Antonio Gramsci
Klassenstrijd en fascisme
Kroniek en analyse van de opkomst van het fascisme in Italië
Uit: Il Grido del Popolo, 23 maart 1918.
Het is te wijten aan de kwade trouw van de “volkse” hervormers — schrijft Maurizio Maraviglia — dat het nationalisme wordt afgeschilderd als een conservatieve leer, die de klassenprivileges wil handhaven.
Het nationalisme is echter wezenlijk revolutionair, of liever: het is de enige werkelijk revolutionaire leer, omdat het zich richt naar de natie — in haar politieke, economische en geestelijke eenheid — terwijl de andere doctrines geen oriëntatiepunt hebben of slechts één van veel lagere orde: de klasse, de partij, de fractie of zelfs de persoon van de hervormers zelf. Het nationalisme is een energiebron bij uitstek en als zodanig schrikt het niet terug voor de meest gedurfde hervormingen. Een nationalistisch econoom, Filippo Carli, heeft zich pleitbezorger gemaakt van de “participatiegedachte” en van het “sociaal aandeelhouderschap” en zijn propaganda heeft grote weerklank gevonden in het nationalistische kamp.
Evenals de andere nationalisten denkt Maurizio Maraviglia dat hij zijn gelijk triomfantelijk aantoont door te wijzen op het “historisch karakter” van het oriëntatiepunt van zijn leer: de natie. Maar zijn beweringen hebben slechts dogmatische betekenis en dat maakt hem een vreemde historicus en een merkwaardig revolutionair. Impliciet stelt Maraviglia dat het verschil tussen de nationalistische leer en de andere doctrines een kwestie is van “waardigheid” en niet van “historiciteit”: de natie is waardiger dan de klasse, de partijen of de individuen. De vraag naar het revolutionaire gehalte van het internationalisme wordt zo een alleraardigste retorische vraag, net zoals de vragen die geletterde lieden in de oudheid elkaar stelden om vast te stellen welk poëtisch genre of welk kunstwerk waardiger was.
In de geschiedenis gaat het er niet om wat waardiger is: in de geschiedenis is er slechts het noodzakelijke en het levende of het nutteloze, het kadaver. De klasse en de partij zijn even waardig als de natie. Zij zijn de natie, want die is geen abstracte metafysische grootheid, maar concrete politieke strijd tussen groepen individuen die zich aaneensluiten om een doel te bereiken. Het doel is de enige maatstaf voor de “waardigheid”. En het doel is geen feit, maar een denkbeeld dat door de feiten werkelijkheid wordt. Het revolutionaire doel is de vrijheid, opgevat als spontane organisatie van individuen die een discipline aanvaarden als de meest geëigende manier om de noodzakelijke middelen te vinden voor hun spirituele menszijn: vrijheid opgevat als het hoogste stadium van de groei van het individu, van alle individuen, in autonomie verworven door de individuen zelf. De nationalisten zijn conservatief, zij betekenen de spirituele dood, omdat zij van “een” organisatie de “definitieve” organisatie maken, omdat zij geen idee als doel hebben, maar een gegeven uit het verleden, dat niet universeel is, maar gebonden aan een bepaald punt in de ruimte en de tijd.
De nationalistische revolutieopvatting is niets anders dan warhoofdigheid. Als de partijen, de klassen en de individuen historisch noodzakelijk zijn en een taak hebben te vervullen, betekent het voorstel om ze “op te heffen” ook de “opheffing” van het uitgangspunt waaraan men zozeer zegt te hechten: de natie. In werkelijkheid is het doel dat de nationalisten blijken na te streven niets anders, dan de bevestiging en vereeuwiging van de voorrechten van een economische klasse, de hedendaagse industriëlen, en van een politieke groep, die bestaat uit deze zogenaamde hervormers zelf. Ten koste van de economische en politieke energie die door de politieke strijd in het vrije spel van de concurrentie vrijkomt en wordt opgewekt. Ten koste van de natie, die niet iets statisch en onveranderlijks is, maar slechts een moment is van de politieke en economische organisatie van de mensen, een verovering van iedere dag, een voortdurende ontwikkeling naar volmaaktere momenten, opdat alle mensen er eens de afspiegeling in zien van hun eigen geest en er de bevrediging in vinden van hun eigen behoeften. De natie heeft zich ontwikkeld van een ambachtsgemeenschap tot een nationale staat, van adellijke heerlijkheid tot burgerlijke nationale staat, in een verwoede speurtocht naar vrijheid en autonomie. En ze neigt nog verder uit te groeien, want de gerealiseerde vrijheid en autonomie zijn niet meer voldoende. Ze neigt naar grotere en meer omvattende verbanden: de burgerlijke Volkenbond en de proletarische Internationale.
Het revolutionaire élan en de “historiciteit” van de nationalistische leer zijn niets dan retoriek en verwarring.
Het nationalisme is de krachtbron bij uitstek en het schrikt niet terug voor de meest gedurfde hervormingen. Eén van die gedurfde hervormingen is volgens Maraviglia het “integrale syndicalisme” van Filippo Carli.
Filippo Carli heeft een verrukkelijke politiek-economische roman geschreven in een lange reeks afleveringen. Het is een gigantisch bouwwerk dat Carli heeft opgetrokken, alles heeft er zijn plaats. De economie, het geldstelsel, de moraal en de politiek krijgen er elk een verdieping toegewezen. Hij slaat maar één ding over: de geschiedenis, en de Italiaanse geschiedenis in het bijzonder. Voor Carli was de ergste wandaad die door de eeuwen heen is bedreven de vernietiting van de middeleeuwse gilden. Zijn integrale syndicalisme is dan ook niets anders dan een programma voor herstel van de gilden. Het is integraal, omdat hij het niet beperkt tot de stedelijke gemeenschappen, maar het wil toepassen op de natie als geheel.
Wat Carli voorstelt is niets meer of minder dan de instelling van een rationele staat, een staat a priori, een afspiegeling van het bewustzijn van de heersende klasse. Hierin zou een einde komen aan de klassenstrijd, aan alle zogenaamde muiterij en demagogie. Want deze afschuwelijke dingen bestonden volgens Carli niet in de middeleeuwse stad. Ze bestonden inderdaad niet binnen de stad als gesloten territoriale eenheid (althans in bepaalde perioden), maar ze bestonden wel in de verhouding tussen de commune en het feodale slot, tussen de ambachtsman en de feodale heer, tussen de stad en het omringende platteland.
De klassen waren op bepaalde momenten langs geografische lijnen gescheiden, dat is alles, en het is vanzelfsprekend dat er binnen iedere territoriale gemeenschap geen klassenstrijd bestond omdat de gemeenschap homogeen was en de klassenstrijd de strijd was tussen de communi, of tussen Welfen en Ghibellijnen. De restauratie van het gildenstelsel, het integrale syndicalisme, heeft dan ook geen enkel aanknopingspunt in het verleden dat niet illusoir of uit de lucht gegrepen is.
En voor het heden is het even onzinnig. Het proletariaat zou moeten afzien van de klassenstrijd. Zijn medewerking zou worden verkregen door “participatie” en “sociaal aandeelhouderschap.” Het proletariaat zou in economisch opzicht solidair moeten worden met de bourgeoisie en zou dus niet meer mogen denken aan de sociale revolutie, aan de afschaffing van de privileges. Het proletariaat zou een intensieve “opvoeding” krijgen, het zou worden onderwezen in de maatschappelijke doelen van de productie en van het nationale leven. Carli heeft wel een erg vage en empirische opvatting van de opvoeding en van de cultuur. Hij stelt zich die voor als een overjas, als feestkledij voor de nationalistische kermis. Twee uiterlijkheden zouden het educatieve doel vormen: de natie en de productie, terwijl dat instrumenten zijn, geen morele doelen. De modelnatie van Carli is Duitsland bewoond door Italianen, een germaanse staat waarin de Italianen de geestelijke barbarij vervangen door de verfijnde latijnse cultuur. En dat is net zoiets als een katholiek calvinisme, een azijnfles gevuld met zoete wijn.
Carli behoort tot die geleerden, die bewondering hebben voor bepaalde economische en politieke verschijnselen in Duitsland, maar deze uiteindelijk verwarren met de hele Duitse cultuur, met alles wat Duits is. Ze houden geen rekening met de scheuren, de tegenstellingen die ook in Duitsland bestaan. Zij vinden dat het Duitse systeem moet blijven bestaan en ze beschouwen het, mits vervolmaakt, als een universeel model. De waarheid is enigszins anders. Ook in Duitsland maakte de bourgeoisie onontkoombaar een liberale ontwikkeling door en verwoestte ze haar gilden. De oorlog was de uiterste poging om een anti-economisch productiesysteem in stand te houden, om het maatschappelijk tekort aan te vullen met de buit van de overwinning. Carli is betoverd door de schijn en verwart die met het levende historische weefsel. Zijn literaire werk mag vol staan met voorbeelden en logisch in elkaar zitten, het is vergeven van amateurisme, vrijblijvende uitwijdingen en abstract geïdeologiseer.
Werkelijk een gedurfde hervorming! Maar Maraviglia zelf rekent er mee af. Hij noemt de hervorming “gedurfd” maar aksepteert hem niet. Het adjectief is dan ook onbegrijpelijk als men geen rekening houdt met het dilettantisme en de academische methode van de nationalistische bewijsvoeringen: men noemt ook datgene “gedurfd” wat men onhoudbaar acht, en men toont de levensvatbaarheid van de leer aan met constructies die men zelf barok en onsamenhangend vindt. Maraviglia zou deze werkwijze twistziek en demagogisch noemen als het om socialisten ging. Nu het om nationalisten gaat zullen we volstaan met hem warhoofdig en amateuristisch te noemen.
Uit: Ordine Nuovo, 4 oktober 1919.
Op 11 september bezet Gabriele D’Annunzio Fiume, vanwaar hij oproept tot een nationalistische opstand tegen de regering-Nitti.
De Italiaanse bourgeoisie stond van het begin af aan op de bres voor de nationale eenheid, en de verwezenlijking daarvan was voor haar een beginselkwestie. Omdat de nationale eenheid in de geschiedenis van Italië, evenals in die van andere landen, een technisch volmaaktere organisatievorm betekende van het kapitalistische productie- en ruilsysteem, was de Italiaanse bourgeoisie historisch gezien een vooruitstrevende klasse.
De oorlog heeft echter diepgaande, onoplosbare conflicten opgeroepen binnen de bourgeoisie en nu neigt deze klasse ertoe de natie te verdelen en het economische apparaat, dat met zoveel geduld is opgebouwd, te sabotteren en te vernietigen.
Gabriele D’Annunzio [Toelichting in het personen of het zakenregister], een gewezen marionet van de Engelse en Franse vrijmetselarij, kwam in opstand tegen zijn oude meesters, verzamelde een groep avonturiers om zich heen en bezette Fiume, waar hij zichzelf uitriep tot “absoluut heerser” en een voorlopige regering vormde. Het gebaar van D’Annunzio had aanvankelijk slechts literaire betekenis: D’Annunzio deed inspiratie op en verzamelde materiaal voor een nieuw heldendicht, een nieuwe psycho-erotische roman of een nieuwe verzameling “krijgsgeschriften” van “commandant” Gabriele D’Annunzio.
Het literaire avontuur van Gabriele D’Annunzio was niet buitengewoon, niet rampzalig: in een klasse die politiek en geestelijk gezond is, omdat ze eensgezind is en economisch goed georganiseerd, komt altijd wel een enkele politieke gek voor, die met zijn hoofd in de wolken leeft, omdat hij iedere band met de concrete economische werkelijkheid mist.
Maar kolonel D’Annunzio vindt medestanders; zijn optreden heeft tot gevolg, dat een deel van de burgerij zich groepeert rond het Fiume-avontuur. De regering van Fiume wordt gezien als tegenhanger van de centrale regering; het met de wapens gevestigde gezag van de regering van Fiume wordt de tegenhanger van het wettige gezag in Rome. De literaire daad wordt een maatschappelijk verschijnsel. Zoals de regeringen van Omsk, Jekaterinenburg en Archangel in Rusland, wordt in Italië de regering van Fiume beschouwd als het begin van een reorganisatie van de staat, als een blijk van gezonde daadkracht, die het “ware” volk, de “ware” wil en de “werkelijke” belangen vertegenwoordigt, en die de usurpators uit de hoofdstad moet verdrijven. D’Annunzio neemt tegenover Nitti [Toelichting in het personen of het zakenregister] dezelfde positie in, als Kornilov [Toelichting in het personen of het zakenregister] tegenover Kerensky [Toelichting in het personen of het zakenregister]. Het literaire avontuur heeft in Italië de burgeroorlog ontketend.
De burgeroorlog is uitgerekend begonnen door de bourgeoisie, die deze met woorden zo krachtig afwijst. Burgeroorlog is een treffen tussen twee machten, die elkaar gewapenderhand de staatsmacht betwisten; een treffen dat zich niet afspeelt op het slagveld tussen twee duidelijk te onderscheiden legers, met twee duidelijke kampen, maar een krachtmeting binnen de samenleving tussen een samenraapsel van groepen, een chaotische reeks gewapende conflicten, waarin de grote massa van de burgers geen lijn kan ontdekken, en waarin veiligheid van lijf en goed verdwijnt en plaats maakt voor terreur, chaos en “anarchie”. Zoals in alle andere landen, in Rusland, in Beieren en in Hongarije, is het ook in Italië de bourgeoisie geweest, die de burgeroorlog heeft ontketend en de natie in chaos, terreur en “anarchie” heeft gestort. De communistische revolutie, de dictatuur van het proletariaat zijn in Rusland, in Beieren en in Hongarije — en voor Italië zal hetzelfde gelden — een uiterste poging geweest van de gezonde krachten van het land, om een halt toe te roepen aan de ontbinding van de samenleving, om gezag en orde te herstellen en om te verhinderen dat de maatschappij aan een beestachtige barbarij ten prooi valt; een barbarij die gepaard gaat met honger, omdat de bourgeoisie ophoudt met nuttige arbeid te verrichten als ze overgaat tot terrorisme. Omdat het zo gegaan is, omdat een literaire daad de burgeroorlog heeft ingeluid en omdat het avontuur van D’Annunzio tegelijkertijd het symptoom en de politieke uitdrukking was van een wijdverbreide gemoedstoestand, moet men wel tot de slotsom komen dat de bourgeoisie als klasse dood is, dat het economische cement dat haar bijeen hield, is vergruizeld sinds de tegenstellingen tussen allerlei groepjes en lokale klieks de overhand kregen. Men moet concluderen dat de parlementaire staat niet langer bij machte is om een concrete vorm te geven aan de objectieve werkelijkheid van het economische en maatschappelijke leven van Italië.
En de nationale eenheid, die in deze gedaante tot stand kwam, kraakt vervaarlijk in haar voegen. Wie zou er van opkijken, als er morgen in de krant staat dat in Cagliari, Sassari, Messina of Cosenza, in Taranto, Aosta, Venetië of Ancona een generaal, een kolonel of zelfs een eenvoudig luitenant zijn onderdeel met succes tot muiten heeft aangezet, zijn aanhankelijkheid heeft betuigd aan de regering van Fiume, en per dekreet de burgers onder zijn bestuur heeft aangekondigd dat zij geen belasting meer hoeven te betalen aan de regering in Rome?
Op dit moment vertegenwoordigt het centrale gezag, de regering in Rome, slechts oorlogsschulden, onderworpenheid aan internationale financiers en een tekort van 100 miljard lire. En daarom komen er barsten in de nationale eenheid en in de eensgezindheid van de bourgeoisie. Dat is de dieperliggende reden, waarom iedere daad van “burgerlijke” ongehoorzaamheid, van minachting voor het particuliere eigendom en van “reactionaire” opstandigheid tegen de centrale regering, kan rekenen op sympathie, aanhangers, een gunstige pers en geld. Als een luitenant, die terugkeert van het front in Cagliari, Messina, Cosenza, Taranto, Aosta, Ancona of Udine, een regering vormt tegen de centrale regering wordt hij de spil, waarom heen alle wantrouwen, alle egoïsme van de plaatselijke bezittende klassen zich concentreren; hij vindt sympathie, aanhang en geld, omdat deze bezitters het centrale gezag haten. Zij zouden zich graag bevrijden van de verplichting om de belastingen te betalen, waarmee het centrale gezag de oorlogsuitgaven moet dekken. De plaatselijke besturen, die het niet met de regering eens zijn over de kwestie Fiume, zullen het kristallisatiepunt worden van deze onstuitbare tegenkrachten; zij zullen voet bij stuk houden en permanente staten in het leven pogen te roepen, zoals gebeurd is in de voormalige keizerrijken van Rusland en Oostenrijk-Hongarije. De bezittende klassen van Sardinië, Sicilië, Valdaosta, Friuli enz. zullen aantonen dat de Sardijnen, de Sicilianen en de bewoners van de noordelijke grensgebieden geen Italianen zijn, dat ze al lang naar onafhankelijkheid streven, en dat de gedwongen Italianisering, die de regering in Rome heeft doorgevoerd met het verplichte onderwijs in de Italiaanse taal, is mislukt. Ze zullen memoranda sturen naar Wilson, Clemenceau en Lloyd George ... en ze zullen geen belasting betalen.
In deze situatie is de Italiaanse natie gebracht door de bourgeoisie, die bij alles wat ze onderneemt slechts uit is op het vergaren van winst. Italië verkeert in psychologisch opzicht in dezelfde omstandigheden als vóór 1859, maar vandaag zijn de bourgeois het niet langer eens over economische en politieke kwesties. Historisch gezien is de Italiaanse burgerklasse eigenlijk al dood, verpletterd door een tekort van 100 miljard, verteerd door interne twisten en onoverbrugbare tegenstellingen.
De “nationale” klasse is nu het proletariaat. De massa van de arbeiders en boeren, van de Italiaanse werkers, kan niet toestaan dat de natie uiteenvalt, omdat de eenheidsstaat als organisatievorm van productie en distributie is opgebouwd met Italiaanse arbeid, en het erfdeel van maatschappelijke rijkdom vormt dat de proletariërs willen inbrengen in de Communistische Internationale. Alleen de proletarische staat, de dictatuur van het proletariaat, kan nu nog het ontbindingsproces van de nationale eenheid tot staan brengen, omdat het de enige werkelijke macht is die de muitzieke burgerij kan dwingen niet langer de openbare orde te verstoren door haar te verplichten te werken, als ze wil eten.
Uit: Avanti!, Turijnse editie, 11 februari 1920.
De verkiezingen van 16 november 1919 zijn gewonnen door de socialisten (van 52 naar 156 zetels) en de katholieke Volkspartij (van 29 naar 100 zetels). De socialisten weigeren samenwerking met andere partijen. De Volkspartij besluit de regering-Nitti voorwaardelijk te steunen. In januari breekt een grote staking uit bij de spoorwegen en de posterijen. Het Turijnse dagblad La Stampa roept om de terugkeer van Giovanni Giolitti, “de enige man die de bolsjewistische dreiging af kan wenden”.
De wisselkoersen zijn rampzalig, het gezag van de (burgerlijke) staat ligt aan stukken, perverse neigingen en oproerige hartstochten kennen geen grenzen meer: Italië moet worden gered, de gemeenschap moet worden gered en het volk moet worden gered; het volk dat, zoals bekend, boven de belangengroepen, partijen en klassen staat.
La Stampa luidt angstig de noodklok. De schrijver van de hoofdartikelen, die gewoonlijk zwaarmoedig is, maar zo nu en dan een verheven of teder moment heeft, is hopeloos zwartgallig geworden. Hij is de wijze vermaning vergeten, die Bergeret in dezelfde kolommen van La Stampa toevoegde aan de naar zijn smaak te schreeuwerige, te onbesuisde antibolsjewistische journalisten: “jaagt alstublieft kinderen en overgevoelige mensen niet de stuipen op het lijf.” De schrijver luidt de noodklok om indruk te maken op de arbeidersklasse, om de proletariërs de stuipen op het lijf te jagen. Hij is ervan overtuigd dat de geestvermogens van arbeiders niet uitstijgen boven het niveau van kruideniers en kinderen, en hij denkt hen zover te kunnen krijgen dat ze een nederige knieval maken aan de voeten van de Heiland: Giovanni Giolitti [Toelichting in het personen of het zakenregister], spreekbuis van de nouveau riche, van de vrijmetselarij en van de Fascio.
Als een kleinburger en intellectueel handlanger van het kapitalisme van zwaarmoedigheid vervalt tot zwartgalligheid, komt dat omdat hij denkt dat zijn spaarcentjes zelfs onder zijn matras niet meer veilig zijn. Dan trekt hij zich wanhopig de haren uit het hoofd en in de deuropening van zijn woning roept en jammert hij ontroostbaar: burgers, jullie hoeven mijn deur niet in te trappen, want in mijn bed vinden jullie alleen maar een ellendig hoopje verrotting.
Welke spaarcentjes verdedigt La Stampa?
De Italiaanse staat werd tot dusver beheerst door het kapitaal in de grootindustrie: de Italiaanse regering is tot nu toe steeds in handen geweest van de kapitalistische zwaargewichten, die aan de belangen van hun eigen bevoorrechte kliek alle andere belangen van de natie hebben opgeofferd. De historische partijen van de Italiaanse bourgeoisie zijn vernietigd door deze verstikkende en verwoestende hegemonie, die de naam draagt van de politicus Giovanni Giolitti en die is uitgeoefend met extreem geweld en met de meest schaamteloze corruptie.
De oorlog en de gevolgen ervan hebben echter het bestaan van nieuwe krachten aan het licht gebracht en hun ontwikkeling bespoedigd. Zij koersen naar een nieuwe inrichting van de economische en politieke grondslagen van de Italiaanse staat. De hele inwendige structuur van de Italiaanse staat heeft een ingrijpend veranderingsproces doorgemaakt en dat proces gaat nog steeds door. De resultaten ervan zijn nog niet met eksaktheid te voorspellen, maar één ding is zeker: de leidende groepen en het bestuurlijke kader zullen veranderen, de staatsmacht zal in volledig andere handen vallen dan de huidige, die van Giolitti en de zijnen.
Het industriële kapitaal is er in de andere kapitalistische landen geleidelijk in geslaagd om een systeem van evenwicht te realiseren met de grondeigendom en om een constitutionele, democratische staat op te zetten. Dat is in Engeland bijvoorbeeld gelukt door middel van de arbeidersmassa’s, die belang hadden bij de afschaffing van de heffingen op de graanimport en bij de invoering van de vrijhandel. In Italië heeft het industriële kapitaal de staat gemaakt tot wat hij is en onbetwist de macht uitgeoefend. De staat heeft zich om niets anders bekommerd dan om de, vaak ziekelijke, ontwikkeling van het industriële kapitaal: protectie, subsidies, gunsten van allerlei aard en omvang. Het platteland is geplunderd, de vruchtbaarheid van de bodem tenietgedaan, de boerenbevolking moest emigreren. De staatsmacht heeft met bruut geweld de brandkasten verdedigd: in de jongste Italiaanse geschiedenis zijn talloze bloedbaden aangericht onder de uitgebuite fabrieksarbeiders en de arme boeren. Het leven werd de boeren onmogelijk gemaakt door de douanewetgeving, die tot gevolg had dat de bodem uitdroogde, de bossen werden omgehakt en de rivieren buiten hun oevers traden. Om het industriële apparaat tot ontwikkeling te brengen nam de staat de kleine plattelandsbourgeoisie en de intellectuelen op in zijn bestuursorganen, in de pers, in de scholen en in de rechterlijke macht. Daarom had het platteland nooit een eigen politieke partij en oefende het nooit enige invloed uit op staatszaken. De staat mat zich zelfs de functie aan van een kredietbank voor de industrie: de uitgifte van obligaties tegen 4,5 procent rente diende dan ook, zoals bekend, om de boeren en de emigranten hun spaargeld met honderden miljoenen tegelijk afhandig te maken. Miljoenen die Giolitti beschikbaar stelde aan concerns als Terni en Ansaldo, voor de bewapening en de oorlog in Libië.
De oorlog heeft een grote boerenpartij ten tonele gevoerd, de Volkspartij [Toelichting in het personen of het zakenregister] (Partito Popolare). Dat het platteland nooit een eigen vertegenwoording, een bijzondere uitdrukking van de eigen belangen en van de eigen politieke aspiraties heeft gehad, blijkt al uit de samenstelling van de Volkspartij en uit haar aristocratische en demagogische karakter. Ze steunt zowel op de grote en middelgrote landeigenaars, als op de arme boeren en kleine grondbezitters. De Volkspartij wil in de regering en aast op de staatsmacht. Ze ambieert de opbouw van een eigen staat, en heeft daartoe de middelen. De oorlog heeft het industriële apparaat onder controle van de banken gebracht. De geestelijkheid is op dit moment in Italië de belangrijkste en meest succesvolle vergaarder van spaargelden. Ze beheerst al vele banken en binnen niet al te lange tijd zal ze erin slagen het hele bankwezen onder haar controle te krijgen, als ze eenmaal meester is van de staatsmacht. In korte tijd zullen alle traditionele politieke klieks het veld moeten ruimen en plaats maken voor de Volkspartij, die — met haar 700.000 leden — veel ambities heeft en een grote honger heeft te stillen.
Het vaderland is in gevaar; het volk en de gemeenschap moeten worden gered! Bah, alleen de spaarcentjes van Giolitti en zijn politieke vriendjes zijn in gevaar. Alleen de macht van de onverzadigbare industriëlen en hun politieke intriges zijn in gevaar. In gevaar is de politieke loopbaan van de kleinburgerlijke handlangers van het kapitalistische zakenleven.
De burgerlijke staat zal zeker niet bestand zijn tegen de crisis. De staat verkeert op het moment in zo’n toestand, dat de crisis er korte metten mee zal maken. Maar de arbeidersklasse maakt zich niet druk over het feit dat de burgerlijke staat op instorten staat; ze draagt daar juist met al haar krachten aan bij. De arbeidersklasse bekommert zich om een heel andere reden om dit verschijnsel. Ze beseft namelijk, dat het historische ogenblik is aangebroken, dat ze zich rekenschap moet geven van haar verantwoordelijkheid. De klasse van industriëlen is niet bij machte te voorkomen, dat de politieke partij van de boeren zich meester maakt van de staat en van de industrie, en zowel de een als de ander onderwerpt aan de verlangens van de grote en middelgrote grondbezitters. De klasse van industriëlen kan niet voorkomen, dat de industrie wordt vernietigd, dat een staat van rijke boeren de industriële productie opoffert om zich te bevrijden van de buitenlandse schulden. Ze kan niet voorkomen, dat de Volkspartij Italië tot invloedssfeer maakt van het buitenlandse kapitalisme, tot een land van boeren, die de industrieproducten direct in het buitenland kopen. Maar de arbeiders bekommeren zich om dit probleem omwille van hun eigen vitale klassebelangen, niet omwille van de economische en politieke belangen van de industriëlen of omdat deze klasse te gronde gaat en haar historische functie van sociale vooruitgang teniet wordt gedaan met de vernietiging van de industrie.
De historische taak van de arbeidersklasse tekent zich kristalhelder af in Italië, zoals die zich ook in Rusland duidelijk heeft afgetekend. De inwendige tegenstellingen van het kapitalistische systeem hebben het hele netwerk van onderlinge relaties binnen de bezittende klasse en van de betrekkingen tussen de bezittende en de werkende klasse uiteengescheurd. De kapitalisten zijn niet in staat de vernietiging tegen te gaan, die het gif, dat zich in het maatschappelijk organisme heeft ingebed en ontwikkeld, aanricht. Verwoesting volgt op verwoesting, puinhopen stapelen zich op puinhopen en de waarden van de beschaving dreigen voorgoed verloren te gaan. Alleen de arbeidersklasse kan, door zelf de staatsmacht te grijpen, vernieuwing brengen. Door onbuigzaam haar eigen weg te volgen en iedere samenwerking met de bourgeoisie te weigeren zal ze een splitsing teweeg brengen tussen de klassen van het platteland, zal ze de arme boeren en de kleine eigenaars losmaken van de rijken en uitbuiters, en de uitgebuite klassen van het platteland mobiliseren om de arbeidersstaat te vestigen, om “aan de macht” te komen.
Door samen te werken met de bourgeoisie zou de arbeidersklasse het revolutionair proces vertragen, dat zich afspeelt in de Italiaanse samenleving en dat zijn hoogtepunt moet vinden in de breuk tussen de twee vleugels van de Volkspartij en in de gewelddadige doorbraak van de klassenstrijd op het platteland. De arme boeren zouden zich nog geruime tijd moeten scharen in dezelfde gelederen als de grootgrondbezitters, om niet te worden fijngewreven door de stad en de roofindustrie. De arbeidersklasse, die een afkeer heeft van vaderlandslievende kreten en van de holle frasen van de redders van de industrie en de productie, is in feite de enige klasse die werkelijk van plan is om “het vaderland te redden” en om de industriële catastrofe te voorkomen. Maar om deze missie te volbrengen wil ze de “gehele” macht, en gaat ze bepaald niet door de knieën voor de sombere en meelijwekkende jammerklachten van de handlangers van de bourgeoisie, van de redders van het volk en de gemeenschap van Italië, die “boven” de belangengroepen en de klassen zouden staan.
Gedeelte uit de verklaring die de afdeling-Turijn van de PSI voorlegde aan de nationale partijraad, die in april 1920 — tijdens de algemene staking in Turijn — in Milaan vergaderde. Dit document, dat de titel droeg “Voor een vernieuwing van de Socialistische Partij”, was geschreven door Gramsci en werd in Milaan voorgelezen door Palmiro Togliatti namens de gehele afdeling-Turijn.
1) Op dit moment wordt de klassenstrijd in Italië gekenmerkt door het feit, dat de werkers in industrie en landbouw niet meer te stuiten zijn in hun voornemen om op het gehele nationale grondgebied uitdrukkelijk, en zonodig met geweld, de kwestie van de eigendom van de productiemiddelen aan de orde te stellen. Het uitbreken van de nationale en internationale crisis, die de waarde van het geld steeds verder doet verminderen, toont aan dat het kapitalisme aan het eind van zijn krachten is. De bestaande organisatievorm van productie en distributie kan niet eens meer voorzien in de meest elementaire levensbehoeften van de mensen. Het huidige economische systeem kan slechts blijven bestaan, omdat het door de burgerlijke staat met bruut wapengeweld wordt verdedigd. De gehele beweging van het werkende volk van Italië rukt onweerstaanbaar op om een gigantische omwenteling tot stand te brengen. Hierdoor zal een nieuwe wijze van produceren, een nieuwe organisatie van het productie- en distributieproces zijn intrede doen en zullen de arbeiders het initiatief krijgen in de productie, nadat ze het aan de kapitalisten en grootgrondbezitters hebben ontnomen.
2) De industriëlen en grootgrondbezitters hebben het toppunt van concentratie van hun klassemacht bereikt een order van het Verbond van de Italiaanse Industrie (Confederazione dell’ Industria Italiana) wordt onmiddellijk in iedere fabriek uitgevoerd. De burgerlijke staat heeft een onderdeel van gewapende huurlingen gevormd (de Koninklijke Garde, vert. [Toelichting in het personen of het zakenregister]), dat als instrument moet dienen om de wensen van deze nieuwe, krachtige organisatie van de heersende klasse uit te voeren. Deze is erop uit om via toepassing op grote schaal van het uitsluitingswapen en met behulp van terreurmethoden haar macht over de productiemiddelen te herstellen, en dwingt de arbeiders en boeren zich te laten beroven van een grote hoeveelheid niet betaalde arbeid. De recente uitsluiting in de metaalfabrieken van Turijn maakte deel uit van het plan van de industriëlen om de arbeidersklasse het mes op de keel te zetten. Gebruik makend van het gebrek aan coördinatie en revolutionaire eensgezindheid onder de krachten van de Italiaanse arbeiders hebben de industriëlen geprobeerd de eenheid van het proletariaat van Turijn te breken en in het bewustzijn van de arbeiders het prestige en het gezag te ondermijnen van de fabrieksorganisaties (de afdelingsraden en afdelingscommissarissen), die de strijd voor het arbeidersbeheer waren begonnen. Het voortduren van de landarbeidersstakingen in de provincie Novara en in Lomellina wijst erop, dat de grootgrondbezitters bereid zijn de productie te staken om het agrarisch proletariaat via uithongering op de knieën te krijgen, om het vervolgens meedogenloos te onderwerpen aan de hardste en meest vernederende arbeids- en leefomstandigheden.
3) De huidige fase van de klassenstrijd in Italië kan twee verschillende ontwikkelingen inluiden: óf het revolutionaire proletariaat verovert de politieke macht, om de productie en distributie op een nieuwe manier te organiseren en zo de productiviteit weer op peil te brengen, óf de bezittende klasse en de regerende kliek gaan over tot een schrikbarende reactie. In dat laatste geval zal geen enkele gewelddaad worden geschuwd om het proletariaat in industrie en landbouw te onderwerpen aan slavenarbeid. Men zal onverbiddelijk proberen de politieke strijdorganisatie van de arbeidersklasse (de socialistische partij) te vernietigen en de economische belangenorganisaties van de arbeiders (de vakbonden en coöperaties) te dwingen in het keurslijf van de burgerlijke staat.
4) Het ontbreekt de krachten van boeren en arbeiders aan coördinatie en revolutionaire vastberadenheid, omdat de leidende organen van de socialistische partij hebben bewezen, dat ze absoluut niets begrijpen van de ontwikkelingsfase waarin de geschiedenis van Italië en andere landen zich op dit moment bevindt, dat ze niets begrijpen van de taak die rust op de schouders van de strijdorganisatie van het revolutionaire proletariaat. De socialistische partij is slechts toeschouwer bij de huidige gebeurtenissen; ze spreekt nooit een eigen mening uit die overeenkomt met de revolutionaire stellingen van het marxisme en van de Communistische Internationale. Een oproep, die zou kunnen aanslaan bij de massa’s en die een gemeenschappelijke richting zou kunnen geven aan de revolutionaire actie, blijft achterwege. De socialistische partij zou, als politieke organisatie van het meest vooruitstrevende deel van de arbeidersklasse, de leiding moeten nemen in een algemene actie om de hele arbeidersklasse in staat te stellen definitief de overwinning te behalen. De socialistische partij bestaat uit dat deel van de proletarische klasse, dat zich niet heeft laten vernederen en onderwerpen door de lichamelijke en geestelijke onderdrukking van het kapitalistische systeem en dat de eigen onafhankelijkheid en de bereidheid tot bewuste en gedisciplineerde actie heeft weten te behouden; juist daarom zou die partij de belichaming moeten zijn van het wakkere revolutionaire bewustzijn van de gehele uitgebuite klasse. Het is haar taak de aandacht van de hele massa op zich te vestigen, ervoor te zorgen dat haar richtlijnen de richtlijnen van de hele massa worden en het blijvende vertrouwen van die massa te winnen, opdat ze er de gids en het brein van wordt. Daarom is het noodzakelijk, dat de partij midden in de werkelijkheid van de klassenstrijd staat, de klassenstrijd die gevoerd wordt door het proletariaat van de fabrieken en van het platteland. Daarom ook moet ze in staat zijn de verschillende momenten, de verschillende etappes en de verschillende uitdrukkingsvormen van die klassenstrijd te onderkennen en uit die veelheid een eenheid te smeden. Alleen zo zal ze in staat zijn werkelijk leiding te geven aan alle bewegingen tezamen, en zal ze de massa’s het bewustzijn kunnen bijbrengen dat er lijn zit in de schrikbarende wanorde van het moment; een lijn die, als hij doorzet, zal uitmonden in een menselijker samenleving, waarin de arbeid het instrument bij uitstek zal worden om te voldoen aan de eisen van een menswaardig bestaan en maatschappelijke vooruitgang. Maar de socialistische partij is ook na het congres van Bologna [Toelichting in het personen of het zakenregister] een louter parlementaire partij gebleven, die niet buiten de enge grenzen van de burgerlijke democratie treedt en die zich slechts druk maakt om de oppervlakkige, politieke uitlatingen van de regerende kliek. Ze stelt zich niet op als een onafhankelijke partij, een rol die toch kenmerkend is voor het revolutionaire proletariaat en voor het revolutionaire proletariaat alleen (...).
Uit: Avanti!, Turijnse editie, 24 november 1920.
Op 9 juni valt de regering-Nitti en wordt Giovanni Giolitti opnieuw premier. Hij besluit eerst de Adriatische kwestie te regelen en tekent in november het Verdrag van Rapallo met Joegoslavië. Fiume wordt een vrijstaat. In september weet Giolitti met steun van de CGL de fabrieksbezettingen in Turijn te beëindigen. Op 21 november verhinderen fascistische knokploegen met geweld de installatie van het nieuwe socialistische gemeentebestuur van Bologna.
Met veel hoorngeschal kondigt La Stampa aan dat Giolitti, gesterkt door het vertrouwen (??) dat de Italiaanse natie onlangs heeft uitgesproken in zijn politiek, zich opmaakt om het tweede deel van zijn regeringsprogramma uit te voeren: de restauratie van de staat. Met veel hoorngeschal voorspelt La Stampa (een waarschuwing aan ieder die het aangaat!) dat dit tweede deel van het regeringsprogramma van Giolitti in kringen van anarchisten, communisten en fascisten (!?) een eenstemmige alarmkreet zal doen opgaan tegen deze reactie.
Wat moeten we dan verstaan onder deze “reactie” die La Stampa aankondigt? Wat betekent “toepassing van de wet” enzovoort? Laten we dit even vaststellen: Giolitti is altijd een reactionair geweest. Giolitti is zelfs de typische exponent van de Italiaanse kapitalistische reactie. Het kapitalisme wordt reactionair als het er niet meer in slaagt de productiekrachten van een land te beheersen. Het Italiaanse kapitalisme begon reactionair te worden vanaf het moment dat de Italiaanse regering het vrijhandelsprogramma van de graaf van Cavour [Toelichting in het personen of het zakenregister] en van Historisch Rechts [Toelichting in het personen of het zakenregister] vaarwel zei en protectionistisch en “reformistisch” werd. Het kapitalisme was niet meer bij machte de Italiaanse productiekrachten in de hand te houden binnen een systeem van vrije concurrentie, en het maakte de staat tot het kantoor van één van zijn handelsagenten. Het kapitalisme heeft de nationale strijdkrachten, de bureaucratie, de rechterlijke macht en alle instellingen van de regeringsmacht gereduceerd tot directe instrumenten om zijn voortbestaan en ontwikkeling te verzekeren. Giolitti is de meest typische politieke representant van deze operatie van het Italiaanse kapitalisme. Op dit moment zet Giolitti zijn traditionele politiek voort. Hij moet wel; hij is nog steeds dezelfde reactionair. Giolitti voert zelfs zijn reactionaire activiteit op, omdat het kapitalisme steeds minder bij machte blijkt om de productiekrachten te beheersen. De tactiek van toenadering tot de “arbeidersaristocratie” werkt niet meer. De manoeuvre om de coöperaties van Reggio Emilia te begunstigen terwijl tegelijkertijd de arme boeren in het zuiden worden afgeslacht, is nutteloos geworden. Ook de tactiek van de “georganiseerde” parlementaire meerderheden haalt niets meer uit. Het heeft geen enkele zin meer om de socialistische afgevaardigden uit Noord-Italië direct om te kopen en tegelijkertijd via de politieterreur van de prefecten en de intimidatie van stemmenronselaars het parlement vol te stoppen met marionettenafgevaardigden uit het zuiden. Vandaag nemen de volksmassa’s deel aan de economische en politieke strijd. Vandaag ziet het kapitalisme zich genoodzaakt de arbeiders in de fabrieken en op het platteland het brood uit de mond te stoten. Daar is zwaar geschut voor nodig: de burgerlijke staat moet wel steeds reactionairder worden en moet steeds directer en gewelddadiger ingrijpen in de klassenstrijd om de emancipatiepogingen van het proletariaat de kop in te drukken.
Deze “reactie” is niet alleen een Italiaanse zaak. Het is een internationaal verschijnsel, omdat het kapitalisme niet alleen in Italië maar in de hele wereld de productiekrachten aan zijn greep ziet ontglippen. Het “fascisme” is geen typisch Italiaans verschijnsel, evenmin als het ontstaan van de communistische partij typisch is voor Italië. Het “fascisme” is de fase, die vooraf gaat aan de restauratie van de staat, dat wil zeggen aan een verruwing van de kapitalistische reactie, aan een verharding van de kapitalistische strijd tegen de meest vitale aanspraken van de proletarische klasse. Het fascisme is het kapitalistische geweld in zijn illegale vorm; de restauratie van de staat is de legalisering van dit geweld. Het is een bekende historische wet dat de gewoonte vooraf gaat aan het recht. Het Italiaanse fascisme heeft de gebouwen van Avanti! in Milaan en Rome in brand gestoken, het heeft Il Proletario van Pola en Il Lavoratore van Triëst in vlam gezet, en geen enkele fascist is hiervoor gestraft. De gerestaureerde staat zal geen brand meer stichten, maar zal “legaal” onderdrukken. Het fascisme heeft Arbeidskamers [Toelichting in het personen of het zakenregister] en socialistische gemeentebesturen aangevallen; de gerestaureerde staat zal de Arbeidskamers en de socialistische gemeentebesturen die aan willen blijven “legaal” ontbinden. Het fascisme vermoordt de militanten van de arbeidersklasse; de gerestaureerde staat zal hen “legaal” gevangen zetten en hen, als ook de doodstraf in ere is hersteld, “legaal” laten doden door een nieuwe regeringsfunctionaris: de beul. Deze ontwikkeling is universeel, hij heeft zich ook in Italië reeds gedeeltelijk voltrokken en zal normaal gesproken doorgaan.
De communisten hebben deze ontwikkeling zien aankomen vanaf het uitbreken van de Wereldoorlog, de crisis die op beslissende wijze heeft aangetoond, dat de kapitalisten de productiekrachten van de wereld niet meer kunnen beheersen zonder een actief en blijvend ingrijpen met rechtstreeks geweld. Daarom zullen de communisten geen moord en brand schreeuwen over de reactie van Giolitti, want die is niet nieuw. Zij zullen koelbloedig, methodisch en moedig doorgaan met hun activiteiten. Zij zijn er immers van overtuigd, dat zij de toekomst vertegenwoordigen van de beschaving van Europa en van de wereld. Zij zijn er immers van overtuigd, dat zij de krachten vertegenwoordigen, die moeten zegevieren over alles en iedereen, tenzij de menselijke beschaving definitief ten onder gaat aan de beestachtigheid en barbarij, die het militarisme en het imperialisme hebben ontketend.
Uit: Ordine Nuovo (dagblad), 2 januari 1921.
Fascistische squadre d’azione beginnen een guerrilla tegen de socialisten op het platteland van Emilia en Toscane. In december dwingt het Italiaanse leger D’Annunzio tot capitulatie. Hij moet Fiume ontruimen.
Het fascisme is het laatste “toneelstuk” dat de kleine stedelijke burgerij heeft opgevoerd op het podium van de nationale politiek. Het erbarmelijke einde van het Fiume-avontuur was het laatste bedrijf. Het kan worden beschouwd als de belangrijkste episode van het ontbindingsproces van deze klasse van het Italiaanse volk.
Dit aftakelingsproces van de kleine burgerij begon in het laatste decennium van de vorige eeuw. Door de opkomst van de grootindustrie en van het financierskapitaal raakte de kleinburger zijn rol in de productie kwijt, en verloor hij daarmee iedere betekenis. De kleine burgerij werd een zuiver politieke klasse en specialiseerde zich in de “parlementaire hansworsterij”. Dit verschijnsel, dat een grote rol speelt in de hedendaagse geschiedenis van Italië, droeg in verschillende perioden uiteenlopende namen: oorspronkelijk heette het “de machtsovername van links”, [Toelichting in het personen of het zakenregister] vervolgens werd het giolittismo, daarna was het de strijd tegen de “Kaiser”lijke ambities van Umberto I [Toelichting in het personen of het zakenregister] en uiteindelijk drong het zelfs door in het socialistische reformisme. De kleine burgerij drukte zijn stempel op het parlement: van een orgaan, waarmee de kapitalistische bourgeoisie controle uitoefende op de Kroon en op het openbaar bestuur, werd het een kraam vol geklets en schandalen en een middel om te kunnen parasiteren. Corrupt tot op het merg en volledig onderhorig aan de regeringsmacht verloor het parlement ieder prestige bij de volksmassa’s. De volksmassa’s raakten ervan overtuigd dat de enige manier om controle uit te oefenen op en oppositie te voeren tegen de willekeur van de regering directe actie, druk van buitenaf was. In de zogenaamde Rode Week [Toelichting in het personen of het zakenregister] van juni 1914, een protest tegen slachtingen onder arbeiders, kwamen de volksmassa’s voor het eerst op grootse wijze tussenbeide in de politiek en verzetten zij zich rechtstreeks tegen de willekeur van de macht, om zo werkelijke inhoud te geven aan de volkssoevereiniteit, die in de Kamer van Afgevaardigden op geen enkele manier meer tot uitdrukking kwam. Men kan zeggen dat in juni 1914 het parlementarisme in Italië tot ontbinding overging, en met de ondergang van het parlementarisme kwam ook een einde aan de politieke functie van de kleine burgerij.
Hoewel de kleine burgerij voorgoed alle hoop heeft verloren dat ze opnieuw een rol zal kunnen spelen in de productie (die hoop leeft vandaag echter weer enigszins op nu de Volkspartij de kleine boereneigendom ophemelt en de CGL [Toelichting in het personen of het zakenregister] (Confederazione Generale del Lavoro) pogingen onderneemt om het doodgeboren kindje van de vakbondscontrole weer nieuw leven in te blazen) probeert ze op allerlei manieren de loop van de geschiedenis te blijven bepalen: ze aapt de arbeidersklasse na en gaat de straat op. Ze voert deze nieuwe tactiek uit in de typische stijl van een corrupte klasse van kletsmajoors en weifelaars. De gebeurtenissen van de zogenaamde Stralende Meidagen, [Toelichting in het personen of het zakenregister] en hun hele nasleep in de kranten en in het retorische gebral van politieke straatventers tijdens de oorlog, lijken een projectie in de werkelijkheid van een jungleverhaal van Kipling: het verhaal van Bandar-Log, het Volk van de Apen, dat zich boven alle andere volken van de jungle verheven voelt en meent te beschikken over alle vernuft, alle historische besef, alle revolutionaire élan, alle leiderscapaciteiten enzovoorts, enzovoorts.
Dit is wat er gebeurde: de kleine burgerij, die zich door middel van parlementaire zwendel in dienst had gesteld van de regeringsmacht, besloot haar werk op een andere manier te doen, werd antiparlementair, en probeerde de orde te verstoren.
De oorlog betekende het definitieve verval van het parlement. De kleine burgerij tracht haar nieuwe positie vast te houden en maakt zichzelf wijs, dat ze dit doel ook werkelijk heeft bereikt. Ze houdt zichzelf voor, dat ze werkelijk een eind heeft gemaakt aan de klassenstrijd, dat ze de leiding heeft genomen van de arbeiders- en boerenklasse, en dat ze de socialistische gedachte, die onder de massa’s leeft heeft vervangen door een nieuw denken, een zonderling ideologisch mengsel van een nationalistisch imperialisme, de “ware revolutionaire geest” en “nationaal-syndicalisme”. Het optreden van de massa’s van 2 en 3 december, dat volgde op het geweld van de officieren tegen de socialistische afgevaardigden in Rome, heeft paal en perk gesteld aan de politieke activiteit van de kleine burgerij. Deze probeert zich vanaf dat moment te organiseren en schaart zich aan de zijde van rijkere meesters, die meer zekerheid bieden dan de officiële staatsmacht, die door de oorlog is uitgeput en verzwakt.
Het Fiume-avontuur was het sentimentele motief, het concrete aanknopingspunt voor de kleine burgerij om zich stelselmatig te organiseren; het werd echter meteen duidelijk, dat deze organisatie slechts grond onder de voeten heeft voor zover ze rechtstreeks de industriële en agrarische eigendom verdedigt tegen de aanvallen van de revolutionaire klasse van arbeiders en arme boeren. Deze activiteit van de kleine burgerij, die nu officieel “het fascisme” is geworden, heeft gevolgen voor de samenhang van het staatsapparaat. Nadat ze eerst het parlement heeft gecorrumpeerd en ondermijnd, corrumpeert en ondermijnt de kleine burgerij nu ook de andere instellingen, die de steunpilaren zijn van de staat: het leger, de politie en de magistratuur. Ze corrumpeert en ondermijnt zonder dat ze er aanwijsbaar voordeel bij heeft, zonder een vastomlijnd doel (het enige vastomlijnde doel zou kunnen zijn, dat ze een nieuwe staat wil opbouwen, maar kenmerkend voor het Volk van de Apen is nu juist het aangeboren onvermogen om zelf wetten te maken en een eigen staat te stichten). Om zich te verdedigen geven de bezitters geld en steun aan een particuliere organisatie, die, om haar ware aard te verbergen, een “revolutionaire” houding aanneemt en de machtigste beschermheer van de eigendom, de staat, naar het leven staat. De bezittende klasse maakt ten opzichte van de uitvoerende macht dezelfde fout als tegenover het parlement: ze denkt zich beter te kunnen verdedigen tegen de aanvallen van de revolutionaire klasse door de instellingen van haar eigen staat uit te leveren aan de hysterische willekeur van het Volk van de Apen, de kleine burgerij. In de loop van zijn ontwikkeling verstart het fascisme rond de oorspronkelijke kern; het kan zijn ware aard niet langer verbergen. Het voert een wilde campagne tegen de eerste minister Nitti en roept zelfs op om de premier te vermoorden. Maar het laat diens opvolger Giolitti met rust, waardoor hij het liquideren van de rebellenregering in Fiume tot een “goed” einde kan brengen. De houding van het fascisme tegenover Giolitti heeft meteen het lot bezegeld van D’Annunzio en heeft duidelijk gemaakt wat het eigenlijke, historische doel is van deze organisatie van de Italiaanse kleinburgerij. Hoe sterker de Fasci, hoe strakker de organisatie van hun leden, hoe brutaler en agressiever hun acties tegen Arbeidskamers en socialistische gemeenten, des te veelzeggender en typerender hun opstelling tegenover D’Annunzio met zijn oproepen tot opstand en barricades. De “ware revolutionaire geest”, die met zoveel gebral wordt uitgedragen, moest zeker blijken uit de onschuldige voetzoeker, die is afgestoken in een portiek van het gebouw van La Stampa! De kleine burgerij heeft ook in haar laatste politieke incarnatie, het “fascisme”, definitief haar ware aard getoond: ze staat ten dienste van het kapitalisme en van de grondeigendom. Maar ze heeft ook laten zien, als het erop aan komt, niet in staat te zijn enige historische rol te vervullen: het Volk van de Apen maakt nieuws, maar maakt geen geschiedenis; het laat sporen na in de kranten, maar niet in de geschiedenisboeken. Nadat de kleine burgerij eerst het parlement de nek om heeft gedraaid, heeft ze het nu voorzien op de burgerlijke staat: ze stelt op steeds grotere schaal individueel geweld in de plaats van het wettige “gezag”; ze oefent dit geweld uit op een chaotische en brute manier (ze kan niet anders) en zet steeds bredere lagen van de bevolking op tegen de staat en tegen het kapitalisme.
Uit: Ordine Nuovo, 11 maart 1921.
Wat is het fascisme, als we het eens op internationale schaal bekijken?
Het is de poging om de vraagstukken van productie en distributie op te lossen met mitrailleursalvo’s en pistoolschoten. De productiekrachten zijn verspild in een vernietigende, imperialistische oorlog: 20 miljoen mannen in de kracht van hun levert zijn gedood; nog eens 20 miljoen zijn invalide geworden; de duizenden en duizenden lijnen, die de verschillende markten van de wereld verbonden, zijn op gewelddadige wijze verbroken; de betrekkingen tussen stad en platteland, tussen moederland en kolonie zijn verstoord, en de emigratiestromen, die van tijd tot tijd de ongelijke verhouding tussen de bevolkingsdruk en de capaciteit van de productiekrachten van de afzonderlijke landen rechttrokken, zijn danig in de war gebracht en werken niet meer normaal. Gelijktijdig en in onderlinge samenhang zijn verschillende nationale crises uitgebroken, die de algemene crisis extra hevig en onafwendbaar maken. Maar er is een laag van de bevolking — de kleine en middelgrote bourgeoisie — die denkt deze gigantische problemen te kunnen oplossen met mitrailleursalvo’s en pistoolschoten, en deze laag van de bevolking voedt en versterkt het fascisme.
In Spanje heeft de kleine en middelgrote bourgeoisie zich nog eerder dan in Italië in gewapende benden georganiseerd. Dat begon al in 1918 en 1919. De Wereldoorlog heeft Spanje eerder dan andere landen in een verschrikkelijke crisis gestort: de Spaanse kapitalisten hadden het land dan ook geplunderd en alles verkocht wat te gelde gemaakt kon worden in de eerste jaren van de wereldbrand. De Entente betaalde meer dan de arme Spaanse consumenten konden opbrengen en de bezitters verkochten aan de Entente alle rijkdommen en goederen, die de bevolking van Spanje nodig had. Spanje was al in 1916 één van de rijkste landen van Europa in financieel opzicht; maar één van de armste aan goederen en productiecapaciteit. De revolutionaire beweging won snel aan stootkracht, de vakbonden organiseerden bijna de hele industriële massa, en stakingen, uitsluitingen, proclamaties van de staat van beleg, ontbinding van Arbeidskamers en coöperaties, slachtingen en fusilleringen in de straten vormden een dagelijks onderdeel van het politieke leven. In dit klimaat ontstonden de antibolsjewistische knokploegen (de Somaten, vergelijkbaar met de Italiaanse Fasci di Combattimento). Die bestonden aanvankelijk, evenals in Italië, uit militairen die afkomstig waren uit officierenclubs (juntas), maar hun aanhang breidde zich snel uit en alleen in Barcelona telden ze al gauw 40.000 leden. Zij volgden dezelfde tactiek als de fascisten in Italië: agressie tegen vakbondsleiders, gewelddadig optreden tegen stakers, terreur tegen de massa’s, verzet tegen iedere vorm van organisatie, hulp aan de politie bij repressieve acties en arrestaties, steun aan onderkruipers bij stakingen en uitsluitingen. Spanje leeft nu al drie jaar in deze crisis: de burgerlijke vrijheden worden iedere veertien dagen opgeschort, de persoonlijke vrijheid is een mythe geworden, de vakbonden werken hoofdzakelijk ondergronds, de arbeidersmassa is uitgehongerd en wanhopig, en de grote volksmassa’s zijn in een toestand geraakt van onbeschrijflijke, beestachtig barbarij. En de crisis wordt heviger; het is al zover, dat men zijn leven niet meer zeker is.
Spanje is een voorbeeld. Het maakt een stadium door, dat alle landen van West-Europa zullen doormaken, wanneer de algemene economische omstandigheden zullen blijven zoals ze nu zijn, en de huidige tendensen zich doorzetten. In Italië zijn we op dit moment in de fase, die Spanje in 1919 doormaakte: de fase van bewapening van de middenklassen en van toepassing van militaire technieken en verrassingsaanvallen in de klassenstrijd. Ook in Italië denkt de middenklasse de economische problemen te kunnen oplossen met militair geweld; ze denkt de werkloosheid op te heffen met pistolen en revolvers en ze denkt de honger te stillen en de tranen van de vrouwen uit het volk te drogen met mitrailleurvuur. De lessen van de geschiedenis hebben geen zin voor de kleinburgers, die de geschiedenis niet kennen. De verschijnselen herhalen zich en zullen zich ook buiten Italië, in andere landen, herhalen. Is in Italië met de socialistische partij niet hetzelfde gebeurd als enkele jaren geleden in Oostenrijk, in Hongarije en in Duitsland? De illusie is het taaiste onkruid, dat woekert in het collectieve bewustzijn: de geschiedenis leert de mensen veel, maar heeft geen leerlingen.
Uit: Ordine Nuovo, 14 mei 1921.
Giolitti schrijft algemene verkiezingen uit voor 25 mei. Conservatieve liberalen, nationalisten, rechtse katholieken en fascisten vormen samen één lijst, het Nationale Blok. Mussolini besluit mee te doen om een politiek isolement van de Fascibeweging te voorkomen. Tijdens de verkiezingscampagne verklaart hij op arrogante toon dat de fascisten de dominante partner zijn in het Blok.
Men kan in de huidige verkiezingsstrijd de vreemde stelling horen verkondigen, dat het liberalisme in deze campagne is herboren. Men hoort bovendien de al even vreemde bewering dat de vorming van het nationale blok het bewijs is voor deze wedergeboorte, dat het programma van het blok een liberaal programma is en dat het blok zich liberaal gedraagt.
We ontkennen niet dat van deze beweringen een opwekkende werking uitgaat. Misschien roepen ze bij sommige bourgeois — als er tenminste nog bourgeois zijn, die de geschiedenis van hun eigen klasse kennen — de herinnering wakker aan het gouden tijdperk van de bourgeoisie. Het tijdperk van het liberalisme was de periode van de heldendom van de individuele bourgeois en van de heldendom van een partij. Liberaal waren die burgers die, alleen, slechts gesteund door hun eigen verantwoordelijkheidsbesef en met geen andere bescherming dan de vrijheid, de wereld economisch en moreel vernieuwden, door de boeien van iedere voorafgaande slavernij te verbreken. Liberaal waren die partijen, die de vrijheid tot inzet maakten van ieder programma en dit principe was hun grootste deugd. Wanneer men de bourgeois van nu, die het besef van de morele waarde van de vrijheid hebben verloren, liberaal noemt begaat men een zeer ernstige fout, en men geeft blijk van absoluut politiek onbegrip als men denkt, dat de burgerlijke partijen van nu, of erger nog, het blok waarin ze zijn opgegaan, liberaal zijn.
We zouden eerst eens moeten onderzoeken of er vandaag nog burgerlijke partijen zijn. Sinds door de nationalisering van de economie de politieke concurrentie tussen stad en platteland is omgezet in een verbintenis, binnen een staatssysteem van wederzijdse protectie, zijn de partijen van de bourgeoisie, de partijen in de klassieke betekenis van het woord, verdwenen. In het Italië van de moderne tijd heeft de tegenstelling tussen stad en platteland nooit een organische en historisch continue vorm aangenomen. Daarom hebben er nooit echte partijen bestaan, of ze zijn verdwenen, zodra het ideële vuur doofde dat hun ontstaan — ook al steunden ze niet op werkelijke belangen — mogelijk had gemaakt. In Italië zijn, met Historisch Rechts, de partijen verdwenen en de term liberalisme is sindsdien van betekenis veranderd en synoniem geworden aan “de kunst van het regeren”. Eerst was het liberalisme een voorwaarde, de bestaansvoorwaarde van alle partijen, toen werd het een soort gevolg, een resultante van het optreden van afzonderlijke groepen, dat met meer of minder harmonie werd gemanoeuvreerd door de behendigheid van de regeerder. Er was geen vrijheidsgedachte, geen verantwoordelijkheidsbesef meer; wat overbleef was de theorie en de praktijk van het politieke evenwicht, de politieke “schikking”, en daarmee kwam de ontkenning van de waarde van ideële uitgangspunten en verdween het verantwoordelijkheidsgevoel. Dit veranderingsproces wordt gesymboliseerd door Giovanni Giolitti, en het is geen toeval dat de laatste fase van dit proces, de vorming van het nationale blok, hoofdzakelijk zijn werk is.
In het blok is de politieke partij ter ziele gegaan en de praktijken van het “regelen”, van de “schikking”, slaan van het parlement over naar de politieke partijen van Italië. In het blok komt ook de liberale tactiek aan haar einde en ze bevestigt daar haar eigen ondergang.
Maar het einde van het liberalisme spreekt nog het duidelijkst uit het programma. Het programma van het nationale blok is niets anders, dan een verdediging tegen de aanval op de burgerlijke stellingen. Maar een klasse die zich defensief opstelt en van de zelfverdediging haar enige regeerbeginsel maakt, houdt daardoor op een liberale klasse te zijn. Ze koestert dan niet langer de aspiratie om alle maatschappelijke energie vrij te laten in haar ontwikkeling, met als enige beperking de vrijheid zelf. Wanneer de bourgeoisie dit punt bereikt, geeft ze duidelijk tekenen van verval. In haar schoot zijn de partijen gestorven: het enige wat rest is de klasse zelf. Zelfs een partijregering, dat wil zeggen een regering die uitgaat van een bepaald ideëel beginsel, kan de bourgeoisie er niet meer op na houden; ze kan zich nog slechts een zuivere klasseregering veroorloven, om het bestaande te behouden.
Dat bedoelen we, als we zeggen dat voor de bourgeoisie het uur van de dictatuur is aangebroken. Het “blok” is een vorm van de burgerlijke dictatuur, de hoogste en tegelijk meest platvloerse vorm ervan, omdat op dit punt de geschiedenis haar waardigheid verliest en afdaalt tot het peil van de farce en de obsceniteit. Maar de fascistische herkenningstekenen in het symbool van het nationale blok herinneren eraan, dat de burgerlijke dictatuur een ernstige en tragische zaak is. Wanneer de verkiezingsstrijd ontaardt in een handgemeen, zijn het de fascistische symbolen die de arbeiders eraan herinneren, dat de bourgeoisie niet toegeeft voordat ze alle middelen tot zelfverdediging en vernietiging heeft gebruikt.
Dit alles heeft niets te maken met liberalisme, evenmin als het geweld van de fascisten, die opereren in de schaduw van de staat, iets met moed te maken heeft. De geest van het liberalisme leeft in hen, die slechts steunend op hun eigen kracht en verantwoordelijkheidsgevoel en met geen ander doel voor ogen dan de verwezenlijking van hun denkbeelden, strijden voor een steeds verdergaande bevrijding van de wereld.
Uit: Ordine Nuovo, 11 juni 1921.
Na de verkiezingen schrijft het PSI-blad Avanti! dat het “Italiaanse proletariaat de fascistische reactie heeft bedolven onder een stortvloed van rode stembiljetten”. De fascisten krijgen 35 zetels in de Kamer van Afgevaardigden. De PSI weigert opnieuw iedere vorm van politieke samenwerking met andere partijen, maar houdt ook een revolutie voor onmogelijk. Socialisten dringen aan op een “wapenstilstand” met de fascisten.
Het fascisme ontleent zijn politieke kracht voor een belangrijk deel aan de volgende omstandigheden:
1) De fascisten hebben in de zes maanden van hun militante optreden de schuld op zich geladen van een lange reeks misdaden, die ongestraft zullen blijven zolang hun organisatie sterk en gevreesd is.
2) De fascisten hebben hun activiteiten alleen kunnen ontplooien, omdat tienduizenden overheidsfunctionarissen, vooral van de instellingen die zijn belast met de openbare veiligheid (commissarissen van politie, de Koninklijke Garde, de carabinieri) en leden van de rechterlijke macht, hun morele en daadwerkelijke handlangers zijn geworden. Deze functionarissen weten dat zij alleen buiten schot kunnen blijven en hun carrière alleen veilig kunnen stellen, als het fascisme wint, en daarom hebben ze er alle belang bij het fascisme voortdurend te steunen in zijn pogingen zijn machtspositie te consolideren.
3) De fascisten bezitten in het hele land depots, waar zoveel wapens en munitie liggen opgeslagen, dat ze daarmee een leger van minstens een half miljoen man kunnen bewapenen.
4) De fascisten zijn georganiseerd in een hiërarchisch systeem, dat op militaire leest geschoeid is, en waarvan het natuurlijke leiderschap berust bij de generale staf van het Italiaanse leger.
Uiteraard willen de fascisten niet de gevangenis in; ze willen juist alle kracht waarover ze beschikken gebruiken om ongestraft te blijven, en om het hoogste doel te bereiken van iedere beweging: de regeringsmacht.
Hoe denken de socialisten en de leiders van de CGL te voorkomen, dat het Italiaanse volk getiranniseerd wordt door de generale staf, de grootgrondbezitters en de bankiers? Hebben ze een plan klaar liggen? Hebben ze een programma? Het lijkt er niet op. Zouden de socialisten en de vakbondsleiders misschien een “clandestien” plan gereed hebben liggen? Dat zal niet werken, want alleen een opstand van de massa’s kan een reactionaire coup de kop indrukken. En massaopstanden moeten weliswaar in het geheim worden voorbereid, maar er moet ook legale en openlijke propaganda voor worden gemaakt om de geesten rijp te maken en er richting aan te geven.
De socialisten hebben zich nooit serieus bezig gehouden met de mogelijkheid van een staatsgreep of met de vraag hoe ze zich daartegen moeten verweren en hoe ze eventueel een tegenoffensief moeten inzetten. De socialisten hebben er een gewoonte van gemaakt op een stupide manier pseudo-marxistische formuletjes te herkauwen en ze spreken hun afkeer uit van de “voluntaristische” revolutie, het “geloof in wonderen” enzovoort. Maar als het proletariaat nu eens tot de opstand wordt gedwongen door de reactionairen, die nu eenmaal geen “marxistische” scrupules hebben, wat zou de socialistische partij dan doen? Zou ze zonder enig verzet de overwinning cadeau geven aan de reactie? En als het verzet zou zegevieren, als de in opstand gekomen en bewapende proletariërs de reactie zouden verslaan, welk parool zou de socialistische partij dan geven: de wapens inleveren of de strijd tot het einde toe voeren? Wij menen dat deze vragen op dit moment zeker niet academisch of abstract zijn. Het is weliswaar mogelijk dat de fascisten, die ook maar gewone Italianen zijn en kampen met de besluiteloosheid en de zwakheden die de Italiaanse kleine burgerij eigen zijn, de tactiek nadoen, die de socialisten bij de fabrieksbezettingen hebben gevolgd; dat ze zich terugtrekken en hun handlangers en degenen, die zich aan misdaden hebben schuldig gemaakt, overleveren aan de strafvervolging van een regering die de legaliteit herstelt. Misschien, maar het is een grove tactische vergissing, om te vertrouwen op de fouten van de tegenstander, om de tegenstander als incompetent en machteloos te beschouwen.
Wie sterk is, maakt daar gebruik van. Wie ziet, dat hij de gevangenis dreigt in te gaan, klimt tegen de klippen op om zijn vrijheid te bewaren. Een staatsgreep van de fascisten, dat wil zeggen van de generale staf, de grootgrondbezitters en de bankiers, is het dreigende vooruitzicht dat deze zittingsperiode van de Kamer van het begin af aan heeft beheerst. De communistische partij heeft een duidelijke lijn: het parool geven tot de opstand en het gewapende volk voeren naar de vrijheid, die door de arbeidersstaat wordt gewaarborgd. Wat is het parool van de socialistische partij? Hoe kunnen de massa’s nog vertrouwen stellen in deze partij, die alleen maar actief is in het slaken van kreten en die zich slechts ten doel stelt haar afgevaardigden “prachtige” redevoeringen te laten afsteken in het parlement?
Uit: Ordine Nuovo, 22 juni 1921.
Op 21 juni houdt Mussolini zijn maidenspeech in de Kamer van Afgevaardigden. Hij houdt alle deuren open. Zijn toon is sterk antidemocratisch en antisocialistisch. “De echte geschiedenis van het kapitalisme is nog maar net begonnen”, zegt hij. Hij krijgt de nationalisten op zijn hand door zijn agressieve uithalen naar de Duitse bevolking van Zuid-Tirol. Hij paait de katholieken met een pleidooi voor landhervormingen en vrijheid van onderwijs. Ook de arbeiders worden niet vergeten. Hij belooft ieder voorstel voor sociale wetgeving te steunen en verklaart dat de fascisten hun houding tegenover de CGL zullen veranderen als die haar banden met de PSI verbreekt.
Na het onbeduidende geredekavel van de verschillende fracties in het parlement — een geliefd onderwerp voor de bespiegelingen van de Romeinse correspondenten — kwam dan gisteren in de Kamer het debuut van de man die zich graag aandient, en graag wordt afgeschilderd, als de leider van de Italiaanse reactie: Mussolini. En Mussolini dacht er goed aan te doen, in zijn eerste redevoering — bijna alsof hij het een verdienste vond — te herinneren aan zijn revolutionaire achtergrond. Is dat nu een pose, of wil hij op die manier nog meer in de gunst komen van zijn nieuwe meesters? Beide motieven spelen ongetwijfeld mee, en het is zeker waar dat het revolutionaire verleden van deze kersverse reactionair in niet geringe mate heeft bijgedragen aan zijn imago. We mogen echter geen vooroordelen hebben en moeten ook deze Mussolini mythe, die de voormalige leider van de revolutionaire vleugel van de socialistische partij zo dierbaar is, een beetje ontluisteren. Komt het door een gerijpt bewustzijn, resultaat van de concrete revolutionaire evaringen van deze laatste jaren, dat we, terugdenkend aan de daden en de gebeurtenissen van die tijd, deze in een ander daglicht plaatsen dan destijds? In zijn rede voor de Kamer had Mussolini misschien maar één keer gelijk, namelijk toen hij het, sprekend over zijn handelwijze en over zijn visie op politieke conflicten, had over blanquisme. [Toelichting in het personen of het zakenregister] Deze bekentenis stelt ons in staat om vanuit de geëigende invalshoek nauwkeurig te vatten en weer te geven wat we instinctief als onlogisch, lomp en grotesk ervaren in de persoon van Mussolini. Het blanquisme is de sociale theorie van de coup, maar, als we er goed over nadenken, heeft Mussolini’s revolutiebegrip hieraan slechts het materiële deel ontleend. Ook van de tactiek van de Derde Internationale heeft men gezegd dat hij raakpunten heeft met het blanquisme, maar de theorie van de proletarische revolutie die vanuit Moskou wordt verspreid en die door de bolsjewieken in praktijk is gebracht, vormt één geheel met de marxistische theorie van de dictatuur van het proletariaat. Van het blanquisme heeft Mussolini slechts de buitenkant bewaard, of beter gezegd: hijzelf heeft er iets uiterlijks van gemaakt door het te reduceren tot een materieel gegeven, namelijk overheersing door een minderheid en het gebruik van wapengeweld. De inpassing van het optreden van de minderheid in de massabeweging, en het proces dat de revolutie tot een middel maakt om de maatschappelijke verhoudingen te veranderen, dat alles is eruit verdwenen. De Rode Week van de Romagna, die typische beweging à la Mussolini, werd daarom door sommigen zeer treffend gekarakteriseerd als een revolutie zonder programma.
Maar hier is niet alles mee gezegd. Men kan volhouden dat er voor de leider van de fascisten sindsdien niets is veranderd. Zijn opstelling is in wezen nog steeds die van toen. Hij is nog steeds alleen maar een theoreticus — als we daarvan kunnen spreken — en een aanstichter van coups. Het blanquisme in zijn zuiver materiële gedaante kan vandaag revolutionair en morgen reactionair zijn. Het is echter slechts in schijn revolutionair en reactionair, omdat het nooit enige continuïteit of ontwikkeling zal kennen, en omdat het nooit in staat zal zijn de ene coup met de andere in een historisch proces te verbinden. Half angstig, half verbijsterd zien de bourgeois in deze man, die hun zijn diensten heeft aangeboden, een soort monster, dat een echte revolutie kan maken en geschiedenis kan schrijven.
Niets is minder waar. Het blanquisme van deze epilepticus is al evenmin in staat om de schakels van een historische keten aaneen te smeden, als de malthusiaanse revolutieleer van een D’Aragona [Toelichting in het personen of het zakenregister] en een Serrati. [Toelichting in het personen of het zakenregister] Ze behoren allen tot dezelfde familie. Ze zijn in gelijke mate de verpersoonlijking van dezelfde onmacht. Als er in de huidige Italiaanse reactie lijn en continuïteit lijkt te zitten, komt dat door andere factoren, die niet alleen Italiaans zijn, maar die in alle landen voorkomen en die heel anders geaard zijn, dan deze fanatieke zelfverheerlijker ons wil doen geloven.
De strijd tegen de economische eisen van de werkers en tegen de arbeidersopstand heeft veel concretere wortels, maar het is tekenend voor de ernst van de Italiaanse politiek, dat aan de top van een bouwwerk, dat bijeengehouden wordt door een stevig systeem van reële krachten, deze man staat, die zich verliest in machtsspelletjes en verbale zelfbevrediging.
De burgerlijke politici, die oordelen vanuit hun onmacht en hun angst, hebben het over een reactionaire revolutionair. Voor ons, en voor allen die iets begrijpen van het krachtenspel achter de politiek, is hij slechts een paardenvlieg.
Uit: Ordine Nuovo, 17 juli 1921.
In juli komen, onder bemiddeling van kamervoorzitter De Nicola, “vredesbesprekingen” op gang tussen Mussolini en de PSI-top.
De regering en de burgerlijke pers zoeken een element dat de aandacht kan afleiden van het mislukken van de “vredesbesprekingen” tussen de fascistische en de reformistische parlementariërs. En ze hebben het gevonden: de communistische partij. De communistische partij wil geen pacificatie. De communistische partij is de oorzaak van alle kwaad en alle leed, dat over het Italiaanse volk is gekomen. De communistische partij is een verzameling bandieten, moordenaars en ordinaire misdadigers.
De communistische partij is de enige oorzaak van het fascisme.
Aangezien de communistische partij geen pacificatie wil, kan de regering Bonomi [Toelichting in het personen of het zakenregister] niet anders dan de fascisten hun gang laten gaan. De honderden en duizenden wapen- en munitievoorraden die de fascisten vaak openlijk aanleggen, zullen niet in beslag genomen worden. De fascisten zullen hun mitrailleurs, kanonnen, vlammenwerpers en karabijnen mogen houden. De fascisten zullen mogen blijven paraderen door de steden, de karabijn op de rug, de helm op het hoofd en de ransel vol bommen. De staat zal niet ingrijpen, de wetten niet toepassen, ze niet gevangen zetten en de rechters niet storen. De staat is, voor wat de fascisten betreft, geen handhaver van de wet en geen organisatie van repressie en strafvervolging. De staat is er niet voor de fascisten; de staat erkent de fascisten als autonome macht, onderhandelt met hen op voet van gelijkheid en geeft hun het recht om, als de pacificatie niet lukt, ongestraft door te gaan met brandstichten en moorden en met het overrompelen van steden en dorpen, het verbannen van burgers en het ontbinden van openbare besturen.
Er zit een zekere ironie in deze vredestichterij van de Italiaanse regering. Wie zal er namelijk garant staan voor het “vredesverdrag” en toezien op de naleving ervan? Wie zal vertrouwen op het woord van een regering, die op deze verbijsterende manier bekent óf machteloos óf te kwader trouw te zijn? Hoe zal dit “handvest”, waaraan revolutionairen en fascisten trouw zouden moeten zweren, worden nageleefd door deze regering, die zelfs de grondwet, waaraan de koning tegenover het Italiaanse volk trouw heeft gezworen, niet naleeft?
De communisten zullen zeker niet meedoen aan deze koehandel. Ze zullen deze wandaad tegen het Italiaanse volk zeker niet begaan. Er kan geen vrede zijn tussen de beul en zijn slachtoffer; er kan geen vrede zijn tussen het volk en zijn moordenaars. De communistische partij neemt alle verantwoordelijkheid voor deze beslissing op zich. Ze weet dat ze het doelwit zal worden van de reactionaire coalitie, maar ze weet ook dat ze als ondertekenaar van het pacificatiepact evengoed het mikpunt zou worden van de aaneengesloten reactie. De Italiaanse arbeidersklasse heeft al gezien wat het woord van de Italiaanse regering waard is. Na de ontruiming van de bezette fabrieken zouden er geen vergeldingsmaatregelen komen. Met duizenden zijn de arbeiders in de gevangenis gegooid en de rechtbanken werken zich in het zweet om een kolossaal complot uit de grond te stampen. Met honderdduizenden zijn de arbeiders op straat gezet, om met hun gezinnen te creperen van de honger. In Turijn hebben ook de socialistische arbeiders hun vertrouwen in het woord van de reactionairen moeten bezuren: ze hebben eerst toegestaan, dat in de bedrijven de communisten, de meest stoutmoedige strijders voor de revolutie, werden ontslagen, en toen hebben ze een overeenkomst gesloten. Nu is het hun beurt: nu worden zij ontslagen.
Wie zal de reactionairen houden aan hun overeenkomsten, beloften en trouwbetuigingen? Tonen zij niet al vóór de pacificatie hun kwade trouw? De reactie heeft het niet zozeer gemunt op de communisten of de communistische partij, als kleine kern van georganiseerde enkelingen. De reactie heeft het gemunt op de klasse van arbeiders en boeren, de massa van loonslaven van het kapitaal. Ze is bang dat de werkende klasse als geheel, of die nu communistisch, socialistisch, republikeins of katholiek is, na te zijn onderdrukt en uitgehongerd, opstaat tegen haar uitbuiters en de bestaande klassenverhoudingen omkeert.
In Ferrara bestond nog niet eens een afdeling van de communistische partij, en toch heeft het fascisme daar bijzonder ruw huisgehouden. In alle landbouwstreken — in de provincies Pola en Reggio-Emilia en in Apulië, waar het fascisme een koloniaal systeem heeft gevestigd — had de communistische partij, die zich vooral in de steden en fabrieken manifesteert, nauwelijks leden. Waar de communistische partij bijzonder sterk is, zoals in Turijn, heeft het fascisme tot eind april gewacht met acties. Daar viel de fascistische agressie samen met de industriële crisis, met de uitsluiting bij Fiat; een duidelijk bewijs dat het hier ging om een gecoördineerde tactiek in de kapitalistische oorlog tegen de vakbondsorganisaties.
Het fascisme is niet zo maar een organisatie, evenmin als het communisme dat is. Het fascisme is een sociale beweging; het is de levende uitdrukking van de bezittende klasse, die vecht tegen de vitale aanspraken van de werkende klasse. Uitdrukking van de bezittende klasse, die over de lijken van de werkers het door de imperialistische oorlog geruïneerde economische systeem weer wil opbouwen. In deze strijd neemt de bezittende klasse nog steeds het initiatief, zoals het fascisme het initiatief neemt in de burgeroorlog. De werkende klasse is het slachtoffer van de klassenoorlog en er kan geen vrede zijn tussen het slachtoffer en de beul.
Wie nú het proletariaat meesleept in een verzoening is zelf een beul geworden: uit medelijden met de tien doden van vandaag bereiden ze de aanslag van morgen voor op duizenden. Dat is geen medelijden, maar laffe huichelarij. De communistische partij wil nóch laf, nóch huichelachtig zijn, omdat ze echt menselijk medelijden voelt met het wrede lot van het werkende volk.
Uit: Ordine Nuovo, 23 juli 1921.
Op 21 juli 1921 openen carabinieri het vuur op een colonne van zeshonderd Toscaanse fascisten, die optrekt naar het stadje Sarzana, in de buurt van La Spezia. De plaatselijke bevolking, waaronder een groot aantal communisten, komt tussenbeide en achtervolgt de zwarthemden door de velden. Dit is de eerste keer dat de autoriteiten optreden tegen de fascisten. Bij het Sarzana-incident worden dertien leden van de fascistische eenheid gedood.
In de 365 dagen van het jaar 1920 hebben 2.500 Italianen (mannen, vrouwen, kinderen en oude mensen) de dood gevonden in de straten en op de pleinen door kogels van de politie en van de fascisten. In de afgelopen tweehonderd dagen van dit barbaarse jaar 1921 zijn ongeveer 1.500 Italianen gedood door het lood, de dolken en de ploertendoders van de fascist. Ongeveer 40.000 vrije burgers van het democratische Italië zijn afgeranseld, verwond en kreupel geslagen. Ongeveer 20.000 zeer vrije burgers van het zeer democratische Italië zijn verbannen of met dreigementen gedwongen weg te vluchten van hun werk en huis, en nu dolen zij door het land, weerloos, zonder werk en zonder familie. Zo’n driehonderd gemeentebesturen, die op basis van het algemeen kiesrecht zijn gekozen, zijn gedwongen af te treden, en een twintigtal redacties van socialistische, communistische, republikeinse en vooruitstrevende katholieke dagbladen zijn in puin geslagen. Honderden en nog eens honderden Arbeidskamers, buurthuizen, coöperatiegebouwen en afdelingsgebouwen van de communistische en socialistische partij zijn geplunderd en in brand gestoken. 15 miljoen Italianen uit Emilia, Pola, Romagna, Toscane en Umbrië, uit Veneto en Lombardije, staan onder het bewind van gewapende benden, die een hele reeks misdaden op hun geweten hebben. Zij hebben ongestraft brand gesticht, geplunderd, mensen afgeranseld, zijn huizen binnengedrongen, hebben vrouwen en grijsaards beledigd, honderden gezinnen tot honger en wanhoop gebracht, het volk tot in zijn diepste religieuze en culturele gevoelens gekwetst en kinderen en oude mensen de doodsschrik op het lijf gejaagd.
Dit alles is toegelaten door de officiële gezagsdragers, en in de kranten óf verzwegen óf geprezen. De heersende klasse, het parlement en de regering lijken getroffen door een collectieve verstandsverbijstering. Al deze lieden dachten dat het nationale leven kon worden genormaliseerd volgens het draaiboek van de fascisten. Zij dachten dat ze geen enkele psychologische of fysieke reactie hoefden te vrezen van het op deze manier gemartelde, mishandelde en vernederde volk.
Maar er komt verandering in de situatie. Het zijn niet langer enkelingen of kleine groepjes die in verzet komen, die proberen zich te verweren en die trachten hun doden te wreken. Hele bevolkingsgroepen staan op, zonder onderscheid tussen de verschillende volkspartijen. De priester luidt de noodklok, terwijl de vrouwen de kokende olie klaarzetten en de mannen grijpen naar alles wat als wapen dienst kan doen. Zij vormen verdedigingsbataljons en als alle opgekropte haat en ondergane vernederingen boven komen, worden ze razend en openen ze de jacht op de fascist als gold het een vreemde invaller, die zich door zijn gemene bruutheid buiten de gemeenschap heeft geplaatst.
En eindelijk komt de staat in beweging. Nu het volk opstaat komt de staat in beweging. Nu de volkswoede recht zoekt voor het doorstane leed komt de staat in beweging. Behoedzaam en voorzichtig, want het gaat hier niet om maatregelen tegen het arme volk, nee, hier moet worden opgetreden tegen de zonen van de bourgeoisie, tegen lieden die uit plunderen gaan met de kreet “Leve Italië, leve de koning!” en die zich tooien met de nationale driekleur. Lieden uit de betere kringen kortom, die verwanten hebben in de kamer, bij de legerleiding en bij de rechterlijke macht.
En inderdaad. Er worden dertien fascisten gedood door de politie, dertien leden van een gewapende bende van zeshonderd, die tegen de stad Sarzana wilde optrekken: rouw, geweeklaag, en verslagenheid alom. 2.500 Italianen zijn vermoord in 1920; 1.500 Italianen zijn vermoord in de eerste zes maanden van 1921; maar zij behoorden tot het grauw, zij waren slechts volksvee. dat toch te talrijk is, dat toch teveel verbruikt, gezien het productieve vermogen van het kapitalistische apparaat van industrie en landbouw. Daarom protesteert er niemand als zij worden afgemaakt; daarom rouwt er niemand, worden er geen tranen vergoten en heerst er geen verslagenheid over hun gewelddadig einde. Die dertien zijn meer waard dan de vierduizend; door de dood van dertien vergeet men de dood van vierduizend en vergeet men het verdriet en het lijden van de miljoenen, die zijn blootgesteld aan het terreurbewind van de fascistische overweldiger.
Dat is allemaal normaal. Het zou onnozel zijn om iets anders te verwachten. Het zou absurd zijn te hopen, dat de staat en de kranten permanent zouden optreden tegen de fascistische terreur. Als men de heersende klasse vraagt af te rekenen met het fascisme, vraagt men haar zelfmoord te plegen. De wapens die vijf minuten lang gericht waren op fascisten, zullen weldra gericht worden op het opgestane volk. Het volksverzet is voor de burgerlijke staat een gerede aanleiding om de wapens, die in het bezit zijn van de werkers, op te sporen en in beslag te nemen. Er zullen de meest absurde fabeltjes worden verspreid over het barbaarse, onmenselijke kannibalenvolk. De dood van dertien kinderen van de bourgeoisie rechtvaardigt de afslachting van duizend werkende mensen.
Als het volk niet voortdurend op zijn hoede is, als het zich de wapens laat afnemen, als het zich laat misleiden door die lieden, die nog nooit één belofte zijn nagekomen (...) Wat we nu beleven is waarlijk het uur van de volkswoede. Wee de politieke partijen, die geen besluit kunnen nemen, die uit de historische ervaring van andere landen geen conclusies weten te trekken voor hun eigen handelen.
De communistische partij is op haar post; zij wordt langzamerhand de meest populaire partij van Italië, door het formaat van haar leden, die zich aan het hoofd stellen van het opgestane volk en die het voorgaan op de weg naar bevrijding en vrede. De massa’s raken ervan overtuigd, dat de communistische partij op dit moment de enige partij is die orde en rust wil en die de samenleving dit onschatbare goed kan verzekeren. De massa’s weten uit eigen ervaring wat ze hebben aan de parlementaire democratie en aan de burgerlijke wetten, die niet in staat zijn brood, vrede en veiligheid van lijf en goed te garanderen, en ze staan op en sluiten zich aaneen in dorpen en steden. De burgerlijke kranten, die overal communisten zien, voelen de Italiaanse werkelijkheid scherp aan: in Italië oriënteert iedere volksopstand zich weldra op de communistische partij. In Italië zal de communistische revolutie de meest populaire en de meest ingrijpende beweging zijn, die ooit opkwam in de geschiedenis van Italië.
Uit: Ordine Nuovo, 27 juli 1921.
De piassen van de CGL zijn nog steeds in een opgewekt humeur. Hele gewesten zijn door de witte garde in vuur en vlam gezet, het vakbondswerk is volledig lamgelegd, er bestaat geen enkele grondwettelijke garantie meer voor personen en organisaties, boeren en arbeiders worden ongestraft gefusilleerd door gewapende huurlingenbendes, die zich vrij kunnen verplaatsen van de ene provincie naar de andere, van het ene gewest naar het andere. Maar de piassen van de CGL verliezen daardoor niet hun eetlust of hun goede humeur. Bestaat er in Italië de mogelijkheid van een staatsgreep? Welke gedragslijn moet de CGL, het hoogste orgaan van het Italiaanse proletariaat, volgen in het licht van deze mogelijkheid? De piassen van het vakverbond moeten al lachen als men alleen het idee van een staatsgreep oppert. Maar leven we vandaag in Italië niet volledig in het klimaat van een staatsgreep? Wat betekent het eigenlijk dat hele provincies en hele gewesten niet langer door de officiële autoriteiten maar door het fascisme worden geregeerd? Is de doodstraf soms niet opnieuw ingevoerd, is het gebruik van de knuppel niet opnieuw in zwang gekomen en worden deze straffen soms niet opgelegd door niet-legale instanties?
Maar dit alles vormt slechts de achtergrond voor een staatsgreep, het is nog geen staatsgreep in zijn meest effectieve gedaante. Er bestaat nog een parlement, de regering wordt nog steeds gekozen en gecontroleerd door het parlement; er bestaat nog geen uitzonderingswet, die de grondwettelijke garanties heeft afgeschaft. Maar wie gelooft, dat de huidige stand van zaken nog lang zal duren? Er zijn op dit moment in Italië twee repressieve apparaten die straffen opleggen: het fascisme en de burgerlijke staat. Een eenvoudige kosten- en batenberekening leidt tot de conclusie, dat de heersende klasse op den duur deze beide systemen ook officieel in elkaar zal willen laten opgaan, en dat ze weerstanden in de staatsrechtelijke traditie uit de weg zal ruimen met een coup tegen de centrale organen van de regering. We zullen dan te maken hebben met een “staatsgreep” volgens het schema, dat de democratische ideologieën over de moderne staat hebben geconstrueerd. Er zal verzet zijn van het volk, er zullen pogingen worden ondernomen tot plaatselijke opstanden en er zal verzet zijn van de bureaucratie, die terecht zal vrezen het slachtoffer te worden van de eisen van een menigte werklozen die uit is op een baan en een salaris. Het meest reactionaire en meedogenloze deel van de heersende klasse zal het land zijn bloedige dictatuur opleggen, de arbeidersorganisaties ontbinden en alle macht in handen geven van de legerleiding. Bestaat dit gevaar of niet? En welke gedragslijn moet de CGL volgen tegenover dit gevaar?
We hebben er onlangs in een kort commentaar aan herinnerd dat de vakbondsfederatie in Duitsland drie maanden van organisatorische arbeid nodig had om de putsch van Kapp [Toelichting in het personen of het zakenregister] en Lüttwitz te breken. De piassen van de Italiaanse vakbondsfederatie grijpen dit aan om te concluderen dat er dus moet worden samengewerkt met die “niet uitdrukkelijk revolutionaire krachten en klassen, die gekant zijn tegen een staatsgreep.” In Duitsland wisten de proletarische massa’s met een algemene staking de couppoging van Kapp en Lüttwitz te laten mislukken. Nu begint het allemaal van voren af aan; het gevaat van een staatsgreep is alleen maar groter geworden. De niet uitdrukkelijk revolutionaire “collaborateurs” die geen enkele bijdrage hadden geleverd aan het verzet tegen de putsch, verzetten zich wel tegen een verdere ontwikkeling van de revolutionaire beweging, tegen voortzetting van de strijd voor de Duitse sovjetrepubliek. Zo werden de reactionaire krachten niet verslagen, konden zij zich ordelijk terugtrekken, zich volgens een vooropgezet plan verspreiden en het bewapenings-, rekruterings-, en organisatiewerk hervatten, waardoor Kapp en Lüttwitz vandaag betere kansen hebben dan ooit.
Van de Duitse ervaringen zouden de arbeidersorganisaties in andere landen iets moeten leren; de Italiaanse piassen hebben er niets van geleerd. Dit politieke uitschot koestert nog steeds de illusie, dat het door middel van schandalige onderhandelingen de voor hen bestemde stokslagen en kogels kan ontlopen. Zelfs het Hongaarse voorbeeld kon hen er niet toe bewegen een lijn uit te stippelen, die meer in overeenstemming is met de werkelijke gebeurtenissen. Wat er vandaag in Italië gebeurt laat hen koud: ze blijven zich koesteren in gelukzalige en stompzinnige onverschilligheid.
Brandstichtingen, moorden, afranselingen, massa-executies, ontbinding van organisaties, bezetting van arbeidershoofdkwartieren, vergaderverboden, een dagelijks aangroeiend leger van vluchtelingen, bannelingen en hongerende, een algemene gemoedstoestand die van wanhoop dreigt om te slaan in woede en collectieve razernij: dat alles verontrust hen niet, schokt hen niet en brengt hen geen groter verantwoordelijkheidsbesef bij. Ze schertsen, lachen en vermaken zich met geestigheden over de communistische partij, die niet sterk genoeg is om... de revolutie uit te roepen.
De Hongaarse ervaring heeft ons iets geleerd: de reactionairen beginnen — om de communisten te verslaan — met toenaderingspogingen tot de socialisten, ze gaan met hen rond de tafel zitten en sluiten een verzoeningsakkoord. Als de communisten eenmaal zijn verslagen, worden alle akkoorden en afspraken verscheurd en maken ook de socialisten kennis met het worgtouw en de kogel. De opgewekte lach die nog steeds kenmerkend is voor de piassen van de CGL zal, als de tekenen niet bedriegen, spoedig verstarren tot een huiveringwekkende grijns. De arme leidsmannen van het Italiaanse proletariaat dreigen door hun besluiteloosheid, hun onbekwaamheid en hun onbegrip voor de politieke toestand te worden verzwolgen in een draaikolk van barbarij die zijn weerga niet kent in de geschiedenis van Italië.
Uit: Ordine Nuovo, 25 augustus 1921.
Op 2 augustus 1921 ondertekenen socialisten en fascisten een pacificatiepact. Beide partijen zeggen toe alle geweld tegen elkaar onmiddellijk te staken, elkaars economische organisaties te respecteren en schendingen van het pact voor te leggen aan speciale rechtbanken. Kort daarna ontstaat een conflict tussen Mussolini en een groot aantal plaatselijke Fascileiders, die bang zijn dat de beweging haar slagvaardigheid zal verliezen als gevolg van Mussolini’s streven de Fasci in de legaliteit te halen. Mussolini speelt met de gedachte om van zijn kamerfractie een constitutionele oppositie te maken en suggereert een samenwerking met de PSI en de Volkspartij. In Noord-Italië breekt een storm van protest los, met name bij de squadristi, die Mussolini beschuldigen van “verraad aan het fascistische revolutionaire ideaal”. Gramsci ziet hierin een beslissende crisis van het fascisme.
De crisis van het fascisme, die zovelen deze dagen trachten te doorgronden, is gemakkelijk verklaarbaar als we ons serieus verdiepen in de ontwikkeling van de fascistische beweging zelf.
De Fasci di Combattimento ontstonden kort na de oorlog, als één van die overwegend kleinburgerlijke verenigingen van oud-strijders die destijds opkwamen. Vanwege hun vijandelijke opstelling tegenover de socialistische beweging, die deels is terug te voeren op de conflicten tussen de socialistische partij en de interventionistische organisaties tijdens de oorlog, kregen de Fasci de steun van de kapitalisten en de autoriteiten. In dezelfde periode waarin de Fasci ontstonden, hadden de grootgrondbezitters een speciale garde nodig om op te kunnen treden tegen de groeiende macht van de landarbeidersorganisaties. Zo kregen de door de grootgrondbezitters uitgeruste en bewapende knokploegen op het platteland hetzelfde etiket als de Fasci, die zich op hun beurt langzamerhand ontwikkelden tot de witte troepen, die het kapitalisme inzette tegen de klasseorganisaties van het proletariaat. Het fascisme is deze aangeboren kwaal nooit meer kwijtgeraakt. In het vuur van de gewapende acties kwam het nog niet tot een escalatie van het conflict tussen de beide componenten van de fascistische beweging, namelijk de kleinburgerlijke kernen in de steden, die zich merendeels oriënteren op het parlement en bereid zijn tot samenwerking met andere partijen, en de groepen van het platteland, die bijeengebracht zijn door de grote en middelgrote grondbezitters en zelfs door enkele pachters, om zich teweer te stellen tegen de arme boeren en hun organisaties. Deze tweede, agrarische component van het fascisme is uitgesproken antivakbond en reactionair, en stelt meer vertrouwen in rechtstreekse gewapende actie dan in het gezag van de staat of in het parlementarisme.
In de landbouwgebieden (Emilia, Toscane, Veneto, Umbrië) ontwikkelde het fascisme zich het snelst en wist het, met de financiële steun van de kapitalisten en onder bescherming van de burgerlijke en militaire autoriteiten, een onvoorwaardelijke macht te veroveren. Terwijl het meedogenloze offensief tegen de klasseorganisaties van het proletariaat in het voordeel werkte van de kapitalisten, die in één jaar tijd het hele actieapparaat van de socialistische vakbonden zagen instorten, kan niet worden ontkend, dat de ontaarding van het geweld uiteindelijk een vijandige stemming opriep in brede kringen van de middenklassen en van het volk.
De gebeurtenissen in Sarzana, Treviso, Viterbo, en Roccastrada brachten een hevige schok teweeg bij de stedelijke fascistenkernen, verpersoonlijkt door Mussolini, die een gevaar begonnen te zien in de uitsluitend negatieve tactiek van de Fasci op het platteland. Aan de andere kant had deze tactiek wel resultaten opgeleverd, voor zover de socialistische partij hierdoor gedwongen was door de knieën te gaan en in het land en in het parlement samen moest gaan werken met de fascisten.
Het tot dan toe sluimerende conflict begint nu in alle hevigheid los te barsten. Terwijl de stedelijke groepen, die bereid zijn tot politieke samenwerkingsvormen, vinden dat hun doel bereikt is nu de socialistische partij haar onverzoenlijke klassenhouding heeft laten varen, en zich haasten deze overwinning vast te leggen in een pacificatiepact, kunnen de agrarische kapitalisten niet afzien van de enige tactiek die hen “vrije” uitbuiting van de boerenklassen verzekert en hun vrijwaart tegen stakingen en organisaties. De polemiek die op dit moment in het fascistische kamp wordt gevoerd door vóór- en tegenstanders van de pacificatie is in z’n geheel terug te voeren op dit conflict, dat zijn oorsprong vindt in het ontstaan van de fascistische beweging.
De bewering van de Italiaanse socialisten, dat zij de scheuring in de fascistische beweging hebben veroorzaakt door hun behendige compromispolitiek is niets anders dan een zoveelste bewijs van demagogie. In werkelijkheid dateert de crisis van het fascisme niet van vandaag, maar heeft die altijd bestaan. Toen de toevallige factoren, die het antiproletarische front bijeenhielden, waren verdwenen, was het onvermijdelijk, dat de meningsverschillen duidelijker aan de dag traden. De huidige crisis is dus niets anders dan het bovenkomen van een in feite al bestaande situatie.
Het fascisme zal door deze crisis in twee kampen uiteenvallen. Het parlementaire deel, aangevoerd door Mussolini, dat steunt op de middenklassen, ambtenaren, kleine neringdoenden en industriëlen, zal zich organiseren in een politieke partij en noodgedwongen aansturen op samenwerking met de socialisten en de Volkspartij. Het onverzoenlijke deel, dat uiting geeft aan de noodzaak van een directe gewapende verdediging van de agrarische kapitalistische belangen, zal doorgaan met zijn kenmerkende antiproletarische acties. Voor deze groep, die voor de arbeidersklasse de belangrijkste is, zal het “wapenstilstandsverdrag”, waarop socialisten zich beroemen alsof het een overwinning is, geen enkele waarde hebben. De betekenis van de “crisis” zal slechts hierin gelegen zijn dat een fractie van kleinburgers de fascistische beweging verlaat, na een vergeefse poging een rechtvaardiging te vinden voor het fascisme in een algemeen politiek “partij”-programma. Maar het echte fascisme, dat de boeren en arbeiders van Emilia, Veneto en Toscane kennen uit hun pijnlijke ervaringen van de laatste twee jaar van witte terreur, zal doorgaan, ook al zal het misschien een andere naam aannemen.
Het is de taak van de revolutionaire arbeiders en boeren om deze periode van betrekkelijke rust, die het gevolg is van de interne twisten van de fascistenbenden, te gebruiken om de onderdrukte en weerloze massa’s een helder bewustzijn bij te brengen van de werkelijke situatie van de klassenstrijd, en van de middelen waarmee de drieste kapitalistische reactie kan worden verslagen.
Uit: Ordine Nuovo, 26 augustus 1921.
In de brief waarin de vicesecretaris van de Fasci, Cesare Rossi, [Toelichting in het personen of het zakenregister] zijn ontslag aankondigt, en die van nog grotere betekenis is voor zover hij uitdrukking geeft aan de gedachten van de hele parlementaire vleugel onder leiding van Mussolini, uit hij scherpe kritiek op de ontaarding van de fascistische beweging, die het werk is van de grootgrondbezitters: “Onze stoutmoedige minderheid van 1919 — schrijft hij — is bezweken onder de aanrollende golven van nieuwe krachten, die, omdat ze noch een culturele noch een politieke identiteit hebben, slechts blijk geven van onechte vervoering en louter klasse-, groeps en lokale belangen vertegenwoordigen.”
Door het optreden van de krachten van het platteland, die zich hebben geënt op de stam van de kleinburgerlijke beweging van stedelijke veteranen, is het fascisme “daar waar het de heerschappij lijkt uit te oefenen, vervallen tot een onvervalst behoudzuchtige en reactionaire beweging.” De vicesecretaris van de Fasci bevestigt onze opmerkingen over de crisis van het fascisme, die in wezen een conflict is tussen stedelijke en plattelandskernen en die dan ook niet van vandaag of gisteren dateert, maar wortelt in de ontwikkeling van de fascistische beweging.
Mussolini en zijn groep van kleinburgers willen breken met de onverzoenlijke plattelandskernen die, door te volharden in de tactiek van wapengeweld tegen het proletariaat, de publieke opinie van zich dreigen te vervreemden. Het tot politieke compromissen geneigde, nationaal-syndicalistische fascisme maakt zich terecht zorgen over de kiezersaanhang.
De fascistische beweging stevent in hoog tempo af op een scheuring. Na het volgende congres van de Fasci zullen er twee soorten fascisme zijn. De noodzaak van een oorlog tegen het proletariaat rechtvaardigt in de ogen van de agrarische kapitalisten de instandhouding van de witte garde. Het plattelandsfascisme zal blijven en het zal zich in reactionaire richting blijven ontwikkelen, zolang de redenen daartoe niet verdwijnen. Dit deel van het fascisme identificeert zich met het agrarische kapitalisme in de strijd tegen de proletariërs van het platteland.
Welke toekomst gaat Mussolini’s “collaborateurs” fractie tegemoet, die Cesare Rossi weer terug wil voeren naar zijn oorsprong, het programma van interventionistische oorlogsveteranen? Het fascisme van Mussolini stelt zich uitdrukkelijk ten doel de middenklassen, de “kleine werkende bourgeois” politiek te organiseren. Het wil, overeenkomstig de plannen van Agostino Lanzillo, uitgroeien tot een “middenpartij, die gelijke afstand bewaart tot de socialisten en de katholieke partij enerzijds, en de plutocratie en het grootkapitalisme anderzijds; een partij die, door opvoeding en traditie, meer dan de andere groepen gevoelig is voor de grote nationale gedachte, en die alles rondom zich verzamelt wat de door de oorlog vernieuwde burgerij aan gezonds en positiefs te bieden heeft.” Deze voornemens van de groep-Mussolini vormen een logisch uitvloeisel van de opinies, die haar belangrijkste exponenten koesteren over de economische vraagstukken, en van hun algemene theorieën en programma’s met betrekking tot de toestand in Italië. “De werkelijkheid van de wereld van vandaag is kapitalistisch” is de grondslag van Mussolini’s programma’s.
Maar Mussolini heeft een vreemde en volkomen verkeerde opvatting van de kapitalistische werkelijkheid en van de huidige ontwikkelingsfase van het kapitalisme. Hij vat de kapitalistische werkelijkheid op als het evenbeeld van het industriële leven van jaren geleden, dat van vóór de oorlog, de periode vóór de trusts en vóór de concentratie van het industriële kapitaal in de banken.
Maar de “captain of industry” is verdwenen, de ondernemer is een achterlijk economisch personage, zijn activiteit is gereduceerd tot die van een eenvoudig technicus.
De oorlog heeft dit proces versneld. De industrie heeft zich ontwikkeld en heeft zich geconcentreerd onder controle van de banken. De ondernemer, de industrieel, is verdwenen en heeft plaats gemaakt voor grote naamloze vennootschappen, waarin de grote banken hun kapitaal investeren. De taak van de industrieel is overgenomen door de beleggers in de financiële instellingen, dat wil zeggen de grootgrondbezitters en de landbouwondernemers, die er hun geld in steken opdat het zich daar vermenigvuldigt. Welk belang kunnen zij hebben bij de technische en sociale ontwikkeling van de industrie? Zij bekommeren zich slechts om hoge dividenden, ook al gaat dat ten koste van hele industrieën.
Dit, en niet de eigenwijze opvatting van Mussolini, is de economische werkelijkheid. Door deze zeer ernstige beoordelingsfout, door dit grove misverstand en door zijn onvergeeflijke onwetendheid, zijn alle inspanningen van de fascistische leider om zich op één of andere manier een plaats te veroveren in de werkelijkheid van de politieke strijd — die een afspiegeling is van de werkelijkheid van de economische strijd — tot mislukken gedoemd. De ontwikkeling van het fascisme — niet die van zijn kleinburgerlijke collaborateursfascisme, maar de ontwikkeling van het fascisme dat zich identificeert met de witte terreur van de agrarische kapitalisten, met de gewapende reactie die alle proletarische activiteit in Emilia, Toscane, Veneto enzovoort heeft gesmoord — heeft hem het aanzien verleend van de hoofdpersoon uit een middeleeuwse ridderroman, van een klein formaat Machno. [Toelichting in het personen of het zakenregister]
Nu het fascisme echter afbrokkelt, als logisch gevolg van de ontwikkeling van de klassenstrijd, verliezen hij en zijn fractie geleidelijk de politieke betekenis die zij hadden in hun dubbele rol van directe aanvoerders en parlementaire afgevaardigden van de antiproletarische beweging, die vooral in de landbouwgebieden opereert. Mussolini en zijn groep zien hun toekomst in het organiseren van de middenklassen, dat wil zeggen in de poging van de middenklassen om zich te verzetten tegen proletarisering, het lot dat hen door de historische ontwikkeling van het kapitalisme is beschoren.
Uit: Ordine Nuovo, 25 september 1921.
De crisis die de Italiaanse socialistische partij doormaakt is voor de communisten in zoverre van belang, dat die een afspiegeling is van de veel ingrijpender crisis waarin de grote massa’s van het Italiaanse volk verkeren. Om die reden kan en mag de crisis van de socialistische partij niet afzonderlijk worden beschouwd: zij is onderdeel van een meer omvattend kader, waarvan ook de Volkspartij en het fascisme deel uitmaken.
In politiek opzicht bestaan de grote volksmassa’s alleen voor zover ze bij politieke partijen zijn “ingedeeld”. De verandering die zich, door toedoen van de doorslaggevende economische krachten, voltrekken in het denken van de massa’s worden vertolkt door de partijen, die zich eerst splitsen in richtingen om vervolgens uiteen te vallen in een veelheid van nieuwe, levende partijen. Dit proces van geleding, van nieuwe organisatievorming en van aaneensluiting van gelijkgezinden duidt op een fundamenteler proces van ontbinding van de democratische samenleving, ten gevolge van het feit, dat de klassen definitief stelling nemen in de strijd voor het behoud of de verovering van de staatsmacht en de macht over het productieapparaat.
In de periode tussen de wapenstilstand en de bezetting van de fabrieken vertegenwoordigde de socialistische partij de meerderheid van het Italiaanse werkende volk, dat bestaat uit drie fundamentele klassen: het proletariaat, de kleine burgerij en de arme boeren. Van deze drie klassen was alleen het proletariaat wezenlijk en daarom blijvend revolutionair: de andere twee klassen bestonden uit “gelegenheidsrevolutionairen” en “oorlogssocialisten”; zij aanvaardden over het algemeen de gedachte van een revolutie op grond van tegen de regering gerichte, rebelse sentimenten, die tijdens de oorlog waren ontkiemd. Omdat de socialistische partij grotendeels bestond uit kleinburgerlijke elementen en boeren, had ze alleen in de eerste jaren na de oorlog de revolutie kunnen realiseren, toen de gevoelens van verzet tegen de regering nog sterk en levend waren. Maar omdat de socialistische partij hoofdzakelijk bestond uit kleinburgers en boeren (met een mentaliteit, die niet erg verschilt van die van de stedelijke kleinburgers), kon ze slechts een weifelende, aarzelende houding opbrengen en ontbrak het haar aan een duidelijk en nauwkeurig programma, aan een richting en vooral aan een internationaal bewustzijn.
De bezetting van de fabrieken, die in wezen een proletarische actie was, overviel de socialistische partij, die hierop niet was voorbereid. Ze was slechts gedeeltelijk proletarisch, en al bij de eerste acties van het fascisme raakten de andere delen van de partij in een gewetenscrisis. Na afloop van de fabrieksbezettingen verkeerde de socialistische partij in grote verwarring; zo kwam een abrupt einde aan het kinderlijke en sentimentele revolutiegeloof. De noden van de oorlog waren voor een deel gelenigd (men maakt geen revolutie op basis van herinneringen aan het verleden!) en de burgerlijke regering leek in de persoon van Giolitti en door het fascistische optreden nog over voldoende kracht te beschikken. De reformistische leiders beweerden, dat het denkbeeld van een communistische revolutie een dwaasheid was; Serrati beweerde dat het irreëel was, om op dat moment in Italië een communistische revolutie voor mogelijk te houden. Slechts een minderheid van de partij, die bestond uit het meest vooruitstrevende en ontwikkelde deel van het industrieproletariaat, bleef vasthouden aan de communistische en internationalistische standpunten, liet zich niet ontmoedigen door de gebeurtenissen van die dagen en liet zich niet misleiden door de schijnbare kracht en energie van de burgerlijke staat. Zo werd de communistische partij geboren, de eerste autonome en onafhankelijke organisatie van het industrieproletariaat, de enige volksklasse die wezenlijk en blijvend revolutionair is.
De communistische partij werd niet meteen de partij van de grote massa’s. Hieruit blijkt wel hoezeer de massa’s gedemoraliseerd en verslagen waren door de politieke mislukking van de fabrieksbezettingen. Bij een groot aantal socialistische leiders was het geloofsvuur gedoofd; wat eerst was verheerlijkt werd nu belachelijk gemaakt; het proletariaat werd op een schandelijke manier in zijn diepste en teerste gevoelens gekwetst door de “onderofficieren” van de partijleiding, die sceptisch waren geworden en zich verlaagden tot spijt en wroeging over hun maximalistische en demagogische verleden. De massa van het volk, die zich meteen al na de wapenstilstand rond de socialistische partij had geschaard, verloor zijn samenhang en viel uiteen. De kleine burgerij, die had gesympathiseerd met het socialisme, ging sympathiseren met het fascisme. De boeren, die nu geen steun meer vonden in de socialistische partij, kregen steeds meer sympathie voor de Volkspartij. Maar deze vermenging van de voormalige leden van de socialistische partij met de fascisten aan de ene, en met de aanhang van de Volkspartij aan de andere kant, bleef niet zonder gevolgen.
De Volkspartij kwam steeds nader tot de socialistische partij. Bij de parlementsverkiezingen telden de open lijsten van de Volkspartij in alle kiesdistricten honderden en duizenden namen van socialistische kandidaten; bij de gemeenteraadsverkiezingen, die in enkele plattelandsgemeenten zijn gehouden sinds de parlementsverkiezingen, kwamen de socialisten dikwijls niet uit met een minderheidslijst en raadden ze hun achterban aan te stemmen op de lijst van de Volkspartij. In Bergamo nam dit verschijnsel ongekende vormen aan; de extreme vleugel van de Volkspartij maakte zich los van de witte organisatie en sloot zich aan bij de socialisten, waarna een Arbeidskamer werd opgericht en een weekblad ging verschijnen, dat door socialisten en linkse katholieken gezamenlijk werd geredigeerd. Objectief gezien betekent dit proces van toenadering tussen socialisten en katholieken van de Volkspartij een stap vooruit. De klasse van boeren sluit zich aaneen, wordt zich bewust van de noodzaak van brede solidariteit en doorbreekt de religieuze barrière in het katholieke kamp, terwijl ze tegelijkertijd afrekent met de kleinburgerlijke antiklerikale tendensen in het socialistische kamp. Door deze tendens bij haar leden op het platteland verwijdert de socialistische partij zich steeds meer van het industrieproletariaat, en lijkt ze de sterke band te verbreken, die de socialistische partij ogenschijnlijk had gesmeed tussen stad en platteland. Maar aangezien deze band in werkelijkheid niet bestond, richt de nieuwe situatie geen werkelijke schade aan. Er lijkt eerder sprake te zijn van een duidelijk en reëel voordeel: de Volkspartij maakt een forse zwaai naar links en verliest steeds meer haar confessionele karakter. Dat zal uiteindelijk leiden tot de afsplitsing van haar rechtervleugel, die bestaat uit grote en middelgrote grondbezitters. De Volkspartij zal daarmee definitief het terrein van de klassenstrijd betreden, wat een formidabele verzwakking betekent voor de burgerlijke regering.
Hetzelfde verschijnsel valt waar te nemen in het fascistische kamp. De stedelijke kleine burgerij, politiek versterkt door al diegenen die de socialistische partij hebben verlaten, had na de wapenstilstand geprobeerd voordeel te trekken uit de organisatorische en militaire ervaring die ze tijdens de oorlog had opgedaan. De oorlog is aan Italiaanse kant, bij gebrek aan een besluitvaardig opperbevel, gevoerd door de lagere officieren en onderofficieren, dat wil zeggen door de kleine burgerij. De teleurstellingen die ze tijdens de oorlog had ondervonden wekte bij deze klasse sterke sentimenten op van verzet tegen de regering. Toen na de wapenstilstand de militaire eenheid van haar kaders verloren ging, verspreidde de kleine bourgeois zich over de verschillende massapartijen, waar ze een rebels element inbracht, maar ook onzekerheid, wankelmoedigheid, en demagogie. Toen de kracht van de socialistische partij was gebroken na de fabrieksbezettingen, wist deze klasse, op aandrang van dezelfde generale staf die haar in de oorlog had uitgebuit, haar kaders bliksemsnel in militaire eenheden te hergroeperen en zich op nationale schaal te organiseren. Op een zeer snel rijpingsproces volgde een even snelle crisis. De kleine burgerij uit de steden, een werktuig in handen van de generale staf en van de meest achterlijke elementen in de regering, sloot een bondgenootschap met de grootgrondbezitters en vernietigde, voor rekening van diezelfde grootgrondbezitters, de organisaties van de boeren.
Het pact van Rome tussen fascisten en socialisten markeert het einde van een blindelings gevolgde politiek, die ook in politiek opzicht rampzalig had kunnen worden voor de stedelijke kleinburgers, die beseften dat zij hun “eerstgeboorterecht” verkochten voor een bord linzen. Als het fascisme was doorgegaan met strafexpedities van het type Treviso, Sarzana en Roccastrada, zou de bevolking massaal in opstand zijn gekomen; en als het volk de nederlaag had geleden, zouden zeker niet de kleinburgers de macht in handen hebben genomen, maar de generale staf en de grootgrondbezitters. Het fascisme zoekt opnieuw toenadering tot het socialisme, de kleine burgerij probeert de banden met het grootgrondbezit te doorbreken en werkt aan een politiek programma dat uiteindelijk — vreemd genoeg — nauwelijks zal afwijken van dat van Turati [Toelichting in het personen of het zakenregister] en D’Aragona.
Dit is de huidige situatie van de Italiaanse volksmassa: een grote verwarring na de kunstmatige eenheid, die het gevolg was van de oorlog en die zijn uitdrukking vond in de socialistische partij. Een grote verwarring, met als belangrijke polen waartussen de dialectische spanning zich ontlaadt: de communistische partij, onafhankelijke organisatie van het industrieproletariaat; de Volkspartij, organisatie van de boeren; en het fascisme, organisatie van de kleine burgerij. De socialistische partij, van de wapenstilstand tot de bezetting van de fabrieken de demagogische vermenging van deze drie klassen van het werkende volk, is nu het duidelijkste voorbeeld en het meest in het oog lopende slachtoffer van het verstrooiingsproces (waaruit een nieuwe en blijvende ordening zal ontstaan), dat de Italiaanse volksmassa’s doormaken als gevolg van de ontbinding van de democratie.
Uit: La Correspondance Internationale, tweewekelijkse uitgave van de Komintern, Franse editie, 20 november 1922.
De Franse vertaling van de oorspronkelijke Italiaanse tekst is een bewerking van de vertaler en geeft niet helemaal het standpunt van Gramsci weer. Dit is Gramsci’s eerste artikel over de situatie in Italië sinds hij naar Moskou is vertrokken.
De elementen van de Italiaanse crisis, die een gewelddadige afsluiting heeft gevonden in de machtsovername van het fascisme, kunnen als volgt worden samengevat.
De Italiaanse bourgeoisie heeft niet op eigen kracht haar staat weten te stichten, maar ze heeft haar overwinning op de feodale en semi-feodale klassen te danken aan een hele reeks omstandigheden van internationaal-politieke aard (de politiek van Napoleon III in de periode 1852-1860, de Oostenrijks-Pruisische Oorlog van 1866, de nederlaag van Frankrijk bij Sedan en, als gevolg daarvan, de stichting van het Duitse keizerrijk). De burgerlijke staat heeft zich daarom in Italië langzamer en langs een andere weg ontwikkeld, dan in veel andere landen. Het Italiaanse staatsbestel was tot aan de vooravond van de oorlog niet meer dan en constitutionele ordening. Er had nog geen deling van de machten plaats gevonden, de bevoegdheden van het parlement waren zeer beperkt en er bestonden nog geen grote parlementaire politieke partijen. Toentertijd moest de Italiaanse bourgeoisie de eenheid en ondeelbaarheid van de staat verdedigen tegen de herhaalde aanvallen van reactionaire krachten, die vooral werden vertegenwoordigd door het bondgenootschap van de grootgrondbezitters met het Vaticaan. De grote bourgeoisie van industrie en handel, onder aanvoering van Giovanni Giolitti, probeerde dit vraagstuk op te lossen via een bondgenootschap van alle stedelijke klassen met de klasse van landarbeiders (het eerste voorstel aan de socialist Turati om zitting te nemen in de regering werd gedaan in de beginjaren van de twintigste eeuw). Maar er was geen sprake van vooruitgang in parlementaire zin; het ging eerder om onmiddellijke, paternalistische concessies van het regime aan de werkende massa’s, die waren georganiseerd in vakbonden en landbouwcoöperaties.
De Wereldoorlog maakte korte metten met al deze pogingen. Giolitti had — met instemming van de koning — toegezegd de zijde van Duitsland te zullen kiezen, als het tot een oorlog zou komen — wat in 1914 gebeurde (het militaire akkoord dat generaal Pollio, [Toelichting in het personen of het zakenregister] de chef-staf van het leger, in 1912 in Berlijn had ondertekend, ging precies op 2 augustus 1914 in. De generaal pleegde zelfmoord toen Italië in 1914 besloot neutraal te blijven en de Kroon zich voorstander betoonde van een nieuwe politieke oriëntatie op de Entente). Giolitti werd ruw aan de kant gezet door de nieuwe leiders, de vertegenwoordigers van de industrie, het grootgrondbezit en de generale staf. De laatste ging zelfs zover een samenzwering op touw te zetten, om hem uit de weg te ruimen.
De nieuwe politieke krachten, die hun opwachting zouden maken na de wapenstilstand, betrokken tijdens de oorlog hun stellingen. De boeren sloten zich aaneen in drie krachtige organisaties: de socialistische partij, de Volkspartij en de vereniging van oud-strijders. De socialistische partij organiseerde meer dan een miljoen landarbeiders en deelpachters in Midden- en Noord-Italië. De Volkspartij bracht evenveel kleine landeigenaars en middelgrote boeren bijeen in dezelfde streken. De organisaties van oud-strijders kwamen vooral tot ontwikkeling in Zuid-Italië en in de achtergebleven gebieden waar geen politieke tradities bestonden. De strijd tegen de grootgrondbezitters nam spoedig zeer heftige vormen aan in heel Italië: landgoederen werden bezet, de eigenaars moesten uitwijken naar de hoofdsteden van de landbouwgebieden: Bologna, Bari en Napels. Sinds 1919 begonnen zij met de organisatie van knokploegen van burgers om de strijd aan te binden met de “tirannie van de boeren” op het platteland. Het ontbrak deze massabeweging van de werkende klasse van het platteland aan een duidelijk en helder parool, aan een gezamenlijke richting en aan een concreet politiek programma.
De socialistische partij had de situatie moeten beheersen, maar ze liet die nu juist aan haar greep ontsnappen. Zestig procent van de ingeschreven leden van de partij was boer; van de honderdvijftig socialistische afgevaardigden waren er honderdtien op het platteland gekozen; van de 2.500 gemeentebesturen die de socialistische partij had veroverd bestonden er 2.000 uitsluitend uit boeren; viervijfde van de door de socialisten geleide coöperaties waren landbouwcoöperaties. De socialistische partij weerspiegelde in haar ideologie en in haar programma de chaos, die heerste op het platteland. Het enige wat ze deed was maximalistische kreten slaken, luidruchtige redevoeringen afsteken in het parlement en partijaffiches aanplakken; het bleef bij fanfare en strijdliederen. Alle pogingen binnen de partij om de arbeidsvraagstukken aan de orde te stellen en de proletarische ideologie te doen zegevieren, stuitten op hardnekkig verzet waarbij de meest perfide methoden werden gebruikt. Serrati ging zelfs zover, dat hij op de nationale partijraad, die in april 1920 in Milaan bijeenkwam, beweerde dat de algemene staking, die juist was uitgebroken in Piedmont, en gesteund werd door arbeiders van alle categorieën, kunstmatig was uitgelokt door onverantwoordelijke agenten van de regering in Moskou. In maart 1920 begonnen de bezittende klassen met het organiseren van een tegenoffensief. Op 7 maart werd in Milaan de eerste nationale conferentie van industriëlen bijeengeroepen, die het Verbond van de Italiaanse Industrie oprichtte. In de loop van deze conferentie werd een nauwkeurig en afgerond plan uitgewerkt voor een gezamenlijke kapitalistische actie. Hierin werd met alles rekening gehouden. De klasse van fabrikanten en kooplieden werd samengebracht in een gedisciplineerde en strakke organisatie, er werd een gedetailleerde studie gemaakt van alle strijdvormen die tegen de arbeidersbonden konden worden gebruikt en men besloot tot een politieke rehabilitatie van Giovanni Giolitti. In de eerste dagen van april behaalde de nieuwe organisatie zijn eerste politieke succes: de socialistische partij verklaarde dat de grote staking in Piedmont, die was uitgebroken ter verdediging van de fabrieksraden en om het arbeidsbeheer over de industrie te bevechten, een anarchistische en onverantwoordelijke actie was. De partij dreigde met de ontbinding van de afdeling-Turijn, die de staking had geleid. Op 15 juni vormde Giolitti een kabinet, dat een compromis betekende met de grootgrondbezitters en de generale staf, die werd vertegenwoordigd door Bonomi, [Toelichting in het personen of het zakenregister] minister van Oorlog. Er begon toen een reeks van koortsachtige, contrarevolutionaire, organisatorische activiteiten onder dreiging van fabrieksbezettingen, die zelfs werden voorzien door de reformistische leiders die aanwezig waren op de conferentie van de Federatie van Metaalarbeiders (FIOM), datzelfde jaar in Genua bijeen. In juli begon het ministerie van oorlog — Bonomi voorop — met de demobilisatie van ongeveer 60.000 officieren. Dat ging als volgt. De gedemobiliseerde officieren behielden viervijfde van hun wedde; ze werden bijna allemaal naar de belangrijkste politieke centra gestuurd en kregen de opdracht zich aan te sluiten bij de Fasci di Combattimento. Deze laatsten vormden tot op dat moment slechts een kleine organisatie van socialistische, anarchistische, syndicalistische en republikeinse elementen, die voorstanders waren geweest van Italiaanse deelname aan de oorlog aan de zijde van de Entente. De regering Giolitti spande zich tot het uiterste in om een toenadering tot stand te brengen tussen het Verbond van de Italiaanse Industrie en de bonden van grootgrondbezitters, vooral die van Midden- en Noord-Italië. In deze periode verschenen de eerste fascistische knokploegen op het toneel en werden de eerste terreuracties uitgevoerd. Maar de bezetting van de fabrieken door de metaalarbeiders vond plaats op een moment, waarop deze operatie nog in een voorbereidend stadium verkeerde. De regering Giolitti was gedwongen een verzoenende houding aan te nemen en een homeopathische kuur te verkiezen boven een chirurgische ingreep.
Ingezonden brief van Gramsci, afgedrukt in La Voce della Gioventu (De Stem van de Jeugd), het orgaan van de jeugdafdeling van de PCd’I, 1 november 1923.
Beste vrienden van La Voce,
Ik heb in nummer 10 (15 september) van La Voce de interessante discussie gelezen tussen de kameraden G.P. uit Turijn en S.V. Is de discussie gesloten? Mag ik vragen om deze discussie nog een aantal nummers open te houden en mag ik alle jonge arbeiders van goede wil uitnodigen om er aan mee te doen, en oprecht en met intellectuele eerlijkheid hun mening te geven over deze kwestie?
Ik wil beginnen duidelijk te stellen, dat kameraad G.P. — althans naar mijn mening — het probleem niet goed heeft verwoord en een fout heeft gemaakt, die, ook vanuit zijn eigen standpunt, zeer ernstig is.
Waarom is de Italiaanse arbeidersklasse verslagen? Waarom was ze niet eensgezind? Waarom is het fascisme er in geslaagd om de socialistische partij niet alleen fysiek, maar ook ideologisch te verslaan, terwijl die toch de traditionele partij was van het Italiaanse werkende volk? Waarom heeft de communistische partij zich in de jaren 1921-1922 niet snel ontwikkeld en is ze er niet in geslaagd de meerderheid van het proletariaat en van de boerenmassa’s om zich heen te verzamelen?
Kameraad S.V. stelt zich deze vragen niet. Hij beantwoordt de klemmende ongerustheid, die spreekt uit de brief van kameraad G.P., met de bewering dat het voldoende was geweest als er een echte revolutionaire partij had bestaan en dat we in de toekomst alleen maar zo’n partij hoeven te organiseren, tegen de tijd dat de arbeidersklasse weer in beweging zal kunnen komen. Maar is dat allemaal wel waar, of liever, in welk opzicht en onder welke voorwaarden is het waar?
Kameraad S.V. suggeree