Karl Marx
Het Kapitaal
Hoofdstuk 13
In zijn Principles of Politica, Economy schrijft John Stuart Mill: ‘Het is de vraag of alle tot nu toe gedane uitvindingen op het gebied van de machinerie de dagtaak van enig menselijk wezen heeft verlicht.’[86] Maar dit is ook geenszins het doel van het kapitalistisch gebruik van de machinerie. Evenals iedere andere ontwikkeling van de arbeidsproductiviteit dient ook deze de waren goedkoper te maken en het deel van de arbeidsdag, dat de arbeider voor zichzelf nodig heeft, te verkorten ten einde het andere deel van zijn arbeidsdag, dat hij de kapitalist voor niets afstaat, te verlengen. Het is middel tot productie van meerwaarde.
In de manufactuur is de arbeidskracht het uitgangspunt van de omwenteling in de productiewijze, in de grootindustrie is het arbeidsmiddel hiervoor het uitgangspunt. Wij dienen dus eerst te onderzoeken waardoor het arbeidsmiddel verandert van een werktuig tot een machine: in wat onderscheidt de machine zich van het handwerktuig? Het gaat hier slechts om globale, algemene kenmerken, want de periodes in de geschiedenis van de maatschappij zijn evenmin door abstracte, scherpe grenzen gescheiden als de tijdperken in de geologie.
Volgens wiskundigen en werktuigkundigen is het werktuig een eenvoudige machine en de machine een samengesteld werktuig; deze opvatting wordt door sommige Engelse economen gedeeld. Zij zien hier geen wezenlijk onderscheid en zij noemen zelfs eenvoudige mechanische hulpmiddelen als hefboom, hellend vlak, schroef, wig, enzovoort, machines.[87] Inderdaad bestaat iedere machine uit dergelijke eenvoudige hulpmiddelen, hoezeer ook vermomd en gecombineerd. Bezien van economisch standpunt deugt deze verklaring echter niet, omdat het historisch element ontbreekt. Ook zoekt men wel het onderscheid tussen werktuig en machine hierin, dat bij het werktuig de mens de beweegkracht levert en bij de machine een van de mens te onderscheiden natuurkracht, zoals dier, water, wind, enzovoort.[88] Volgens deze opvatting zou een door ossen getrokken ploeg, die wij in de meest uiteenlopende productietijdperken tegenkomen, een machine zijn en Claussens circular loom (cirkelweefgetouw) welke, in beweging gebracht door de hand van een enkele arbeider, 96.000 steken per minuut maakt, niet meer dan een werktuig. Sterker nog: hetzelfde weefgetouw zou een werktuig zijn indien het met de hand wordt voortbewogen en een machine, indien het door stoom wordt voortbewogen. Aangezien het gebruik van de kracht van dieren tot de oudste vindingen der mensheid behoort, zou in feite de machinale productie voorafgegaan zijn aan de handwerkproductie. Toen John Wyatt in 1735 zijn spinmachine en daarmee de industriële revolutie van de achttiende eeuw aankondigde, sprak hij er met geen woord over dat in plaats van een mens een ezel de machine voortbewoog en toch viel deze rol een ezel te beurt. Zijn aankondiging luidde: een machine ‘om zonder vingers te spinnen’.[89]
De tot ontplooiing gekomen machinerie bestaat uit drie wezenlijk verschillende delen: de machine voor de beweging, het mechanisme voor de overbrenging van de beweging en ten slotte de werktuig- of arbeidsmachine. De machine voor de beweging werkt als drijfkracht voor het gehele mechanisme. Zij brengt óf zelf haar eigen beweegkracht voort, zoals de stoommachine, de hete-lucht-machine, de elektromagnetische machine, enzovoort, óf zij ontleent de energie aan een reeds bestaand, buiten haar zelf liggende natuurkracht, zoals het waterrad en het stromende water, de molenwiek en de wind, enzovoort. Het mechanisme voor de overbrenging, dat is samengesteld uit vliegwielen, drijfassen, tandraderen, riemschijven, drijfstangen, bindtouwen, riemen en mechanische overbrengers van de meest uiteenlopende soorten, regelt de beweging, verandert zonodig de vorm van de beweging, bijvoorbeeld van een op en neer gaande, in een ronddraaiende beweging, verdeelt de beweging en brengt haar over op de werktuigmachine. Deze beide delen van het mechanisme zijn slechts aanwezig om de beweging over te dragen op de werktuigmachine, waardoor het arbeidsvoorwerp wordt aangepakt en doelmatig wordt veranderd. Het is dit deel van de machinerie, de arbeidsmachine, dat het uitgangspunt vormde van de industriële revolutie van de achttiende eeuw. En nog iedere dag opnieuw, telkens wanneer een handwerk- of manufactuurbedrijf overgaat in een machinaal bedrijf, vormt het weer het uitgangspunt daartoe.
Wanneer we de werktuigmachine of eigenlijke arbeidsmachine nader bekijken, zien we over het algemeen, zij het ook vaak in sterk gewijzigde vorm, dezelfde apparaten en werktuigen als waarmee de handarbeider of de manufactuurarbeider werkten, maar nu niet meer als werktuigen van de mens, maar als werktuigen van een mechanisme, als mechanische werktuigen. Of de gehele machine is niets anders dan een min of meer gewijzigde, mechanische uitgave van het oude handwerksgereedschap zoals bij het mechanische weefgetouw,[90] óf de aan de structuur van de arbeidsmachine bevestigde actieve organen zijn oude bekenden, zoals spindels bij de spinmachine, naalden bij de breimachine, zaagbladen bij de zaagmachine, messen bij de hakmachine, enzovoort. Deze werktuigen onderscheiden zich van het ontstaan van de machine af van de eigenlijke structuur van de arbeidsmachine. Zij worden namelijk nog steeds grotendeels geproduceerd door handarbeid of door arbeid in de manufactuur en pas later bevestigd aan de machinaal vervaardigde structuur van de arbeidsmachine.[91] De arbeidsmachine is dus een mechanisme, dat na toevoer van de passende beweging met zijn werktuigen dezelfde bewerkingen verricht, welke voordien door de arbeider met overeenkomstige werktuigen werd verricht. Het verandert aan het wezen van de zaak niets of de drijfkracht uitgaat van mensen of op zichzelf weer van een machine afkomstig is. Nadat het eigenlijke werktuig uit handen van de mens is overgebracht op een mechanisme, hebben we te maken met een machine in plaats van met louter een werktuig. Ook wanneer de mens zelf nog de eerste drijfkracht levert valt ons onmiddellijk het verschil op. Het aantal arbeidsinstrumenten waarmee de mens gelijktijdig kan werken wordt beperkt door het aantal van zijn natuurlijke productie-instrumenten, zijn eigen, lichamelijke organen. In Duitsland probeerde men eerst een spinner twee spinnewielen te laten bedienen, hem dus gelijktijdig met twee handen en twee voeten te laten werken. Dit bleek te inspannend te zijn. Later vond men een trapspinnewiel met twee spindels uit, maar de spinvirtuozen, die gelijktijdig twee draden konden spinnen, waren bijna even zeldzaam als mensen met twee hoofden. De Jenny daarentegen spint direct al met 12 tot 18 spindels, de breimachine breit gelijktijdig met vele duizenden naalden, enzovoort. Het aantal werktuigen, waarmee dezelfde werktuigmachine gelijktijdig werkt, is van meet af aan bevrijd van de organische grenzen, waaraan het handwerktuig van een arbeider wél gebonden is.
Bij vele handwerktuigen heeft het onderscheid tussen de mens als loutere drijfkracht en als arbeider, die de feitelijke uitvoering verricht, een zeer bijzondere betekenis. Bij het spinnewiel bijvoorbeeld doet de voet alleen dienst als drijfkracht, terwijl de hand, die met het spindel werkt, plukt en draait en de eigenlijke spinbewerking verricht. Juist dit laatste deel van het handwerktuig wordt het eerst door de industriële revolutie aangetast en aan de mens wordt behalve de nieuwe arbeid van het controleren van de machine en het met de hand verbeteren van de fouten, aanvankelijk nog de zuiver mechanische rol van drijfkracht overgelaten. Aan de andere kant zullen bij werktuigen, waarbij de mens van het begin af aan slechts als eenvoudige drijfkracht functioneerde (zoals bij het draaien van de molenkruk,[92] bij het pompen, bij het hanteren van de blaasbalg, bij het stampen van de mortier, enzovoort) spoedig dieren, water en wind[93] als drijfkracht worden gebruikt. Deze werktuigen veranderden gedurende en in enkele gevallen reeds lang vóór de manufactuurperiode in machines, maar zij brachten geen revolutie in de productiewijze teweeg. Dat zij zelfs in de vorm van handwerktuigen reeds machines waren, bleek in de periode van de grootindustrie. De pompen bijvoorbeeld, waarmee de Hollanders in 1836-37 de Haarlemmermeer leegpompten, waren volgens het normale principe geconstrueerd, maar hun cilinders werden voortbewogen door enorme stoommachines in plaats van door mensenhanden. De gewone en zeer gebrekkige blaasbalg van de smid wordt in Engeland soms alleen nog maar door een verbinding met een stoommachine in een mechanische luchtpomp veranderd. De stoommachine zelf, zoals deze tijdens de manufactuurperiode tegen het einde van de zeventiende eeuw werd uitgevonden en tot de jaren 80 van de achttiende eeuw bleef bestaan,[94] veroorzaakte geen industriële revolutie. Het was eerder omgekeerd de schepping van de werktuigmachine, die de gewijzigde stoommachine noodzakelijk maakte. Zodra de mens in plaats van met het werktuig het arbeidsvoorwerp te bewerken alleen nog maar als drijfkracht van een werktuigmachine fungeert, wordt het een kwestie van louter toeval dat de drijfkracht de vorm van menselijke spierkracht aanneemt en kan wind, water, stoom, enzovoort deze vervangen. Dit neemt natuurlijk niet weg dat een dergelijke verandering vaak grote technische wijzigingen in het oorspronkelijk alleen voor menselijke drijfkracht geconstrueerde mechanisme noodzakelijk maakt. Tegenwoordig worden alle machines, die hun weg nog moeten vinden (zoals naaimachines, machines voor het bereiden van brood, enzovoort), wanneer zij niet bij voorbaat al door hun bestemming ongeschikt zijn voor gebruik in het klein, tegelijk voor menselijke en zuiver mechanische drijfkracht geconstrueerd.
De machine, die het uitgangspunt vormt van de industriële revolutie, vervangt de arbeider, die een enkel werktuig hanteert, door een mechanisme, dat gelijktijdig met een groot aantal van dezelfde of gelijksoortige werktuigen werkt en door een enkele drijfkracht, ongeacht haar vorm, wordt voortbewogen.[95] Hier hebben we een machine, maar nog slechts als een eenvoudig bestanddeel van de machinale productie.
De vergroting van de omvang van de arbeidsmachine en van het aantal werktuigen, dat gelijktijdig in beweging is, vereist een zeer veel groter bewegingsmechanisme en dit mechanisme heeft, om zijn eigen weerstand te overwinnen, een veel grotere drijfkracht nodig dan de menselijke drijfkracht, nog afgezien van de omstandigheid dat de mens een zeer gebrekkig productiewerktuig is voor het voortbrengen van gelijkmatige en continue bewegingen. Aangenomen dat de mens alleen nog maar als een eenvoudige drijfkracht fungeert, dat zijn werktuig dus is vervangen door een werktuigmachine, dan kunnen natuurkrachten hem nu ook als drijfkracht vervangen. Van alle uit de manufactuurperiode bekende grote beweegkrachten was de paardenkracht de slechtste, gedeeltelijk omdat een paard een eigen wil heeft, gedeeltelijk omdat het paard kostbaar is en slechts in beperkte mate in fabrieken kan worden gebruikt.[96] Desondanks werd in de beginperiode van de grootindustrie vaak gebruik gemaakt van het paard, hetgeen behalve door het gejammer van de landbouwers uit die tijd ook wordt bewezen door de nog steeds gangbare term ‘paardenkracht’ voor mechanische kracht. De wind was niet constant genoeg en kon niet onder controle worden gehouden en bovendien overheerste in Engeland, het geboorteland van de grootindustrie, reeds tijdens de manufactuurperiode het gebruik van waterkracht. Men had al in de zeventiende eeuw geprobeerd met één waterrad twee lopers, dus ook twee molenstenen in beweging te brengen. Maar het in omvang toegenomen transmissiemechanisme bleek nu voor de waterkracht te groot te worden en dit leidde tot een nauwkeuriger onderzoek van de wetten der wrijving. Evenzo leidde het onregelmatig functioneren van de beweegkracht bij molens, die door stoten en trekken van hefbomen in beweging worden gebracht, tot de theorie en toepassing van het vliegwiel,[97] dat later in de grootindustrie zo’n belangrijke rol zou spelen. Op deze wijze werden in de manufactuurperiode de eerste wetenschappelijke en technische elementen van de grootindustrie tot ontwikkeling gebracht. De spinnerij van Arkwright werd van het begin af aan door water gedreven. Echter ook het gebruik van waterkracht ging met steeds groter wordende moeilijkheden gepaard. De waterkracht kan niet naar believen worden vergroot en het gebrek aan water kon niet worden verholpen; soms was er helemaal geen water en, wat vooral belangrijk was, de waterkracht was aan de plaats gebonden.[98] Pas met Watts tweede, zogenaamde dubbele stoommachine kwam de eerste motor, die zelf zijn beweegkracht voortbrengt door verbruik van kolen en water en waarvan de krachten onder de volledige controle van de mens staan, die mobiel is en voor vervoer kan worden gebruikt, die geschikt is voor de stad en niet — zoals het waterrad — slechts voor het platteland, die de concentratie van de productie in de steden mogelijk maakte in plaats van deze — zoals bij het waterrad — over het gehele land te verspreiden[99] en die in zijn technische toepassing universeel is en wat betreft de standplaats betrekkelijk onafhankelijk van lokale omstandigheden. Hoe groot het genie van Watt was, blijkt uit de beschrijving van het patent dat hij in april 1784 nam, waarin hij zijn stoommachine niet beschreef als een uitvinding voor een bepaald doel, maar als een algemeen middel voor de grootindustrie. Hij voorspelde toepassingen, waarvan vele pas meer dan een halve eeuw later zouden worden ingevoerd, bijvoorbeeld de stoomhamer. Toch twijfelde hij aan de bruikbaarheid van de stoommachine voor de scheepvaart. Op de industriële expositie in Londen in 1851 stelden zijn opvolgers, Boulton en Watt, een stoommachine van enorme afmetingen voor zeeschepen ten toon.
Nadat eerst de werktuigen waren veranderd van werktuigen van het menselijk organisme in werktuigen van een mechanisch apparaat, van de werktuigmachine, kreeg ook het bewegingsmechanisme een zelfstandige vorm, waarbij dit mechanisme volledig werd bevrijd van de beperkingen der menselijke kracht. Daardoor wordt de enkele werktuigmachine, zoals we deze tot nu toe hebben beschouwd, tot louter een bestanddeel van de machinale productie. Een bewegingsmechanisme kon nu vele arbeidsmachines tegelijk aandrijven. Met het aantal van de simultaan voortbewogen arbeidsmachines neemt het bewegingsmechanisme in omvang toe en wordt het transmissiemechanisme uitgebreid tot een omvangrijk apparaat.
We dienen nu twee zaken te onderscheiden: de coöperatie van meer gelijksoortige machines en het machinesysteem.
In het eerste geval wordt het gehele product door dezelfde arbeidsmachine vervaardigd. Deze machine voert alle verschillende bewerkingen uit die door de ambachtsman met zijn werktuig (bijvoorbeeld de wever met zijn weefstoel) of die door ambachtslieden met verschillende werktuigen hetzij zelfstandig, hetzij als delen van een manufactuur achter elkaar werden verricht.[100] In de moderne enveloppen-manufactuur bijvoorbeeld vouwde de ene arbeider met het vouwbeen het papier, de andere bracht de lijm aan, de derde sloeg de klep om, waarop het adres van de afzender moest worden geplaatst, een vierde bracht dit adres op het papier aan, enzovoort; bij elk van deze deelbewerkingen moest iedere enveloppe van hand tot hand gaan. Eén enkele enveloppenmachine verricht al deze bewerkingen simultaan en produceert 3.000 en meer enveloppen per uur. Een Amerikaanse machine voor de vervaardiging van papieren zakken, die op de industriële expositie van 1862 in Londen ten toon werd gesteld, snijdt, plakt en vouwt het papier en maakt 300 zakken per minuut. Het gehele proces, dat binnen de manufactuur was gesplitst in een aantal bewerkingen die achter elkaar werden uitgevoerd, wordt hier volbracht door één enkele arbeidsmachine, die met een combinatie van verschillende werktuigen werkt. Onverschillig of een dergelijke arbeidsmachine de mechanische wedergeboorte is van een gecompliceerd handwerktuig of de combinatie van verschillende eenvoudige instrumenten welke in de manufactuur werden gespecialiseerd, steeds zien we in de fabriek, dat wil zeggen in de op machinerie gebaseerde werkplaats, weer de eenvoudige coöperatie en dat (wanneer we hier van de arbeiders afzien) aanvankelijk als een ruimtelijke conglomeratie van gelijksoortige en simultaan werkende arbeidsmachines. Zo ontstaat een weeffabriek door het naast elkaar plaatsen van vele weefgetouwen en een naaifabriek door het naast elkaar plaatsen van vele naaimachines in hetzelfde gebouw. Maar de technische eenheid bestaat hier doordat de vele gelijksoortige arbeidsmachines simultaan en gelijkmatig hun energie krijgen door de hartslag van de gemeenschappelijke motor; deze energie wordt overgedragen door het transmissiemechanisme, dat zij ten dele ook gemeen hebben doordat dit mechanisme alleen maar een bijzondere verbinding heeft met elk van de afzonderlijke werktuigmachines. Zoals vele werktuigen de organen vormen van één arbeidsmachine, zo vormen vele arbeidsmachines nu nog slechts gelijksoortige organen van hetzelfde bewegingsmechanisme.
Een werkelijk machinesysteem treedt echter pas in de plaats van de afzonderlijke, zelfstandige machine, wanneer het arbeidsvoorwerp een samenhangende reeks van verschillende, elkaar opvolgende processen doorloopt, welke door een keten van verschillende, maar elkaar aanvullende werktuigmachines worden uitgevoerd. Hier zien we weer de coöperatie door arbeidsverdeling, welke kenmerkend is voor de manufactuur, maar nu als een combinatie van deelarbeidmachines. De bijzondere werktuigen van de verschillende deelarbeiders — in de wolmanufactuur bijvoorbeeld wolwasser, wolkammer, wolscheerder, wolspinner, enzovoort — worden nu de werktuigen van bijzondere arbeidsmachines, waarvan in het systeem van het gecombineerde werktuigmechanisme elk een bepaald orgaan voor een bepaalde functie vormt. In de bedrijfstakken, waar het machinesysteem het eerst werd ingevoerd, voorziet de manufactuur in het algemeen zelf in de natuurlijke basis van de verdeling en derhalve ook in de basis van de organisatie van het productieproces.[101] Maar hier treedt een wezenlijk verschil op. In de manufactuur moeten de arbeiders, afzonderlijk of in groepen, ieder deelproces met hun handwerktuigen uitvoeren. Wanneer enerzijds de arbeider aan het proces wordt aangepast, moet anderzijds eerst het proces zijn aangepast aan de arbeider. Dit subjectieve principe van de arbeidsverdeling gaat voor de machinale productie niet meer op. Het totale proces wordt nu objectief op zichzelf beschouwd, het wordt ontleed in zijn samenstellende delen en het probleem om ieder afzonderlijk deelproces uit te voeren en om de verschillende deelprocessen met elkaar te verbinden, wordt opgelost door de technische toepassing van de werktuigkunde, chemie, enzovoort,[102] waarbij natuurlijk, evenals vroeger, de theoretische conceptie moet worden geperfectioneerd door accumulatie van praktische ervaring op grote schaal. Iedere deelmachine levert de grondstof voor de machine, die er in de reeks van bewerkingen op volgt; aangezien alle machines simultaan in werking zijn, bevindt het product zich voortdurend zowel in de verschillende stadia van zijn vormingsproces als in de overgang van de ene productiefase naar de andere. Evenals in de manufactuur de directe coöperatie der deelarbeiders bepaalde verhoudingsgetallen schept tussen de diverse groepen arbeiders, ontstaat in het samengestelde machinesysteem een bepaalde verhouding tussen aantal, omvang en snelheid der machines, doordat de ene deelmachine de andere voortdurend aan het werk zet. De gecombineerde arbeidsmachine - nu een samengesteld systeem van ongelijksoortige afzonderlijke machines of groepen van dergelijke machines - is des te volmaakter naarmate het totale proces meer continu verloopt, dat wil zeggen naarmate de grondstof met minder onderbrekingen van de eerste fase in de laatste fase terechtkomt, dus naarmate de overgang van de ene in de andere productiefase door het mechanisme in plaats van door mensenhanden tot stand wordt gebracht. Terwijl in de manufactuur de splitsing van de deelprocessen een beginsel is dat door de arbeidsverdeling zelf wordt bepaald, heerst in de tot ontwikkeling gekomen fabriek het beginsel van de continuïteit der deelprocessen.
Een machinaal systeem vormt als zodanig een grote automaat zodra het wordt aangedreven door een zichzelf bewegende, centrale motor, onverschillig of het systeem is gebaseerd op de enkelvoudige coöperatie van gelijksoortige arbeidsmachines, zoals in de weverij, of op een combinatie van ongelijksoortige arbeidsmachines, zoals in de spinnerij. Maar ofschoon het systeem als geheel kan worden aangedreven door bijvoorbeeld een stoommachine, kunnen afzonderlijke werktuigmachines voor bepaalde handelingen nog arbeiders nodig hebben; dit gold bijvoorbeeld voor de handelingen, die voor de uitvinding van de automatische mule nodig waren om de mule in te brengen (zoals nog steeds het geval is bij de fijnspinnerij) of voor bepaalde delen van de machine, die evenals het werktuig van de arbeider geleid moeten worden, bijvoorbeeld in de machinebouw vóórdat de slide rest (een draaiapparaat) automatisch werd. Zodra de arbeidsmachine alle handelingen, die nodig zijn voor de bewerking van de grondstof, zonder menselijke hulp verricht en alleen nog toezicht nodig heeft, hebben wij te maken met een automatisch machinaal systeem, dat desondanks voortdurend ontvankelijk blijft voor verdere verbeteringen van de onderdelen. Zo behoort bijvoorbeeld het apparaat, dat de spinmachine stopt wanneer een draad breekt, tot de uitvindingen van de laatste tijd, evenals de automatische rem, die het verbeterde stoomweefgetouw stopt, zodra de klos van de schietspoel geen draad meer heeft. De moderne papierfabriek kan zowel dienen als voorbeeld van de continuïteit van de productie als van de toepassing van het automatische principe. Trouwens, aan de hand van de papierproductie kunnen wij met vrucht de bijzonderheden bestuderen van het onderscheid tussen de verschillende productiewijzen op basis van verschillende productiemiddelen, evenals de samenhang tussen de maatschappelijke productieverhoudingen en deze productiewijzen; want de oudere Duitse papiermakerij levert ons het voorbeeld van de ambachtelijke papierindustrie, Holland in de zeventiende en Frankrijk in de achttiende eeuw het voorbeeld van de eigenlijke manufactuur en het moderne Engeland het voorbeeld van de moderne fabricage in deze bedrijfstak, terwijl in China en Indië nog twee verschillende, oud-Aziatische vormen van deze industrie bestaan.
Het machinale bedrijf bezit zijn meest ontwikkelde vorm in het samengestelde systeem van arbeidsmachines, die hun beweging alleen maar krijgen overgedragen door een transmissiemechanisme van een centrale automaat. In plaats van de afzonderlijke machine hebben we hier te maken met een mechanisch monster, wiens lijf gehele fabrieksgebouwen vult en wiens demonische kracht, eerst verborgen achter de bijna statig afgemeten bewegingen van zijn enorme ledematen, zich openbaart in de koortsachtig draaiende wervelwind van zijn talrijke, feitelijke arbeidsorganen.
Er bestonden mules (spinmachines), stoommachines, enzovoort, voordat er arbeiders waren wier enige bezigheid bestond uit het maken van stoommachines, mules, enzovoort, evenals de mens kleren droeg voordat er kleermakers waren. De uitvindingen van Vaucanson, Arkwright, Watt, enzovoort, waren echter alleen maar uitvoerbaar, omdat die uitvinders konden beschikken over een aanzienlijk aantal vaardige werktuigkundige arbeiders, die hen kant en klaar werden geleverd door de bedrijven uit de manufactuurperiode. Een deel van deze arbeiders bestond uit zelfstandige handwerkslieden van verschillende ambachten, een ander deel uit lieden uit manufacturen waar, zoals we hebben gezien, bijzonder streng de hand werd gehouden aan de arbeidsverdeling. Naarmate het aantal uitvindingen toenam en de vraag naar de pas uitgevonden machines groter werd, ontwikkelde zich meer en meer enerzijds de splitsing van de machinefabricage in talrijke zelfstandige takken en anderzijds de arbeidsverdeling binnen de manufacturen, waar de machines werden gemaakt. We zien hier dus de manufactuur als de directe technische basis van de grootindustrie. De eerste bracht de machines voort waarmee de laatste in de bedrijfstakken, die zij het eerst aantastte, het op handwerk en op manufactuur gebaseerde bedrijf ophief. Het machinale bedrijf ontstond dus op natuurlijke wijze op een materiële basis, die daarvoor ontoereikend was. In een bepaald stadium van de ontwikkeling moest het machinale bedrijf deze basis, welke eerst kant en klaar werd aangetroffen en daarna volgens de oude manier verder werd ontwikkeld, omverwerpen en een nieuwe basis scheppen, die bij zijn eigen productiewijze paste. Zoals de machine zeer klein van omvang blijft zolang zij alleen maar door menselijke kracht wordt voortbewogen, zoals het machinesysteem zich niet vrijelijk kon ontwikkelen voordat de beschikbare drijfkrachten — dieren, wind en zelfs water — waren vervangen door de stoommachine, evenzo was de grootindustrie in haar gehele ontwikkeling lamgeslagen zolang het haar typerende productiemiddel, de machine zelf, haar bestaan dankte aan individuele kracht en individuele vaardigheid en zodoende afhankelijk was van de spierontwikkeling, de scherpte van blik en de handigheid, waarmee de deelarbeider in de manufactuur en de ambachtsman in de werkplaats hun kleine gereedschappen hanteerden. Nog afgezien van de kostbaarheid van de op deze wijze vervaardigde machines — een omstandigheid, welke het kapitaal als bewust motief beheerst — bleef zodoende de uitbreiding van de reeds met machines gedreven industrie en het binnendringen van de machine in nieuwe productietakken louter afhankelijk van de groei van de categorie arbeiders, die door de half artistieke aard van hun werkzaamheden slechts geleidelijk en niet sprongsgewijs kon worden vergroot. Maar in een bepaald stadium van haar ontwikkeling raakte de grootindustrie ook technisch in strijd met haar op handwerk en manufactuur gebaseerde grondslag. Het bewegingsmechanisme, het transmissiemechanisme en de werktuigmachine werden groter van omvang; de onderdelen werden gecompliceerder en veelsoortiger en waren onderworpen aan strengere eisen van regelmatigheid naarmate de werktuigmachine meer afweek van het oorspronkelijke, door de ambachtsman geconstrueerde model en een vrije, slechts van haar mechanische taak afhankelijke gedaante kreeg;[103] de vervolmaking van het automatische systeem en het steeds meer onvermijdelijke gebruik van moeilijk te bewerken materiaal — bijvoorbeeld ijzer in plaats van hout — de oplossing van al deze uit de aard der zaak voortvloeiende problemen botste overal op de beperkingen van het individu, welke de collectieve arbeiders van de manufactuur wel enigszins, maar niet helemaal hadden overwonnen. Machines als bv. de moderne drukpers, het moderne stoomweefgetouw en de moderne kaardmachine konden niet door de manufactuur worden geleverd.
De omwenteling van de productiewijze in de ene tak van industrie brengt de omwenteling in een andere tak met zich mee. Dit geldt in de eerste plaats voor die bedrijfstakken, die weliswaar door de maatschappelijke arbeidsverdeling zijn geïsoleerd zodat elk van hen zelfstandig een waar produceert, maar toch als fasen van hetzelfde, gemeenschappelijke proces met elkaar verbonden zijn. Zo maakte de machinale spinnerij de machinale weverij noodzakelijk en samen veroorzaakten deze twee de mechanisch-chemische revolutie in de blekerij, drukkerij en ververij. Op dezelfde wijze leidde anderzijds de revolutie in de katoenspinnerij tot de uitvinding van de gin, een apparaat om de katoenvezels te scheiden van het zaad; pas hierdoor kon de katoenproductie de noodzakelijke grote schaal bereiken.[104] De omwenteling van de productiewijze in industrie en landbouw maakte vooral echter ook een revolutie noodzakelijk in de algemene voorwaarden van het maatschappelijk productieproces, in de communicatie- en transportmiddelen. De communicatie- en transportmiddelen van een samenleving, waarvan de pivot (spil) — om eens een uitdrukking van Fourrier te gebruiken — werd gevormd door de kleine landbouw met de daarbij behorende huisindustrie en het stedelijk handwerk, was volstrekt ontoereikend in de manufactuurperiode met haar grotere maatschappelijke arbeidsverdeling, haar concentratie van arbeidsmiddelen en arbeiders en haar koloniale markten; zij ondergingen dan ook inderdaad een revolutie. Op analoge wijze werden de transport- en communicatiemiddelen uit de manufactuurperiode spoedig een ondraaglijke belemmering voor de grootindustrie met haar koortsachtige productiesnelheid, haar massale productie, haar onophoudelijke verplaatsing van kapitaal en arbeid uit de ene productiesfeer naar de andere en met de door haar tot stand gebrachte wereldwijde samenhang der markten. Derhalve werd, afgezien nog van een totale omwenteling in de bouw van zeilschepen, het communicatie- en transportwezen door een systeem van stoomschepen voor de binnenvaart en voor de zeevaart, spoorwegen en telegraaf aangepast bij de productiewijze van de grootindustrie. Maar de geweldige massa’s ijzer, die men nu moest smeden, lassen, snijden, boren en vormen, vereisten machines van zulk een enorme omvang, die de machinebouw van de manufactuur niet in staat was te produceren.
De grootindustrie moest zich dus eerst meester maken van het haar typerende productiemiddel, de machine zelf, en met machines machines produceren. Pas op deze manier legde zij haar eigen adequate basis en kon ze haar eigen baas worden. Met de groei van het machinale bedrijf in het eerste kwart van de negentiende eeuw maakte de industrie zich inderdaad langzamerhand meester van de fabricage van de werktuigmachine. Maar pas in de laatste vijfentwintig jaar veroorzaakten de enorme aanleg van spoorwegen en de zeevaart met stoomschepen de bouw van de cyclopische machines, die nodig zijn voor de constructie van de primaire motoren.
De meest essentiële productievoorwaarde voor de vervaardiging van machines door machines was de beschikking over machines voor de aandrijving, die iedere gewenste kracht kon leveren en tegelijkertijd tóch onder controle kon worden gebracht. Een dergelijke machine was reeds aanwezig in de vorm van de stoommachine. Maar bovendien moest men in staat zijn de voor de afzonderlijke machinedelen noodzakelijke zuiver geometrische vormen (zoals rechte lijnen, vlakken, cirkels, cilinders, kegels en bollen) te maken. In het begin van de negentiende eeuw loste Henry Maudsley dit probleem op met zijn uitvinding van de slide rest, die spoedig automatisch werd en in gewijzigde vorm behalve bij de draaibank, waarvoor de slide rest oorspronkelijk was gemaakt, ook bij andere constructiemachines werd gebruikt. Dit mechanische toestel vervangt niet een bepaald werktuig, maar de menselijke hand zelf door het te bewerken materiaal (bijvoorbeeld ijzer) te leiden, in te stellen, in een bepaalde hoek tegen de snij-instrumenten aan te houden, enzovoort. Zo slaagde men er in de geometrische vormen van de afzonderlijke machinedelen ‘te vervaardigen met een gemak, een precisie en een snelheid, welke zelfs de meest ervaren hand van de meest geschoolde arbeider niet kon bereiken’.[105]
Bekijken we nu het deel van de bij de machinebouw gebruikte machinerie, dat de eigenlijke werktuigmachine vormt, dan zien we weer het instrument van de handwerker, maar thans in geweldige afmetingen. Het actieve deel van de boormachine bijvoorbeeld is een geweldige boor, die door een stoommachine wordt aangedreven en waarzonder — omgekeerd — de cilinders van de grote stoommachines en van de hydraulische persen niet zouden kunnen worden vervaardigd. De mechanische draaibank is de cyclopische reproductie van de gewone voetdraaibank; de schaafmachine is een ijzeren timmerman, die met dezelfde werktuigen het ijzer bewerkt als de timmerman het hout; het apparaat, dat op de Londense scheepswerven het fineerwerk snijdt, is een reusachtig scheermes; het werktuig van de ijzersnijmachine, die het ijzer knipt als de kleermakersschaar het laken, is een schaar van monsterachtige afmetingen; de stoomhamer werkt met een gewone hamerkop, zo zwaar dat Thor zelf er niet mee zou kunnen zwaaien.[106] Eén van deze stoomhamers bijvoorbeeld, die door Nasmyth werd uitgevonden, weegt meer dan 6 ton en komt met een verticale daling van 7 voet neer op een aambeeld, dat 36 ton weegt. Deze machine verbrijzelt spelenderwijs een brok graniet, maar kan even goed met enkele zachte tikken een spijker in zacht hout slaan.[107]
Het arbeidsmiddel krijgt als machine een materiële bestaanswijze, die de vervanging van menselijke kracht door natuurkrachten en van op ervaring gebaseerde routine door bewuste toepassing der natuurwetenschap met zich meebrengt. In de manufactuur is de geleding van het maatschappelijk arbeidsproces zuiver subjectief, een combinatie van deelarbeiders; in het machinesysteem bezit de grootindustrie een volledig objectief productieorganisme, dat de arbeider als een bestaande, materiële productievoorwaarde aantreft. In de eenvoudige en zelfs in de door de arbeidsverdeling verfijnde coöperatie lijkt de verdringing van de afzonderlijke arbeider door de collectieve arbeider altijd nog min of meer toevallig. De machinerie functioneert — met enige later te noemen uitzonderingen — alleen maar door middel van gesocialiseerde of gemeenschappelijke arbeid. De aard van het arbeidsmiddel zelf maakt nu het coöperatieve karakter van het arbeidsproces tot een technische noodzaak.
We zagen dat de uit de coöperatie en arbeidsverdeling voortvloeiende productiviteit het kapitaal niets kost. Deze productiviteit is een natuurkracht van de maatschappelijke arbeid. Natuurkrachten als stoom, water, enzovoort, die voor productieve processen worden gebruikt, kosten evenmin iets. Zoals de mens echter longen nodig heeft om te ademen, heeft hij een ‘schepping door mensenhand’ nodig om de natuurkrachten voor productieve doeleinden te gebruiken. Een waterrad is nodig om de beweegkracht van water en een stoommachine om de spankracht van stoom uit te buiten. En zoals het met de natuurkrachten staat, zo is het met de wetenschap gesteld. De wet van de afwijking van de magneetnaald in een elektrisch stroomveld of de wet van de opwekking van magnetisme in ijzer binnen een elektrisch stroomveld kosten geen cent wanneer men die wetten eenmaal ontdekt heeft.[108] Maar voor de toepassing van deze wetten voor de telegrafie, enzovoort, is een zeer kostbare en ingewikkelde apparatuur nodig. Zoals we zagen wordt het werktuig door de machine niet verdrongen. Het breidt zich van het miniatuurwerktuig van het menselijk organisme in omvang en aantal uit tot het werktuig van een door de mens geschapen mechanisme. In plaats van met het handwerktuig, laat het kapitaal de arbeider nu met een machine werken, die haar eigen werktuigen gebruikt. Ofschoon het dus onmiddellijk duidelijk is dat de grootindustrie door het gebruik van de enorme natuurkrachten en van de natuurwetenschap in het productieproces de arbeidsproductiviteit in buitengewone mate moet doen stijgen, is het helemaal niet zo duidelijk dat deze grotere productiviteit anderzijds niet wordt betaald met een grotere arbeidsinspanning. Evenals ieder ander bestanddeel van het constante kapitaal schept de machinerie geen waarde, maar staat eigen waarde af aan het product, dat ze helpt vervaardigen. Voor zover zij waarde bezit en dus waarde aan het product afstaat, vormt ze een waarde-element van dat product. In plaats van het product goedkoper te maken, maakt ze het product in verhouding met haar eigen waarde duurder. En het ligt voor de hand dat de machine en de systematisch tot ontwikkeling gebrachte machinerie — het kenmerkende arbeidsmiddel van de grootindustrie — vergeleken met de arbeidsmiddelen van het handwerk en van de manufactuur onevenredig meer waarde bezitten.
In de eerste plaats dient te worden opgemerkt dat de machinerie voortdurend in haar geheel aan het arbeidsproces deelneemt en slechts gedeeltelijk aan het proces van waardevorming. De machine staat nooit meer waarde af dan zij door slijtage gemiddeld verliest. Er is dus een groot verschil tussen de waarde van de machine en het waardedeel dat zij periodiek op het product overdraagt, een groot verschil dus tussen de machine als waardevormend en als productvormend element. Hoe langer de periode, gedurende welke dezelfde machine steeds weer in hetzelfde arbeidsproces dienst doet, des te groter is dit verschil. Zoals we hebben gezien is het ongetwijfeld zo, dat ieder eigenlijk arbeidsmiddel of productie-instrument steeds in zijn geheel deelneemt aan het arbeidsproces en slechts gedeeltelijk — in verhouding tot zijn gemiddelde dagelijkse slijtage — aan het proces van waardevorming; dit verschil tussen gebruik en slijtage is bij de machinerie echter veel groter dan bij het werktuig, omdat de machine — samengesteld uit duurzamer materialen — langer meegaat, omdat haar gebruik wordt geregeld door streng wetenschappelijke wetten, omdat zij een grotere zuinigheid mogelijk maakt wat betreft de slijtage der onderdelen en het gebruik van hulpstoffen en ten slotte omdat haar productieterrein onevenredig veel groter is dan dat van het werktuig. Trekken we van beide, machine en werktuig, af de gemiddelde dagelijkse kosten of het waardedeel dat zij door de gemiddelde dagelijkse slijtage en het verbruik van hulpstoffen als olie, kolen, enzovoort, aan het product toevoegen, dan werken zij voor niets, net als de natuurkrachten, die zonder toedoen van menselijke arbeid aanwezig zijn. Naarmate het productieve vermogen van de machine dat van het werktuig overtreft, is de omvang van de kosteloze diensten der machinerie vergeleken met die van het werktuig groter. Pas in de grootindustrie leert de mens het product van zijn vroegere, reeds belichaamde arbeid evenals de natuurkrachten op grote schaal voor niets voor zich te laten werken.[109]
Bij onze beschouwing van de coöperatie en de manufactuur zagen we dat op bepaalde algemene productievoorwaarden als gebouwen en dergelijke, vergeleken met de versnipperde productievoorwaarden van de afzonderlijke arbeiders, kon worden bespaard door gemeenschappelijk gebruik, waardoor het product minder duur wordt. Bij de machinerie wordt niet alleen het lichaam van een arbeidsmachine door haar vele werktuigen gemeenschappelijk verbruikt, maar wordt ook dezelfde machine voor de aandrijving en een deel van het transmissiemechanisme door verschillende arbeidsmachines gemeenschappelijk gebruikt.
Gegeven het verschil tussen de waarde van de machinerie en het aan het dagelijks product afgestane waardedeel, is de mate waarin dit waardedeel het product duurder maakt in de eerste plaats afhankelijk van de omvang van het product, als het ware van de oppervlakte van het product. In een in 1858 gepubliceerde voordracht schat de heer Baynes uit Blackburn dat ‘iedere reële[109a] mechanische paardenkracht 450 spindels van automatische mules met de daarbij behorende instrumenten of 200 spindels van de throstle (een soort spinmachine) of 15 weefgetouwen voor 40 duims stof met de bijbehorende toestellen voor het optrekken van de ketting, het appreteren, enzovoort, aandrijft’. De dagelijkse kosten van een stoompaardenkracht en de slijtage van de daardoor voortbewogen machinerie verdelen zich dus in het eerste geval over het dagproduct van 450 spindels van de mule, in het tweede geval over het dagproduct van 200 spindels van de throstle en in het derde geval over het dagproduct van 15 mechanische weefgetouwen; hierdoor wordt op een ons garen of op een el geweven stof slechts een zeer klein waardedeel overgedragen. Hetzelfde geldt voor de stoomhamer uit het voorbeeld van hierboven. Aangezien zijn dagelijkse slijtage, verbruik van kolen, enzovoort, verdeeld worden over de enorme massa’s ijzer, die de stoomhamer dagelijks bewerkt, wordt aan iedere centenaar ijzer slechts een klein waardedeel toegevoegd, welk waardedeel echter zeer groot zou zijn indien dit cyclopische instrument werd gebruikt om kleine spijkertjes in te slaan.
Gegeven het werkzame vermogen van de arbeidsmachine, dus gegeven het aantal van haar werktuigen of — wanneer het om de kracht gaat — de omvang van die werktuigen, zal de hoeveelheid product afhangen van de snelheid waarmee de machine werkt, dus bijvoorbeeld van de snelheid waarmee de spindel draait of het aantal hamerslagen per minuut. Vele van deze kolossale hamers geven 70 slagen per minuut; Ryders patentsmeedmachine, die stoomhamers van kleine omvang gebruikt bij het smeden van spindels, geeft 700 slagen per minuut.
Gegeven de verhouding waarin de machine waarde overdraagt op het product, hangt de grootte van dit waardedeel af van haar eigen waardegrootte.[110] Hoe minder arbeid de machine zelf bevat, des te minder waarde zij op het product overdraagt. Hoe minder waarde zij afstaat, des te productiever zij is en des te meer haar diensten die van de natuurkrachten benadert. En de productie van machines door machines vermindert hun waarde in verhouding tot hun uitbreiding en hun effectiviteit.
Een vergelijkende analyse van de prijzen van waren, door handwerk of in manufacturen geproduceerd, met de prijzen van dezelfde waren die machinaal zijn vervaardigd, laat ons in het algemeen zien dat bij het machinale product het van het arbeidsmiddel afkomstige waarde element relatief toeneemt, maar absoluut afneemt. Dat wil zeggen dat de absolute grootte afneemt, maar dat de grootte in verhouding tot de totale waarde van het product, bijvoorbeeld een pond garen, toeneemt.[111]
Wanneer de vervaardiging van een machine evenveel arbeid kost als bij het gebruik van die machine wordt bespaard, wanneer dus de totale som van de voor de productie van een waar noodzakelijke arbeid niet daalt of de arbeidsproductiviteit niet toeneemt, dan is het duidelijk dat er alleen sprake is van een verplaatsing van arbeid. Het verschil tussen de arbeid die de machine kost en de arbeid die zij bespaart — of de mate van productiviteit — hangt kennelijk niet af van het verschil tussen haar eigen waarde en de waarde van het werktuig, dat door haar wordt vervangen. Dit verschil blijft bestaan zolang de arbeidskosten van de machine (en dus het door die machine aan het product toegevoegde waardedeel) kleiner blijven dan de waarde die de arbeider met zijn werktuig aan het arbeidsvoorwerp zou toevoegen. De productiviteit van de machine wordt derhalve gemeten aan de mate waarin zij menselijke arbeidskracht vervangt. Volgens de heer Baynes zijn voor 450 spindels van de mule — met de daarbij behorende apparaten — die door één stoompaardenkracht worden aangedreven, 21/2 arbeiders[112] nodig en wordt met elke spindel van de automatische mule bij een arbeidsdag van 10 uur 13 ons garen van gemiddelde dikte gesponnen. Dus per week worden door 21/2 arbeiders 3655/8 pond garen gesponnen. Bij de omzetting in garen absorbeert ongeveer 366 pond katoen (eenvoudigheidshalve laten we de afval buiten beschouwing) dus slechts 150 arbeidsuren of 15 arbeidsdagen van 10 uur, terwijl met het spinnewiel, waarmee de handspinner 13 ons garen in 60 uur levert, dezelfde hoeveelheid katoen 2.700 arbeidsdagen van 10 uur of 27.000 arbeidsuren zou absorberen.[113] Waar de oude methode van blokdruk of handkatoendruk wordt vervangen door het machinale drukken, drukt één enkele machine met behulp van een man of een jongen per uur evenveel vierkleurig katoen als voordien door 200 arbeiders kon worden gedaan.[114] Voordat Eli Whitney in 1793 de cotton gin uitvond, was met het verwijderen van zaad bij een pond katoen één gemiddelde arbeidsdag gemoeid. Dank zij zijn uitvinding kon een negerin dagelijks 100 pond katoen zuiveren en sindsdien is het nuttig effect van de gin nog aanzienlijk vergroot. Een pond katoenvezels, dat vroeger voor 50 dollarcent werd geproduceerd, kon later met grotere winst, dat wil zeggen inclusief meer onbetaalde arbeid, voor 10 dollarcent worden verkocht. In Indië gebruikt men voor het scheiden van vezel en zaad de churka, een instrument dat half machine, half handwerktuig is; hiermee zuiveren een man en een vrouw dagelijks 28 pond katoen. Met de door dr. Forbes enige jaren geleden verbeterde churka produceren een man en een jongen dagelijks 250 pond katoen; wanneer ossen, stoom of water gebruikt worden als drijfkracht, heeft men slechts enkele jongens en meisjes nodig als feeders (personen, die de machine van grondstof voorzien). Gebruikt men ossen als drijfkracht, dan verrichten 16 van deze machines evenveel werk als voordien het gemiddelde dagwerk was van 750 personen.[115]
We zagen dat de stoommachine bij een stoomploeg in een uur voor 3d. of 1/4s. evenveel werk verricht als 66 mensen met de totale kosten van 15s. per uur. Ik kom op dit voorbeeld terug om een verkeerde voorstelling van zaken weg te nemen. Deze 15s. zijn namelijk geenszins de uitdrukking van de arbeid, die in een uur door 66 mensen wordt toegevoegd. Is de verhouding tussen meerarbeid en noodzakelijke arbeid 100 %, dan zouden deze 66 arbeiders per uur een waarde van 30s. voortbrengen, ofschoon de arbeid van slechts 33 uur een equivalent voor henzelf, dat wil zeggen een arbeidsloon van 15s. voorstelt. Indien dus een machine evenveel kost als het jaarloon van 150 door deze machine verdrongen arbeiders bedraagt, laten we zeggen £3.000, dan is deze som van £3.000 volstrekt niet de gelduitdrukking voor de door 150 arbeiders geleverde en aan het arbeidsvoorwerp toegevoegde arbeid, maar slechts het deel van een jaar arbeid dat voor hen het arbeidsloon voorstelt. Daarentegen is de geldwaarde van de machine van £3.000 de uitdrukking voor alle bij de productie van die machine bestede arbeid, ongeacht de verhouding waarin deze arbeid arbeidsloon voor de arbeider en meerwaarde voor de kapitalist vormt. Dus wanneer de machine evenveel kost als de door haar vervangen arbeidskracht, dan is de in de machine belichaamde arbeid altijd veel kleiner dan de door haar verdrongen levende arbeid.[116]
Wanneer we de machinerie uitsluitend beschouwen als middel om de producten goedkoper te maken, dan wordt de grens voor het gebruik van de machinerie bepaald doordat haar eigen productie minder arbeid kost dan de arbeid, die door haar gebruik wordt vervangen. Voor het kapitaal echter is deze begrenzing beperkter. Aangezien het kapitaal niet de gebruikte arbeid, maar de waarde van de gebruikte arbeidskracht betaalt, wordt de invoering van de machine bepaald door het verschil tussen de waarde van de machine en de waarde van de door de machine vervangen arbeidskracht. Daar de verdeling van de arbeidsdag in noodzakelijke arbeid en meerarbeid in de verschillende landen uiteenloopt en eveneens in hetzelfde land in verschillende perioden of in dezelfde periode in verschillende bedrijfstakken uiteenloopt en aangezien verder het werkelijke loon van de arbeider nu eens beneden de waarde van zijn arbeidskracht daalt, dan er weer eens bovenuit komt, is een zeer grote schommeling mogelijk in het verschil tussen de prijs van de machinerie en de prijs van de door haar vervangen arbeidskracht, óók wanneer het verschil tussen de voor de productie van de machine noodzakelijke hoeveelheid arbeid en de totale hoeveelheid van de door haar vervangen arbeid gelijk blijft.[116a] Het is echter alleen het eerste verschil dat voor de kapitalist zelf de productiekosten bepaalt en hem door middel van de dwangwetten der concurrentie beïnvloedt. Daarom worden er op het ogenblik in Engeland machines uitgevonden, die alleen in Noord-Amerika worden gebruikt, zoals in de zestiende en de zeventiende eeuw machines werden uitgevonden die alleen in Holland werden gebruikt en zoals menige Franse uitvinding uit de achttiende eeuw alleen in Engeland werd uitgebuit. In de reeds ontwikkelde landen brengt de machine zelf door haar toepassing in enkele bedrijfstakken een zodanig overschot aan arbeid (redundancy of labour zegt Ricardo) in de andere bedrijfstakken met zich mee, dat daar de daling van het arbeidsloon beneden de waarde van de arbeidskracht het gebruik van de machinerie verhindert; vanuit het standpunt van het kapitaal — volgens hetwelk de winst toch al niet voortvloeit uit de vermindering van de gebruikte, maar van de betaalde arbeid — is daar de invoering van machinerie overbodig, vaak onmogelijk. In enkele takken van de Engelse wolmanufactuur is de kinderarbeid gedurende de laatste jaren sterk afgenomen, hier en daar zelfs verdwenen. Hoe komt dat? De bepalingen van de fabriekswet maakten het gebruik van twee ploegen kinderen noodzakelijk, waarvan de ene ploeg 6 en de andere 4 uur werkte of ieder slechts 5 uur. De ouders wilden echter de half-timers (personen, die een halve dag werken) niet tegen een lagere prijs verkopen dan voordien de full-timers (personen, die de hele dag werken) werden verkocht. Vandaar de vervanging van de half-timers door machines.[117] Vóór het verbod van arbeid van vrouwen en kinderen (onder de 10 jaar) in de mijnen van kracht werd, achtte het kapitaal de methode om naakte vrouwen en meisjes, vaak samen met mannen, in kolenmijnen en in andere mijnen te laten werken in overeenstemming met zijn moraalcodex en in het bijzonder ook met zijn grootboek; daarom nam het kapitaal pas na het verbod zijn toevlucht tot de machinerie. De Yankees hebben machines uitgevonden om stenen te kloppen. De Engelsen gebruiken deze machines niet, omdat de ‘ellendigen’ (in het vakjargon van de Engelse economen is wretch de uitdrukking voor landarbeiders), die deze arbeid verrichten, een zo klein deel van hun arbeid betaald krijgen, dat invoering van machines voor de kapitalist de productie duurder zou maken.[118] In Engeland worden soms nog steeds vrouwen in plaats van paarden gebruikt bij het trekken van schuiten, enzovoort,[119] omdat de voor de productie van paarden en machines vereiste arbeid een mathematisch gegeven hoeveelheid is, terwijl de hoeveelheid arbeid, nodig voor de instandhouding van vrouwen, dankzij de overbevolking buiten iedere berekening valt. Daarom vindt men nergens zulk een schaamteloze verkwisting van menselijke kracht voor allerlei karweien dan juist in Engeland, het land van de machines.
We zagen dat de omwenteling in het arbeidsmiddel het uitgangspunt vormt van de grootindustrie en het totaal veranderde arbeidsmiddel vindt in het georganiseerde machinale systeem van de fabriek zijn meest ontwikkelde gedaante. Voordat we gaan kijken hoe dit objectief organisme mensenmateriaal in zich opneemt, zullen we enkele algemene gevolgen van deze revolutie voor de arbeider zelf beschouwen.
Voor zover de machinerie spierkracht overbodig maakt, wordt zij het middel om arbeiders zonder spierkracht of met een onvolgroeide lichaamsontwikkeling, maar met een grotere soepelheid der ledematen te gebruiken. Vrouwen en kinderarbeid waren derhalve de eerste woorden van de kapitalistische toepassing der machinerie! Dit geweldige middel ter vervanging van arbeid en arbeiders werd daardoor al dadelijk een middel om het aantal loonarbeiders te vergroten door inschakeling van alle leden van het arbeidersgezin, zonder onderscheid van geslacht en ouderdom, onder de directe heerschappij van het kapitaal. De gedwongen arbeid voor de kapitalist maakte zich niet alleen meester van de speelplaats van het kind, maar ook van de vrije arbeid binnen de huiselijke kring, die binnen de gebruikelijke grenzen ten bate van het gezin werd verricht.[120]
De waarde van de arbeidskracht werd niet alleen bepaald door de arbeidstijd die nodig is voor de instandhouding van de individuele, volwassen arbeider, maar door de arbeidstijd die nodig is voor de instandhouding van het arbeidersgezin. Doordat de machinerie alle leden van het arbeidersgezin op de arbeidsmarkt gooit, wordt de waarde van de arbeidskracht van de man verdeeld over zijn gehele gezin. De machinerie doet diens arbeidskracht dus in waarde verminderen. De aankoop van een bijvoorbeeld uit 4 arbeidskrachten bestaand gezin is misschien duurder dan vroeger de koop van de arbeidskracht van het gezinshoofd, maar daarvoor komen dan ook 4 arbeidsdagen in de plaats van een enkele en hun prijs daalt in verhouding tot het overschot aan meerarbeid van de vier op de meerarbeid van de één. Om het gezin in leven te houden moeten vier personen nu niet alleen arbeid, maar ook meerarbeid voor het kapitaal leveren. Zo vergroot de machinerie van meet af aan mét het menselijk uitbuitingsmateriaal — het essentiële uitbuitingsterrein van het kapitaal[121] — tevens de uitbuitingsgraad.
De machinerie brengt ook een diepgaande wijziging tot stand in het contract tussen arbeider en kapitalist, dat de formele uitdrukking is van de kapitaalsverhouding. Op basis van de warenruil gold als eerste vooronderstelling dat kapitalist en arbeider tegenover elkaar stonden als vrije personen, als onafhankelijke warenbezitters, de een bezitter van geld en productiemiddelen, de ander bezitter van arbeidskracht. Maar nu koopt het kapitaal onmondigen en nauwelijks volwassen personen. Vroeger verkocht de arbeider zijn eigen arbeidskracht, waarover hij formeel als vrij persoon beschikte. Nu verkoopt hij vrouw en kind. Hij wordt slavenhandelaar.[122] De vraag naar kinderarbeid lijkt ook in de vorm vaak op de vraag naar negerslaven, zoals men die vroeger gewend was in de advertentiekolommen der Amerikaanse bladen te lezen. Zo schrijft bijvoorbeeld een Engelse fabrieksinspecteur: ‘Mijn aandacht werd gevestigd op een advertentie in het plaatselijke blad van één der belangrijkste fabriekssteden uit mijn district; ik citeer hieruit: Gevraagd 12 tot 20 jongens, die voor ouder dan 13 jaar kunnen doorgaan. Loon: 4s. per week. Aanmelden. . . enzovoorts.’[123] De zinsnede ‘voor ouder dan 13 jaar kunnen doorgaan’ houdt verband met de omstandigheid dat volgens de Factory Act (fabriekswet) kinderen beneden de leeftijd van 13 jaar slechts 6 uur mogen werken. Een beëdigd arts moet de leeftijd schriftelijk bevestigen. De fabrikant vraagt derhalve jongens die er uitzien alsof zij reeds 13 jaar zijn. De vaak sprongsgewijze daling van het aantal door de fabrikanten in dienst genomen kinderen beneden de 13 jaar, een verrassend verschijnsel in de Engelse statistieken van de afgelopen twintig jaar, was volgens de verklaringen van de fabrieksinspecteurs zelf voornamelijk het resultaat van de handelwijze van de certifying surgeons, die al naar gelang de lust tot uitbuiten bij de kapitalisten en de behoefte aan gesjacher bij de ouders de leeftijd van de kinderen verschoven. In het beruchte Londense district Bethnal Green wordt iedere maandag- en dinsdagochtend in het openbaar markt gehouden, waarbij kinderen van beiderlei kunne vanaf de leeftijd van 9 jaar zichzelf verhuren aan de zijdemanufacturen van Londen. ‘De gebruikelijke voorwaarden zijn 1s. 8d. per week (voor de ouders) en 2d. voor mijzelf plus de thee.’ De contracten gelden slechts voor een week. De dingen, die zich op de markt afspelen en de taal, die men daarbij gebruikt, zijn werkelijk schandelijk.[124] Het komt in Engeland nog altijd voor dat vrouwen ‘jongens uit het workhouse (armhuis) halen en ze aan iedere willekeurige koper verhuren voor 2s. 6d. per week’.[125] Ondanks de wetgeving worden in Groot-Brittannië nog steeds minstens 2.000 jongens door hun eigen ouders verkocht als levende schoorsteenveegmachines (ofschoon hiervoor werkelijk machines bestaan).[126] De door de machinerie veroorzaakte omwenteling in de rechtsverhouding tussen de koper en de verkoper van arbeidskracht, waardoor de gehele transactie zelfs de schijn verloor van een contract tussen vrije personen, voorzag het Engelse parlement later van het juridische voorwendsel van staatsinmenging in het fabriekswezen. Telkens wanneer de fabriekswet in de tot nu toe vrijgelaten industrietakken de kinderarbeid beperkt tot 6 uur, klinkt steeds opnieuw het gejammer der fabrikanten: een deel der ouders onttrekt de kinderen aan de nu gereguleerde industrie ten einde hen te verkopen aan industrieën, waar nog ‘vrijheid van de arbeid’ heerst, dat wil zeggen waar kinderen onder de 13 jaar worden gedwongen net als de volwassenen te werken en waar dus voor die kinderen een hogere prijs bedongen kan worden. Aangezien het kapitaal echter van nature een leveller is, dat wil zeggen in alle productietakken gelijkheid van de voorwaarden van uitbuiting van arbeid als een aangeboren mensenrecht opeist, wordt de legale beperking van de kinderarbeid in de ene tak van industrie de oorzaak van de beperking van kinderarbeid in de andere tak.
Hierboven heb ik reeds gewezen op het fysieke verderf van kinderen en jongere personen, evenals van arbeidersvrouwen, die door de machinerie aanvankelijk rechtstreeks in de op machines gebaseerde fabrieken en daarna indirect in alle overige industrietakken aan de uitbuiting van het kapitaal werden onderworpen. Daarom zullen we ons hier slechts met één enkel punt bezighouden, namelijk de schrikbarende sterfte van arbeiderskinderen in hun eerste levensjaar. Van de districten, waarin Engeland voor de bevolkingsregistratie is verdeeld, zijn er 16 waarin op de 100.000 kinderen beneden het jaar gemiddeld jaarlijks slechts 9.000 sterftegevallen voorkomen (in één district zelfs 7.047); voor 24 districten ligt dit cijfer tussen de 10.000 en 11.000; voor 39 districten tussen de 11.000 en 12.000; voor 48 districten tussen de 12.000 en 13.000; voor 22 districten boven de 20.000; voor 25 districten boven de 21.000; voor 17 districten boven de 22.000; voor 11 districten boven de 23.000; in Hoo, Wolverhampton, Ashton-under-Lyne en Preston is dit cijfer 24.000; in Nottingham, Stockport en Bradfort boven de 25.000; in Wisbeach 26.000 en in Manchester 26.125.[127] Een officieel geneeskundig onderzoek in 1861 toonde aan dat, afgezien van plaatselijke omstandigheden, de hoge sterftecijfers vooral te wijten waren aan de bezigheden van de moeder buitenshuis en aan de daaruit voortvloeiende verwaarlozing en slechte verzorging van de kinderen, zoals ongeschikt voedsel, gebrek aan voeding, toediening van opiumbevattende slaapmiddelen, enzovoort; daarbij komt de onnatuurlijke vervreemding van de moeder tegenover haar kinderen en als gevolg daarvan de opzettelijke verhongering en vergiftiging.[128] In die landbouwgebieden ‘waar een minimum aan vrouwenarbeid voorkomt, is het sterftecijfer daarentegen het laagst’.[129] De Commissie van Onderzoek van 1861 kwam echter tot de onverwachte slotsom dat in enkele aan de Noordzee grenzende districten, waar enkel landbouw wordt beoefend, het sterftecijfer voor kinderen beneden het jaar bijna even hoog ligt als dat van de meest beruchte industriegebieden. Dr. Julian Hunter kreeg daarom opdracht dit verschijnsel ter plaatse te onderzoeken. Zijn rapport is opgenomen in het Sixth Report on Public Health.[130] Men had tot dusverre gemeend dat malaria en andere ziekten, die zo typerend zijn voor laaggelegen en moerasachtige gebieden, de kinderen decimeerden. Het onderzoek wees echter juist het tegendeel uit: ‘dat dezelfde oorzaak welke de malaria verdreef, namelijk de omzetting van de grond, die ‘s winters een moeras en ‘s zomers een schrale weide was, in vruchtbaar graanland, het buitengewone sterftecijfer van de zuigelingen te weeg bracht’.[131] De 70 huisartsen, die dr. Hunter in deze districten ondervroeg, waren op dit punt ‘wonderbaarlijk eenstemmig’. De revolutie in de wijze van bewerking van de grond leidde namelijk tot invoering van het industriële systeem. ‘Getrouwde vrouwen, die in bendes met meisjes en jongens samenwerken, worden door een man — die men de Gangmeister (hoofd van de bende) noemt en die de bende in haar geheel huurt — tegen een bepaalde som ter beschikking van de boer gesteld. Deze bendes, die vaak op mijlen afstand van hun dorpen werken, kan men ‘s ochtends en ‘s avonds op de wegen tegenkomen; de vrouwen, gekleed in korte onderrokken en daarbij passende jassen en laarzen en vaak in broeken, zien er uiterlijk krachtig en zeer gezond uit, maar zij zijn verdorven door de gebruikelijke onzedelijkheid en trekken zich niets aan van de fatale gevolgen van hun voorliefde voor dit actieve en onafhankelijke leven voor hun nakomelingen, die thuis verkommeren.’[132] We komen hier, zelfs in grotere omvang, weer alle verschijnselen van de fabrieksdistricten tegen: de verborgen kindermoord en de toediening van opiumhoudende middelen aan de kinderen.[133] ‘Mijn kennis van de veroorzaakte euvelen,’ zo schrijft dr. Simon, medisch ambtenaar van de Engelse Privy Council en hoofdredacteur van de rapporten over de Public Health, ‘moge dienen als verontschuldiging voor de diep gevoelde afschuw, waarmee ik iedere omvangrijke industriële tewerkstelling van volwassen vrouwen beschouw.’[134] In een officieel rapport roept de fabrieksinspecteur R. Baker uit: ‘Het zou inderdaad een geluk voor de fabrieksdistricten van Engeland zijn, indien iedere getrouwde vrouw, die een gezin heeft, werd verboden in enige fabriek te werken.’[135]
De uit de kapitalistische uitbuiting van vrouwen- en kinderarbeid voortvloeiende zedelijke ontaarding is door F. Engels in zijn Die Lage der arbeitenden Klasse in England en door andere auteurs zo grondig beschreven, dat ik het hier slechts memoreer. De geestelijke verminking, die kunstmatig werd voortgebracht door de omzetting van onrijpe mensen in louter machines voor de voortbrenging van meerwaarde (en welke men goed dient te onderscheiden van de natuurlijke onwetendheid, welke de geest braak laat liggen zonder de ontwikkelingsmogelijkheden, de natuurlijke vruchtbaarheid zelf aan te tasten) dwong ten slotte het Engelse parlement er zelfs toe in alle industrieën, waarvoor de fabriekswet gold, het elementair onderwijs tot wettelijke voorwaarde te maken voor het ‘productieve’ gebruik van kinderen beneden de 14 jaar. De geest van de kapitalistische productie komt duidelijk aan het daglicht in de jammerlijke redactie van de zogenaamde onderwijsclausules in de fabriekswet, in de gebreken van het administratieve apparaat — waardoor dit voorgeschreven onderwijs grotendeels weer illusoir wordt — in het verzet van de fabrikanten zelf tegen deze onderwijswet en in de listen en streken der fabrikanten, waarmee zij deze wet ontdoken. ‘De wetgever zelf kan men verwijten dat hij een misleidende wet (delusive law) heeft gemaakt, welke met de schijn om te zorgen voor het onderwijs van de kinderen geen enkele bepaling bevat, waardoor dit gestelde doel kan worden bereikt. De wet bepaalt niets anders dan dat de kinderen gedurende een bepaald aantal uren (3 uur) per dag zich binnen de vier muren van een ruimte, de school genaamd, moeten bevinden en dat de patroon van de kinderen iedere week hiervoor een certificaat moet ontvangen van een persoon, die dit certificaat als onderwijzer of als onderwijzeres heeft ondertekend.’[136] Vóór de afkondiging van de gewijzigde fabriekswet van 1844 werden deze certificaten van schoolbezoek niet zelden met een kruisje door de onderwijzer of onderwijzeres ondertekend, omdat deze zelf niet kon schrijven. ‘Toen ik eens een school bezocht die dergelijke certificaten afgaf, was ik zo getroffen door de onwetendheid van de onderwijzer, dat ik hem vroeg: “Mijnheer, kunt u eigenlijk lezen?” Zijn antwoord luidde: “Ja, een beetje.” Als rechtvaardiging voegde hij hieraan toe: “In ieder geval sta ik hier voor mijn leerlingen.”’ Bij de voorbereiding van de wet van 1844 vielen de fabrieksinspecteurs de schandalige toestanden aan van de ruimtes, die men scholen noemde, en waarvan zij de verklaringen moesten accepteren als zijnde in overeenstemming met de bepalingen van de wet. Maar zij bereikten slechts dat vanaf 1844 ‘de cijfers op het schoolcertificaat eigenhandig door de meester moeten worden ingevuld, evenals diens achter en voornaam’.[137] Sir John Kincaid, fabrieksinspecteur voor Schotland, weet ook over dergelijke ambtelijke ervaringen mee te praten. ‘De eerste school, die wij bezochten, werd geleid door ene Mrs. Ann Killin. Toen ik haar vroeg haar naam te spellen maakte zij al direct een blunder door met de letter C te beginnen; maar zij herstelde zich onmiddellijk en zei dat haar naam met een K begon. Toen ik echter haar handtekeningen zag in het boek der schoolcertifikaten, merkte ik dat zij haar naam op verschillende manieren spelde, terwijl haar handschrift geen enkele twijfel liet omtrent haar ongeschiktheid om les te geven. Ook erkende ze zelf dat zij niet in staat was het register bij te houden. . . In de tweede school was het lokaal 15 voet lang en 10 voet breed; in deze ruimte telde ik 75 kinderen, die iets onbegrijpelijks brabbelden.’[138] ‘Het gaat echter niet alleen om dergelijke jammerlijke holen, waarin de kinderen wel certificaten maar geen onderwijs krijgen, want in vele scholen waar de onderwijzer wel competent is, lijden zijn pogingen bijna geheel en al schipbreuk op de zinsverbijsterende kluwen kinderen van alle leeftijden, te beginnen bij 3 jaar. Zijn inkomsten, in het beste geval nog erbarmelijk slecht, hangen geheel af van het aantal stuivers dat hij ontvangt van het grootst mogelijke aantal kinderen, die hij in één kamer kan stoppen. Daarbij komen dan nog de schamele schoolmeubelen, gebrek aan boeken en ander leermateriaal en de deprimerende uitwerking die de benauwde en walgelijke lucht op de arme kinderen zelf heeft. In vele van deze scholen, die ik heb bezocht, zag ik hele rijen kinderen die absoluut niets deden; en hiervoor werd dan een certificaat van schoolbezoek afgegeven en dergelijke kinderen komen in de officiële statistieken voor als kinderen, die onderwijs hebben genoten (educated).’[139] In Schotland trachten de fabrikanten de schoolplichtige kinderen zoveel mogelijk uit te sluiten. ‘Dit toont de grote weerzin der fabrikanten tegen de onderwijsbepalingen genoegzaam aan.’[140] Dit komt zowel op een groteske als vreselijke wijze tot uiting in de katoen en andere drukkerijen, die onderworpen zijn aan een afzonderlijke fabriekswet. Volgens de bepalingen van de wet ‘moet ieder kind, alvorens het in een dergelijke drukkerij te werk wordt gesteld, gedurende een periode van 6 maanden, die direct aan de eerste dag van zijn dienstbetrekking voorafgaan, ten minste 30 dagen en niet minder dan 150 uur de school hebben bezocht. Tijdens de duur van zijn dienstbetrekking in de drukkerij moet hij eveneens in iedere periode van 6 maanden de school 30 dagen en 150 uur bezoeken. . . Het schoolbezoek moet plaats hebben tussen 8 uur ‘s ochtends en 6 uur ‘s middags. Een schoolbezoek van minder dan 21/2 uur of meer dan 5 uur op dezelfde dag zal niet worden beschouwd als deel van de 150 uur. Onder normale omstandigheden bezoeken de kinderen gedurende 30 dagen 5 uur dagelijks, ‘s ochtends en ‘s middags, de school en na afloop van de periode van 30 dagen, wanneer de voorgeschreven totale som van 150 uur is vol gemaakt, wanneer de kinderen — om met hun eigen woorden te spreken — hun boek af hebben, gaan zij terug naar de drukkerij; daar blijven zij weer 6 maanden, totdat een nieuw termijn van schoolbezoek begint en dan gaan zij weer naar school totdat het boek weer af is. . . Zeer vele jongens, die gedurende de voorgeschreven 150 uur de school hebben bezocht, zijn bij hun terugkeer van het 6-maandelijks verblijf in de drukkerij precies even ver als in het begin. . . Zij zijn natuurlijk alles weer vergeten wat zij tijdens het vorige schoolbezoek hadden geleerd. In andere katoendrukkerijen wordt het schoolbezoek geheel en al afhankelijk gemaakt van de eisen van het werk in de fabriek. Het verplichte aantal uren wordt vol gemaakt gedurende de periode van 6 maanden door middel van afbetalingen van 3 tot 5 uur ineens, welke afbetalingen misschien over 6 maanden zijn verspreid. Het kind bezoekt de school bijvoorbeeld de ene dag van 8 tot11uur ‘s ochtends, op een andere dag van 1 tot 4 uur ‘s middags en, nadat hij dan weer eens een paar dagen is weggebleven, komt hij plotseling weer eens van 3 tot 6 uur ‘s middags; dan komt hij misschien drie of vier dagen achtereen opdagen of een hele week, verdwijnt dan weer voor drie weken of een hele maand en komt weer eens zo’n dag of wat, wanneer zijn patroon hem toevallig niet nodig heeft, voor een paar verloren uren terug. Zo wordt het kind als het ware heen en weer geslingerd (buffeted) van de school naar de fabriek en van de fabriek naar de school tot het aantal van 150 uren is vol gemaakt.’[141] Door de overwegende toevoer van kinderen en vrouwen aan de rijen der arbeiders breekt de machinerie ten slotte de weerstand, die door de mannelijke arbeiders uit de manufactuur nog aan het despotisme van het kapitaal geboden werd.[142]
Is de machinerie het machtigste middel om de arbeidsproductiviteit te verhogen — dat wil zeggen de voor de productie van een waar noodzakelijke arbeidstijd te verkorten — als draagster van het kapitaal wordt zij, allereerst in de rechtstreeks door haar veroverde industrieën, het machtigste middel om de arbeidsdag tot ver voorbij de natuurlijke grenzen te verlengen. De machinerie schept enerzijds nieuwe voorwaarden, die het kapitaal in staat stellen deze duurzame neiging de vrije teugel te laten, anderzijds voorziet zij het kapitaal van nieuwe motieven, welke zijn geeuwhonger naar andermans arbeid prikkelt.
In de eerste plaats wordt het arbeidsmiddel in de vorm van machines in zijn beweging en activiteit zelfstandig ten opzichte van de arbeider. Het arbeidsmiddel wordt, op zichzelf beschouwd, een industrieel perpetuum mobile, dat onafgebroken door zou kunnen gaan te produceren, ware het niet dat het op bepaalde natuurlijke beperkingen stuitte bij zijn menselijke helpers: de beperking van hun lichaamskracht en hun eigen wil. Als kapitaal (en als zodanig bezit de automaat dank zij de kapitalist bewustzijn en wilskracht) is het arbeidsmiddel dus bezield met de drift om de weerstand biedende, maar elastische menselijke natuurlijke beperkingen tot een minimale weerstand terug te dringen.[143] Deze weerstand is bovendien verminderd door het schijnbare gemak van het werken met machines en door de grotere gedweeheid en buigzaamheid van vrouwen en kinderen.[144]
De productiviteit van de machine is, zoals we hebben gezien, omgekeerd evenredig aan de grootte van het door haar op het product overgedragen waarde-element. Hoe langer de periode, gedurende welke de machine functioneert, des te groter de hoeveelheid producten, waarover de door de machine toegevoegde waarde wordt verdeeld en des te kleiner het waardedeel, dat op de afzonderlijke waar wordt overgedragen. Maar de actieve levensduur van de machine wordt kennelijk bepaald door de lengte van de arbeidsdag of de duur van het dagelijkse arbeidsproces, vermenigvuldigd met het aantal dagen, waarop dit proces wordt herhaald.
De slijtage van de machine komt volstrekt niet exact-mathematisch overeen met de tijd, gedurende welke zij wordt gebruikt. Maar zelfs al was dit het geval, dan nog zou een machine, welke gedurende 71/2 jaar dagelijks 16 uur wordt gebruikt, een even grote productieperiode bezitten en aan het totale product niet méér waarde toevoegen dan dezelfde machine, die gedurende 15 jaar slechts 8 uur per dag wordt gebruikt. Maar in het eerste geval zou de machinewaarde tweemaal zo snel zijn gereproduceerd als in het laatste geval en zou de kapitalist in 71/2 jaar evenveel meerarbeid hebben opgeslokt als anders in 15 jaar.
De materiële slijtage van de machine is van tweeërlei aard. De ene soort slijtage vloeit voort uit het gebruik van de machine, zoals geldstukken in de circulatie verslijten; de andere soort slijtage ontstaat door het niet gebruiken, zoals een ongebruikt zwaard in de schede roest. Deze slijtage wordt door de elementen veroorzaakt. De slijtage van de eerste soort is min of meer recht evenredig, de slijtage van de tweede soort in zekere mate omgekeerd evenredig met het gebruik van de machine.[145]
De machine is, behalve aan materiële slijtage, ook nog onderworpen aan wat men de morele slijtage zou kunnen noemen. Zij verliest aan ruilwaarde naarmate hetzij machines van dezelfde constructie goedkoper kunnen worden vervaardigd, hetzij betere machines worden gemaakt, die concurrerend naast haar gebruikt worden.[146] In beide gevallen wordt de waarde van de machine, hoe jong en hoe vol levenskracht zij overigens nog mag zijn, niet meer bepaald door de feitelijk in haar belichaamde arbeidstijd, maar door de arbeidstijd, die nodig is voor haar eigen reproductie of voor de reproductie van de betere machine. Derhalve is zij min of meer in waarde gedaald. Hoe korter de periode is, waarin haar totale waarde wordt gereproduceerd, des te kleiner het gevaar van de morele slijtage en hoe langer de arbeidsdag is, des te korter is die periode. Wanneer in de een of andere bedrijfstak de machine wordt ingevoerd, volgen nieuwe methodes om haar goedkoper te reproduceren[147] en verbeteringen — die niet slechts enkele onderdelen of apparaten, maar haar gehele constructie aantasten — elkaar snel op. In de eerste levensperiode van de machine werkt dit bijzondere motief tot verlenging van de arbeidsdag dus het sterkst.[148]
Onder overigens gelijkblijvende omstandigheden en bij een gegeven lengte van de arbeidsdag is voor de uitbuiting van tweemaal zoveel arbeiders echter ook een verdubbeling nodig zowel van het deel van het constante kapitaal, dat in machinerie en gebouwen is gestoken, als van het deel, dat in grondstoffen, hulpstoffen, enzovoort, zit. Bij een verlengde arbeidsdag wordt de productieschaal groter, terwijl het deel van het kapitaal, dat in machinerie en gebouwen is geïnvesteerd, ongewijzigd blijft.[149] Niet alleen dus dat de meerwaarde toeneemt, maar de uitgaven, nodig voor de uitbuiting van de arbeid, nemen af. Weliswaar gebeurt dit in zekere mate altijd bij iedere verlenging van de arbeidsdag, maar in dit geval is het van veel grotere betekenis, omdat hier het in arbeidsmiddelen omgezette kapitaaldeel veel zwaarder weegt.[150] De ontwikkeling van het machinale bedrijf bindt namelijk een steeds groter wordend bestanddeel van het kapitaal aan een vorm, waarin het enerzijds voortdurend gebruikt kan worden voor de productie van meerwaarde, anderzijds aan gebruiks- en ruilwaarde verliest zodra zijn contact met de levende arbeid wordt verbroken. ‘Wanneer,’ zo onderrichtte de heer Ashworth, een Engelse katoenmagnaat, professor Nassau W. Senior, ‘een landarbeider zijn spade neerlegt, maakt hij gedurende dit tijdsverloop een kapitaal van 18d. nutteloos. Wanneer een van onze mensen (dat wil zeggen de fabrieksarbeiders -M.) de fabriek verlaat, maakt hij een kapitaal nutteloos, dat £100.000 heeft gekost.’[151] Stel je eens voor! Een kapitaal, dat £100.000 gekost heeft, ook maar een ogenblik ‘nutteloos’ te maken! Het is inderdaad ten hemel schreiend dat één van onze mensen ooit de fabriek verlaat! De toenemende omvang van de machinerie maakt, zoals de door Ashworth onderwezen Senior ook inziet, een steeds grotere verlenging van de arbeidsdag ‘wenselijk’.[152]
De machine produceert relatieve meerwaarde niet alleen doordat zij de arbeidskracht direct in waarde laat dalen en indirect goedkoper maakt door de waren, die voor de reproductie van de arbeidskracht noodzakelijk zijn, goedkoper te maken, maar ook doordat zij bij de eerste sporadische invoering van de machine de door de bezitter van de machine gebruikte arbeid omzet in arbeid van een hogere orde, de maatschappelijke waarde van het machinale product boven zijn individuele waarde verhoogt en de kapitalist zodoende in staat stelt met een kleiner waardedeel van het dagproduct de dagwaarde van de arbeidskracht te vervangen. Gedurende deze overgangsperiode, waarin het machinale bedrijf een soort monopolie blijft, zijn daardoor de winsten buitengewoon groot en de kapitalist tracht deze ‘dagen van de eerste liefde’ zo grondig mogelijk uit te buiten door een zo groot mogelijke verlenging van de arbeidsdag. De grootte van de winst prikkelt de geeuwhonger naar meer winst.
Naarmate het gebruik van machines in dezelfde bedrijfstakken algemeen wordt, daalt de maatschappelijke waarde van het machinale product tot zijn individuele waarde en wordt de wet van kracht volgens welke de meerwaarde niet voortvloeit uit de arbeidskrachten die de kapitalist door de machine heeft vervangen, maar omgekeerd uit de arbeidskrachten, die hij met de machine aan het werk zet. De meerwaarde vloeit slechts voort uit het variabele deel van het kapitaal en de hoeveelheid meerwaarde wordt, zoals we hebben gezien, bepaald door twee factoren: de meerwaardevoet en het aantal gelijktijdig aan het werk gezette arbeiders. Bij een gegeven lengte van de arbeidsdag wordt de meerwaardevoet bepaald door de verhouding waarin de arbeidsdag is verdeeld in noodzakelijke arbeid en meerarbeid. Het aantal gelijktijdig aan het werk gezette arbeiders is weer afhankelijk van de verhouding waarin het variabele kapitaaldeel staat tot het constante kapitaaldeel. Het is nu duidelijk dat in het machinale bedrijf, ongeacht in welke mate door vergroting van de arbeidsproductiviteit de meerarbeid ten koste van de noodzakelijke arbeid groter wordt, dit slechts kan worden bereikt door het aantal arbeiders, dat door een gegeven kapitaal in dienst wordt genomen, te verminderen. In het machinale bedrijf wordt een deel van het kapitaal, dat voordien variabel was — dat wil zeggen werd omgezet in levende arbeidskracht — in machinerie omgezet, dus in constant kapitaal dat geen meerwaarde produceert. Het is niet mogelijk om bijvoorbeeld uit 2 arbeiders evenveel meerwaarde te persen als uit 24 arbeiders. Wanneer elk van de 24 arbeiders per 12 uur slechts 1 uur meerarbeid levert, leveren zij samen 24 uur meerarbeid, terwijl de totale arbeid van de twee arbeiders bij elkaar niet meer dan 24 uur telt. In het gebruik van machinerie bij de productie van meerwaarde ligt dus een immanente tegenstrijdigheid opgesloten, omdat van de twee factoren van de meerwaarde, die door een kapitaal van gegeven grootte wordt voortgebracht, er slechts één, de meerwaardevoet, wordt vergroot doordat de andere factor, het aantal arbeiders, wordt verkleind. Deze immanente tegenstrijdigheid treedt aan het daglicht zodra door de algemene invoering van de machinerie in een bedrijfstak de waarde van de machinaal vervaardigde waren de maatschappelijk regulerende waarde wordt van alle waren van dezelfde soort. En het is wederom deze tegenstrijdigheid die het kapitaal, zonder dat het zich hiervan bewust is,[153] drijft tot de meest gewelddadige verlenging van de arbeidsdag ten einde de afneming van het relatieve aantal uitgebuite arbeiders te compenseren, niet alleen door de relatieve, maar ook door de absolute meerarbeid.
Wanneer dus de kapitalistische toepassing van de machinerie enerzijds nieuwe, machtige drijfveren schept tot een mateloze verlenging van de arbeidsdag en zowel in de methode van werken zelf als in het karakter van het maatschappelijke arbeidsorganisme een omwenteling teweegbrengt die de weerstand tegen deze tendentie breekt, brengt zij anderzijds — gedeeltelijk door het openstellen voor het kapitaal van voordien ontoegankelijke lagen der arbeidersklasse, gedeeltelijk door het vrijmaken van de door machines verdrongen arbeiders — een overvloedige arbeidersbevolking[154] voort, welke zich door het kapitaal de wet moet laten voorschrijven. Vandaar het merkwaardige verschijnsel uit de geschiedenis van de moderne industrie, dat de machine alle zedelijke en natuurlijke grenzen van de arbeidsdag uitwist en vandaar de economische paradox, dat het machtigste middel tot verkorting van de arbeidstijd het meest onfeilbare middel wordt om het gehele leven van de arbeider en zijn gezin om te zetten in arbeidstijd, welke beschikbaar is voor de meerwaardevorming van het kapitaal. ‘Indien,’ zo droomde Aristoteles, de grootste denker uit de klassieke Oudheid, ‘indien ieder werktuig op bevel of, beter nog, uit zichzelf de daarbij behorende werkzaamheden kon verrichten, zoals de scheppingen van Daedalus uit zichzelf bewogen of zoals de drievoeters van Hephaestus, die op eigen initiatief de heilige arbeid verrichtten, indien op deze wijze de weefgetouwen uit zichzelf zouden weven, zouden de meesters geen knechten, de heren geen slaven nodig hebben.’[155] En Antipatros, een Griekse dichter uit de tijd van Cicero, begroette de uitvinding van de watermolen voor het malen van graan, deze elementaire vorm van alle productieve machinerie, als de bevrijdster der slavinnen en als de oorzaak van het herstel van de Gouden Eeuw![156] ‘De heidenen, ja de heidenen!’ Zoals de snuggere Bastiat heeft ontdekt en vóór hem reeds de nog slimmere MacCulloch, begrepen deze heidenen niets van de economie en van het christendom. Zij begrepen onder andere niet dat de machine het meest probate middel is voor de verlenging van de arbeidsdag. Misschien verontschuldigden zij de slavernij van de één als middel tot volledige menselijke ontwikkeling van de ander. Maar om de slavernij van de massa te prediken, om enige onbehouwen of half beschaafde parvenu’s te maken tot eminent spinners (vooraanstaande spinners), extensive sausage makers (grote worstmakers) en influential shoe black dealers (invloedrijke schoensmeerhandelaars), daartoe ontbrak bij hen het specifiek christelijke orgaan.
De mateloze verlenging van de arbeidsdag — gevolg van de toepassing van de machinerie door het kapitaal — leidt, zoals wij zagen, later tot een reactie bij de in de grond van haar bestaan bedreigde maatschappij en daardoor tot een wettelijk beperkte, normale arbeidsdag. Op basis hiervan wordt een verschijnsel, dat wij vroeger reeds ontmoet hebben, van beslissende betekenis — namelijk de intensivering van de arbeid. Bij de analyse van de absolute meerwaarde ging het voornamelijk om de extensieve grootte van de arbeid, waarbij de mate van haar intensiteit als gegeven werd verondersteld. We moeten nu de omzetting van de extensieve grootte in de intensieve grootte bekijken.
Het spreekt vanzelf dat met de ontwikkeling van het machinewezen en met de opgehoopte ervaring van een aparte klasse van machinearbeiders de snelheid en daardoor de intensiteit van de arbeid op natuurlijke wijze toeneemt. Zo gaat in Engeland gedurende een halve eeuw de verlenging van de arbeidsdag gepaard met een toenemende intensiteit van de fabrieksarbeid. Men begrijpt echter dat bij werkzaamheden, waar het niet gaat om een tijdelijk paroxisme, maar om een dagelijks terugkerende, regelmatige gelijkvormigheid, een punt zal worden bereikt waarop verlenging van de arbeidsdag en toeneming van de arbeidsintensiteit elkaar uitsluiten, zodat verlenging van de arbeidsdag slechts met een lagere graad van arbeidsintensiteit en omgekeerd een hogere graad van intensiteit slechts met verkorting van de arbeidsdag verenigbaar zijn. Zodra de geleidelijk toenemende verontwaardiging van de arbeidersklasse de staat dwong de arbeidstijd met geweld te verkorten en in het bijzonder voor de eigenlijke fabriek een normale arbeidsdag voor te schrijven, vanaf het ogenblik dus, waarop vergroting van de productie van meerwaarde door middel van verlenging van de arbeidsdag voor goed onmogelijk was gemaakt, wierp het kapitaal zich met alle macht en in volle bewustzijn op de productie van relatieve meerwaarde door middel van een versnelde ontwikkeling van het machinesysteem. Tegelijkertijd kwam een verandering tot stand in de aard van de relatieve meerwaarde. In het algemeen houdt de productiemethode van de relatieve meerwaarde in dat door een grotere arbeidsproductiviteit de arbeider in staat wordt gesteld met dezelfde arbeidsinspanning in dezelfde tijd meer te produceren. Dezelfde arbeidstijd voegt, evenals voorheen, dezelfde waarde aan het totale product toe, hoewel deze ongewijzigde ruilwaarde nu over een grotere gebruikswaarde wordt verdeeld, waardoor de waarde van het afzonderlijke product daalt. De zaak ligt echter anders bij een gedwongen verkorting van de arbeidsdag. Deze brengt een enorme impuls met zich mee voor de ontwikkeling van de productiviteit en van de besparing op de productiemiddelen, waardoor de arbeider in zulk een mate wordt gedwongen tot een grotere besteding van arbeid in dezelfde tijd, tot een grotere inspanning van de arbeidskracht, tot een verdere opvulling van de poriën van de arbeidstijd, dat wil zeggen van de condensatie van de arbeid, als ook maar enigszins bereikbaar is binnen de verkorte arbeidsdag. Dit samenpersen van een grotere massa arbeid in een gegeven tijdsruimte telt nu voor wat het is: een grotere hoeveelheid arbeid. De arbeidstijd wordt nu niet meer alleen gemeten als een ‘lengtegrootheid’, maar ook naar de intensiteit.[157] Het meer intensieve uur van de 10-urige arbeidsdag bevat nu evenveel of meer arbeid, dat wil zeggen bestede arbeidskracht, dan het meer poreuze uur van de 12-urige arbeidsdag. Zijn product bezit dus evenveel of meer waarde dan dat van de meer poreuze 11/5 uur. Afgezien van de vergroting van de relatieve meerwaarde door de gestegen arbeidsproductiviteit, leveren nu bijvoorbeeld 31/3 uur meerarbeid op 62/3 uur noodzakelijke arbeid de kapitalist dezelfde massa waarde als voorheen 4 uur meerarbeid op 8 uur noodzakelijke arbeid.
De vraag rijst nu hoe de arbeid wordt geïntensiveerd.
Het eerste effect van de verkorte arbeidsdag berust op de vanzelfsprekende wet, volgens welke het vermogen van de arbeidskracht omgekeerd evenredig is met de lengte van de arbeidstijd. Binnen bepaalde grenzen wordt dus aan krachtsinspanning gewonnen, wat aan arbeidsduur verloren gaat. Het kapitaal zorgt er via de methode van betaling wel voor dat de arbeider ook inderdaad meer arbeidskracht besteedt.[158] In manufacturen waar de machinerie geen of een onbelangrijke rol speelt, bijvoorbeeld in de pottenbakkerij, heeft de invoering van de fabriekswet op overtuigende wijze bewezen dat alleen al de verkorting van de arbeidsdag de regelmatigheid, gelijkvormigheid, orde, continuïteit en energie van de arbeid opvallend verhoogt.[159] Dit resultaat scheen in de eigenlijke fabriek echter twijfelachtig te zijn, omdat hier de afhankelijkheid van de arbeider van de bestendige en gelijkvormige beweging van de machine reeds lang tot de strengste discipline geleid had. Toen men zich dan ook in 1844 bezighield met verkorting van de arbeidsdag tot minder dan 12 uur, verklaarden de fabrikanten vrijwel eenstemmig dat ‘hun opzichters in de verschillende arbeidslokalen er voor zorgden dat de arbeiders geen tijd verloren laten gaan’, dat ‘de mate van waakzaamheid en oplettendheid bij de arbeiders (the extent of vigilance and attention on the part of the workmen) nauwelijks nog kon worden opgevoerd’ en dat daarom — wanneer men uitging van de veronderstelling dat alle overige omstandigheden, zoals de snelheid van de machine, enzovoort, ongewijzigd bleven — ‘het onzin zou zijn in goed geleide fabrieken enig belangrijk resultaat te verwachten van de grotere oplettendheid, enzovoort, van de arbeider.’[160] Deze bewering werd door experimenten weerlegd. De heer R. Gardner liet in zijn twee grote fabrieken in Preston met ingang van 20 april 1844 slechts 11 in plaats van 12 uur per dag werken. Na verloop van ongeveer een jaar bleek het resultaat te zijn dat ‘dezelfde hoeveelheid product tegen dezelfde kosten werd verkregen en dat de arbeiders tezamen in 11 uur evenveel arbeidsloon verdienden als vroeger in 12 uur.’[161] Ik behandel hier niet de experimenten in de spin- en kaardkamers, omdat deze gepaard gingen met een toeneming van de snelheid van de machines met 2 %. In de weefafdeling daarentegen, waar bovendien zeer uiteenlopende soorten lichte, met figuren versierde fantasieartikelen werden geweven, vond geen enkele verandering in de objectieve productievoorwaarden plaats. Het resultaat was: ‘Van 6 januari 1844 tot 20 april 1844, met een 12-urige arbeidsdag, een gemiddeld weekloon per arbeider van 10s. 11/2d.; van 20 april 1844 tot 29 juni 1844 met een 11-urige arbeidsdag een gemiddeld weekloon van 10s. 31/2d.’[162] Hier werd, uitsluitend ten gevolge van een groter en gelijkmatiger krachtsinspanning van de arbeider en van een economische besteding van hun tijd, in 11 uur meer geproduceerd dan voordien in 12 uur. Terwijl de arbeiders hetzelfde loon ontvingen en 1 uur aan vrije tijd wonnen, kreeg de kapitalist dezelfde hoeveelheid producten en bespaarde hij voor 1 uur de uitgaven voor kolen, gas, enzovoort. Soortgelijke experimenten werden met hetzelfde resultaat uitgevoerd in de fabrieken van de heren Horrocks en Jacson.[163]
De verkorting van de arbeidsdag schept in de eerste plaats de subjectieve voorwaarden voor de condensatie van de arbeid, namelijk de capaciteit van de arbeider om in een gegeven tijd meer kracht te leveren. Zodra de verkorting van de arbeidsdag bij de wet wordt afgedwongen, wordt de machine in handen van het kapitaal het objectieve en systematisch gebruikte middel om in dezelfde tijd meer arbeid af te dwingen. Dit geschiedt op twee manieren: door verhoging van de snelheid der machines en door uitbreiding van het aantal door dezelfde arbeider te bedienen machines, dat wil zeggen door vergroting van zijn arbeidsterrein. Een verbeterde constructie van de machinerie is gedeeltelijk noodzakelijk om op de arbeider een grotere druk uit te oefenen, maar gedeeltelijk vloeit zij ook automatisch voort uit de intensivering van de arbeid, omdat de inkrimping van de arbeidsdag de kapitalist dwingt zo zuinig mogelijk met de productiekosten om te springen. De verbetering van de stoommachine verhoogt het aantal cilinderslagen per minuut en maakt het tegelijkertijd door een grotere krachtsbesparing mogelijk een groter mechanisme bij een gelijkblijvend of zelfs dalend verbruik van kolen met dezelfde motor aan te drijven. De verbetering van het transmissiemechanisme vermindert de wrijving en — hetgeen zo typerend is voor het verschil tussen moderne en oude machines — vermindert de doorsnee en het gewicht van de grote en kleine as-overbrenging tot een steeds kleiner minimum. De verbeteringen van de arbeidsmachines ten slotte verkleinen, zoals bij het moderne stoomweefgetouw, bij een grotere snelheid en efficiëntie de omvang van. de machine of vergroten, zoals bij de spinmachine, met de romp van de machine ook de omvang en het aantal van de voortbewogen werktuigen of vergroten de bewegelijkheid van deze werktuigen door eenvoudige detailveranderingen, zoals bij de self-acting mule, waarbij in de jaren 50 van de negentiende eeuw de snelheid van de spindels met 1/5 werd vergroot.
In Engeland dateert de verkorting van de arbeidsdag tot 12 uur van 1832. Reeds in 1836 verklaarde een Engelse fabrikant: ‘Vergeleken met vroeger is de arbeid, welke in de fabrieken wordt verricht, sterk toegenomen, omdat de aanzienlijk grotere snelheid van de machinerie een grotere oplettendheid en activiteit van de arbeider vergt.’[164] In 1844 legde Lord Ashley, de tegenwoordige Graaf Shaftesbury, in het Lagerhuis de volgende, gedocumenteerde verklaring af:
‘De arbeid van hen, die in het fabrieksproces zijn ingeschakeld, is thans drie keer zo groot als bij de invoering van die bewerkingen. Ongetwijfeld heeft de machinerie het werk verricht, dat de krachten van miljoenen mensen zou vergen, maar zij heeft ook op verbazingwekkende wijze de arbeid doen toenemen van de mensen, die door haar vreselijke bewegingen worden beheerst. . . De arbeid om een paar mules (soort spinmachine) voor het spinnen van garen nr. 40 gedurende 12 uur bij te houden, omvatte in 1825 het afleggen van een afstand van 8 Engelse mijl. In 1832 bedroeg deze afstand bij de bediening van een paar mules voor het spinnen van garen van hetzelfde nummer gedurende 12 uur 20 Engelse mijl en vaak meer. En 1825 moest de spinner bij iedere mule in 12 uur 820 trekbewegingen maken, voor 12 uur dus een totaal van 1640 van deze bewegingen. In 1832 moest de spinner tijdens zijn 12-urige arbeidsdag bij iedere mule 2.200 trekbewegingen maken, tezamen 4.400; in 1844 bij iedere mule 2.400 trekbewegingen, tezamen 4.800. En in sommige gevallen is de vereiste hoeveelheid arbeid (amount of labour) nog groter. . . Ik heb hier een ander document uit 1842 in handen, waaruit blijkt dat de arbeid progressief toeneemt, niet slechts omdat een grotere afstand moet worden afgelegd, maar omdat de hoeveelheid geproduceerde waren toeneemt terwijl het aantal arbeiders verhoudingsgewijs afneemt en verder omdat nu vaak katoen van slechtere kwaliteit wordt gesponnen, waarvoor meer arbeid nodig is. . . Ook bij het kaarden is de arbeid sterk toegenomen. Eén persoon doet nu het werk, dat vroeger over twee personen was verdeeld. . . In de weverij, waar een groot aantal personen, merendeels vrouwen, werken, is de arbeid ten gevolge van de grotere snelheid der machinerie gedurende het laatste jaar met een volle 10 % toegenomen. In 1838 bedroeg het aantal strengen, dat wekelijks werd gesponnen, 18.000 en in 1843 waren dat er 21.000. In 1819 bedroeg het aantal aanslagen bij het stoomweefgetouw 60 per minuut en in 1842 140, hetgeen wijst op een grote toeneming van de hoeveelheid arbeid.’[165]
Gezien deze merkwaardige intensiteit, die de arbeid onder de heerschappij van de 12-urenwet in 1844 reeds had bereikt, scheen toen de verklaring van de Engelse fabrikanten juist te zijn, volgens welke een verdere voortgang in deze richting onmogelijk zou zijn en dus iedere verdere verkorting van de arbeidstijd zou neerkomen op een daling van de productie. Deze schijnbare juistheid van hun redenering kan niet beter worden bewezen dan aan de hand van de volgende, eveneens in die tijd geuite verklaring van hun onvermoeibare censor, de fabrieksinspecteur Leonhard Horner:
‘Aangezien de geproduceerde hoeveelheid voornamelijk wordt bepaald door de snelheid van de machine, moet het in het belang van de fabrikant zijn de machines te laten draaien met een zo groot mogelijke snelheid, die nog met de volgende voorwaarden verenigbaar is: voorkoming van een te snelle slijtage van de machine, instandhouding van de kwaliteit van het geproduceerde artikel en vermogen van de arbeider om de beweging bij te houden, zonder een grotere krachtsinspanning dan hij voor langere tijd kan volhouden. Het gebeurt vaak dat de fabrikant in zijn haast de beweging te sterk versnelt. Breuken en slechte kwaliteit wegen dan ruimschoots op tegen de snelheid en hij wordt gedwongen de snelheid van de machine te matigen. Er van uitgaande dat een actieve en intelligente fabrikant het bereikbare maximum zou weten te vinden, kwam ik tot de conclusie dat het onmogelijk zou zijn in 11 uur evenveel te produceren als in 12 uur. Bovendien nam ik aan dat de tegen stukloon werkende arbeider zich tot die uiterste graad van intensiteit zou inspannen, welke hij voor langere tijd zou kunnen volhouden.’[166] Horner kwam derhalve, ondanks de experimenten van Gardner en anderen tot de conclusie, dat een verdere daling van de arbeidsdag beneden de 12 uur de hoeveelheid product wel moest verminderen.[167] Tien jaar later citeert hij zelf deze mening uit 1845 als bewijs hoe weinig hij toen nog had begrepen van de elasticiteit van de machine en van de menselijke arbeidskracht, die beide door de wettelijke verkorting van de arbeidsdag in gelijke mate tot het uiterste werden gespannen.
Laten wij nu eens de periode ná 1847 bekijken, toen de 10-urenwet werd ingevoerd in de Engelse katoen-, wol-, zijde- en vlasfabrieken.
‘De snelheid van de spindels is bij de throstle met 500, bij de mule met 1.000 omwentelingen per minuut toegenomen: de snelheid van de spindel van de throstle, welke in 1839 4.500 omwentelingen per minuut bedroeg, bedraagt nu (1862) 5.000 en die van de spindel van de mule, die 5.000 bedroeg, bedraagt nu 6.000 omwentelingen per minuut; dit betekent in het eerste geval een vergroting van de snelheid met 1/10, in het tweede geval met 1/5.’[168] James Nasmyth, de beroemde civielingenieur uit Patricroft bij Manchester, gaf in een in 1852 aan Leonhard Horner geschreven brief een uiteenzetting van de verbeteringen, die de stoommachine in de jaren 1848-52 had ondergaan. Na te hebben opgemerkt dat de stoompaardenkracht, welke in officiële fabrieksstatistiek voortdurend gewaardeerd wordt naar haar werking in 1828,[169] alleen nog maar nominaal is en slechts kan dienen als index van de werkelijke kracht, zegt hij onder meer: ‘Het lijdt geen twijfel dat de stoommachine van hetzelfde gewicht, waar slechts moderne verbeteringen zijn aangebracht, gemiddeld 50 % meer arbeid verricht dan voordien en dat in vele gevallen dezelfde, identieke stoommachines, welke in de dagen van de beperkte snelheid van 220 voet per minuut 50 paardenkracht leverden, op het ogenblik, met een kleiner kolenverbruik, meer dan 100 paardenkracht leveren. . . De moderne stoommachine met dezelfde nominale paardenkracht wordt ten gevolge van verbeteringen in de constructie, geringere omvang, bouw van de stoomketel, enzovoort, met een grotere kracht dan vroeger aangedreven. . . Hoewel dus hetzelfde aantal arbeiders als vroeger in verhouding tot de nominale paardenkracht wordt gebruikt, worden minder arbeiders gebruikt in verhouding tot de arbeidsmachinerie.’[170] In 1850 werden in de fabrieken in het Verenigde Koninkrijk 134.217 nominale paardenkracht gebruikt ten einde 25.638.716 spindels en 301.495 weefgetouwen te laten draaien. In 1856 bedroeg het aantal spindels en weefgetouwen respectievelijk 33.503.580 en 369.205. Zou de benodigde paardenkracht dezelfde zijn gebleven als in 1850, dan zou men in 1856 175.000 paardenkracht nodig gehad hebben. Maar volgens de officiële statistiek waren dit er slechts 161.435, dus meer dan 10.000 paardenkracht minder dan berekend op basis van 1850.[171] ‘De door de laatste officiële statistiek van 1856 vastgestelde feiten tonen aan, dat het fabriekssysteem onstuimig snel om zich heen grijpt, dat het aantal arbeiders in verhouding tot de machinerie is gedaald, dat de stoommachine door besparing van de kracht en door andere methodes een groter machinegewicht aandrijft en dat een grotere hoeveelheid product wordt verkregen ten gevolge van verbeterde arbeidsmachines, gewijzigde methodes van vervaardiging, grotere snelheid der machinerie en vele andere oorzaken.’[172] ‘Doordat bij allerlei soorten machines belangrijke verbeteringen werden aangebracht, werd het productieve vermogen van die machines aanzienlijk vergroot. Zonder enige twijfel gaf de verkorting van de arbeidsdag. . . de stoot tot deze verbeteringen. Deze verbeteringen en de meer intensieve inspanning van de arbeiders hadden tot gevolg dat in de (met 2 uur of 1/6 deel -M.) verkorte arbeidsdag evenveel werd geproduceerd als vroeger gedurende de langere arbeidsdag.’[173]
Hoezeer de verrijking van de fabrikanten toenam met de intensievere uitbuiting van de arbeidskracht wordt reeds bewezen door het feit dat de gemiddelde proportionele groei van de Engelse katoen en andere fabrieken in de periode van 1838 tot 1850 32 % bedroeg, in de periode van 1850 tot 1856 daarentegen 86 %.
Hoe groot de vooruitgang van de Engelse industrie in de achtjarige periode van 1848 tot 1856 onder de heerschappij van de 10-urige arbeidsdag ook was, deze werd verre overvleugeld in de daarop volgende zesjarige periode van 1856 tot 1862. In de zijdefabrieken bijvoorbeeld bedroeg het aantal spindels in 1856: 1.093.799; in 1862: 1.388.544; het aantal weefgetouwen in 1856: 9.260 en in 1862: 10.709. Het aantal arbeiders daarentegen bedroeg in 1856: 56.131 en in 1862: 52.429. Dit betekent een toeneming van het aantal spindels met 26,9 % en van het aantal weefgetouwen met 15,6 %, bij een gelijktijdige daling van het aantal arbeiders met 7 %. In de kamgarenfabrieken bedroeg het aantal spindels in 1850: 875.830; in 1856: 1.324.549 (stijging van 21,2 %) en in 1862: 1.289.172 (daling van 2,7 %). Trekt men echter de doubleerspindels af, die bij de gegevens voor 1856 wél, maar voor 1862 niet werden opgenomen, dan blijft het aantal spindels sinds 1856 vrijwel hetzelfde. Daarentegen werd sedert 1850 in vele gevallen de snelheid van de spindels en weefgetouwen verdubbeld. Het aantal stoomweefgetouwen in de kamgarenfabrieken bedroeg in 1850: 32.617; in 1856: 38.956; in 1862: 43.048. Het aantal hierbij betrokken arbeiders bedroeg in 1850: 79.737; in 1856: 87.794; in 1862: 86.063; hiervan waren echter kinderen beneden de 14 jaar in 1850: 9.956; in 1856: 11.228; in 1862: 13.178. Vergelijken we het jaar 1862 met het jaar 1866, dan zien we dat ondanks de sterke stijging van het aantal weefgetouwen het totale aantal in dienst genomen arbeiders afnam, het aantal uitgebuite kinderen toenam.[174]
Op 27 april 1863 verklaarde het parlementslid Ferrand in het Lagerhuis: ‘Gedelegeerden van arbeiders uit 16 districten van Lancashire en Cheshire, in wier opdracht ik spreek, hebben mij medegedeeld dat ten gevolge van de verbetering van de machinerie de arbeid in de fabrieken voortdurend zwaarder wordt. Terwijl vroeger één persoon met twee helpers twee weefgetouwen bediende, bedient hij nu drie weefgetouwen zonder helpers en het is helemaal niet ongewoon dat één persoon vier weefgetouwen bedient, enzovoort. Zoals uit de medegedeelde feiten blijkt, wordt de arbeid van 12 uur nu in minder dan 10 arbeidsuren samengeperst. Het is dus duidelijk in welke omvangrijke mate de inspanning van de fabrieksarbeiders in de laatste jaren is toegenomen.’[175]
Ofschoon dus de fabrieksinspecteurs de gunstige resultaten van de fabriekswet in de periode 1844-50 onvermoeid en volkomen terecht prezen, geven zij toch toe dat de verkorting van de arbeidsdag een intensiteit van de arbeid heeft veroorzaakt, welke schadelijk is voor de gezondheid van de arbeider, dus voor de arbeidskracht zelf. ‘In de meeste katoen-, kamgaren- en zijdefabrieken schijnt een uitputtende toestand van opwinding, noodzakelijk voor de arbeid aan de machines waarvan de beweging de laatste jaren zo buitengewoon versneld is, een der oorzaken te zijn van de grote toeneming van sterfte aan longziekten, welke door dr. Greenhow in zijn recent, uitnemend rapport werd gesignaleerd.’[176] Het lijdt niet de minste twijfel dat de neiging van het kapitaal om, zodra verlenging van de arbeidsdag door de wet eens en voor al onmogelijk is gemaakt, zijn hart op te halen aan een systematische vergroting van de intensiteit van de arbeid en om iedere verbetering van de machinerie te veranderen in een middel tot grotere uitzuiging der arbeidskracht, spoedig weer een keerpunt moet bereiken, waarop wederom een daling van het aantal arbeidsuren onvermijdelijk wordt.[177] Anderzijds overvleugelt de opmars van de Engelse industrie vanaf 1848 tot op heden (dat wil zeggen gedurende de periode van de 10-urige arbeidsdag) in nóg sterkere mate de jaren 1838 tot 1847 (dat wil zeggen de periode van de 12-urige arbeidsdag) dan de laatste periode (1838-47) de afgelopen vijftig jaar sinds de invoering van het fabrieksstelsel (dat wil zeggen de periode van de onbeperkte arbeidsdag) overvleugelt.[178]
In het begin van dit hoofdstuk bekeken wij het lichaam van de fabriek, de organisatie van het machinesysteem. Wij zagen toen hoe de machinerie het menselijk uitbuitingsmateriaal van het kapitaal door toe-eigening van vrouwen- en kinderarbeid vergroot, hoe zij door een mateloze verlenging van de arbeidsdag beslag legt op het gehele leven van de arbeider en hoe haar ontwikkeling — welke het mogelijk maakt een enorm toegenomen hoeveelheid product in een steeds kortere tijd te leveren — ten slotte dient als een systematisch middel om op ieder tijdstip meer arbeid los te maken en de arbeidskracht op een steeds intensievere wijze uit te buiten. We zullen nu het geheel van de fabriek bekijken en wel in haar meest ontwikkelde vorm.
Dr. Ure, de Pindarus van de automatische fabriek, beschrijft deze enerzijds als ‘een coöperatie van verschillende categorieën arbeiders, volwassenen en onvolwassenen, die met bekwaamheid en vlijt een systeem van productieve machinerie bedienen, dat ononderbroken door een centrale kracht in beweging wordt gezet’ en anderzijds als ‘een enorme automaat, welke is samengesteld uit talloze mechanische en zelfbewuste organen, die in onderlinge verstandhouding en zonder onderbreking werken om één en hetzelfde voorwerp te produceren, zodat al deze organen ondergeschikt zijn aan een beweegkracht, welke zelfregulerend is’. Deze twee beschrijvingen zijn beslist niet identiek. In de ene beschrijving is de gecombineerde totaalarbeider of het maatschappelijk arbeidslichaam het dominerende subject en de mechanische automaat het object; in de andere beschrijving is de automaat zelf het subject en zijn de arbeiders slechts de bewuste organen, welke zijn toegevoegd aan de onbewuste organen van de automaat, welke mét die automaat ondergeschikt zijn gemaakt aan de centrale beweegkracht. De eerste omschrijving gaat op voor iedere mogelijke toepassing van de machinerie in het groot, de andere beschrijving kenmerkt haar kapitalistische toepassing en derhalve het moderne fabriekssysteem. Ure houdt er dan ook van om de centrale machine, van welke de beweging uitgaat, niet alleen te beschrijven als een automaat, maar ook als een autocraat. ‘In deze grote werkplaatsen verzamelt de weldadige macht van de stoom haar tienduizenden onderdanen om zich heen.’[179]
Mét het arbeidswerktuig gaat ook de virtuositeit van de arbeider bij het hanteren van dit werktuig over op de machine. Het productievermogen van het werktuig wordt bevrijd van de persoonlijke grenzen der arbeidskracht. Hierdoor is ook de technische basis opgeheven, waarop de arbeidsverdeling der manufactuur berust. In plaats van de deze arbeidsverdeling kenmerkende hiërarchie der gespecialiseerde arbeiders komt dan ook in de automatische fabriek de tendentie tot gelijkmaking of nivellering der werkzaamheden, die door de helpers van de machinerie moeten worden verricht;[180] het kunstmatig tot stand gebrachte onderscheid tussen de deelarbeiders wordt voornamelijk vervangen door het natuurlijke onderscheid van leeftijd ai geslacht.
Voor zover de arbeidsverdeling in de automatische fabriek weer optreedt, is deze in de eerste plaats een verdeling van arbeiders over de gespecialiseerde machines en van groepen arbeiders (die echter geen organische groepen vormen) over de verschillende afdelingen van de fabriek, waar zij hun werk verrichten aan naast elkaar geplaatste, gelijksoortige werktuigmachines, hetgeen betekent dat tussen hen slechts sprake is van een eenvoudige coöperatie. De organische groep van de manufactuur wordt vervangen door het verband tussen de voorman en zijn enkele helpers. De werkelijke scheiding is die tussen de arbeiders, die in feite werken met de werktuigmachine (waarbij nog enige arbeiders komen, die de beweegmachines onderhouden en van brandstof voorzien) en de zuivere handlangers (bijna uitsluitend kinderen) van deze machinearbeiders. Tot deze handlangers rekent men ook vrijwel alle feeders (personen, die de machine van arbeidsstof voorzien). Naast deze hoofdklassen vinden we nog een numeriek onbetekenend personeel, dat tot taak heeft het totale mechanisme te controleren en in goede staat te houden: ingenieurs, werktuigkundigen, schrijnwerkers, enzovoort. Het is een hogere, gedeeltelijk wetenschappelijk gevormde, gedeeltelijk uit handwerkslieden bestaande categorie arbeiders, die buiten de kring der fabrieksarbeiders staan en hun slechts zijn toegevoegd.[181] Deze arbeidsverdeling is een louter technische.
De arbeider moet zich op jeugdige leeftijd de machinearbeid eigen maken, opdat hij zijn eigen beweging leert aanpassen aan de gelijkvormige, continue beweging van een automaat. Voor zover het totale mechanisme zelf een systeem vormt van veelsoortige, gelijktijdig werkende en gecombineerde machines, vergt ook de hierop berustende coöperatie een verdeling van verschillende soorten arbeidersgroepen over de verschillende soorten machines. Maar het machinale bedrijf maakt een einde aan de noodzaak om deze verdeling, zoals bij de manufactuur, vast te leggen door steeds dezelfde arbeider aan dezelfde functie te binden.[182] Aangezien de totale beweging van de fabriek niet van de arbeider, maar van de machine uitgaat, kan zonder onderbreking van het arbeidsproces voortdurend een wisseling van personen plaatsvinden. Het treffendste bewijs hiervoor vinden we in het ploegenstelsel, dat gedurende de revolte van de Engelse fabrikanten in de jaren 1848-50 werd ingevoerd. De snelheid ten slotte, waarmee op jeugdige leeftijd de arbeid aan de machine wordt geleerd, maakt eveneens een einde aan de noodzaak een bepaalde klasse arbeiders uitsluitend tot machinearbeiders op te leiden.[183] De werkzaamheden van hen, die alleen maar helpers zijn, kunnen in de fabriek gedeeltelijk door machines worden vervangen[184] en voor de rest kunnen de personen, die met dit gezwoeg zijn belast, door de grote eenvoud van het werk snel en voortdurend door anderen worden vervangen.
Ofschoon de machinerie het oude systeem der arbeidsverdeling technisch overhoop gooit, houdt het zich aanvankelijk als traditie van de manufactuur, als gewoonte in de fabriek in stand om vervolgens systematisch in een nog weerzinwekkender vorm door het kapitaal te worden gereproduceerd en vastgelegd als middel tot uitbuiting van de arbeidskracht. Van de specialiteit levenslang een deelwerktuig te hanteren maakte men de specialiteit levenslang een deelmachine te bedienen. De machinerie wordt misbruikt om de arbeider zelf van kindsbeen af te maken tot een deel der deelmachine.[185] Niet alleen dat zodoende de voor zijn eigen reproductie noodzakelijke kosten aanzienlijk worden verlaagd, maar tevens wordt zijn hulpeloze afhankelijkheid van de fabriek als totaliteit, dus van de kapitalist, voltooid. Zoals overal, dienen we ook hier een onderscheid te maken tussen de grotere productiviteit, welke te danken is aan de ontwikkeling van het maatschappelijk productieproces, en de grotere productiviteit, welke te danken is aan de kapitalistische uitbuiting.
In de manufactuur en het ambacht bedient de arbeider zich van het werktuig, in de fabriek dient hij de machine. In het eerste geval gaat beweging van het arbeidsmiddel van hem uit, in het tweede geval moet hij de beweging van het arbeidsmiddel volgen. In de manufactuur zijn de arbeiders ledematen van een levend mechanisme. In de fabriek bestaat een van hen onafhankelijk, dood mechanisme en de arbeiders worden daar als een levend aanhangsel bij ingelijfd. ‘De trieste sleur van een eindeloze arbeidskwelling, waarbij hetzelfde mechanische proces steeds weer wordt herhaald, lijkt op de arbeid van Sisyfus; de last van de arbeid valt, als het rotsblok, steeds weer op de afgematte arbeider terug.’[186] Terwijl de machinearbeid het zenuwstelsel tot het uiterste aantast, onderdrukt deze het veelzijdige spel der spieren en legt beslag op alle vrije lichamelijke en geestelijke werkzaamheid.[187] Zelfs de verlichting van de arbeid wordt middel tot kwelling, doordat de machine de arbeider niet bevrijdt van de arbeid, maar aan zijn arbeid de inhoud ontneemt. Alle kapitalistische productie heeft, voor zover zij niet alleen arbeidsproces maar tevens meerwaardevormingsproces van het kapitaal is, gemeen dat de arbeider niet de arbeidsvoorwaarden, maar omgekeerd de arbeidsvoorwaarden de arbeider gebruikt; maar pas met de machinerie krijgt deze omkering een technische, tastbare werkelijkheid. Door zijn verandering in een automaat komt het arbeidsmiddel gedurende het arbeidsproces zelf tegenover de arbeider te staan als kapitaal, als dode arbeid, welke de levende arbeidskracht beheerst en uitzuigt. De scheiding tussen de geestelijke krachten van het productieproces en de handarbeid en de verandering van die krachten in de macht van het kapitaal over de arbeid vindt, zoals hierboven reeds is aangetoond, zijn voltooiing in de op basis van de machinerie opgebouwde grootindustrie. De vaardigheid van de individuele, onbeduidende machinearbeider in één of andere deelbewerking verdwijnt in het niet vergeleken met de wetenschap, de enorme natuurkrachten en de maatschappelijke massa arbeid, welke in het machinesysteem zijn belichaamd en met dit systeem de macht van de ‘patroon’ (master) vormen. Deze patroon, in wiens brein de machines en zijn monopolie van die machines onverbrekelijk zijn vergroeid, roept daarom in geval van botsing zijn arbeiders verachtelijk toe: ‘De fabrieksarbeiders zouden er in hun eigen belang goed aan doen te bedenken, dat hun arbeid werkelijk een laag geschoolde arbeid is en dat geen ander werk zo gemakkelijk is te leren en in verhouding tot zijn kwaliteit zo ruim wordt beloond en dat er geen andere arbeid is, die door een korte opleiding van de minst ervarene zo snel en door velen kan worden eigen gemaakt. . . De machinerie van de patroon speelt werkelijk een veel belangrijkere rol bij de productie dan de arbeid en bekwaamheid van de arbeider, welke in een opleiding van zes maanden door een boerenjongen kan worden geleerd.’[188]
De technische onderwerping van de arbeider aan de gelijkvormige gang van het arbeidsmiddel en de bijzondere samenstelling van het arbeidslichaam uit personen van beide geslachten van de meest uiteenlopende leeftijden, scheppen een kazerneachtige discipline, die uitgroeit tot een volkomen fabrieksregime en die de reeds vroeger vermelde arbeid van oppertoezicht - dus tevens de verdeling van arbeiders in handarbeiders en arbeidsopzichters, in gewone industriesoldaten en industrieonderofficieren - volledig tot ontwikkeling brengt. ‘De grootste moeilijkheid in de automatische fabriek vormde de noodzakelijke discipline om de mensen van hun ongeregelde gewoonten af te brengen en om ze te vereenzelvigen met de onveranderlijke regelmaat van de grote automaat. Maar het maken en met succes toepassen van een disciplinaire code, die beantwoordde aan de eisen en aan de snelheid van het automatische systeem, was een werk Hercules waardig; dit is het edele werk van Arkwright! Zelfs vandaag, nu het systeem perfect is georganiseerd, is het bijna onmogelijk onder de volwassen arbeiders nuttige helpers te vinden voor het automatische systeem.’[189] De fabriekscode waarmee het kapitaal, zonder de anders door de burgers zo geliefde machtenscheiding en zonder het nog meer geliefde stelsel van vertegenwoordiging, zijn autocratie over de arbeiders privaatrechtelijk en eigenmachtig vestigt, is niets anders dan de kapitalistische karikatuur van de maatschappelijke regeling van het arbeidsproces, welke noodzakelijk wordt door de coöperatie op grote schaal en door het gebruik van gemeenschappelijke arbeidsmiddelen, in het bijzonder van de machinerie. Voor de zweep van de slavendrijver kwam het strafboek van de opzichter. Alle straffen komen natuurlijk neer op boete en loonaftrek en de wetgevende scherpzinnigheid van de Lykurgussen der fabriek maakt voor hen overtreding van hun wetten zo mogelijk nog lucratiever dan nakoming van de wetten.[190]
Wij wijzen slechts in het voorbijgaan op de materiële omstandigheden, waaronder de fabrieksarbeid moet worden verricht. Alle zintuigen wordt gelijkmatig geweld aangedaan door de kunstmatig verhoogde temperatuur, de met afval van grondstoffen bezwangerde lucht, het oorverdovend lawaai, enzovoort, afgezien van het levensgevaar tussen de dicht opeen geplaatste machines, die met de regelmaat der jaargetijden hun lijst van industriële gevallenen leveren.[190a] De besparing op de maatschappelijke productiemiddelen, welke pas in het fabriekssysteem als in een broeikas tot rijping komt, wordt in handen van het kapitaal tevens de systematische beroving van de levensvoorwaarden van de arbeider tijdens de arbeid: beroving van ruimte, lucht, licht en van persoonlijke middelen tot bescherming tegen levensgevaarlijke of de gezondheid aantastende omstandigheden van het productieproces, om maar niet te spreken van de inrichtingen, die dienen tot het gemak der arbeiders.[191] Spreekt Fourier ten onrechte over de fabrieken als over ‘gematigde tuchthuizen’?[192]
De strijd tussen kapitalist en loonarbeider begint met de kapitaalverhouding zelf. Deze strijd woedt gedurende de gehele manufactuurperiode.[193] Maar pas sinds de invoering van de machinerie bestrijdt de arbeider het arbeidsmiddel zélf, de materiële bestaanswijze van het kapitaal. Hij komt in opstand tegen deze bepaalde vorm van het productiemiddel als de materiële basis van de kapitalistische productiewijze.
In vrijwel geheel Europa was men gedurende de zeventiende eeuw getuige van arbeidsopstanden tegen de zogenaamde Bandmühle (ook wel Schnurrmühle of Mühlenstuhl genoemd), een machine voor het weven van banden en boordsel.[194] In de jaren 30 van de zeventiende eeuw werd een windzaagmolen, welke door een Hollander in de omgeving van Londen was gemonteerd, tijdens een oproer vernietigd. Nog in het begin van de achttiende eeuw konden in Engeland de door waterkracht aangedreven zaagmachines zich slechts met grote moeite handhaven tegenover het verzet van het volk, dat door het parlement werd gesteund. Toen Everet in 1758 de eerste door waterkracht voortbewogen machine voor wolscheren had geconstrueerd, werd deze machine door 100.000 werkloos gemaakte arbeiders in brand gestoken. Tegen de kaardmachine van Arkwright werd een verzoekschrift bij het parlement ingediend door 50.000 arbeiders, die tot dusverre met het wolkammen in hun onderhoud hadden voorzien. Gedurende de eerste vijftien jaar van de negentiende eeuw had in de Engelse manufactuurdistricten een massale vernietiging plaats van machines, voornamelijk ten gevolge van het gebruik van stoomweefgetouwen; deze onlusten, bekend onder de naam luddietenbeweging, verschafte de anti-Jacobijnse regering van een Sidmouth, Castlereagh, enzovoort, het voorwendsel tot de meest reactionaire gewelddadigheden. Er is tijd en ervaring nodig voordat de arbeider een onderscheid kan maken tussen de machine en haar kapitalistische toepassing en dus zijn aanvallen kan richten, niet tegen de materiële productiemiddelen zelf, maar tegen de maatschappelijke vorm, waarin deze productiemiddelen worden gebruikt.[195]
De strijd om het arbeidsloon binnen de manufactuur vooronderstelt het bestaan van de manufactuur en is geenszins gericht tegen het bestaan hiervan. Voor zover de vorming van manufacturen wordt bestreden, geschiedt dit door de gildemeesters en door de geprivilegieerde steden, niet door de loonarbeiders. De schrijvers uit de manufactuurperiode beschouwen daarom de arbeidsverdeling als het belangrijkste middel om virtueel arbeiders te vervangen, maar niet om werkelijk arbeiders te verdringen. Dit onderscheid spreekt vanzelf. Wanneer men bijvoorbeeld zegt dat in Engeland 100 miljoen mensen nodig zijn om met het oude spinnewiel de katoen te spinnen, welke nu door 500.000 mensen met de machine wordt gesponnen, dan wil dat natuurlijk niet zeggen dat de machine de plaats heeft ingenomen van deze miljoenen personen, die nooit hebben bestaan. Dit wil slechts zeggen dat vele miljoenen arbeiders nodig zouden zijn om de spinmachine te vervangen. Zegt men daarentegen dat het stoomweefgetouw in Engeland 800.000 wevers op straat heeft gezet, dan heeft men het niet over bestaande machines die door een bepaald aantal arbeiders zouden kunnen worden vervangen, maar over een bestaand aantal arbeiders, dat in feite door machines is vervangen of verdrongen. Het ambachtelijk bedrijf bleef, zij het ook gedesintegreerd, tijdens de manufactuurperiode de grondslag. De nieuwe koloniale markten konden door het betrekkelijk geringe aantal uit de middeleeuwen stammende stedelijke arbeiders niet worden voorzien en de eigenlijke manufacturen openden tegelijkertijd nieuwe arbeidsterreinen voor de landarbeiders, die door de liquidatie van het feodale grondbezit waren verjaagd. In die tijd werden arbeidsverdeling en coöperatie binnen de werkplaats meer van de positieve zijde bekeken, in die zin, dat hierdoor de aan het werk gezette arbeiders productiever werden.[196] Het is waar dat coöperatie en combinatie van arbeidsmiddelen in handen van enkelen op het gebied van de landbouw grote, plotselinge en gewelddadige omwentelingen in de productiewijze en dus in de levensvoorwaarden en in de bestaanswijze van de plattelandsbevolking teweegbrengen, in vele landen lang voor de periode van de grootindustrie, maar oorspronkelijk is dit eerder een strijd tussen grote en kleine grondbezitters dan tussen kapitaal en loonarbeid. Aan de andere kant vormen de directe gewelddaden, voor zover arbeiders werden verdrongen door arbeidsmiddelen, schapen, paarden, enzovoort, in eerste instantie hier de voorwaarde voor de Industriële Revolutie. Eerst worden de arbeiders van grond en bodem verjaagd en daarna komen de schapen. Diefstal van grond op grote schaal, zoals in Engeland, schept de mogelijkheid tot het bedrijven van landbouw in het groot.[196a] Aanvankelijk had deze omwenteling in de landbouw daarom meer de schijn van een politieke revolutie.
Als machine wordt het arbeidsmiddel onmiddellijk de concurrent van de arbeider zelf.[197] De meerwaardevorming van het kapitaal door middel van de machine is evenredig met het aantal arbeiders, waarvan zij de bestaansvoorwaarden vernietigt. Het gehele systeem van de kapitalistische productie is gebaseerd op de verkoop door de arbeider van zijn arbeidskracht als waar. De arbeidsverdeling maakt van deze arbeidskracht een eenzijdige, gespecialiseerde vaardigheid om een deelwerktuig te hanteren. Zodra het hanteren van het werktuig door de machine wordt gedaan, verdwijnt met de gebruikswaarde ook de ruilwaarde van de arbeidskracht. De arbeider wordt onverkoopbaar, evenals papiergeld dat geen betaalmiddel meer is. Het deel van de arbeidersklasse, dat door de machinerie is veranderd in een overbodige, dat wil zeggen niet langer voor de meerwaardevorming van het kapitaal direct noodzakelijke bevolking, gaat voor een deel ten onder in de ongelijke strijd van het oude handwerk en van de manufactuur tegen het machinale bedrijf, overstroomt voor de rest alle gemakkelijk toegankelijke industrietakken, overvoert de arbeidsmarkt en doet derhalve de prijs van de arbeidskracht dalen beneden haar waarde. Het moet de verpauperde arbeiders tot troost zijn, enerzijds dat hun lijden slechts ‘tijdelijk’ (a temporary inconvenience) is, anderzijds dat de machinerie zich slechts geleidelijk meester maakt van een geheel productieterrein, waardoor omvang en intensiteit van haar vernietigende werking worden getemperd. De ene