zijn wildste dromen van Frankrijk kan of mag afdwingen, in vergelijking met die welke Napoleon I het zelf afdwong? De afloop zal ditmaal niet minder rampspoedig zijn. De geschiedenis zal haar vergelding niet afmeten naar de omvang van de van Frankrijk afgescheurde vierkante mijlen, maar naar de grootte van de misdaad dat men in de tweede helft van de XIXde eeuw de politiek van de veroveringen opnieuw in het leven heeft geroepen.
De woordvoerders van het echt Duitse patriottisme zeggen: maar gij moet niet de Duitsers met de Fransen verwisselen. Wij willen geen roem, maar zekerheid. De Duitsers zijn in het wezen van de zaak een vredelievend volk. In hun bezonnen hoede verandert zelfs de verovering als een aanleiding voor een toekomstige oorlog in een pand van de eeuwige vrede. Natuurlijk was het niet Duitsland, dat in 1792 Frankrijk binnen viel met het verheven doel, de revolutie van de XVIIIde eeuw met bajonetten neer te steken! Was het niet Duitsland dat zijn handen door het onderwerpen van Italië, het onderdrukken van Hongarije en het verbrokkelen van Polen bezoedelde? Zijn huidig militair systeem, dat de gehele krachtige bevolking in twee delen verdeelt, — een staand leger in dienst, en een ander staand leger met verlof, — beiden in gelijke mate tot lijdelijke gehoorzaamheid aan de regeerders bij Gods genade verplicht, zulk een militair systeem is natuurlijk een “materiële waarborg” van de wereldvrede en bovendien het hoogste doel van de beschaving! In Duitsland, zoals overal, vergiftigen hovelingen van de bestaande macht de openbare mening door wierook en leugenachtige eigenroem.
Zij schijnen verontwaardigd bij de aanblik van de Franse vestingen Metz en Straatsburg, deze Duitse patriotten, maar zij zien geen onrecht in het monsterachtige systeem van de Moskowitische versterkingen van Warschau, Modlin en Ivangorod. Terwijl zij voor de verschrikkingen van bonapartische invallen rillen, sluiten zij de ogen voor de schande van de tsaristische beschermheerschappij.
Juist zoals in 1865 tussen Louis Bonaparte en Bismarck besprekingen werden gevoerd, gebeurde dit in 1870 tussen Gortsjakow en Bismarck. Juist zoals Louis Napoleon zich vleide, dat de oorlog van 1866 door wederzijdse uitputting van Oostenrijk en Pruisen hem tot oppersten scheidsrechter over Duitsland zou maken, zo vleide zich Alexander, dat de oorlog van 1870 hem door wederzijdse uitputting van Duitsland en Frankrijk tot opperste scheidsrechter van het Europese Westen zou verheffen. Juist zoals het tweede keizerrijk de Noord-Duitse Bond als onverenigbaar met zijn bestaan beschouwde, juist zo moet het autocratische Rusland zich bedreigd gevoelen door een Duits Rijk onder Pruisische leiding. Dit is de wet van het oude politieke stelsel. Binnen de grenzen van zijn machtsbereik is de winst van de een het verlies van de ander. De overwegende invloed van de tsaar op Europa wortelt in zijn traditionele opperheerschappij over Duitsland. Op het ogenblik, waarop vulkanische sociale krachten in Rusland zelf de diepste grondvesten van de autocratie aan het wankelen dreigen te brengen, zou zich dan de tsaar een verzwakking van zijn positie ten aanzien van het buitenland kunnen laten welgevallen? Reeds herhalen de Moskouse bladen dezelfde taal als de bonapartistische kranten na de oorlog van 1866. Geloven de Duitse patriotten werkelijk dat Duitslands vrede en veiligheid verzekerd zijn, als zij Frankrijk dwingen in de armen van Rusland te vallen? Als het wapengeluk, de overmoed, het succes en dynastieke intriges Duitsland tot een roof van Frans grondgebied verleiden, blijven er maar twee wegen open. Of het moet, wat daar ook het gevolg van moge zijn, voor aller ogen de knecht van Russische gebiedsuitbreiding worden, of het moet zich na korte rust op een nieuwe “defensieve” oorlog voorbereiden, niet voor een van die nieuwbakken “gelokaliseerde” oorlogen, maar op een rassenoorlog tegen de verbonden rassen van de Slaven en Romanen.
De Duitse arbeidersklasse heeft de oorlog, die zij niet bij machte was te verhinderen, energiek ondersteund, als een oorlog voor Duitslands onafhankelijkheid en ter bevrijding van Duitsland en Europa van de verpletterende nachtmerrie van het tweede keizerrijk. Het waren de Duitse industriearbeiders die, samen met de arbeiders van het platteland, de pezen en spieren van heldhaftige legers leverden, terwijl zij hun halfverhongerde gezinnen achterlieten. Gedecimeerd door de veldslagen in het buitenland, zullen zij nogmaals gedecimeerd worden door de ellende thuis. Zij verlangen nu van hun kant “garanties”, garanties dat hun geweldige offers niet tevergeefs zijn gebracht, dat zij de vrijheid hebben veroverd, dat de overwinningen die zij op de bonapartistische legers behaalden, niet in een nederlaag van het Duitse volk worden veranderd, zoals in het jaar 1815. En als eerste van deze garanties verlangen zij “een eervolle vrede voor Frankrijk” en “de erkenning van de Franse republiek”.
Het Centraal Comité van de Duitse Sociaal-Democratische Arbeiderspartij publiceerde op de 5de oktober een manifest, waarin het energiek op deze garanties aandrong. “Wij”, zei het, “wij protesteren tegen de annexatie van Elzas-Lotharingen. En wij zijn ons bewust dat wij uit naam van de Duitse arbeidersklasse spreken. In het gemeenschappelijke belang van Frankrijk en Duitsland, in het belang van de vrede en de vrijheid, in het belang van de westerse beschaving tegen Oosterse barbaarsheid, zullen de Duitse arbeiders de annexatie van Elzas-Lotharingen niet geduldig verdragen. . . . . . . Wij zullen trouw naast onze arbeiders-kameraden van alle landen staan voor de gemeenschappelijke internationale zaak van het proletariaat!”
Ongelukkigerwijze kunnen wij niet op hun direct succes rekenen. Als de Franse arbeiders midden in de vrede de aanvaller niet tot staan konden brengen, hebben dan de Duitse arbeiders meer kans om de overwinnaar midden in het wapenrumoer tegen te houden? Het manifest van de Duitse arbeiders eist de uitlevering van Louis Bonaparte, als een gewone misdadiger, aan de Franse republiek. Hun heersers doen hun uiterste best hem weer de Tuileriën te doen betrekken, als de beste man om Frankrijk te ruïneren. Hoe dit ook moge zijn, de geschiedenis zal tonen dat de Duitse arbeiders niet van dezelfde buigzame stof zijn gemaakt als de Duitse middenklasse. Zij zullen hun plicht doen.
Evenals zij, begroeten wij de oprichting van de republiek in Frankrijk, maar tezelfdertijd kwellen ons zorgen, die, naar wij hopen, ongegrond zullen blijken. Deze republiek heeft niet de troon omver geworpen, doch slechts zijn lege plaats ingenomen. Zij is niet als een sociale verovering geproclameerd, maar als een nationale verdedigingsmaatregel. Zij is in handen van een voorlopige regering, die gedeeltelijk uit bekende orleanisten, voor een ander deel uit bourgeoisrepublikeinen is samengesteld, en onder deze zijn er enigen, op wie de Juniopstand van 1848 zijn onuitwisbaar brandmerk heeft achtergelaten. De arbeidsdeling onder de leden van die regering schijnt weinig goeds te beloven. De orleanisten hebben zich van de sterke posities meester gemaakt, — het leger en de politie, — terwijl de zogenaamde republikeinen de kletsbaantjes zijn toebedeeld. Enkele van hun eerste handelingen bewijzen tamelijk duidelijk dat zij van het keizerrijk niet slechts een hoop bouwvallen hebben geërfd, maar ook zijn angst voor de arbeidersklasse. Wanneer thans in mateloze bewoordingen uit naam van de republiek onmogelijke dingen worden beloofd, geschiedt dit dan misschien om de roep naar een “mogelijke” regering uit te lokken? Moet soms de republiek in de ogen van de bourgeois, die graag haar lijkbezorgers zouden worden, slechts als overgang naar een orleanistische restauratie dienen?
Zo ziet zich de Franse arbeidersklasse in uiterst moeilijke omstandigheden geplaatst. Iedere poging om de nieuwe regering ten val te brengen, nu de vijand reeds bijna aan de poorten van Parijs klopt, zou een wanhopige dwaasheid zijn. De Franse arbeiders moeten hun plicht als burgers doen; maar zij mogen zich niet laten beheersen door de nationale herinneringen van 1792, zoals de Franse boeren zich lieten bedriegen door de nationale herinneringen van het eerste keizerrijk. Zij moeten niet het verleden herhalen, maar de toekomst opbouwen. Mogen zij rustig en vastbesloten gebruik maken van de middelen die hun de republikeinse vrijheid geeft, om grondig de organisatie van hun eigen klasse tot stand te brengen. Dit zal hun nieuwe, herculische krachten verlenen voor de wedergeboorte van Frankrijk en voor onze gemeenschappelijke taak, de bevrijding van het proletariaat. Van hun kracht en wijsheid hangt het lot van de republiek af.
De Engelse arbeiders hebben reeds stappen gedaan om door een gezonde druk van buiten de tegenzin van hun regering tegen het erkennen van de Franse republiek te breken. Dit huidige talmen van de Engelse regering moet waarschijnlijk de anti-jakobijnenoorlog van 1792 weer goed maken, evenals de vroegere ongepaste haast, waarmee zij haar goedkeuring aan de staatsgreep hechtte. Bovendien eisen de Engelse arbeiders van hun regering, dat zij zich uit alle macht zal verzetten tegen ‘t verbrokkelen van Frankrijk, waarnaar een gedeelte van de Engelse pers, schaamteloos genoeg, schreeuwt. Het is dezelfde pers die twintig jaren lang Louis Bonaparte als de voorzienigheid van Europa heeft verafgood en de rebellie van de Amerikaanse slavenhouders buitensporig heeft toegejuicht. Nu, evenals toen, slooft zij zich voor de slavenhouders uit.
Mogen de secties van de Internationale Arbeidersassociatie in alle landen de arbeidersklasse tot actieve beweging oproepen. Vergeten de arbeiders hun plicht, blijven zij passief, dan wordt de huidige vreselijke oorlog slechts de voorloper van nog vreselijker internationale strijd, en zal hij in ieder land leiden tot nieuwe nederlagen van de arbeiders door de heren van de degen, van het grondbezit en van het kapitaal.
Vive la République!
Londen, 9 september 1870
Op de 4de september 1870, toen de Parijse arbeiders de republiek proclameerden, die bijna op hetzelfde ogenblik geheel Frankrijk, zonder een enkele stem van tegenspraak toejuichte, — toen nam een kliek van op baantjes beluste advocaten, met Thiers als staatsman en Trochu als generaal, bezit van het Hotel de Ville (stadhuis). Deze lieden waren toentertijd doordrongen van een zo fanatiek geloof aan de roeping van Parijs om in alle tijdperken van historische crisis Frankrijk te vertegenwoordigen, dat het hun, om hun onrechtmatig verkregen titel van regent van Frankrijk te rechtvaardigen, voldoende toescheen, hun vervallen mandaten als afgevaardigden van Parijs te tonen. In ons tweede adres over de laatste oorlog, vijf dagen na het omhoog komen van deze lieden, zeiden wij u, wie zij waren. En toch — in de storm van de overrompeling, met de werkelijke leiders van de arbeiders nog in Bonapartes gevangenissen en met de Pruisen reeds in volle opmars naar Parijs, duldde Parijs, dat zij zich van de staatsmacht meester maakten; doch slechts onder de uitdrukkelijke voorwaarde, dat deze staatsmacht enkel en alleen voor het doel van de nationale verdediging zou dienen. Parijs was evenwel niet te verdedigen zonder zijn arbeidersklasse te wapenen, haar in een bruikbare krijgsmacht te veranderen en haar gelederen door de oorlog zelf te scholen. Maar Parijs in wapens, dat was de revolutie in wapens. Een overwinning van Parijs op de Pruisische aanvallers ware een overwinning geweest van de Franse arbeiders op de Franse kapitalisten en hun staatsparasieten. In deze tweestrijd tussen nationale plicht en klassebelang aarzelde de regering van de nationale verdediging geen ogenblik: zij veranderde in een regering van het nationale verraad.
Het eerste, wat zij deed, was: Thiers langs alle hoven van Europa op een rondreis uit te zenden, om hier bemiddeling af te bedelen met het aanbod de republiek voor een koning om te ruilen. Vier maanden na het begin van het beleg, toen het ogenblik gekomen scheen om het eerste woord over capitulatie te laten vallen, sprak Trochu, in tegenwoordigheid van Jules Favre en andere leden van de regering, de vergaderde maires (districtsburgemeesters) van Parijs als volgt toe:
“De eerste vraag, die mij door mijn collega’s nog op dezelfde avond van de 4de september werd voorgelegd, was: Kan Parijs met enig uitzicht op succes een beleg door het Pruisische leger uithouden? Ik aarzelde niet dit te ontkennen. Verscheidene van mijn hier aanwezige collega’s zullen voor de waarheid van mijn woorden, en voor mijn vasthouden aan deze mening instaan. Ik zei hun, in deze zelfde woorden, dat het, zoals de zaken stonden, een dwaasheid zou zijn te pogen Parijs tegen een Pruisisch beleg te houden. Ongetwijfeld, voegde ik er aan toe, een heroïsche dwaasheid; maar dat zou ook alles zijn. . . De gebeurtenissen (die hij zelf leidde) hebben mijn profetische blik niet gelogenstraft”.
Dit fraaie toespraakje van Trochu werd later door één van de aanwezige burgemeesters, de heer Corbon, gepubliceerd.
Dus: op dezelfde avond, waarop de republiek werd geproclameerd, was het de collega’s van Trochu bekend, dat het “plan” van Trochu in de capitulatie van Parijs bestond. Ware de nationale verdediging meer geweest dan een bloot voorwendsel voor de persoonlijke heerschappij van Thiers, Favre en Co., dan hadden de parvenu’s van de 4de september op de 5de hun ontslag genomen, dan hadden zij het Parijse volk ingewijd in het “plan” van Trochu, en hadden zij het opgeroepen, of om onmiddellijk te capituleren, of zijn eigen lot in eigen handen te nemen. In plaats hiervan besloten evenwel de eerloze bedriegers, de “heroïsche dwaasheid” van Parijs door behandeling met honger en bloedige koppen te cureren, en het middelerwijl met snoevende manifesten voor de gek te houden, zoals bv.: “Trochu, de gouverneur van Parijs, zal nooit capituleren!” en Jules Favre, de minister van buitenlandse zaken, “zal geen duimbreed van ons gebied en geen steen van onze vestingen afstaan”. In een brief aan Gambetta bekent dezelfde Jules Favre, dat zij zich niet tegen de Pruisische soldaten “verdedigden’, maar tegen de Parijse arbeiders. Gedurende het gehele beleg maakten de bonapartistische keelafsnijders, aan wie Trochu wijselijk het bevel over het Parijse leger had toevertrouwd, in hun vertrouwelijke brieven gemene grappen over de welbegrepen hoon van de verdediging. Men zie bv. de correspondentie van Alphonse Simon God, opperbevelhebber over de artillerie van het Parijse leger (grootkruis van het legioen van eer), aan Suzanne, divisiegeneraal van de artillerie, welke correspondentie door de Commune werd gepubliceerd. Eindelijk, op de 28ste januari 1871, lieten zij hun bedrieglijk masker vallen. Met al de heldenmoed van de uiterste zelfvernedering trad de regering van de nationale verdediging bij de capitulatie van Parijs te voorschijn als de regering van Frankrijk door Bismarcks gevangenen, — een rol van zulk een laagheid, dat zelfs Louis Napoleon te Sedan er voor was teruggeschrokken. Na de 18de maart lieten de “capitulards”, in hun wilde vlucht naar Versailles, de officiële bewijsstukken van hun verraad te Parijs achter. Om die te vernietigen, — zegt de Commune in een van haar manifesten aan de provincie, — “zullen deze lieden er niet voor terugdeinzen, Parijs te veranderen in een puinhoop, omspoeld door een zee van bloed”.
Maar om zulk een uitkomst te verkrijgen, hadden verschillende van de voornaamste leden van de verdedigingsregering bovendien nog heel bijzondere persoonlijke redenen.
Kort na het sluiten van de wapenstilstand publiceerde Millière, afgevaardigde voor Parijs in de Nationale Vergadering, thans op uitdrukkelijk bevel van Jules Favre doodgeschoten, een reeks van authentieke gerechtelijke documenten, ten bewijze, dat Jules Favre, die in vrij huwelijk leefde met de vrouw van een in Algiers gevestigde dronkaard, door een uiterst brutale aaneenschakeling van zich over een lange rij van jaren uitstrekkende vervalsingen, in naam van de kinderen uit zijn echtbreuk een grote erfenis had verduisterd en zich daardoor tot “een rijk man gemaakt; en dat hij in een, door de rechtmatige erfgenamen ondernomen proces slechts aan een ontmaskering ontsnapte, dank zij de bijzondere gunst van de bonapartistische rechtbanken. Daar het niet mogelijk was deze droge gerechtelijke bescheiden te weerleggen, al was het ook met nog zoveel retorische paardenkrachten, hield Jules Favre voor de eerste maal van zijn leven zijn mond, terwijl hij in alle stilte het uitbreken van de burgeroorlog afwachtte om dan het Parijse volk woedend te belasteren als een bende van losgebroken tuchthuisboeven, in volslagen oproer tegen familie, religie, orde en eigendom. En deze zelfde vervalser was nauwelijks aan de heerschappij gekomen toen hij, dadelijk na de 4de september, Pic en Taillefer uit sympathie in vrijheid stelde, die beiden, nog wel onder het keizerrijk, bij de schandaalgeschiedenis met het blad L’Etendard wegens vervalsing waren veroordeeld. Een van deze edelen, Taillefer, had de brutaliteit onder de Commune Parijs binnen te komen en werd onmiddellijk weer gevangen gezet. En daarop riep Jules Favre van de tribune van de Nationale Vergadering, ten aanhoren van de hele wereld, uit dat de Parijzenaars al hun tuchthuisboeven vrij lieten.
Ernest Picard, de Karl Vogt van de regering van de nationale verdediging, die zich zelf tot minister van binnenlandse zaken van de republiek benoemde, nadat hij tevergeefs zijn best had gedaan om minister van binnenlandse zaken van het keizerrijk te worden, is de broer van een zeker Arthur Picard, die als zwendelaar van de Parijse beurs werd gedrongen (mededeling van de Parijse politieprefectuur van 13 juli 1867) en op eigen bekentenis schuldig werd verklaard aan een diefstal van 300.000 Francs, door hem als directeur van een filiaal van de Société Générale, Rue Palestro Nr. 5 (mededeling van de politieprefectuur van de 11de december 1868) gepleegd. Deze Arthur Picard werd door Ernest Picard als redacteur van zijn blad L’Electeur Libre benoemd. Terwijl de gewone soort van beurslui door de officiële leugens van dit ministeriële blad werden misleid, liep Arthur Picard tussen het ministerie en de beurs heen en weer en veranderde hier de nederlagen van de Franse legers in zuivere winst. De gehele zakencorrespondentie van dit rechtschapen broederpaar viel in handen van de Commune.
Jules Ferry, voor de 4de september een brodeloze advocaat, speelde het klaar als burgemeester van Parijs gedurende het beleg uit de hongersnood een vermogen voor zichzelf bij elkaar te zwendelen. De dag waarop hij zich wegens zijn wanbeheer zal hebben te verantwoorden, zal ook de dag van zijn veroordeling zijn.
Deze mannen nu konden hun tickets of leave [4] slechts in de puinhopen van Parijs vinden. Ze waren juist de mensen die Bismarck nodig had. Een beetje gegoochel en Thiers, tot dusverre de geheime aanbrenger van de regering, verscheen nu als stille verklikker met de ticket-of-leave-mannen als ministers.
Thiers, dit dwergachtig misbaksel, heeft de Franse bourgeoisie meer dan een halve eeuw lang betoverd, doordat hij de meest volmaakte geestelijke uitdrukking van haar eigen klasseverdorvenheid is. Vóór hij staatsman werd, had hij reeds als geschiedschrijver zijn kracht in het liegen doen blijken. De kroniek van zijn publiek leven is de geschiedenis van Frankrijks rampen. Vóór 1830 met de republikeinen verbonden, stal hij onder Louis Philippe een ministerportefeuille, door zijn beschermer Pierre Laffite te verraden. De koning wist hij voor zich te winnen door het aanstoken van relletjes van het gepeupel tegen de geestelijkheid, waarbij de kerk Saint-Germain l’Auxerrois en het paleis van de aartsbisschop geplunderd werden, en door zijn gedrag tegenover de hertogin van Berri, bij wie hij tegelijkertijd de ministerspion en de gevangenis-vroedmeester speelde. Zijn werk was het neersabelen van de republikeinen in de Rue Transnonain; zijn werk de daarop volgende schandelijke septemberwetten tegen pers en verenigingsrecht. In 1840, toen hij weer opdook als minister-president, sloeg hij Frankrijk met verbazing door zijn plan Parijs als vesting te versterken. De republikeinen, die dit plan als een arglistig complot tegen de vrijheid van Parijs aanklaagden, gaf hij in de Kamer van de Gedeputeerden ten antwoord:
“Hoe? U verbeeldt u dat vestingwerken ooit de vrijheid in gevaar kunnen brengen? Vóór alles lastert u iedere mogelijke regering, als u veronderstelt dat zij zich ooit door een bombardement van Parijs staande zou trachten te houden. . . zulk een regering ware na haar zegepraal honderdmaal onmogelijker dan te voren”.
Inderdaad, geen regering zou het ooit hebben gewaagd Parijs van uit de forten te bombarderen, behalve de regering, die deze zelfde forten aan de Pruisen had uitgeleverd.
Toen koning Bomba in januari 1848 zijn krachten op Palermo beproefde, stond Thiers, die toen al lang geen minister meer was, opnieuw in de Kamer op:
“U weet, mijne heren, wat te Palermo gebeurt. U allen trilt van afschuw (in parlementaire zin), als u hoort dat achtenveertig uren lang een grote stad is gebombardeerd, door wie? Door een vreemde vijand, die van het oorlogsrecht gebruik maakt? Neen, mijnheren, door haar eigen regering. En waarom? Omdat de ongelukkige stad haar rechten opeiste. En voor het eisen van haar rechten ontving zij achtenveertig uren bombardement. . . Veroorloof mij, een beroep op de opinie van Europa te doen. Men bewijst de menselijkheid een dienst, als men opstaat en van wellicht de grootste tribune van Europa enige woorden (jawel, woorden) van verontwaardiging over zulke daden laat weerklinken. Toen de regent Espartero, die zijn land diensten had bewezen (en dat was meer dan Thiers ooit had gedaan), van plan was Barcelona te bombarderen, teneinde een opstand te onderdrukken, toen verhief zich aan alle einden van de wereld een algemene kreet van de verontwaardiging.”
Achttien maanden later bevond Thiers zich onder de woedendste verdedigers van het bombardement van Rome door een Frans leger. De fout van koning Bomba schijnt inderdaad slechts hierin te hebben bestaan dat hij zijn bombardement tot achtenveertig uren beperkte.
Weinige dagen vóór de Februarirevolutie verklaarde Thiers, verstoord over de lange verbanning uit ambt en dieverij, waartoe Guizot hem had veroordeeld, en in de lucht het naderen van een volksbeweging ruikend, in de valse heldenstijl, die hem de bijnaam van Mirabeau-Mouche (Mirabeau-Vlieg) bezorgde, in de Kamer van de Gedeputeerden:
“Ik behoor tot de partij van de revolutie, niet alleen in Frankrijk, maar Europa. Ik wens dat de regering van de revolutie in handen van gematigde mannen moge blijven. . . maar zou deze regering in handen van heftiger mensen vallen, zelfs in die van radicalen, dan zou ik daarom toch mijn zaak niet in de steek laten. Ik zal altijd tot de partij van de revolutie behoren.”
De Februarirevolutie kwam. In plaats van het ministerie Guizot door het ministerie Thiers te vervangen, zoals het mannetje gedroomd had, verdrong ze Louis Philippe door de republiek. Op de eerste dag van de overwinning hield hij zich zorgvuldig verborgen, vergetend dat de verachting van de arbeiders hem tegen hun haat beschermde. Toch hield hij zich, met zijn vanouds bekende moed, van het openbare toneel verwijderd totdat de Junislachting het voor zijn soort van actie had schoon geveegd. Toen werd hij de leidende kop van de “partij van de orde” met haar parlementaire republiek, dat anonieme tussenrijk waarin al de verschillende fracties van de heersende klasse met elkaar samenzwoeren ter onderdrukking van het volk, en tegen elkaar, elk tot herstel van haar eigen monarchie.
Toen klaagde Thiers, evenals nu, de republikeinen aan als de enige hinderpaal voor het stevig vestigen van de republiek; zowel toen als nu sprak hij tot de republiek, als de beul tot Don Carlos: “Ik zal je vermoorden, maar tot je eigen bestwil”. Thans zal hij, evenals toen, op de dag na zijn overwinning moeten uitroepen: “L’Empire est fait!” — het keizerrijk is gereed. Trots zijn huichelachtige preken van “noodzakelijke vrijheden” en zijn persoonlijke boosheid tegen Louis Bonaparte, die hem had gebruikt en het parlementarisme buiten de deur had gezet, — en buiten de gekunstelde atmosfeer van het parlementarisme, schrompelt het mannetje, zoals hij zelf wel weet, tot niets in elkaar, — trots dit alles had Thiers zijn hand in al de schandelijkheden van het tweede keizerrijk, van de bezetting van Rome door Franse troepen af, tot aan de oorlog tegen Pruisen, waartoe hij door zijn heftige uitvallen tegen de Duitse eenheid ophitste, niet als dekmantel voor het Pruisische despotisme, maar als inbreuk op het overgeërfde recht van Frankrijk op de Duitse onenigheid. Terwijl zijn dwergen armen voor het aangezicht van Europa gaarne het zwaard van de eerste Napoleon, wiens historische schoenpoetser hij geworden was, heen en weer zwaaide, liep zijn buitenlandse politiek steeds uit op de uiterste vernedering van Frankrijk, van de Londense Conventie van 1841 af, tot aan de Parijse capitulatie van 1871 en tot de huidige burgeroorlog, waarin hij, met hoog verlof van Bismarcks overheid, de gevangenen van Sedan en Metz tegen Parijs ophitste. Trots de bewegelijkheid van zijn talent en de veranderlijkheid van zijn doeleinden in deze man zijn gehele leven lang aan de meest versteende routine geketend geweest. Het is duidelijk dat hem de dieper liggende stromingen van de moderne maatschappij eeuwig verborgen moesten blijven; maar zelfs de meest tastbare veranderingen aan de maatschappelijke oppervlakte weerstreefde een brein, welks gehele levenskracht in de tong was gevlucht. Zo werd hij nooit moe, iedere afwijking van het verouderde Franse systeem van beschermende rechten als heiligschennis aan te klagen. Als minister van Louis Philippe trachtte hij de spoorwegen als een waanzinnige zinsbegoocheling weg te schreeuwen; in de oppositie onder Louis Bonaparte brandmerkte hij iedere poging tot hervorming van het verrotte Franse legerstelsel als een ontheiliging. Geen enkele keer in zijn lange politieke loopbaan heeft hij zich aan een enkele, ook maar de geringste maatregel van praktisch nut schuldig gemaakt. Thiers was slechts consequent in zijn zucht naar rijkdom en in zijn haat tegen de lieden die de rijkdom voortbrengen. Toen hij in zijn eerste ministerie onder Louis Philippe optrad, was hij arm als Job; hij verliet het als miljonair. Toen zijn laatste ministerie onder dezelfde koning (van 1 maart 1840) hem in de Kamer openlijke beschuldigingen wegens verduistering bezorgde, vergenoegde hij zich door onder tranen te antwoorden, waarin hij even gemakkelijk “doet” als Jules Favre of onverschillig welke andere krokodil. Te Bordeaux was zijn eerste stap tot redding van Frankrijk voor de aanstormende financiële ruïne, deze, dat hij zich zelf een toelage van drie miljoen franks per jaar gaf; dit was het eerste en het laatste woord van de “zuinige republiek”, die hij zijn Parijse kiezers in 1869 in uitzicht had gesteld. Een van zijn vroegere collega’s uit de Kamer van 1830, zelf een kapitalist, hetgeen hem niet belette een offervaardig lid van de Parijse Commune te zijn, de heer Beslay, zei onlangs in een muurplakkaat tot Thiers:
“De knechting van de arbeid door het kapitaal is te allen tijde de hoeksteen van uw politiek geweest, en sedert gij gezien hebt dat de republiek van de arbeid in het stadhuis van Parijs is binnen getrokken, hebt gij zonder ophouden Frankrijk toegeroepen: “Ziet die misdadigers!”
Een meester in kleine staatsschurkerijen, een virtuoos in meineed en verraad, uitgeslapen in al de lage krijgslisten, verraderlijke knepen en gemene trouweloosheid van de parlementaire partijstrijd; steeds bereid om, als hij uit het ambt was verdrongen, een revolutie aan te wakkeren, en ze in bloed te verstikken, zodra hij weer het roer van de staat in handen had; met klassevooroordelen in plaats van ideeën; met ijdelheid in plaats van een hart; zijn particulier leven even schandelijk als zijn publiek leven laag was, — kan hij niet nalaten, zelfs thans, nu hij de rol van een Franse Sulla speelt, de afschuwelijkheden van zijn daden te verhogen door de belachelijkheid van zijn grootdoenerij.
De capitulatie van Parijs, die aan de Pruisen niet alleen Parijs, maar geheel Frankrijk uitleverde, was het slot van de langdurige intriges met de vijand, die de usurpators van de 4de september, zoals Trochu zelf had gezegd, reeds diezelfde dag waren begonnen. Anderzijds was ze het begin van de burgeroorlog die zij thans, met Pruisische ondersteuning, tegen de republiek en Parijs moesten voeren. Reeds in de bewoordingen van de capitulatie zelf was de val gezet. Toentertijd was meer dan een derde van het land in handen van de vijand; de hoofdstad was van de provincies afgesneden; alle verkeersmiddelen waren in wanorde. Het was onmogelijk, onder zulke omstandigheden een werkelijke vertegenwoordiging van Frankrijk te kiezen, wanneer niet overvloedig tijd voor de voorbereiding werd gegeven. Juist daarom bedong de capitulatie, dat een Nationale Vergadering binnen acht dagen moest worden gekozen, zodat in vele delen van Frankrijk de kennisgeving voor het houden van de verkiezingen eerst een dag te voren aankwam. Verder zou de Vergadering volgens een nadrukkelijk artikel van de capitulatie gekozen worden voor het enkele doel, over oorlog en vrede te beslissen en eventueel een vredesverdrag te sluiten. Het volk moest voelen, dat de voorwaarden van de wapenstilstand het voortzetten van de oorlog onmogelijk maakten, en dat, om de, door Bismarck opgedwongen vrede te bevestigen, de slechtste mensen van Frankrijk juist de beste waren. Maar, niet tevreden met al deze voorzichtigheidsmaatregelen, had Thiers, nog vóór het geheim van de wapenstilstand aan de Parijzenaars was meegedeeld, zich op een verkiezingstocht door de provincies begeven, om daar de legitimistische partij weer tot leven te galvaniseren, die thans samen met de orleanisten de plaats van de, voor dit ogenblik onmogelijk geworden bonapartisten moest innemen. Voor hen koesterde hij geen vrees. Onmogelijk als regeringspartij van het moderne Frankrijk, en daarom verachtelijk als mededinger, welke partij leverde een meer welkom werktuig van de reactie dan de partij, wier actie, volgens de woorden van Thiers zelf (Kamer van de Gedeputeerden, 5 januari 1833) “zich steeds had beperkt tot de drie hulpbronnen: buitenlandse invasie, burgeroorlog en anarchie”? Maar zij, de legitimisten, geloofden in waarheid aan de komst van hun achterwaarts gericht duizendjarig rijk. Daar waren de gevolgen van buitenlandse invasie, die Frankrijk vertrapten, daar was de val van een keizerrijk en de gevangenschap van een Bonaparte; en daar waren zij zelf weer. Het rad van de geschiedenis was zichtbaar teruggedraaid tot aan de Chambre introuvable (de Kamer van landraden en jonkers) van 1816. In de Vergaderingen van de republiek, van 1848 tot 1851, waren zij door hun beschaafde en geschoolde parlementaire leiders vertegenwoordigd; maar thans drongen de gewone soldaten van de partij zich naar voren, alle Pourceaugnacs van Frankrijk.
Zodra deze Vergadering van Rureaux (landjonkers) te Bordeaux was geopend, maakte Thiers hun duidelijk dat zij de vredespreliminaire onmiddellijk moesten aannemen, zelfs zonder het eerbetoon van een parlementair debat, als enige voorwaarde, waarop Pruisen hun zou veroorloven, tegen de republiek en haar vaste burcht, Parijs, de oorlog te beginnen. De contrarevolutie had inderdaad geen tijd te verliezen. Het tweede keizerrijk had de staatsschuld verdubbeld en veroorzaakt, dat de grote steden onder een zware plaatselijke schuldenlast gebukt gingen. De oorlog had de eisen, aan de natie gesteld, schrikbarend verhoogd en haar hulpbronnen meedogenloos verwoest. Daar stond, om de ruïne te voltooien, de Pruisische Shylock met zijn wissel voor het onderhoud van een half miljoen zijner soldaten op Franse bodem, voor een schadeloosstelling van vijf miljard en vijf procent rente op de nog onbetaalde termijnen daarvan. Wie moest de rekening betalen? Slechts door op gewelddadige wijze de republiek ten val te brengen, konden degenen die zich de rijkdom hadden toegeëigend, hopen dat zij de kosten van een door hen zelf veroorzaakte oorlog op de schouders van de voortbrengers van deze rijkdom konden afwentelen. En zo spoorde juist de onmetelijke ruïne van Frankrijk deze patriottische vertegenwoordigers van grondbezit en kapitaal aan om, onder de ogen en de hoge protectie van de vreemde veroveraar, de buitenlandse oorlog aan te vullen met een burgeroorlog, een slavenhoudersrebellie.
Aan deze samenzwering stond een grote hinderpaal in de weg: Parijs. Het ontwapenen van Parijs was de eerste voorwaarde van het succes. Thiers eiste derhalve van Parijs dat het zijn wapens zou neerleggen. Daarop werd Parijs opgehitst door de dolle antirepublikeinse demonstraties van de Landjonkers-Vergadering en door Thiers eigen, dubbelzinnige uitspraken over het juridisch bestand van de republiek; door de bedreiging dat men Parijs zou onthoofden en onthoofdstedelijken (decapiter et décapitaliser) ; het benoemen van orleanistische gezanten; Dufaures wetten op de vervallen wissels en de huishuren, die de handel en de industrie van Parijs met de ondergang bedreigden; Pouyer-Quertiers belasting van twee centimes op elk exemplaar van elk mogelijk gedrukt stuk; de doodvonnissen tegen Blanqui en Flourens; het onderdrukken van de republikeinse bladen; het verleggen van de Nationale Vergadering naar Versailles; het vernieuwen van de, door Palikao afgekondigde en door de 4de september vernietigde staat van beleg; het benoemen van de decemberheld Vinoy tot gouverneur, van de gendarm Valentin tot politieprefect, en van de Jezuïetengeneraal d’Aurelles de Paladine tot opperbevelhebber van de Nationale Garde van Parijs.
En nu moeten wij tot de heer Thiers en tot de heren van de Nationale Verdediging, zijn bedienden, een vraag richten. Het is bekend dat Thiers door zijn minister van financiën, de heer Pouyer-Quertier, een lening van twee miljard, direct te betalen, had voorgesteld. Is het nu waar of niet:
1. dat deze zaak zo werd vereffend dat een provisie van verscheiden honderden miljoenen in de particuliere zakken van Thiers, Jules Favre, Ernest Picard, Pouyer-Quertier en Jules Simon vloeide, en
2. dat geen betaling zou geschieden tot na de “pacificatie” van Parijs?
In ieder geval moet de zaak zeer dringend zijn geweest, want Thiers en Jules Favre verzochten zonder enige schaamte, in naam van de Vergadering van Bordeaux, om bezetting van Parijs door de Pruisische troepen. Dit paste evenwel niet in Bismarcks spel, zoals hij spottend en volkomen openlijk, aan de bewonderende Frankforter droogstoppels bij zijn terugkeer naar Duitsland vertelde.
Parijs was de enige ernstige hinderpaal op de weg van de contrarevolutionaire samenzwering. Parijs moest dus worden ontwapend. Met betrekking tot dit punt was de Vergadering te Bordeaux de oprechtheid zelf. Mocht het razende gebrul van haar landjonkers niet hoorbaar genoeg zijn geweest, het feit dat Thiers Parijs uitleverde in de handen van het driemanschap, Vinoy, de decembermoordenaar, Valentin, de bonapartistische gendarm, en Aurelles de Paladine, de Jezuïetengeneraal, zou ook de laatste twijfel onmogelijk hebben gemaakt. Maar terwijl de samenzweerders het ware doel van de ontwapening brutaal ten toon spreidden, spoorden zij Parijs aan tot het neerleggen van de wapens, onder een voorwendsel, dat de meest schreeuwende, meest schaamteloze leugen was. Het geschut van de Nationale Garde, zei Thiers, behoort aan de staat en moet weer aan de staat worden afgegeven. Het feit was: Vanaf de dag van de capitulatie, toen Bismarcks gevangene Parijs aan Bismarck had uitgeleverd, maar voor zich zelf een talrijke lijfwacht had bedongen met het uitdrukkelijke doel, Parijs onder de duim te houden, vanaf die dag stond Parijs op wacht. De Nationale Garde reorganiseerde zich en vertrouwde de opperste leiding toe aan een Centraal Comité, dat door de garde in haar geheel, met uitzondering van enkele van de oude, bonapartistische afdelingen, was gekozen. Op de vooravond van de intocht van de Pruisen in Parijs zorgde het Centraal Comité er voor, dat de kanonnen en mitrailleurs, door de capitulards verraderlijk in en bij de door de Pruisen te bezetten stadsgedeelten waren achtergelaten, naar Montmartre, La Villette en Belleville werden vervoerd. Dit geschut was door de bijdragen van de Nationale Garde zelf aangeschaft. Het was officieel als hun eigendom erkend in de capitulatie van de 28ste januari, en in deze bijzondere hoedanigheid uitgezonderd van de algemene uitlevering aan de overwinnaar van de wapens, die aan de staat toebehoorden. En Thiers was zo door-en-door gespeend van elk, ook het meest doorzichtige voorwendsel om de oorlog met Parijs in te leiden, dat hij bleef aangewezen op de platte leugen: het geschut van de Nationale Garde is staatseigendom!
Het in beslag nemen van het geschut moest slechts dienen als voorspel tot de algemene ontwapening van Parijs en daarmee tot de ontwapening van de revolutie van de 4de september. Maar deze revolutie was de wettelijke toestand van Frankrijk geworden. De republiek, haar werk, was in de tekst van de capitulatie door de overwinnaar erkend. Na de capitulatie was ze erkend door alle vreemde mogendheden; in haar naam was de Vergadering bijeen geroepen. De Parijse arbeidersrevolutie van de 4de september was de enige rechtsgrond van de Nationale Vergadering te Bordeaux en van haar uitvoerende macht. Zonder de 4de september had de Nationale Vergadering onmiddellijk voor het, in 1869 onder Franse en niet onder Pruisische heerschappij gekozen en gewelddadig door de revolutie uit elkaar gejaagde wetgevende lichaam plaats moeten maken. Thiers en zijn tickets-of-leave mensen hadden moeten onderhandelen om een geleide biljet, door Louis Bonaparte ondertekend, te verkrijgen, ten einde een reis naar Cayenne te ontgaan. De Nationale Vergadering, met haar volmacht, de vrede met Pruisen te regelen, was slechts een afzonderlijk incident in die revolutie, welker ware belichaming nog steeds het gewapende Parijs was; hetzelfde Parijs, dat deze revolutie had gemaakt, dat om harentwil een beleg van vijf maanden met zijn verschrikking van de hongersnood had doorstaan, en dat in zijn, ten spijt van Trochu’s “plan” verlengde verzet de grondslag van een hardnekkige verdedigingsoorlog in de provincie had gelegd. En Parijs moest of zijn wapens neerleggen op het beledigende bevel van de rebellerende slavenhouders van Bordeaux, en erkennen, dat zijn revolutie van de 4de september slechts de eenvoudige overdracht van de staatsmacht van Louis Bonaparte aan zijn koninklijke mededinger betekende, of het moest naar voren treden als de zelfopofferende voorvechter van Frankrijk, welks redding van de ondergang en welks wedergeboorte onmogelijk waren zonder de revolutionaire omwenteling van de politieke en economische voorwaarden, die het tweede keizerrijk hadden voortgebracht en die onder zijn beschermend toezicht tot de uiterste verrotting waren gerijpt. Parijs, nog uitgeteerd door een vijf maanden lange uithongering, aarzelde geen ogenblik. Heldhaftig besloot het, alle gevaren van het verzet tegen de Franse samenzweerders het hoofd te bieden, niettegenstaande nog steeds de monden van Pruisische kanonnen van zijn eigen forten dreigend op de stad waren gericht. Intussen volhardde het Centraal Comité, in zijn afschuw van de burgeroorlog, waarin Parijs moest worden gedreven, daarbij in een verdedigende houding, ondanks het sarren van de Vergadering, het ingrijpen van de uitvoerende macht en de dreigende samentrekking van troepen in en om Parijs.
Thiers begon dus zelf de burgeroorlog door Vinoy aan het hoofd van een bende politiebrigadiers en enige linieregimenten op een nachtelijke rooftocht tegen Montmartre uit te zenden, teneinde daar bij verrassing het geschut van de Nationale Garde weg te nemen. Het is bekend, hoe deze poging schipbreuk leed op de tegenstand van de Nationale Garde en op de verbroedering van de troepen met het volk. Aurelles de Paladine had reeds van te voren, zijn overwinningsbericht laten drukken, en Thiers hield zijn muurplakkaten gereed, die zijn staatsgreepmaatregelen moesten afkondigen. Beiden moesten thans vervangen worden door oproepen, waarin Thiers zijn grootmoedig besluit bekend maakte, dat de Nationale Garde haar wapens mocht behouden; hij twijfelde er niet aan, zei hij, dat zij er gebruik van zou maken om zich tegen de rebellen bij de regering aan te sluiten. Onder al de 300.000 leden van de Nationale Garde handelden er slechts 300 overeenkomstig deze oproep van de kleine Thiers om zich, tegen zich zelf, bij hem aan te sluiten. De roemrijke arbeidersrevolutie van de 18de maart nam zonder tegenstand bezit van Parijs. Het Centraal Comité was haar voorlopige regering. Europa scheen een ogenblik in twijfel te trekken, of zijn jongste wonderbaarlijke hoofd-, staats- en krijgsverrichtingen enigerlei werkelijkheid bezaten, of dat zij de dromen van een, sedert lang verdwenen verleden waren.
Van de 18de maart tot het binnendringen van de Versaillaanse troepen in Parijs bleef de proletarische revolutie zo rein van alle gewelddadigheden, waarvan de revoluties, en nog meer de contrarevoluties van de “hogere klassen” vol zijn, dat de tegenstanders geen ander houvast voor hun verontwaardiging vinden dan de executie van de generaals Lecomte en Clément Thomas, en de botsing op de Place Vendôme.
Een van de bonapartistische officieren, die bij de nachtelijke overval op Montmartre een rol speelde, Generaal Lecomte, had vier keer aan het 81ste linieregiment bevel gegeven op een ongewapende samenscholing op de Place Pigale te schieten. Toen de troepen dit weigerden schold hij hen woedend uit. In plaats van vrouwen en kinderen dood te schieten, schoten zijn eigen mensen hem zelf dood. De ingewortelde gewoonten, die de soldaten onder de tucht van de vijanden van de arbeiders worden bijgebracht, gaan natuurlijk niet verloren op hetzelfde ogenblik waarop deze soldaten naar de arbeiders overlopen. Dezelfde mensen stelden ook Clément Thomas terecht.
“Generaal” Clément Thomas, een ontevreden ex-wachtmeester, had zich in de laatste tijd van Louis Philippe bij de redactie van het republikeinse blad Le National laten aanwerven, waar hij tegelijkertijd de post van verantwoordelijk stroman (gérant responsable, die het uitzitten van de gevangenisstraffen op zich nam) en van duellist bij dit strijdlustige blad vervulde. Toen na de Februarirevolutie de heren van de “Nationaal” aan het roer kwamen, veranderden zij deze oude wachtmeester in een generaal. Dit gebeurde aan de vooravond van de Junislachting, die hij, evenals Jules Favre, mede op touw had gezet, en waarbij hij een van de laagste beulsrollen op zich nam. Daarna was hij, met zijn generaalschap, een tijd lang verdwenen om op de 1ste november 1870 weer op te duiken. De dag tevoren had de “regering van de verdediging” in het stadhuis aan Blanqui, Flourens en andere vertegenwoordigers van de arbeiders haar plechtigste verzekering gegeven dat zij haar geüsurpeerde macht in de handen van een vrij gekozen Parijse Commune zou neerleggen. In plaats van woord te houden, liet ze de Bretons van Trochu op Parijs los, die thans de Corsicanen van Bonaparte vervingen. Alleen generaal Tamisier weigerde, zijn naam met zulk een woordbreuk te bezoedelen en legde zijn post als opperbevelhebber van de Nationale Garde neer. In zijn plaats werd nu Clément Thomas weer generaal. Gedurende de ganse tijd van zijn opperbevel voerde hij oorlog, niet tegen de Pruisen, maar tegen de Parijse Nationale Garde. Hij verhinderde haar algemene bewapening, hitste de bourgeoisbataljons tegen de arbeidersbataljons op, ontsloeg officieren, die vijandig stonden tegenover het “plan” van Trochu, en ontbond, onder het brandmerk van de lafheid, dezelfde proletarische bataljons, wier heldenmoed thans hun bitterste vijanden bewondering heeft afgedwongen. Clément Thomas was er buitengewoon trots op, zijn oude junirang als persoonlijke vijand van het Parijse proletariaat weer veroverd te hebben. Nog enkele dagen vóór de 18de maart diende hij bij de minister van oorlog Le Flô een eigen plan in, voor het “uitroeien van de bloem van het Parijse canaille”. Na Vinoys nederlaag kon hij niet nalaten als particulier spion op het gevechtsterrein te verschijnen. Het Centraal Comité en de Parijse arbeiders droegen evenveel verantwoordelijkheid voor het doodschieten van Clément Thomas en Lecomte, als de prinses van Wales voor het lot van de mensen die bij haar intocht in Londen in het gedrang werden doodgedrukt.
De beweerde slachting van ongewapende burgers op de Place Vendôme is een sprookje, waarover Thiers en de landjonkers in de Vergadering hardnekkig hebben gezwegen, en welks verspreiding zij uitsluitend aan de bediendenkamer van de Europese dagbladpers toevertrouwden.
De “mannen van de orde”, de reactionairen van Parijs, sidderden bij de overwinning van de 18de maart. Voor hen was ze het voorteken van de eindelijk losbarstende volkswraak. De spoken van de onder hun handen vermoorde offers, van de Junidagen in 1848 tot de 22ste januari 1871, doemden voor hun ogen op. Hun angst was hun enige straf. Zelfs de politiebrigadiers, in plaats van, zoals het behoorde, ontwapend en gevangen gezet te worden, vonden de poorten van Parijs wijd open om in veiligheid naar Versailles te ontkomen. Niet alleen gebeurde de ordemensen niets, maar men veroorloofde hun zelfs, zich weer te verzamelen en midden in Parijs meer dan één sterke post te bezetten. Deze toegevendheid van het Centraal Comité, deze grootmoedigheid van de gewapende arbeiders, zo zonderling in strijd met de gewoonten van de ordepartij, werden door deze partij verkeerdelijk als teken van bewuste zwakte uitgelegd. Vandaar hun dwaas plan om onder de dekmantel van een ongewapende demonstratie nog eens te beproeven, hetgeen Vinoy met zijn kanonnen en mitrailleurs niet had kunnen bereiken. Op de 22ste maart zette zich van uit de wijken van het leven van genot een optocht van “fijne heren” in beweging; alle fatten bevonden zich in haar rijen en aan hun hoofd de welbekende stamgasten van het keizerrijk, de Heeckeren’s, Coëtlogon’s, Henri de Péne enz. Onder het laffe voorwendsel van een vreedzame demonstratie, maar in het geheim voorzien met de wapens van de sluipmoord, stelde deze troep zich op, ontwapende en mishandelde de posten en patrouilles van de Nationale Garde, die hun optocht ontmoette, en, voortstuwend uit de Rue de la Paix op de Place Vendôme, trachtte zij, onder het geroep van: “Weg met het Centraal Comité! Weg met de moordenaars! Leve de Nationale Vergadering!” door de, daar geplaatste wacht heen te breken en zo het daarachter gelegen hoofdkwartier van de Nationale Garde te overrompelen. Als antwoord op hun revolverschoten werden zij op regelmatige, wettelijke wijze gesommeerd; toen dit zonder resultaat bleef, commandeerde de generaal van de Nationale Garde vuur. Eén salvo verstrooide de dwaze fatten, die verwacht hadden dat reeds de vertoning van hun “fatsoenlijk gezelschap” op de Parijse revolutie zou werken als Jozuas trompetten op de muren van Jericho, in een wilde vlucht. Zij lieten twee gedode Nationale Gardisten, en negen zwaar gewonden (onder wie een lid van het Centraal Comité) achter, en het gehele toneel van hun heldendaad bezaaid met revolvers, dolken en degenstokken, ter getuigenis van het “ongewapende” karakter van hun “vreedzame” demonstratie. Toen op de 13de juni 1849 de Parijse Nationale Garde een werkelijk vreedzame demonstratie hield om tegen de roofzuchtige aanval van Franse troepen op Rome te protesteren, toen werd Changarnier, toentertijd generaal van de ordepartij, door de Nationale Vergadering en in het bijzonder door Thiers als de redder van de maatschappij uitgeroepen, omdat hij zijn troepen van alle kanten op deze ongewapende mensen had losgelaten, om hen neer te schieten, neer te sabelen en onder de hoeven van hun paarden te vertrappen. Toentertijd werd Parijs in staat van beleg verklaard. Dufaure joeg nieuwe onderdrukkingswetten door de Vergadering; nieuwe arrestaties, nieuwe verbanningen, een nieuw schrikbewind werden ingevoerd. Maar de “lagere klassen” doen dit anders. Het Centraal Comité van 1871 liet de helden van de “vreedzame” demonstratie eenvoudig lopen, en zo waren zij reeds twee dagen later in staat, onder admiraal Saisset bijeen te komen voor die gewapende demonstratie, die met de tevoren beraamde vlucht naar Versailles eindigde. In zijn tegenzin om de, door Thiers nachtelijke inbraak in Montmartre geopende burgeroorlog te aanvaarden, maakte het Centraal Comité zich ditmaal aan een besliste fout schuldig, door niet onmiddellijk tegen het toen volkomen hulpeloze Versailles op te rukken en daardoor aan de samenzweringen van Thiers en zijn landjonkers een einde te maken. In plaats daarvan veroorloofde men aan de ordepartij, nogmaals haar kracht aan de stembus te beproeven, toen op de 26ste maart de Commune werd gekozen. Op deze dag wisselden de mannen van de orde in de districtsmairies welwillende woorden van verzoening met hun al te grootmoedige overwinnaars, terwijl zij tegelijkertijd in hun harten plechtige beloften gromden, te zijner tijd bloedige wraak te nemen.
En aanschouwt nu de keerzijde van de medaille! Thiers opende zijn tweede veldtocht tegen Parijs in het begin van april. De eerste colonne van Parijse gevangenen, die naar Versailles kwam, werd weerzinwekkend behandeld, terwijl Ernest Picard, met de handen in de broekzakken, rondslenterde en hen hoonde, en de vrouwen van Thiers en Favre, te midden van haar ere(?)dames, van het hoge balkon af de schandelijkheden van het Versaillaanse gepeupel met applaus begroetten. De gevangen liniesoldaten werden eenvoudig neergeschoten; onze dappere vriend, generaal Duval, de ijzergieter, werd zonder vorm van proces vermoord. Gallifet, de souteneur van zijn vrouw, zo berucht door het schaamteloze tentoonstellen van haar lichaam bij de gelagen van het tweede keizerrijk, Gallifet snoefde in een proclamatie dat hij de moord op enige, door zijn ruiters verraste en ontwapende Nationale Gardisten, te samen met hun kapitein en luitenant, had bevolen. Vinoy, de deserteur, werd door Thiers tot het grootkruis van het legioen van eer benoemd, om zijn dagorder, waarin hij voorschreef, dat iedere, bij de Commune mannen gevangen genomen liniesoldaat moest worden doodgeschoten. Desmarét, de gendarm, werd gedecoreerd, omdat hij de edele en ridderlijke Flourens verraderlijk op slagers manier in stukken had gekapt, — Flourens, die op de 31ste oktober 1870 de hoofden van de regering van de Nationale Verdediging had gered. De “opbeurende bijzonderheden” van zijn moord werden door Thiers in de Nationale Vergadering met behagen breeduit meegedeeld. Met de opgeblazen ijdelheid van een parlementair Klein Duimpje, wie men veroorlooft de rol van een Tamerlan te spelen, weigerde hij aan de rebellen elk recht van beschaafd oorlogvoeren tegen zijn nietigheid, zelfs de neutraliteit van hun ambulances. Niets afschuwelijker dan deze aap, van wie Voltaire reeds een voorgevoel had, die voor een korte tijd zijn beestachtige lusten de vrije loop kan laten.
Nadat de Commune (decreet van 7 april) vergeldingsmaatregelen had bevolen en het als haar plicht had verklaard, “Parijs tegen de kannibaalse daden van de Versaillaanse bandieten te beschermen en oog om oog, tand om tand te eisen”, maakte Thiers nog geen einde aan de wrede behandeling van de gevangenen; hij beledigde hen bovendien nog in zijn berichten als volgt: “Nooit is het bedroefde oog van eerlijke mensen op zulk onteerde gezichten van een onteerde democratie gevallen”, eerlijke mensen als Thiers zelf en zijn ticket-of-leavemannen. Niettemin werd het doodschieten van de gevangenen enige tijd lang gestaakt. Maar nauwelijks hadden Thiers en zijn december-generaal bevonden dat het vergeldingsdecreet slechts een lege bedreiging was, dat zelfs hun gendarmeriespionnen, die te Parijs, als Nationale Gardisten verkleed, waren gevangen genomen, dat zelfs politiebrigadiers, dragers van brandgranaten, verschoond bleven, of het massaal doodschieten van gevangenen begon op nieuw en werd tot het einde toe volgehouden. Huizen, waarin Nationale Gardisten waren gevlucht, werden door gendarmes omsingeld, met petroleum (dat hier voor de eerste maal voorkomt) overgoten en in brand gestoken; de halfverbrande lijken werden later door de ambulance van de pers (te Les Ternes) voor de dag gehaald. Vier Nationale Gardisten, die zich op de 25ste april bij Belle Epine aan enige bereden jagers hadden overgegeven, werden later de een na de ander door de ritmeester, een waardige knecht van Gallifet, neergeschoten. Een van de vier, Scheffer, voor dood achtergelaten, kroop naar de Parijse voorposten en legde gerechtelijk getuigenis af van het feit voor een commissie van de Commune. Toen Tolain de minister van oorlog over het verslag van deze commissie interpelleerde, verstikte het geschreeuw van de landjonkers zijn stem; zij verboden Le Flô te antwoorden. Het ware een belediging voor hun “roemrijk” leger, over zijn daden. . . te spreken. De onverschillige toon, waarop de verslagen van Thiers de slachting van de bij Moulin Saquet in hun slaap verraste Nationale Gardisten en de massafusillades te Clamant meedeelden, wondde zelfs de zenuwen van de waarachtig niet overgevoelige Londense Times. Maar het zou belachelijk zijn de slechts inleidende afschuwelijkheden te willen opsommen, die door de bombardiers van Parijs en de ophitsers tot een slavenhoudersrebellie onder de bescherming van de vreemde veroveraar werden begaan. Te midden van al deze verschrikking vergeet Thiers zijn parlementaire jammer wegens de vreselijke verantwoordelijkheid, die op zijn dwergenschouders drukt, pocht, dat “l’Assemblée siège paisiblement” (de Vergadering in vrede haar zitting voortzet) en bewijst door zijn onafgebroken feestmalen, vandaag met de decembergeneraals, morgen met Duitse prinsen, dat zijn spijsvertering niet in het geringst is verstoord, niet eens door de geesten van Lecomte en Clément Thomas.
In de ochtend van de 18de maart 1871 werd Parijs gewekt door de donderende kreet: “Leve de Commune”. Wat is die Commune, deze sfinx, die het bourgeoisverstand op zulk een harde proef stelt?
“De proletariërs van Parijs”, zei het Centraal Comité in zijn manifest van de 18de maart, “hebben te midden van de nederlagen en het verraad van de heersende klassen begrepen dat het uur heeft geslagen waarop zij de toestand moeten redden, door de leiding van de openbare zaken in hun eigen handen te nemen. . . Zij hebben begrepen dat het hun hoogste plicht en hun absoluut recht is zich tot meesters van hun eigen lot te maken en de regeringsmacht te grijpen.”
Maar de arbeidersklasse kan de kant-en-klare staatsmachinerie niet eenvoudig in bezit nemen en deze voor haar eigen doeleinden in beweging zetten.
De gecentraliseerde staatsmacht, met haar alom tegenwoordige organen — staand leger, politie, bureaucratie, geestelijkheid, rechterlijke stand, — organen naar het plan van een stelselmatige hiërarchische deling van de arbeid geschapen, — is afkomstig uit de tijden van de absolute monarchie, waarin zij de opkomende bourgeoisie als een machtig wapen in haar strijd tegen het feodalisme diende. Toch bleef haar ontwikkeling belemmerd door allerlei middeleeuws puin, voorrechten van landheren en adel, plaatselijke privileges, stedelijke en gildenmonopolies en provinciale keuren. De reusachtige bezem van de Franse revolutie van de achttiende eeuw veegde al die bouwvallen uit vervlogen tijden weg en reinigde op deze wijze tegelijkertijd de maatschappelijke bodem van de laatste hinderpalen, die de bovenbouw van het moderne staatsgebouw in de weg hadden gestaan. Dit moderne staatsgebouw verhief zich onder het eerste keizerrijk, dat op zijn beurt was voortgebracht door de coalitieoorlogen van het oude halffeodale Europa tegen het moderne Frankrijk. Gedurende de daarop volgende heerschappijvorm werd de regering onder parlementaire controle geplaatst, d.w.z. onder de directe controle van de bezittende klassen. Enerzijds ontwikkelde ze zich thans tot een broeikas voor reusachtige staatsschulden en drukkende belastingen, en werd krachtens de onweerstaanbare aantrekkingskracht van haar ambtelijke macht, haar inkomsten en haar beschikking over betrekkingen, de twistappel voor de concurrerende fracties en avonturiers van de heersende klassen, anderzijds wijzigde zich haar politiek karakter gelijktijdig met de economische veranderingen van de maatschappij. Naarmate de vooruitgang van de moderne industrie de klassentegenstelling tussen kapitaal en arbeid ontwikkelde, vergrootte, verdiepte, in dezelfde mate kreeg de staatsmacht meer en meer het karakter van een openbare macht ter onderdrukking van de arbeidersklasse, een machine van de klassenheerschappij. Na elke revolutie, die een stap vooruit in de klassenstrijd betekent, treedt het zuiver onderdrukkende karakter van de staatsmacht meer en meer openlijk te voorschijn. De revolutie van 1830 droeg de regering van de grondbezitters aan de kapitalisten over en daardoor van de meer verwijderde op de meer directe tegenstanders van de arbeiders. De bourgeoisrepublikeinen, die in naam van de Februarirevolutie het roer van de staat in handen namen, gebruikten het voor het tot stand brengen van de Junislachting, om de arbeidersklasse te bewijzen, dat de “sociale” republiek verder niets betekende dan haar sociale onderdrukking door de republiek; en om de koningsgezinde massa van de bourgeois en grondbezitters te bewijzen, dat zij de zorgen en de geldelijke voordelen van de regering rustig aan de bourgeoisrepublikeinen konden overlaten. Na deze, hun enige heldendaad van juni restte de bourgeoisrepublikeinen nog slechts, uit het voorste gelid terug te treden in het laatste gelid van de “partij van de orde”, een coalitie, gevormd uit alle concurrerende fracties en fractietjes van de uitbuitende klassen in haar, thans openlijk verklaarde tegenstelling tot de voortbrengende klassen. De passende vorm voor haar gezamenlijke regering was de parlementaire republiek met Louis Bonaparte als president; een regering van het onverhulde klassenterrorisme en de opzettelijke belediging van de “vile multitude” (de sjofele menigte). Wanneer, zoals Thiers zei, de parlementaire republiek de staatsvorm was, die de fracties van de heersende klasse het minst van elkaar scheidde, zo opende zij daarentegen een afgrond tussen deze klasse en geheel het, buiten haar dun gezaaide rijen levende maatschappelijk lichaam. De beperkingen, die onder vroegere regeringen de innerlijke verscheurdheid van die klasse nog aan de staatsmacht had opgelegd, waren door haar vereniging thans weggevallen. Ten overstaan van de dreigende opstand van het proletariaat maakte de verenigde bezittende klasse thans meedogenloos en brutaal gebruik van de staatsmacht als het nationale oorlogsinstrument van het kapitaal tegen de arbeid. Maar haar onafgebroken kruistocht tegen de producerende massa dwong haar niet alleen het uitvoerende bewind met een steeds toenemende onderdrukkingsmacht uit te rusten, hij dwong haar ook, haar eigen parlementaire citadel — de Nationale Vergadering — allengs van alle verdedigingsmiddelen tegen de uitvoerende macht te ontbloten. De uitvoerende macht, in de persoon van Louis Bonaparte, zette haar buiten de deur. De lijfelijke nakomeling van de republiek van de “partij van de orde” was het tweede keizerrijk.
Het keizerrijk, met de staatsgreep als geboorteakte, het algemeen kiesrecht als bekrachtiging en de sabel als scepter, gaf voor dat het op de boeren steunde, op die grote massa van producenten, die niet rechtstreeks in de strijd tussen kapitaal en arbeid waren gewikkeld. Het gaf voor dat het de arbeidersklasse zou redden door het parlementarisme te breken en daarmee de onverbloemde onderworpenheid van de regering aan de bezittende klassen. Het gaf voor dat het de bezittende klassen zou redden door haar economisch zeggingschap over de arbeidersklasse in stand te houden; en ten slotte gaf het voor dat het alle klassen zou verenigen door de herleving van het waanbeeld van de nationale roem. In werkelijkheid was het de enig mogelijke regeringsvorm in een tijd, dat de bourgeoisie het vermogen, de natie te beheersen, reeds had verloren, en dat de arbeidersklasse dit vermogen nog niet had verworven. De gehele wereld juichte het toe als de redder van de maatschappij. Onder zijn heerschappij bereikte de bourgeoismaatschappij, van alle politieke zorgen ontheven, een door haar zelf nooit vermoede ontwikkeling. Haar industrie, haar handel breidde zich tot onmetelijke verhoudingen uit; de financierszwendel vierde kosmopolitische orgiën; de ellende van de massa’s stak schril af tegenover de schaamteloze praal van een fonkelende, overladen en schofterig riekende luxe. De staatsmacht, die hoog boven de maatschappij scheen te zweven, was niettemin zelf het meest schandaalverwekkende schandaal van deze maatschappij en tegelijkertijd de broedplaats van al haar verrotting. Haar eigen ontbinding en de ontbinding van de door haar geredde maatschappij, werd blootgelegd door de bajonetten van Pruisen, dat zelf brandde van begeerte, het zwaartepunt van dit regiem van Parijs naar Berlijn te verleggen. Het imperialisme [5] is de meest geprostitueerde en tegelijk de uiteindelijke vorm van die staatsmacht, die door de opkomende burgerlijke maatschappij in het leven was geroepen, als het werktuig van haar eigen bevrijding van het feodalisme, en die de volkomen ontwikkelde bourgeoismaatschappij had veranderd in een werktuig voor het onderdrukken van de arbeid door het kapitaal.
De directe tegenstelling van het keizerrijk was de Commune. De kreet van de “sociale republiek”, waarmee het Parijse proletariaat de Februarirevolutie inleidde, gaf slechts uiting aan het vage verlangen naar een republiek, die niet alleen de monarchistische vorm van de klassenheerschappij moest afschaffen, maar de klassenheerschappij zelf. De Commune was de bepaalde vorm van deze republiek.
Parijs, het middelpunt en de zetel van de oude regeringsmacht, en tegelijkertijd het maatschappelijke zwaartepunt van de Franse arbeidersklasse, Parijs was gewapenderhand in opstand gekomen tegen de poging van Thiers en zijn landjonkers om hun van het keizerrijk overgenomen oude regeringsmacht te herstellen en te vereeuwigen. Parijs kon slechts tegenstand bieden, doordat het tengevolge van het beleg het leger was kwijt geraakt, in welks plaats het een, hoofdzakelijk uit arbeiders bestaande Nationale Garde had opgericht. Thans kwam het er op aan dit feit in een blijvende instelling te veranderen. Het eerste decreet van de Commune bepaalde dus het afschaffen van het staande leger en zijn vervanging door het gewapende volk.
De Commune bestond uit de gemeenteraadsleden, die door het algemeen kiesrecht in de verschillende districten van Parijs waren gekozen. Zij waren verantwoordelijk en te allen tijde afzetbaar. Voor het merendeel waren zij natuurlijk arbeiders of erkende vertegenwoordigers van de arbeidersklasse. De Commune zou geen parlementair, maar een werkend lichaam zijn, tegelijkertijd uitvoerend en wetgevend. De politie, tot dusverre werktuig van de staatsregering, werd onmiddellijk van al haar politieke eigenschappen ontdaan en in een verantwoordelijk en te allen tijde afzetbaar werktuig van de Commune veranderd. Evenzo de beambten van alle andere takken van bestuur. Vanaf de leden van de Commune moest de openbare dienst tegen arbeidersloon worden verricht. De verworven rechten en de representatiegelden van de hoge staatswaardigheidsbekleders verdwenen met deze waardigheidsbekleders zelf. De openbare ambten hielden op privaateigendom van de handlangers van de centrale regering te zijn. Niet slechts het stedelijke bestuur, maar ook het gehele, tot dusverre door de staat uitgeoefende initiatief werd in handen van de Commune gelegd.
Toen het staande leger en de politie, de werktuigen van de materiële macht van de oude regering, eenmaal waren afgeschaft, ging de Commune er terstond toe over het geestelijke onderdrukkingswerktuig, de papenmacht, te breken. Zij decreteerde de ontbinding en de onteigening van alle kerken, voor zover zij bezittende lichamen waren. De papen werden in de stilte van het particuliere leven teruggezonden om zich daar naar het voorbeeld van hun voorlopers, de apostelen, van de aalmoezen van de gelovigen te voeden. Al de inrichtingen van onderwijs werden kosteloos voor het volk opengesteld en tegelijkertijd van elke inmenging van de staat en de kerk gezuiverd. Daardoor was niet alleen het schoolonderricht voor iedereen toegankelijk gemaakt, maar ook de wetenschap zelf bevrijd van de banden, haar door het klassevooroordeel en de regeringsmacht opgelegd.
De rechterlijke ambtenaren verloren die schijnbare onafhankelijkheid, die slechts gediend had ter bemanteling van hun onderdanigheid aan alle, elkaar opvolgende regeringen, aan wie zij, de een na de ander, de eed van trouw hadden gezworen en gebroken. Als alle andere openbare dienaren zouden zij voortaan gekozen worden, verantwoordelijk en afzetbaar zijn.
De Parijse Commune moest natuurlijk aan alle grote industriële middelpunten ten voorbeeld strekken. Zodra de Communeorde eenmaal in Parijs en in de middelpunten van de tweede rang was ingevoerd, zou de oude gecentraliseerde regering ook in de provincies voor de zelfregering van de producenten hebben moeten wijken. In een korte schets van de nationale organisatie, die de Commune uit gebrek aan tijd niet verder kon uitwerken, heet het nadrukkelijk dat de Commune de politieke vorm zelfs van het kleinste dorp moest zijn, en dat het staande leger op het platteland door een volksmilitie met uiterst korte diensttijd moest worden vervangen. De landelijke gemeenten van elk district moesten hun gemeenschappelijke aangelegenheden door een vergadering van afgevaardigden in de districtshoofdstad besturen, en deze districtsvergaderingen weer afgevaardigden naar de nationale delegatie te Parijs sturen; de afgevaardigden moesten te allen tijde afzetbaar en aan de bepaalde instructies van hun kiezers gebonden zijn. De weinige, maar belangrijke functies, die dan nog voor een centrale regering overbleven, moesten niet, zoals met opzet valselijk is voorgesteld, worden afgeschaft, maar aan communale, d.w.z. streng verantwoordelijke ambtenaren worden overgedragen. De eenheid van de natie moest niet worden verbroken, maar integendeel door de Commune inrichting georganiseerd, ze moest werkelijkheid worden door de vernietiging van die staatsmacht, die zich voor de belichaming van deze eenheid uitgaf, maar onafhankelijk en de meerdere wilde zijn tegenover de natie, aan welker lichaam zij evenwel slechts een parasitaire uitwas vormde. Terwijl het er op aankwam de enkel maar onderdrukkende organen van de oude regeringsmacht af te snijden, moesten de rechtmatige functies van de macht, die er aanspraak op maakte, boven de maatschappij te staan, haar worden ontrukt en aan de verantwoordelijke dienaren van de maatschappij worden teruggegeven. In plaats van één keer in de drie of zes jaren te beslissen, welk lid van de heersende klasse het volk in het parlement zou vertegenwoordigen en vertrappen (“ver- und zertreten”), moest het algemeen kiesrecht het, in de Communes geconstitueerde volk dienen op de wijze, zoals het individuele kiesrecht elk ander werkgever dient om arbeiders, opzichters en boekhouders voor zijn zaak uit te zoeken. En het is bekend genoeg, dat maatschappijen even goed als enkelingen in dingen, het werkelijke zakenleven betreffend, gewoonlijk de juiste man weten te vinden en, als zij zich al een keer vergissen, dit spoedig weer weten goed te maken. Aan de andere kant kon evenwel niets verder van de geest van de Commune verwijderd zijn dan het algemeen kiesrecht door een hiërarchische investituur te vervangen.
Het is het gewone noodlot van nieuwe historische scheppingen, voor het pendant van oudere en zelfs van afgeleefde vormen van het maatschappelijke leven, waarop zij enigermate gelijken, te worden gehouden. Zo werd deze nieuwe Commune, die de moderne staatsmacht breekt, gehouden voor een herleving van de middeleeuwse communes, die eerst de voorloopsters waren van die staatsmacht en daarna haar grondslag werden. Het Communebewind werd voor een poging gehouden om een bond van kleine staten, waarvan Montesquieu en girondijnen droomden, in de plaats te zetten van die eenheid van grote volken, die, hoewel aanvankelijk door geweld tot stand gebracht, thans echter een machtige factor van de maatschappelijke productie is geworden. De tegenstelling van de Commune ten opzichte van de staatsmacht werd gehouden voor een overdreven vorm van de oude strijd tegen de ten top gevoerde centralisatie. Bijzondere historische omstandigheden mogen de klassieke ontwikkeling van de bourgeoisregeringsvorm, zoals dit in Frankrijk heeft plaats gevonden, in andere landen hebben verhinderd, en hebben toegelaten dat, zoals in Engeland, de grote centrale staatsorganen zich aanvullen door corrupte parochiebijeenkomsten (vestries), geldsjacherende wethouders en van woede snuivende armenbestuurders in de steden, en door feitelijk erfelijke vrederechters op het platteland. De Communale grondwet zou integendeel aan het maatschappelijke lichaam al die krachten hebben teruggegeven, die tot dusverre de parasitaire uitwas “staat”, die op de maatschappij teert en haar vrije beweging belemmert, heeft verbruikt. Door deze daad alleen zou zij de wedergeboorte van Frankrijk op gang hebben gebracht. De middenklasse van de provinciesteden zag in de Commune een poging tot herstel van de heerschappij die zij onder Louis Philippe over het land had uitgeoefend en die onder Louis Bonaparte werd verdrongen door de zogenaamde heerschappij van het land over de steden. Doch in werkelijkheid zou de communale grondwet de landelijke producenten onder de geestelijke leiding van de districtshoofdsteden hebben gebracht en hun daar in de stedelijke arbeiders de natuurlijke vertegenwoordigers van hun belangen hebben verzekerd. — Alleen reeds het bestaan van de Commune bracht als iets, dat van zelf sprak, de plaatselijke zelfregering met zich mee, maar nu niet meer als tegenwicht tegen de, thans overbodig gemaakte staatsmacht. Alleen een Bismarck, die, wanneer hij niet door zijn bloed-en-ijzer-intriges in beslag wordt genomen, gaarne tot zijn oud, aan zijn geestelijk kaliber zo zeer beantwoordend handwerk als medewerker aan de “Kladderadatsch” terugkeert, alleen zulk een kop kon op de gedachte komen aan de Parijse Commune een vurig verlangen toe te dichten naar die karikatuur van de oude Franse stedenconstitutie van 1791, de Pruisische stedenverordening, die de stedelijke besturen tot niets dan ondergeschikte raderen in de Pruisische staatsmachine vernedert. De Commune maakte het wachtwoord van alle burgerlijke revoluties, goedkope regering, tot waarheid, door de twee grootste bronnen van uitgaven, het leger en het ambtenarendom, op te heffen. Haar bestaan alleen veronderstelde het niet-bestaan van de monarchie die, althans in Europa, regelrechte ballast en de onontbeerlijkste dekmantel van de klassenheerschappij is. Zij verschafte de republiek de grondslag van werkelijk democratische instellingen. Maar noch de “goedkope regering”, noch de “ware republiek” was haar einddoel; beiden ontstonden als bijkomstigheid en vanzelf.
De menigvuldigheid van de uitleggingen, waarvan de Commune het voorwerp was, en de menigvuldigheid van de belangen, die in haar tot uitdrukking kwamen, bewijzen, dat zij een in alle opzichten voor uitbreiding vatbare politieke vorm was, terwijl alle vroegere regeringsvormen in wezen onderdrukkend waren geweest. Haar waar geheim was dit: zij was in wezen een regering van de arbeidersklasse, het resultaat van de strijd van de voortbrengende tegen de toeeigenende klasse, de eindelijk ontdekte politieke vorm waaronder de economische bevrijding van de arbeid zich kon voltrekken.
Zonder deze laatste voorwaarde was de communale inrichting een onmogelijkheid en een misleiding. De politieke heerschappij van de producent kan niet bestaan naast de vereeuwiging van zijn maatschappelijke knechtschap. De Commune moest daarom dienen als hefboom, om de economische grondslagen omver te werpen, waarop het bestaan van de klassen en daarmee dat van de klassenheerschappij berust. Is eenmaal de arbeid geëmancipeerd, dan wordt ieder mens een arbeider, en de productieve arbeid houdt op, een klasseneigenschap te zijn.
Het is een bijzonder kenmerkend feit: trots al het gepraat en de onmetelijke literatuur van de laatste zestig jaren over de emancipatie van de arbeiders, nauwelijks nemen de arbeiders ergens de zaak in eigen handen, of terstond weerklinken weer de apologetische praatjes van de pleitbezorgers van de huidige maatschappij met haar beide polen: kapitaal en loonslavernij (de grondbezitter is thans nog maar de stille vennoot van de kapitalist), als leefde de kapitalistische maatschappij nog in de staat van de reinste maagdelijke onschuld, — al haar beginselen nog onontwikkeld, al haar zelfmisleidingen nog niet ontsluierd, al haar geprostitueerde werkelijkheid nog niet bloot gelegd! De Commune, roepen zij uit, wil de eigendom, de grondslag van alle beschaving, afschaffen. Jawel, mijne heren, de Commune wilde die klasseneigendom afschaffen, die de arbeid van velen in de rijkdom van de weinigen verandert. Ze stelde zich het onteigenen van de onteigenaars ten doel. Zij wilde de individuele eigendom tot een waarheid maken, door de productiemiddelen, de grond en het kapitaal, thans vóór alles de middelen tot knechting en uitbuiting van de arbeid, tot louter werktuigen van de vrije en geassocieerde arbeid te maken. Maar dit is het communisme, het “onmogelijke” communisme! Nu, de lieden uit de heersende klassen, die verstandig genoeg zijn om de onmogelijkheid van het voortduren van het huidige systeem in te zien, en zulke zijn er velen, hebben zich tot opdringerige en rumoerige apostels van de coöperatieve productie opgeworpen. Maar wanneer de coöperatieve productie niet slec