Geschreven: 1967
Bron: Uitgeverij de Dolle Hond, Amsterdam 2005
Vertaling: Jaap Kloosterman en René van de Kraats (1976), (Préface à la quatrième édition italienne de “La Société du Spectacle”, 1979) Els van Daele (Avertissement pour la troisième édition française , 1992)
Deze versie: Beschikbaar gesteld door de Dolle Hond
HTML: Adrien Verlee, voor het Marxists Internet Archive, april 2007
Meer: Het Kapitaal | Marxisme
Voorwoord bij de vierde Italiaanse editie
Voorwoord bij de derde Franse editie
1. De voltooide scheiding
2. De waar als spektakel
3. Eenheid en verdeeldheid in de schijn
4. Het proletariaat als subject en als vertegenwoordiging
5. Tijd en geschiedenis
6. De spectaculaire tijd
7. De ruimtelijke ordening
8. De negatie en de consumptie in de cultuur
9. De gematerialiseerde ideologie
Vertalingen van dit boek, dat tegen het einde van 1967 te Parijs verscheen, zijn al in een tiental landen gepubliceerd; en meestal zijn er verscheidene in dezelfde taal uitgebracht door rivaliserende uitgevers; en bijna alle zijn ze slecht. De eerste vertalingen waren overal ongetrouw en incorrect, met uitzondering van Portugal en misschien Denemarken. De in het Nederlands en het Duits verschenen vertalingen zijn goed sinds de tweede poging, zij het dat de laatste Duitse uitgever verzuimd heeft een groot aantal fouten bij de druk te corrigeren. In het Engels en het Spaans is het wachten op de derde poging om te weten wat ik heb geschreven. Men heeft het echter nergens zo bont meegemaakt als in Italië, waar de uitgeverij De Donato in 1968 de monsterlijkste van alle versies produceerde, die slechts gedeeltelijk is verbeterd in de twee concurrerende vertalingen die erop volgden. Indertijd is Paolo Salvadori de verantwoordelijken voor dit exces overigens in hun burelen gaan opzoeken om hen op hun bek te slaan en, letterlijk, in het gezicht te spugen: want zo gedragen zich natuurlijk de goede vertalers, wanneer zij slechte tegenkomen. Het zegt genoeg dat de vierde Italiaanse vertaling, die door Salvadori is gemaakt, eindelijk voortreffelijk is.
Deze extreme gebrekkigheid van zoveel vertalingen, die mij met uitzondering van de vier of vijf beste niet zijn voorgelegd, houdt niet in dat dit boek moeilijker te begrijpen zou zijn dan om het even welk ander boek dat ooit werkelijk waard was geschreven te worden. Evenmin is dit lot in het bijzonder beschoren aan subversieve geschriften, omdat de vervalsers in dit geval althans niet behoeven te vrezen door de auteur voor het gerecht gedaagd te worden; of omdat de aan de tekst toegevoegde nonsens enigszins tegemoet komt aan de aanvechtingen van burgerlijke of bureaucratische ideologen om hem te weerleggen. Men kan niet anders dan vaststellen dat de grote meerderheid van de vertalingen die er de laatste jaren in willekeurig welk land zijn gepubliceerd, zelfs wanneer het om klassieken gaat, op dezelfde wijze is mishandeld. De betaalde hoofdarbeid vertoont de normale tendens om de wet van de industriële productie van het verval te volgen, waarbij de winst van de ondernemer afhangt van een hoog werktempo en de lage kwaliteit van het gebruikte materiaal. Deze zo trots van iedere schijn van consideratie met de smaak van het publiek ontdane productie, die financieel geconcentreerd is en dus technologisch steeds beter toegerust, heeft zich over de gehele uitgestrektheid van de markt het monopolie verworven van het aanbod in zijn niet-kwalitatieve aanwezigheid; en heeft sindsdien met toenemende onverschrokkenheid kunnen speculeren op de gedwongen onderwerping van de vraag en op het verlies aan smaak dat er vooralsnog bij de massa van haar afnemers het gevolg van is. Of het nu gaat om een woning, om het vlees van fokrunderen of om de vruchten van het onwetende brein van een vertaler, de overweging die zich steeds onweerstaanbaar opdringt, is dat men thans zeer snel tegen een lagere kostprijs kan verkrijgen wat voorheen een vrij lange tijd van geschoolde arbeid vergde. Het is trouwens wel zo dat de vertalers weinig reden hebben om te zwoegen op de inhoud van een boek — laat staan om tevoren de betreffende taal te leren — terwijl bijna alle hedendaagse auteurs met een zo overduidelijke haast boeken hebben geschreven die in zo korte tijd verouderd zullen zijn. Waarom goed vertalen wat al niet geschreven had hoeven worden en wat niet zal worden gelezen? Op dit punt van zijn bijzondere harmonie is het spectaculaire systeem volmaakt; het stort op andere punten in.
Deze gangbare praktijk van het merendeel der uitgevers is evenwel niet geschikt in het geval van La Société du Spectacle, dat een geheel ander publiek interesseert, voor een ander gebruik. Er bestaan, duidelijker afgebakend dan vroeger, verschillende soorten boeken. Vele worden zelfs niet geopend; en enkele worden op de muren gecopieerd. Deze laatste ontlenen hun populariteit en hun overtuigingskracht juist aan het feit dat de verachte instellingen van het spektakel er niet over spreken of er slechts terloops enkele platheden over debiteren. De individuen die hun leven hebben in te zetten vanuit een bepaalde omschrijving van de historische krachten en het gebruik daarvan, willen uiteraard zelf de documenten in streng getrouwe vertaling onderzoeken. In de huidige omstandigheden van overvoerde productie en overgeconcentreerde verspreiding van boeken hebben de titels bijna in hun totaliteit stellig slechts succes — of meestal geen succes — in de eerste weken na hun verschijning. Hierop baseert het gros van de huidige uitgevers zijn politiek van de overhaaste willekeur en het voldongen feit, die tamelijk goed past bij boeken waarover men slechts eenmaal zal spreken, en dan nog nietszeggend. Dit voorrecht is hun hier echter ontzegd, en het is volkomen zinloos mijn boek inderhaast te vertalen, omdat het werk steeds door anderen opnieuw begonnen zal worden; en omdat de slechte vertalingen voortdurend door betere zullen worden vervangen.
Een Franse journalist, die zojuist een lijvig boekwerk had geschreven dat was aangekondigd als geëigend om de gehele intellectuele discussie nieuw leven in te blazen, verklaarde zijn mislukking enkele maanden later uit het feit dat het hem eerder aan lezers had ontbroken dan aan intellect. Hij stelde dus dat wij in een maatschappij leven waarin men niet leest; en dat Marx, zou hij nu Het Kapitaal publiceren, op een avond zijn bedoelingen zou komen uiteenzetten in een literair programma op de televisie, waarna men er daags daarop niet meer over zou spreken. Deze komische dwaling verraadt haar afkomst. Als iemand immers vandaag de dag een werkelijk kritisch boek over de maatschappij publiceert, zal hij zich er zeker voor hoeden op de televisie te verschijnen, of een ander podium van hetzelfde soort; zodat men er tien of twintig jaar later nog steeds over zal spreken.
Om de waarheid te zeggen geloof ik niet dat iemand ter wereld in staat is zich voor mijn boek te interesseren buiten degenen die de vijand zijn van de bestaande maatschappelijke orde en daadwerkelijk vanuit die positie handelen. Mijn zekerheid op dit punt, theoretisch al goed gefundeerd, wordt nog bevestigd door de empirische observatie van de zeldzame en armzalige kritieken of verwijzingen die het werk heeft voortgebracht bij hen die bevoegd zijn (of zich nog inspannen om die status te verwerven) om publiekelijk te spreken in het spektakel, ten overstaan van anderen die zwijgen. Deze diverse specialisten in de schijndiscussies die men nog steeds, maar ten onrechte, cultureel of politiek noemt, hebben hun logica en hun cultuur noodzakelijkerwijs afgestemd op die van het systeem dat gebruik van hen kan maken; niet alleen omdat zij erdoor zijn geselecteerd, maar vooral omdat zij nooit door iets anders zijn onderricht. Onder al degenen die het boek al citerend enig belang hebben toegekend, heb ik er tot nu toe niet één gezien die zich verstout heeft om ook maar in het kort te zeggen waarom het ging: in feite ging het er hun slechts om de indruk te wekken dat het hun niet onbekend was. Tegelijkertijd schijnen allen die er enige tekortkoming in hebben gevonden, geen andere gebreken ontdekt te hebben, want daarvan repten zij niet. Maar die bepaalde tekortkoming was voor de ontdekker ervan telkens voldoende bevredigend. De een had opgemerkt dat dit boek het probleem van de staat niet behandelde; de ander, dat het geen enkele rekening hield met het bestaan van de geschiedenis; weer een ander verwierp het als een irrationele en niet-overdraagbare lofzang op de pure destructie; nog een ander veroordeelde het als de geheime leidraad voor het optreden van alle regeringen die sinds de verschijning ervan zijn gevormd. Vijftig anderen bereikten onmiddellijk evenzovele uitzonderlijke conclusies in een zelfde slaap van de rede. En of zij dit nu schreven in tijdschriften, boeken of ad hoc gecomponeerde pamfletten, allen bedienden zich, bij gebrek aan beter, van dezelfde toon van wispelturige onmacht. Het is daarentegen in de fabrieken van Italië dat dit boek bij mijn weten momenteel zijn beste lezers heeft gevonden. De arbeiders van Italië, die thans aan hun kameraden uit alle landen ten voorbeeld gesteld kunnen worden vanwege hun absenteïsme, hun door geen bijzondere concessies te beteugelen wilde stakingen, hun lucide weigering van de arbeid, hun minachting voor de wet en voor alle etatistische partijen, kennen het onderwerp uit de praktijk voldoende om profijt te kunnen trekken van de thesen van De spektakelmaatschappij, zelfs wanneer zij er alleen maar zwakke vertalingen van lazen.
De commentatoren hebben doorgaans geveinsd niet te begrijpen welk gebruik er te maken viel van een boek dat niet kan worden ondergebracht in ook maar één van de categorieën van intellectuele productie waarmee de nog heersende maatschappij bereid is rekening te houden, en dat niet geschreven is vanuit het gezichtspunt van enig gespecialiseerd vak dat zij begunstigt. De bedoelingen van de schrijver leken dus duister. Toch is er niets geheimzinnigs aan. In Der Feldzug von 1815 merkt Clausewitz op: “In iedere strategische kritiek is het essentieel om zich precies op het gezichtspunt van de handelende personen te plaatsen; dit is inderdaad dikwijls zeer moeilijk. De grote meerderheid van de strategische kritieken zou geheel verdwijnen of teruggebracht worden tot zeer geringe begripsnuances, indien de schrijvers zich in gedachten wilden of konden verplaatsen in alle omstandigheden waarin die personen zich bevonden.”
In 1967 wilde ik dat de Situationistische Internationale over een theoretisch geschrift zou beschikken. De SI was op dat moment de extremistische groep die het meest had gedaan om het revolutionaire verzet in de moderne maatschappij te doen terugkeren; en het was gemakkelijk te zien dat deze groep, nadat zij haar overwinning reeds had opgelegd op het terrein van de theoretische kritiek en haar op het gebied van de praktische agitatie behendig had nagestreefd, toen het hoogtepunt van haar historische optreden naderde. Het kwam er dus op aan dat er zo’n boek voorhanden was in de troebelen die weldra zouden komen en die het later door zouden geven aan het veelomvattende subversieve vervolg dat zij wel moesten meebrengen.
Het is bekend dat de mensen een sterke neiging hebben tot het nutteloos herhalen van gesimplificeerde brokstukken van de oude revolutionaire theorieën, waarvan de versletenheid hun verborgen blijft door het simpele feit dat zij niet proberen ze toe te passen in enige daadwerkelijke strijd voor de verandering van de omstandigheden waarin zij zich werkelijk bevinden; zodat zij haast al even weinig begrijpen hoe deze theorieën met meer of minder fortuin konden worden ingezet in de conflicten van andere tijden. Voor wie het probleem nuchter bekijkt, lijdt het desondanks geen twijfel dat zij die werkelijk een gevestigde maatschappij aan het wankelen willen brengen, een theorie dienen te formuleren die deze maatschappij fundamenteel verklaart; of die er tenminste uitziet alsof zij er een bevredigende verklaring van geeft. Zodra deze theorie enigermate is verbreid — wanneer dit althans gebeurt in botsingen die de publieke rust verstoren — en zelfs nog voordat zij echt volkomen begrepen wordt, zal de alom latente onvrede toenemen en bitterder worden, louter door de vage wetenschap dat er een theoretische veroordeling van de orde der dingen bestaat. En daarna, doordat zij vol woede de oorlog van de vrijheid beginnen te voeren, kunnen alle proletariërs strateeg worden.
Een algemene theorie die op dit doel is toegesneden, moet uiteraard allereerst voorkomen dat zij als een zichtbaar onjuiste theorie aan de dag treedt; en mag zich dus niet blootstellen aan het risico door de latere feiten te worden weersproken. Maar zij dient ook een volslagen onduldbare theorie te zijn. Zij moet in staat zijn om, tot de verontwaardigde verbijstering van allen die het goed vinden, de slechtheid uit te spreken van precies het middelpunt van de bestaande wereld door de ware aard daarvan nauwkeurig bloot te leggen. De theorie van het spektakel beantwoordt aan deze beide eisen.
De eerste verdienste van een juiste kritische theorie is dat zij alle andere theorieën terstond belachelijk doet lijken. Terwijl er zo in 1968 van de andere georganiseerde stromingen, die in de beweging van negatie waarmee de aftakeling van de overheersingsvormen van die tijd begon, hun eigen achterlijkheid en hun kleine ambities kwamen verdedigen, geen enkele de beschikking had over een modern theoretisch geschrift, of zelfs maar iets moderns zag in de klassemacht die omver te werpen was, waren de situationisten in staat om de enige theorie van de geduchte meirevolte naar voren te brengen; de enige die rekenschap gaf van nieuwe, opzienbarende grieven, die niemand had uitgesproken. Wie treurt er om de consensus? Die hebben wij gedood. Cosa fatta capo ha.
Vijftien jaar eerder, in 1952, besloten vier of vijf weinig aanbevelenswaardige lieden uit Parijs te zoeken naar de opheffing van de kunst. Als gelukkig gevolg van een onversaagde tocht langs deze weg bleek dat de oude verdedigingslinies die de vroegere offensieven van de sociale revolutie hadden gebroken, door een omtrekkende beweging waren gepasseerd. Daarin vond men de gelegenheid een nieuwe aanval te lanceren. Deze opheffing van de kunst is de “noordwestelijke doorvaart” uit de geografie van het ware leven, die gedurende meer dan een eeuw zo dikwijls is gezocht, in het bijzonder vanuit de zichzelf vernietigende moderne poëzie. De vroegere pogingen, waarbij zovele ontdekkingsreizigers verloren waren gegaan, waren nooit rechtstreeks op een dergelijk perspectief uitgelopen. Waarschijnlijk komt dat doordat er voor hen in het oude artistieke domein nog iets te verwoesten restte, en vooral doordat het vaandel van de revoluties eertijds door andere, vaardiger handen leek te worden gedragen. Maar nooit ook had deze zaak een zo volledige nederlaag geleden en het slagveld zo leeg achtergelaten als op het moment waarop wij ons er kwamen opstellen. Ik geloof dat het in herinnering brengen van deze omstandigheden de beste toelichting is die men op de ideeën en de stijl van De spektakelmaatschappij kan geven. En wat dat aangaat, als men het boek leest zal men zien dat ik de vijftien jaar die ik heb doorgebracht met het beramen van de vernietiging van de staat, niet heb verslapen of verspeeld.
Er hoeft geen woord te worden veranderd aan dit boek, waarin afgezien van drie of vier zetfouten niets is gecorrigeerd bij de twaalf herdrukken die het in Frankrijk heeft beleefd. Ik vlei me ermee een in onze tijd zeldzaam voorbeeld te zijn van iemand die schreef zonder ogenblikkelijk door de gebeurtenissen te worden gelogenstraft — en ik bedoel niet honderd of duizend maal gelogenstraft, zoals de anderen, maar niet één enkele keer. Ik twijfel er niet aan, of de bevestiging die al mijn thesen vinden, zal voortduren tot het eind van de eeuw en zelfs daarna. De reden daarvan is eenvoudig: ik heb de grondfactoren van het spektakel begrepen “in de stroom van de beweging, dus ook van hun vergankelijke kant”, dat wil zeggen dat ik rekening heb gehouden met het geheel van de historische beweging die deze orde heeft kunnen opbouwen en nu begint te ontbinden. Op deze schaal bezien vormen de elf jaar die er sinds 1967 zijn verlopen en waarvan ik de conflicten van vrij nabij heb kunnen meemaken, slechts een moment van het noodzakelijke vervolg van wat was geschreven; hoewel ze in het spektakel zelf gevuld zijn door de verschijning en vervanging van zes of zeven generaties denkers waarvan de een nog definitiever was dan de ander. Al die tijd is het spektakel slechts steeds nauwkeuriger met zijn begrip gaan overeenstemmen en heeft de werkelijke beweging van zijn negatie zich alleen maar verbreed en verdiept.
Het was inderdaad aan de spectaculaire maatschappij zelf om aan het boek iets toe te voegen dat het naar ik meen niet nodig had: nog zwaarder en overtuigender bewijzen en illustraties. Men heeft kunnen zien hoe de vervalsing zich verdichtte en zich neerliet over de fabricage van zelfs de meest gewone dingen, als een kleverige mist die vlak boven de grond van het gehele dagelijkse bestaan is blijven hangen. Men heeft kunnen zien hoe de technische en politionele controle over de mensen en over de natuurkrachten haar pretenties opschroefde tot het absolute, tot de “telematische” waanzin — een controle waarvan de fouten precies even snel toenemen als de middelen. Men heeft kunnen zien hoe de leugen van de staat zich op en voor zichzelf ontwikkelde, hoe zij haar gespannen verhouding met de waarheid en de waarschijnlijkheid zozeer vergat dat zij zichzelf kan vergeten en zich van uur tot uur kan wijzigen. Italië heeft onlangs de gelegenheid gehad, naar aanleiding van de ontvoering en executie van Aldo Moro, om deze techniek te bewonderen op het hoogste niveau dat zij ooit bereikt heeft en dat niettemin, hier of elders, weldra zal worden overtroffen. De lezing van de Italiaanse autoriteiten, die door honderd elkaar opvolgende correcties eerder verergerde dan verbeterde en waarmee alle commentatoren het zich tot een plicht rekenden publiekelijk in te stemmen, is niet één ogenblik geloofwaardig geweest. Het was ook niet de bedoeling dat zij werd geloofd, maar dat zij de enige in omloop was; en dat zij vervolgens zou worden vergeten, net als een slecht boek.
Het was een mythologische opera vol toneelmachines, waarin terroristische helden beurtelings de vossen zijn die hun prooi in de val lokken, de leeuwen die niemand vrezen zolang zij haar in handen hebben, en de schapen die uit deze coup niet het allerkleinste resultaat weten te behalen dat schadelijk is voor het regime dat zij voorgeven te tarten. Men vertelt ons dat zij het geluk hebben de incompetentste denkbare politie tegenover zich te vinden, en dat zij bovendien ongehinderd tot in de hoogste regionen daarvan hebben kunnen infiltreren. Deze verklaring is weinig dialectisch. Een opstandige organisatie die bepaalde leden in contact zou brengen met de staatsveiligheidsdiensten zou (tenzij zij hen er al jaren tevoren had binnengebracht om er loyaal hun beroep uit te oefenen tot zich de goede gelegenheid voordoet om van hun diensten gebruik te maken) moeten verwachten dat haar manipulatoren soms zelf gemanipuleerd worden; en zou dus verstoken zijn van de olympische zekerheid ongestraft te blijven, die het hoofd van de generale staf van de “rode brigade” kenmerkt. Maar de Italiaanse staat doet wel beter, met algemene instemming van hen die hem steunen. Hij is, als iedere andere staat, op de gedachte gekomen om agenten van zijn speciale diensten te laten infiltreren in de clandestiene terroristische netwerken, waar het hun vervolgens zo gemakkelijk valt om zich te verzekeren van een snelle carrière tot in de leiding — en wel doordat zij er om te beginnen hun superieuren laten uitschakelen, zoals dat voor rekening van de tsaristische Ochrana gedaan is door Malinovski, die zelfs de sluwe Lenin bedroog, of door Azev die, eenmaal aan het hoofd gekomen van de “strijdorganisatie” van de Sociaal-Revolutionairen, het meesterschap zo ver dreef dat hij zelf de eerste minister Stolypin liet vermoorden. Maar één ongelukkig toeval is de goede wil van de staat komen doorkruisen: zijn speciale diensten waren net ontbonden. Tot op heden placht een geheime dienst nooit zo ontbonden te worden als, bijvoorbeeld, de lading van een mammoettanker in kustwateren, of een deel van de moderne industriële productie in Seveso. Hij veranderde gewoon van naam en behield zijn archieven, verklikkers en vaste functionarissen. Zo was in Italië de SIM, de Servizio di Informazioni Militare van het fascistische bewind, die zo befaamd was om zijn sabotage en moorden in het buitenland, onder het christendemocratische bewind tot de SID geworden, de Servizio di Informazioni di Difesa. (Toen men overigens op de computer een soort robotdoctrine van de “rode brigade” programmeerde, een lugubere karikatuur van wat men geacht zou zijn te denken en doen wanneer men de verdwijning van deze staat voorstaat, werd door een fout van de computer — want zozeer zijn die machines afhankelijk van het onbewuste van degene die ze hun informatie geeft — het enige pseudo-begrip dat de “rode brigade” automatisch herhaalt, aangeduid met diezelfde afkorting SIM, dit keer in de betekenis “Societa Internazionale di Multinazionali”.) De SID, “badend in Italiaans bloed”, moest echter onlangs worden ontbonden omdat hij, zoals de staat post festum bekent, de directe aanstichter was, meestal maar niet altijd per bom, van die lange reeks bloedbaden die men naargelang de tijd van het jaar aan de anarchisten, de neofascisten of de situationisten toeschreef. Nu de “rode brigade” precies hetzelfde werk doet — en voor één keer althans met een veel hogere operationele waarde — kan de SID haar vanzelfsprekend niet bestrijden: want deze is ontbonden. In een geheime dienst die die naam verdient, is zelfs de opheffing geheim. Het is dus niet mogelijk te onderscheiden welk deel van het personeel eerzaam met pensioen is gegaan; welk deel bij de “rode brigade” is aangesteld, of misschien uitgeleend aan de Sjah van Iran om een bioscoop in Abadan in brand te steken; en welk deel op discrete wijze is uitgeroeid door een staat die vermoedelijk verontwaardigd was te vernemen dat men zijn instructies soms had overtreden, en waarvan men weet dat hij nooit zal aarzelen de zonen van Brutus te doden om zijn wetten te doen eerbiedigen, nu zijn onwrikbare weigering om ook maar de geringste concessie te doen ter redding van Moro het uiteindelijke bewijs heeft geleverd dat hij al de standvastige deugden bezit van het republikeinse Rome.
Giorgio Bocca, die doorgaat voor de beste analyticus van de Italiaanse pers en in 1975 het eerste slachtoffer was van het Rapporto veridico van Censor [Rapporto veridico sulle ultime opportunità di salvare il capitalismo in Italia (Waarachtig rapport over de laatste kansen om het kapitalisme in Italië te redden), Milaan, 1975. Schandaalverwekkend pamflet, geschreven door Gianfranco Sanguinetti onder het pseudoniem Censor, waarin hij zich voordoet als een gezaghebbend, goed geÏnformeerd lid van de hoge bourgeoisie. Het boek behandelt onverbloemd de decadentie van de Italiaanse staat, zijn angst voor de wilde stakingen en subversie van het Italiaanse proletariaat, zijn blunders en misdaden om zich te handhaven en pleit voor regeringsdeelname van de Communistische Partij, als specialist in het bezweren van arbeidsonrust. De hele mediawereld drukte zijn bewondering uit voor het “aristocratische cynisme” van deze ‘Censor’. Tot Sanguinetti in een tweede editie onthulde dat ‘Censor’ helemaal niet bestaat... (noot v.d. uitgever)] — waarbij hij direct de hele natie in zijn vergissing meesleurde, of althans die geschoolde laag die in de kranten schrijft — is geenszins in zijn vak ontmoedigd door deze jammerlijke demonstratie van zijn onnozelheid. En misschien is het ook maar goed voor hem dat die onnozelheid toen al door een zo wetenschappelijk experiment is bewezen, want anders had men er volkomen van overtuigd kunnen zijn dat het omkoopbaarheid was, of angst, die hem in mei 1978 Moro: una tragedia italiana deed schrijven, een boek waarin hij zich beijvert om alle in omloop gebrachte mystificaties zonder uitzondering te slikken om ze terstond weer uit te kotsen met de mededeling dat ze voortreffelijk zijn. Eén moment slechts wordt hij ertoe gebracht de kern van de zaak te noemen, maar uiteraard op zijn kop, wanneer hij schrijft: “Tegenwoordig liggen de zaken anders; met de rode terreur achter zich kunnen de marginale arbeidersextremisten zich tegen de vakbondspolitiek verzetten of trachten te verzetten. Wie wel eens een arbeidersvergadering heeft meegemaakt in een fabriek als Alfa Romeo te Arese, heeft kunnen zien dat de groep extremisten, die niet meer dan zo’n honderd personen omvat, niettemin in staat is om de eerste rij te bezetten en beschuldigingen en beledigingen te schreeuwen die de Communistische Partij maar te verdragen heeft.” Dat revolutionaire arbeiders stalinisten beledigen en daarbij steun krijgen van bijna al hun kameraden — niets is normaler, want zij willen een revolutie maken. Zouden zij niet op grond van hun lange ervaring weten dat men dan om te beginnen de stalinisten uit de vergaderingen moet jagen? Omdat zij daarin niet slaagden, mislukte de revolutie in 1968 in Frankrijk en in 1975 in Portugal. Onzinnig en stuitend is het evenwel te beweren dat deze “marginale arbeidersextremisten” die noodzakelijke fase kunnen bereiken omdat zij terroristen “achter zich” zouden hebben. Integendeel, juist omdat een groot aantal Italiaanse arbeiders ontsnapt is aan de regimentering van de politionele, stalinistische vakbonden, heeft men de “rode brigade” laten uitrukken, waarvan het onlogische en blinde terrorisme hen slechts kan schaden, aangezien de massamedia de gelegenheid aangrijpen om er zonder een schaduw van twijfel hun voorhoedecorps en hun onheilspellende leiders in te herkennen. Bocca insinueert dat de stalinisten de beledigingen die zij al zestig jaar lang overal zo ruimschoots verdienen, wel moeten slikken omdat zij lijfelijk worden bedreigd door terroristen die de arbeidersautonomie achter de hand zou houden. Dat is niets dan bijzonder smerig geboccaseer, omdat iedereen weet dat de “rode brigade” er zich op dat moment, en nog lang daarna, zorgvuldig voor hoedde de stalinisten persoonlijk aan te vallen. Hoewel zij zich wel dat air wil geven, kiest zij haar perioden van activiteit niet zomaar, en zoekt zij evenmin naar eigen goeddunken haar slachtoffers uit. In een dergelijk klimaat vindt men onvermijdelijk een verbreding van de perifere laag van klein, welgemeend terrorisme, dat min of meer in het oog wordt gehouden en tijdelijk wordt geduld als een vijver waaruit men altijd op bestelling enkele schuldigen kan vissen om op een presenteerblaadje te vertonen; maar de force de frappe voor de cruciale operaties kan alleen uit beroepskrachten bestaan; hetgeen door ieder detail van hun stijl wordt bevestigd.
Het Italiaanse kapitalisme, en zijn regeringspersoneel erbij, is sterk verdeeld over de inderdaad vitale en buitengewoon onzekere vraag van het gebruik van de stalinisten. Bepaalde moderne sectoren van het particuliere grootkapitaal zijn of waren er resoluut vóór; andere, gesteund door veel beheerders van het kapitaal van de semi-staatsbedrijven, staan er vijandiger tegenover. De hoge staatsfunctionarissen hebben een grote mate van autonomie bij het manoeuvreren, omdat op een zinkend schip de kapitein meer gewicht heeft dan de reder, maar zij zijn het zelf onderling niet eens. De toekomst van iedere clan is afhankelijk van de manier waarop zij haar opvattingen weet op te leggen door haar praktische gelijk aan te tonen. Moro geloofde in het “historisch compromis”, dat wil zeggen in het vermogen van de stalinisten om de beweging van de revolutionaire arbeiders uiteindelijk te breken. Een andere stroming — die op het moment in de positie verkeert dat zij de controleurs van de “rode brigade” bevelen kan geven — geloofde er niet in; of meende althans dat de stalinisten voor de kleine diensten die zij kunnen bewijzen, en die zij hoe dan ook toch zullen bewijzen, niet buitensporig ontzien behoeven te worden, en dat men ze meer slaag dient te geven om te voorkomen dat ze te brutaal worden. Gebleken is dat deze analyse niet zonder waarde was, want toen Moro ontvoerd was bij wijze van inwijdingsbelediging van het “historisch compromis” dat eindelijk door het parlement was bekrachtigd, bleef de stalinistische partij de schijn ophouden dat zij geloof hechtte aan de onafhankelijkheid van de “rode brigade”. Men heeft de gevangene zolang in leven gehouden als men meende de vernedering en verwarring van zijn vrienden te kunnen laten voortduren, die bij het ondergaan van deze chantage ook nog deftig dienden te veinzen dat zij niet begrepen wat er door onbekende barbaren van hen werd verwacht. Evenzo is men er onmiddellijk mee gestopt toen de stalinisten hun tanden lieten zien door publiekelijk te zinspelen op duistere manoeuvres; en Moro is teleurgesteld gestorven. In feite heeft de “rode brigade” nog een andere functie, van meer algemeen belang, die erin bestaat de proletariërs die zich werkelijk tegen de staat verheffen, van de wijs of in opspraak te brengen, en misschien op zekere dag enkele van de gevaarlijkste onder hen te elimineren. Deze functie wordt door de stalinisten op prijs gesteld, omdat het hen helpt bij hun zware taak. Van het aspect dat henzelf treft, proberen zij de gevolgen zoveel mogelijk te beperken door middel van bedekte insinuaties in het openbaar op de kritieke momenten en van luid uitgeschreeuwde, precieze dreigementen bij hun voortdurende vertrouwelijke onderhandelingen met de staatsmacht. Hun intimidatiewapen bestaat hierin, dat zij plotseling alles wat zij vanaf het begin van de “rode brigade” weten, zouden kunnen zeggen. Maar iedereen weet dat zij dit wapen niet kunnen gebruiken zonder het “historisch compromis” te doorbreken; en dat zij dus van harte wensen op dit punt even discreet te kunnen blijven als indertijd over de heldendaden van de eigenlijke SID. Hoe zou het met de stalinisten aflopen in een revolutie? Zo blijft men hen steeds trappen, maar niet te hard. Wanneer dezelfde onoverwinnelijke “rode brigade” tien maanden na de ontvoering van Moro voor het eerst een stalinistische vakbondsfunctionaris neerschiet, reageert de Communistische Partij meteen, maar louter op het terrein van de protocollaire vormen: zij dreigt er haar bondgenoten mee dat deze verplicht zouden kunnen worden haar voortaan aan te duiden als een partij die weliswaar nog steeds loyaal en constructief is, maar naast de meerderheid staat, en niet meer terzijde binnen de meerderheid.
Het tonnetje riekt altijd naar de haring, en een stalinist zal altijd overal in zijn element zijn waar men de geur van duistere staatsmisdaden kan opsnuiven. Waarom zouden zij geschokt zijn door het klimaat van de discussies aan de top van de Italiaanse staat, waar men het mes in de mouw heeft en de bom onder de tafel? Zijn de geschillen tussen bijvoorbeeld Chroesjtjov en Beria, Kádár en Nagy, Mao en Lin Biao niet in dezelfde stijl geregeld? En trouwens, de leiders van het Italiaanse stalinisme hebben zelf in hun jeugd voor slager gespeeld, ten tijde van hun eerste historische compromis, toen zij zich met de andere employé’s van de “Comintern” hadden belast met de contrarevolutie ten dienste van de Spaanse democratische republiek in 1937. Toen was het hun eigen “rode brigade” die Andrés Nin ontvoerde en ombracht in een andere geheime gevangenis.
Talloze Italianen kennen deze doorzichtige treurigheden van zeer nabij en nog veel meer andere hebben ze terstond opgemerkt. Maar zij worden nergens gepubliceerd, want de laatste groep ontbreekt het daartoe aan middelen en de eerste aan lust. Op dit analytische niveau is men gerechtigd van een “spectaculaire” politiek van het terrorisme te spreken, en niet, zoals zovele journalisten en professoren met hun ondergeschiktenslimheid plat herhalen, omdat terroristen op de een of andere manier bewogen zouden worden door de zucht om over de tong te gaan. Italië vat de maatschappelijke contradicties van de gehele wereld samen en probeert op de bekende wijze binnen één land de repressieve Heilige Alliantie van burgerlijke en bureaucratisch-totalitaire klassenmacht te smeden, die al openlijk over het gehele aardoppervlak functioneert in de economische en politionele solidariteit van alle staten; zij het daar al evenmin zonder de nodige discussies en vereffening van rekeningen op zijn Italiaans. Omdat Italië momenteel het land is dat het verst is afgegleden naar de proletarische revolutie, is het ook het meest moderne laboratorium van de internationale contrarevolutie. De overige regeringen die uit de oude prespectaculaire burgerlijke democratie zijn voortgekomen, bekijken de Italiaanse regering vol bewondering om de onbewogenheid die zij in het stormachtige middelpunt van alle vernederingen weet te bewaren, en om de kalme waardigheid waarmee zij in het slijk zit. Het is een les die zij thuis nog lang zullen moeten toepassen.
De regeringen en de talloze ondergeschikte deskundigen die hen begeleiden, vertonen inderdaad overal de neiging bescheidener te worden. Zij zijn al tevreden wanneer zij hun halsbrekende en panische beheer over een proces dat steeds ongewoner wordt en aan de beheersing waarvan zij wanhopen, kunnen laten doorgaan voor een bedaarde en routineuze afhandeling van lopende zaken. En waar het het tijdsklimaat is dat dit alles meebrengt, is de spectaculaire waar al net als zij tot een verbazingwekkende omkering van haar leugenachtige rechtvaardigingspatroon gekomen. Zij placht volslagen normale en banale dingen te presenteren als buitengewone goederen, als de sleutel tot een hoger en misschien zelfs superieur bestaan: een auto, schoenen, een doctoraat in de sociologie. Nu is zij gedwongen om dingen als normaal en alledaags te presenteren die in feite zeer buitengewoon zijn geworden. Is dit een brood, wijn, een tomaat, een ei, een huis, een stad? Beslist niet, want een aaneenschakeling van innerlijke veranderingen, die op korte termijn economisch nuttig zijn voor wie de productiemiddelen in handen hebben, heeft er de naam en een flink deel van het uiterlijk aan laten bestaan, maar er de smaak en de inhoud aan ontnomen. Men verzekert niettemin dat de verschillende consumeerbare goederen onweersprekelijk aan hun traditionele benamingen beantwoorden, en voert als bewijs het feit aan dat er niets anders meer bestaat en er dus geen vergelijking meer mogelijk is. Omdat men ervoor heeft gezorgd dat heel weinig mensen de echte producten weten te vinden, waar die nog bestaan, kan het valse legaal de naam aannemen van het ware dat is uitgestorven. En hetzelfde beginsel dat de voeding of het wonen van de bevolking beheerst, verbreidt zich overal, tot over de boeken en de laatste schijn van een democratisch debat die men nog voor haar wil ophouden.
De essentiële contradictie van de in een crisis verkerende spectaculaire overheersing ligt hierin, dat zij schipbreuk heeft geleden op het punt waar zij het sterkst was, een bepaalde vulgaire materiële voldoening, die veel andere voldoening uitsloot, maar geacht werd toereikend te zijn om telkens opnieuw de instemming van de massa producenten-consumenten te verkrijgen. En het is juist deze materiële voldoening die zij heeft vervuild en niet langer aanbiedt. De spektakelmaatschappij was overal begonnen met dwang, bedrog en bloed; maar zij beloofde een gelukkige afloop. Zij dacht dat men van haar hield. Nu belooft zij niets meer. Zij zegt niet langer: “Wat verschijnt is goed, wat goed is verschijnt.” Zij zegt eenvoudig: “Het is niet anders.” Zij bekent ruiterlijk dat zij in essentie niet meer te hervormen is; hoewel haar natuur juist de verandering is, die nu ieder ding afzonderlijk in iets slechter omzet. Zij heeft al haar algemene illusies over zichzelf verloren.
Alle experts van de macht en al hun computers zijn in voortdurend multidisciplinair overleg bijeen, zoniet om het middel te vinden dat de zieke maatschappij kan redden, dan toch om deze zolang het nog gaat een schijn van overleven te laten behouden, tot zelfs nog na de coma, zoals bij Franco of Boumedienne. Een oud volkslied uit Toscane komt sneller en wijzer tot de conclusie: E la vita non è la morte, E la morte non è la vita. La canzone è già finita.
Wie dit boek met aandacht leest, zal zien dat het geen enkele vorm van garantie geeft inzake de overwinning van de revolutie, noch over de duur van haar operaties, noch over de moeizame wegen die zij zal hebben te gaan, en allerminst over haar vermogen, soms lichtzinnig aangeprezen, om iedereen het volmaakte geluk te schenken. Minder dan enige andere kan mijn conceptie, die historisch en strategisch is, in overweging nemen dat het leven een idylle zonder verdriet en zonder kwalen zou moeten zijn, alleen maar omdat wij dat prettig zouden vinden; en dus al evenmin, dat het louter de boosaardigheid van enkele bezitters en leiders zou zijn die het ongeluk van de grote meerderheid veroorzaakt. Ieder is het kind zijner werken, en de passiviteit maait zoals zij zaait. Het grootste resultaat van de wereldschokkende ontbinding van de klassenmaatschappij is dat de oude vraag of de mensen als geheel werkelijk van de vrijheid houden, voor de eerste maal in de geschiedenis achterhaald is: want nu zullen zij gedwongen worden ervan te houden.
Het is goed om de moeilijkheid en de geweldige omvang te erkennen van de taken van een revolutie die een klassenloze maatschappij wil vestigen en in stand houden. Beginnen kan zij vrij gemakkelijk op al die plaatsen waar autonome proletarische vergaderingen, die geen autoriteit of eigendom van wie ook buiten zichzelf erkennen en hun wil boven alle wetten en alle specialismen stellen, een eind maken aan de scheiding tussen de individuen, aan de wareneconomie, aan de staat. Maar zij zal pas zegevieren wanneer zij zich over de hele wereld doet gelden en geen gebiedsdeel in handen laat van enige vorm van voortbestaan van de vervreemde maatschappij. Dan zal er een weerzien zijn met een Athene of een Florence waaruit niemand verbannen wordt, dat zich uitstrekt tot de uitersten der aarde; en dat zich na de vernietiging van al zijn vijanden eindelijk met plezier kan overgeven aan de werkelijke meningsverschillen en de eindeloze botsingen van het historische leven.
Wie kan nog geloven aan enige uitkomst die minder radicaal realistisch is? Onder ieder resultaat en iedere onderneming van een troosteloos en lachwekkend heden ziet men het Mené, Tekél, Perés geschreven worden dat de onafwendbare val aankondigt van alle steden der illusie. De dagen van deze maatschappij zijn geteld; haar redenen en verdiensten zijn gewogen en te licht bevonden; haar bewoners zijn verdeeld in twee partijen, waarvan de ene wil dat zij verdwijnt.
januari 1979
De spektakelmaatschappij werd voor het eerst gepubliceerd in november 1967, in Parijs, bij Buchet-Chastel, en is door de troebelen van 1968 bekend geraakt. Sinds 1971 werd het boek, zonder dat ik er ooit een woord aan heb veranderd, heruitgegeven bij Champ Libre, die na de moord op de uitgever in 1984, haar naam naar hem veranderd heeft in Editions Gérard Lebovici. Een reeks herdrukken volgde elkaar regelmatig op, tot 1991. Ook de huidige editie is absoluut identiek aan die van 1967. Dezelfde regel zal uiteraard gelden voor de heruitgave van al mijn boeken bij Gallimard. Ik ben niet iemand die zichzelf verbetert.
Zo’n kritische theorie hoeft ook niet te worden veranderd; tenminste zolang de algemene omstandigheden van dit lange historische tijdvak niet zijn tenietgedaan, die door deze theorie voor het eerst exact zijn gedefinieerd. De voortgang in de ontwikkeling van dit tijdvak heeft de theorie van het spektakel alleen maar bevestigd en geïllustreerd. Tegelijkertijd kan men de uiteenzetting van deze theorie, die hier wordt herhaald, ook in minder algemene zin als historisch beschouwen: zij getuigt van wat de meest extreme positie was tijdens de opstand van 1968, en dus van wat men al in 1968 had kunnen weten. Degenen die zich in die tijd het meest in de luren hebben laten leggen, hebben ondertussen door alle teleurstellingen in hun leven kunnen leren wat zulke dingen betekenden als: “de negatie van het leven, die zichtbaar is geworden”; “de teloorgang van de kwaliteit” die aan iedere vorm van koopwaar kleeft, en de “proletarisering van de wereld”.
Overigens heb ik hier op zijn tijd enkele observaties aan toegevoegd over de meest opmerkelijke nieuwigheden die het verdere verloop van hetzelfde proces onvermijdelijk tevoorschijn riep. Ter gelegenheid van een nieuwe Italiaanse vertaling in 1979 had ik het in mijn voorwoord over de wezenlijke veranderingen in de natuur zelf van de industriële productie evenals in de techniek van het regeren; veranderingen die men zich begon te veroorloven door gebruik te maken van de kracht van het spektakel. In 1988 heb ik met de Commentaires sur la Société du Spectacle duidelijk aangetoond dat aan de “wereldwijde taakverdeling van het spektakel” zoals die tot dan toe bestond tussen de rivaliserende rijken van het “geconcentreerde spektakel” en het “diffuse spektakel”, voorgoed een eind was gekomen ten gunste van een fusie in de gemeenschappelijke vorm van het “geïntegreerde spektakel”.
Deze fusie kan in het kort worden samengevat door een correctie aan te brengen bij stelling 105, die op de gebeurtenissen van vóór 1967 slaat en bijgevolg nog onderscheid maakt tussen beide vormen volgens bepaalde toen gangbare en aan elkaar tegengestelde praktijken. Nu het Grote Schisma van de klassenmacht is uitgelopen op een verzoening, moet men zeggen dat de verenigde praktijk van het geïntegreerde spektakel “de wereld economisch veranderd” heeft, terwijl zij tegelijkertijd “op politionele wijze de waarneming heeft omgevormd”. (De politie zelf is in die omstandigheid helemaal nieuw.)
Alleen omdat deze fusie zich in de economisch-politieke realiteit reeds over de hele wereld had voltrokken, kon de wereld zich eindelijk officieel verenigd verklaren. En omdat de situatie waarin de afgescheiden macht wereldwijd is terechtgekomen, zo ernstig is, was het ook nodig dat die wereld zo spoedig mogelijk werd verenigd; om als één enkel blok te kunnen deelnemen aan dezelfde, op consensus berustende organisatie van de spectaculair vervalste en gegarandeerde wereldmarkt. En die wereld zal zich niet verenigen, tenslotte.
Als “plaatsvervangende heersende klasse voor de wareneconomie” had de totalitaire bureaucratie al nooit zo’n groot vertrouwen in haar toekomst. Ze wist dat ze een “onderontwikkelde vorm van heersende klasse” was en wilde meer. Stelling 58 had allang het volgende axioma aangevoerd: “Het spektakel heeft zijn wortels in het terrein van de economie die tot overvloed is geworden, en hier komen de vruchten vandaan die uiteindelijk streven naar beheersing van de spectaculaire markt.”
Samen met alle andere aspecten van de simplificatie van de maatschappij is het deze wil tot modernisering en eenwording van het spektakel, die in 1989 de Russische bureaucratie ertoe heeft gebracht zich plotseling als één man te bekeren tot de huidige ideologie van de democratie: dat wil zeggen de dictatoriale vrijheid van de Markt, getemperd door de erkenning van de Rechten van de Mens-als-toeschouwer. Niemand in het Westen heeft er ook maar een dag bij stilgestaan wat de betekenis en de consequenties zijn van zo’n uitzonderlijk mediagebeuren. Waarmee de vooruitgang van de spectaculaire techniek weer eens bewezen is. Er viel niet meer te registreren dan de schijn van een soort aardschok. Men dateert het verschijnsel en meent het daarmee wel voldoende begrepen te hebben, terwijl men zich te vreden stelt met het herhalen van een wel heel simpel signaal, zij het even onbetwistbaar als alle andere democratische signalen: de val van de Muur van Berlijn.
Met het uiteenvallen van Rusland kwamen in 1991 de eerste effecten van de modernisering aan het licht. Nog openlijker dan in het Westen komen daar de rampzalige gevolgen tot uiting van de algemene ontwikkeling van de economie. Slechts wanorde is het resultaat. Overal zal dezelfde schrikbarende vraag worden gesteld, een vraag die al tweehonderd jaar door de wereld rondspookt: hoe zet men de armen aan het werk waar de illusies zijn tegengevallen en de kracht verloren is.
In stelling 111 worden de eerste symptomen genoemd van het Russische verval, waarvan we de einduitbarsting zojuist hebben gezien; en er wordt uitgekeken naar de komende verdwijning van een mondiale maatschappij die, zoals men nu kan zeggen, uit het geheugen van de computer zal worden gewist. Die stelling sprak tevens het volgende, strategische oordeel uit, waarvan men de juistheid moeiteloos zal gaan ondervinden: “De wereldwijde ontbinding van het verbond van de bureaucratische mystificatie is in laatste analyse de meest ongunstige factor voor de huidige ontwikkeling van de kapitalistische maatschappij.”
Dit boek moet gelezen worden in de wetenschap dat het welbewust geschreven is met de bedoeling de spectaculaire maatschappij schade te berokkenen. Het heeft nooit iets verkondigd wat buitensporig is.
30 juni 1992
Maar voorzeker verkiest deze tijd het beeld boven de zaak, de kopie boven het origineel, de voorstelling boven de werkelijkheid, de schijn boven het wezen, . . .; want heilig is hem slechts de illusie, profaan daarentegen de waarheid. Ja, in zijn ogen wordt de heiligheid in dezelfde mate vergroot waarin de waarheid af- en de illusie toeneemt, zodat de hoogste graad van illusie voor hem tevens de hoogste graad van heiligheid is.
Feuerbach, Voorwoord bij de tweede druk van Das Wesen des Christentums
1
Het gehele leven van de samenlevingen waarin de moderne productieverhoudingen heersen, dient zich aan als een ontzaglijke opeenhoping van spektakels. Al wat direct werd geleefd, heeft zich in een voorstelling verwijderd.
2
De beelden die zich van ieder aspect van het leven hebben losgemaakt, versmelten in een gemeenschappelijke stroom, waarin de eenheid van dit leven niet meer kan worden hersteld. De gedeeltelijk beschouwde werkelijkheid ontvouwt zich in haar eigen algemene eenheid als afzonderlijke schijnwereld, slechts object van aanschouwing. De verbijzondering van de beelden van de wereld wordt in voltooide vorm teruggevonden in de wereld van het autonoom geworden beeld, waar het leugenachtige zichzelf belogen heeft. Het spektakel is in het algemeen, als concrete omkering van het leven, de autonome beweging van het niet-levende.
3
Het spektakel doet zich tegelijkertijd voor als de maatschappij zelf, als een deel van de maatschappij en als middel tot vereniging. Als deel van de maatschappij is het met name de sector waarin iedere blik en ieder bewustzijn wordt geconcentreerd. Juist vanwege het feit dat deze sector is afgescheiden, is hij de plaats van de misleide blik en het valse bewustzijn; en de vereniging die erdoor tot stand wordt gebracht, is niets dan een officiële taal van de algemeen geworden scheiding.
4
Het spektakel is geen geheel van beelden, maar een maatschappelijke verhouding tussen personen door bemiddeling van beelden.
5
Het spektakel kan niet begrepen worden als uitwas van een wereld van het kijken, als het product van technieken voor de massale verspreiding van beelden. Het is veeleer een Weltanschauung die werkelijk is geworden, materieel is vertaald. Het is een kijk op de wereld, die is geobjectiveerd.
6
In zijn totaliteit begrepen is het spektakel tegelijkertijd resultaat en doel van de bestaande productiewijze. Het is geen aanhangsel van de werkelijke wereld, geen randversiering. Het is het hart van het irrealisme van de werkelijke maatschappij. In al zijn specifieke vormen, als informatie of propaganda, reclame of directe consumptie van vermakelijkheden, vormt het spektakel het huidige model van het leven dat maatschappelijk overheerst. Het is de alomtegenwoordige bevestiging van de keuze die reeds gemaakt is in de productie, en van de daarmee samenhangende consumptie. Vorm en inhoud van het spektakel zijn op eendere wijze de volledige rechtvaardiging van de voorwaarden en doeleinden van het bestaande systeem. Het spektakel is ook de voortdurende tegenwoordigheid van deze rechtvaardiging, als inbeslagneming van het voornaamste deel van de tijd die buiten de moderne productie wordt doorgebracht.
7
De scheiding maakt zelf deel uit van de eenheid van de wereld, van de alomvattende maatschappelijke praxis die zich gesplitst heeft in werkelijkheid en beeld. De maatschappelijke praktijk die zich met het autonome spektakel geconfronteerd ziet, is tevens de werkelijke totaliteit die het spektakel insluit. Maar zij wordt door de scheuring in deze totaliteit dusdanig verminkt, dat het spektakel als haar doel verschijnt. De taal van het spektakel wordt gevormd door tekens van de heersende productie, die terzelfder tijd het hoogste doel van deze productie zijn.
8
Het spektakel en de feitelijke maatschappelijke activiteit zijn niet abstract tegenover elkaar te stellen; deze tweedeling is zelf getweeëndeeld. Het spektakel dat de werkelijkheid omkeert, wordt daadwerkelijk voortgebracht. Tegelijkertijd wordt de geleefde werkelijkheid in materiële zin doordrongen van de aanschouwing van het spektakel, en neemt zij de spectaculaire orde in zichzelf op door er uitdrukkelijk mee in te stemmen. De objectieve werkelijkheid is beiderzijds aanwezig. Zo gesteld heeft ieder begrip slechts de omslag in zijn tegendeel als grondslag: de werkelijkheid ontstaat in het spektakel, en het spektakel is werkelijk. Deze wederkerige vervreemding vormt het wezen en de steunpilaar van de bestaande maatschappij.
9
In de werkelijk omgekeerde wereld is het ware een moment van het onware.
10
Het begrip spektakel verenigt en verklaart een grote verscheidenheid aan schijnfenomenen. Hun verscheidenheid en tegengesteldheid vormen de verschijningen van deze maatschappelijk georganiseerde schijn, die als zodanig in haar algemene waarheid onderkend dient te worden. In zijn eigen termen beschouwd is het spektakel de bevestiging van de schijn en de bevestiging van ieder menselijk, dat wil zeggen maatschappelijk leven als louter schijn. Maar de kritiek die tot de waarheid van het spektakel doordringt, onthult het als de zichtbare ontkenning van het leven; als een ontkenning van het leven, die zichtbaar is geworden.
11
Om het spektakel, zijn vorming, zijn werking, en de krachten die tot zijn ontbinding leiden, te beschrijven, moet men onscheidbare elementen kunstmatig onderscheiden. Wanneer men het spektakel analyseert, spreekt men in zekere mate de taal van het spectaculaire zelf, in de zin dat men zich op het methodologische terrein begeeft van deze maatschappij, die zich in het spektakel uitdrukt. Maar het spektakel is niets anders dan de richting van de totale praktijk van een sociaaleconomische ordening, haar tijdsbesteding. Het is het historisch moment dat ons omvat.
12
Het spektakel doet zich voor als een geweldige, onbetwistbare en ongenaakbare stelligheid. Het zegt niets meer dan ‘wat verschijnt is goed, wat goed is verschijnt’. Het eist principieel de houding van passieve aanvaarding die het in feite al verkregen heeft door zijn verschijningswijze die geen antwoord toelaat, door zijn monopolie van de schijn.
13
Het fundamenteel tautologische karakter van het spektakel vloeit voort uit het simpele feit dat zijn middelen tegelijkertijd zijn doel vormen. Het is de zon die nooit ondergaat in het rijk van de moderne passiviteit. Het overdekt het gehele aardoppervlak en baadt onbeperkt in zijn eigen glorie.
14
De maatschappij die op de moderne industrie berust, is niet toevallig of oppervlakkig spectaculair, zij is fundamenteel spectaclistisch. In het spektakel, beeld van de heersende economie, is het doel niets, de ontwikkeling alles. Het spektakel wil niets anders bereiken dan zichzelf.
15
Als onontbeerlijke opsmuk van de dingen die vandaag de dag worden geproduceerd, als algemene uiteenzetting van de rationaliteit van het systeem, en als hoog ontwikkelde economische sector die rechtstreeks een toenemende hoeveelheid beeldobjecten vormt, is het spektakel de voornaamste productie van de huidige maatschappij.
16
Het spektakel onderwerpt de levende mensen aan zich in dezelfde mate waarin de economie hen volledig heeft onderworpen. Het is niets dan de economie die zich ten behoeve van zichzelf ontwikkelt. Het is de getrouwe afspiegeling van de productie van de dingen en de verraderlijke objectivering van de producenten.
17
De eerste fase in de overheersing van de economie over het maatschappelijk leven had in de bepaling van iedere menselijke realisatie een duidelijk verval met zich meegebracht van het zijn tot hebben. De huidige fase van totale inbeslagneming van het maatschappelijke leven door de opeengehoopte resultaten van de economie leidt tot een algemeen geworden verschuiving van het hebben naar het schijnen, waaraan ieder daadwerkelijk ‘hebben’ zijn onmiddellijke prestige en zijn uiteindelijke functie moet ontlenen. Terzelfder tijd is iedere individuele werkelijkheid maatschappelijk geworden, rechtstreeks afhankelijk van de maatschappelijke macht, door haar gevormd. Slechts in zoverre zij niet is, is het haar toegestaan te verschijnen.
18
Waar de werkelijke wereld in louter beelden verandert, worden de loutere beelden tot werkelijke wezens, en tot de werkzame drijfveren van een hypnotisch gedrag. Als streven om de wereld, die niet direct meer grijpbaar is, te laten zien door verschillende gespecialiseerde bemiddelingen, vindt het spektakel in het gezichtsvermogen vanzelfsprekend het meest bevoorrechte menselijke zintuig, dat in vroeger tijden de tastzin was; het meest abstracte en snelst te bedriegen zintuig beantwoordt aan de algemeen geworden abstractie van de huidige maatschappij. Maar het spektakel laat zich niet vereenzelvigen met de eenvoudige blik, zelfs niet wanneer deze met het gehoor samengaat. Het is dat wat ontsnapt aan de activiteit van de mensen, aan het toetsen en verbeteren van hun werk. Het is het tegendeel van de dialoog. Overal waar zich een onafhankelijke representatie voordoet, wordt het spektakel opnieuw gevormd.
19
Het spektakel is de erfgenaam van de gehele zwakte in het streven van de westerse filosofie, dat een begrijpen van de activiteit inhield vanuit de overheersende categorie van het zien; zoals het zich ook baseert op de ononderbroken ontplooiing van precies de technische rationaliteit die uit dit denken is voortgekomen. Het verwezenlijkt niet de filosofie, het maakt de werkelijkheid filosofisch. Het is het concrete leven van allen dat vervallen is tot een speculatief universum.
20
Als macht van het afgescheiden denken en denken van de afgescheiden macht is de filosofie er nooit uit zichzelf in geslaagd de theologie op te heffen. Het spektakel is de materiële reconstructie van de religieuze illusie. De spectaculaire techniek heeft niet de religieuze wolken verdreven waarin de mensen hun eigen, van henzelf losgemaakte vermogens hadden verlegd: zij heeft deze slechts verbonden met een aards fundament. Zo wordt het meest aardse leven ondoorgrondelijk en verstikkend. Het verwijst zijn absolute verwerping, zijn bedrieglijk paradijs niet langer naar de hemel, maar biedt het bij zichzelf onderdak. Het spektakel is de technische verwezenlijking van de verbanning van de menselijke vermogens naar een Jenseits; de voltooide scheuring binnen de mens zelf.
21
Naarmate de noodzaak een maatschappelijke droom wordt, wordt dromen noodzakelijk. Het spektakel is de boze droom van de geketende moderne maatschappij, die uiteindelijk slechts een uitdrukking is van haar wens om te slapen. Het spektakel is de wachter over deze slaap.
22
Het feit dat het praktische vermogen van de moderne maatschappij zich van zichzelf heeft losgemaakt en zich een zelfstandig rijk in het spektakel heeft gecreëerd, valt alleen te verklaren door het andere feit, dat het dit praktische vermogen voortdurend aan samenhang ontbrak en het met zichzelf in tegenspraak bleef.
23
Aan de basis van het spektakel ligt de oudste maatschappelijke specialisatie, de specialisatie van de macht. Het spektakel is aldus een gespecialiseerde activiteit die spreekt voor het geheel van de andere. Het is de diplomatieke vertegenwoordiging van de hiërarchische maatschappij bij zichzelf, waar ieder ander woord is uitgebannen. Het meest moderne is er ook het meest archaïsche.
24
Het spektakel is de ononderbroken rede die de huidige orde over zichzelf houdt, haar zelfverheerlijkende monoloog. Het is het zelfportret van de macht in het tijdperk van haar totalitaire beheer van de bestaansvoorwaarden. De fetisjistische schijn van zuivere objectiviteit in de spectaculaire verhoudingen verbergt hun karakter van verhoudingen tussen mensen en tussen klassen: een tweede natuur schijnt onze omgeving met haar onontkoombare wetten te beheersen. Maar het spektakel is niet het noodzakelijke product van de technische ontwikkeling gezien als een natuurlijke ontwikkeling. De spektakelmaatschappij is integendeel de vorm die haar eigen technische inhoud kiest. Zo het kan schijnen alsof het spektakel, beschouwd onder het beperkte aspect van de ‘massacommunicatiemiddelen’ die oppervlakkig zijn meest verpletterende verschijningsvorm uitmaken, de maatschappij binnendringt als een eenvoudig arrangement, dan is dit in feite niet iets neutraals, maar precies het arrangement dat past bij zijn totale zelfbeweging. Wanneer de maatschappelijke behoeften van de tijd waarin dergelijke technieken tot ontwikkeling komen, slechts door hun bemiddeling bevrediging kunnen vinden, wanneer het beheer over deze maatschappij en ieder contact tussen de mensen nog slechts tot stand kan komen door tussenkomst van deze macht van ogenblikkelijke communicatie, dan komt dat doordat deze ‘communicatie’ wezenlijk eenzijdig is; zodat de concentratie ervan neerkomt op de accumulatie, in handen van het bestuur van het bestaande systeem, van de middelen die het toestaan dit bepaalde bestuur voort te zetten. De algemeen geworden scheuring van het spektakel is onlosmakelijk verbonden met de moderne staat, dat wil zeggen met de algemene vorm van de scheuring in de maatschappij, product van de deling van de maatschappelijke arbeid en orgaan van de klassenoverheersing.
25
De scheiding is de alfa en de omega van het spektakel. De institutionalisering van de maatschappelijke arbeidsdeling, de vorming van de klassen hadden aanvankelijk een gewijde aanschouwing tot stand gebracht, de mythische orde waarin iedere macht zich vanaf den beginne hult. Het heilige heeft de kosmische en ontologische regeling gerechtvaardigd die met de belangen van de heersers overeenkwam, het heeft verklaard en verfraaid wat de maatschappij niet kon doen. Iedere afgescheiden macht is dus spectaculair geweest, maar de instemming van allen met een dergelijk onbeweeglijk beeld betekende slechts de gemeenschappelijke erkenning van een denkbeeldig verlengstuk aan de armoede van de werkelijke maatschappelijke activiteit, die nog wijd en zijd als een verenigende voorwaarde werd gevoeld. Het moderne spektakel daarentegen vormt de uitdrukking van wat de maatschappij kan doen, maar in deze uitdrukking staat het toegestane absoluut tegenover het mogelijke. Het spektakel is de instandhouding van het onbewuste in de praktische verandering van de bestaansvoorwaarden. Het is zijn eigen product, en het heeft zelf zijn regels bepaald: het is een schijnheilige. Het toont wat het is: de afgescheiden macht die zich in zichzelf ontwikkelt, in de groei van de productiviteit door middel van de onophoudelijke verfijning van de arbeidsdeling tot een verbrokkeling van de handelingen, die vervolgens overheerst worden door de onafhankelijke beweging van de machines; en haar activiteit is gericht op een steeds verdere uitbreiding van de markt. Iedere vorm van gemeenschap en iedere kritische zin zijn opgelost in de loop van deze beweging, waarin de krachten die konden toenemen door zich af te scheiden, zich nog niet hebben hervonden.
26
Met de algemeen geworden scheiding tussen de arbeider en zijn product gaat iedere eenheid in de visie op de voltooide werkzaamheid, iedere directe persoonlijke communicatie tussen de producenten verloren. Terwijl de accumulatie van de gescheiden producten en de concentratie van het productieproces voortgaan, worden de eenheid en de communicatie dienovereenkomstig het uitsluitende attribuut van de leiding van het systeem. Het welslagen van het economische systeem van de scheiding is de proletarisering van de wereld.
27
Juist door het succes van de gescheiden productie als productie van het gescheidene is de fundamentele ervaring die in de primitieve samenlevingen verbonden is met een arbeidstaak als voornaamste bezigheid, zich aan de ontwikkelingspool van het systeem aan het verplaatsen naar het niet-werken, naar de inactiviteit. Maar deze inactiviteit is geenszins bevrijd van de producerende activiteit: zij is ervan afhankelijk, zij is een onrustige en bewonderende onderworpenheid aan de noodzakelijkheden en resultaten van de productie; zij is zelf een product van de rationaliteit daarvan. Er kan geen vrijheid bestaan buiten de activiteit, en in het kader van het spektakel wordt iedere activiteit ontkend, precies zoals de werkelijke activiteit in haar geheel is vast gekluisterd om in alle opzichten dit resultaat te bereiken. Zo vormt de huidige ‘bevrijding van de arbeid’, de toeneming van de vrije tijd, in geen enkel opzicht een bevrijding binnen de arbeid, en evenmin de bevrijding van een wereld die door deze arbeid is gevormd. Niets van de in de arbeid ontstolen activiteit kan zich terugvinden in de onderworpenheid aan het resultaat ervan.
28
Het economische systeem dat op het isolement is gegrond, is een kringloopproductie van het isolement. Het isolement legt de grondslag voor de techniek, en het technische proces, op zijn beurt, isoleert. Van de auto tot de televisie vormen alle door het spectaculaire systeem uitgezochte goederen tevens zijn wapens voor de voortdurende versterking van de voorwaarden voor het isolement van de ‘eenzame massa’s’. Het spektakel vindt zijn eigen vooronderstellingen steeds concreter terug.
29
De oorsprong van het spektakel is het verlies van de eenheid van de wereld, en de reusachtige uitbreiding van het moderne spektakel geeft uitdrukking aan de totaliteit van dit verlies: de abstractie van iedere afzonderlijke arbeid en de algemene abstractie van de productie in haar geheel worden volmaakt vertaald in het spektakel, waarvan de concrete zijnswijze juist de abstractie is. In het spektakel representeert zich een deel van de wereld ten opzichte van de wereld, en is het boven haar verheven. Het spektakel is slechts de gemeenschappelijke taal van deze scheiding. Wat de toeschouwers verbindt, is alleen een eenzijdige betrekking tot het centrum dat hun isolement in stand houdt. Het spektakel verenigt wat gescheiden is, maar het verenigt dit als gescheiden.
30
De vervreemding van de toeschouwer ten gunste van het aanschouwde object (dat het resultaat is van zijn eigen onbewuste activiteit) kan als volgt worden uitgedrukt: hoe meer hij aanschouwt, des te minder leeft hij; hoe meer hij het aanvaardt zich te herkennen in de heersende beelden van de behoefte, des te minder begrijpt hij zijn eigen bestaan en zijn eigen verlangen. De uiterlijkheid van het spektakel met betrekking tot de handelende mens blijkt hieruit, dat diens eigen handelingen niet meer de zijne zijn, maar die van een ander die ze hem voorstelt. Daarom voelt de toeschouwer zich nergens thuis, want het spektakel is overal.
31
De arbeider produceert niet zichzelf, hij produceert een onafhankelijke macht. Het succes van deze productie, haar overvloed, keert naar de producent terug als overvloed van de onteigening. Heel de tijd en ruimte van zijn wereld worden hem vreemd met de accumulatie van zijn vervreemde producten. Het spektakel is de kaart van deze nieuwe wereld, een kaart die zijn gebied precies dekt. De krachten die ons ontsnapt zijn, tonen zich aan ons in al hun macht.
32
Het spektakel in de maatschappij komt overeen met een concreet fabricaat van de vervreemding. De economische expansie is hoofdzakelijk expansie van precies deze industriële productie. Wat groeit met de zich ten behoeve van zichzelf ontwikkelende economie, kan niets anders zijn dan de vervreemding die hiervan juist de oorspronkelijke kern vormde.
33
Gescheiden van zijn product produceert de mens zelf met steeds grotere macht alle details van zijn wereld, en zo vindt hij zichzelf steeds meer van zijn wereld gescheiden. Naarmate zijn leven momenteel meer zijn product is, is hij meer gescheiden van zijn leven.
34
Het spektakel is het kapitaal dat in zo’n mate geaccumuleerd is, dat het beeld wordt.
Want alleen als universele categorie van het gehele maatschappelijke zijn valt de waar in haar onvervalste wezen te begrijpen. Pas in dit verband krijgt de verdinglijking die door de warenverhouding is ontstaan, een beslissende betekenis, zowel voor de objectieve ontwikkeling van de maatschappij als voor de houding van de mensen daartegenover; voor de onderwerping van hun bewustzijn aan de vormen waarin deze verdinglijking tot uitdrukking komt... Deze willoze onderworpenheid neemt nog toe, doordat met de toenemende rationalisatie en mechanisering van het arbeidsproces de activiteit van de arbeiders steeds meer haar karakter van activiteit verliest en tot een aanschouwende houding wordt.
Lukács, Geschichte und Klassenbewusstsein
35
In de essentiële beweging van het spektakel — die hierin bestaat dat zij alles wat in de menselijke activiteit in vloeiende toestand bestond, in zich opneemt om het in gestolde toestand te bezitten, als dingen die tot de enige waarde zijn geworden door hun negatieve formulering van de geleefde waarde — herkennen wij onze oude vijand, die er zo goed in slaagt zich op het eerste gezicht als iets vanzelfsprekends en triviaals voor te doen, terwijl zij integendeel zo ingewikkeld en vol metafysische spitsvondigheden is: de waar.
36
Het is het beginsel van het warenfetisjisme, de overheersing van de maatschappij door ‘bovenzinnelijke hoewel zintuiglijk waarneembare dingen’, dat zijn absolute voltooiing vindt in het spektakel, waar de waarneembare wereld vervangen is door een keur van beelden die erboven staat en zich tegelijkertijd heeft doen erkennen als het waarneembare bij uitstek.
37
De tegelijkertijd aan- en afwezige wereld die door het spektakel zichtbaar gemaakt wordt, is de wereld van de waar die heerst over al wat wordt geleefd. En zo wordt de wereld van de waar getoond zoals zij is, want haar beweging is gelijk aan de verwijdering van de mensen onderling en ten opzichte van hun product als geheel.
38
Het verloren gaan van de kwaliteit, zo duidelijk op ieder niveau van de spectaculaire taal, van de objecten die zij aanprijst en van de gedragingen die zij regelt, vormt slechts de vertaling van de fundamentele eigenschappen van de werkelijke productie die de werkelijkheid terzijde schuift: de warenvorm is door en door de gelijkheid met zichzelf, de categorie van het kwantitatieve. Wat hij ontwikkelt, is het kwantitatieve, en alleen hierin kan hij zich ontwikkelen.
39
Deze ontwikkeling die het kwalitatieve uitsluit, is zelf als ontwikkeling onderworpen aan de kwalitatieve overgang: het spektakel wil zeggen dat zij de drempel van haar eigen overvloed heeft overschreden; dit is plaatselijk nog maar op enkele punten waar, doch reeds is het waar op het wereldniveau dat het oorspronkelijke kader voor de waar vormt, een kader dat bewaarheid is door haar praktische beweging waarin de aarde als wereldmarkt is samengevat.
40
De ontwikkeling van de productiekrachten is de onbewuste werkelijke geschiedenis geweest, die de bestaansvoorwaarden van de menselijke groeperingen heeft gevormd en omgevormd tot voorwaarden van overleven en uitbreiding van die voorwaarden: de economische basis van al hun ondernemingen. Binnen een natuurlijke economie vormde de sector van de waar de grondslag waarop het overleven boven zichzelf ging uitgroeien. De warenproductie, die de ruil van verschillende producten tussen onafhankelijke producenten met zich meebrengt, kon lange tijd ambachtelijk blijven, besloten in een marginale economische functie waar haar kwantitatieve waarheid nog verhuld is. Waar zij echter de maatschappelijke voorwaarden van groothandel en accumulatie van kapitaal ontmoette, heeft zij de totale heerschappij over de economie aan zich getrokken. De gehele economie is toen geworden wat de waar in de loop van deze verovering getoond had te zijn: een proces van kwantitatieve ontwikkeling. Deze onophoudelijke ontplooiing van de economische macht in de vorm van de waar, die de menselijke arbeid in warenarbeid, in loonarbeid heeft herschapen, liep steeds meer uit op een overvloed waarin het primaire vraagstuk van het overleven zeker is opgelost, maar op zo’n manier dat het zich steeds opnieuw moet voordoen; het wordt iedere keer weer gesteld op een hoger niveau. De economische groei bevrijdt de samenlevingen van de natuurlijke druk die hen tot een directe strijd om te overleven dwong, maar nu zijn zij nog niet van hun bevrijder bevrijd. De onafhankelijkheid van de waar heeft zich uitgebreid over het geheel van de economie waarover zij heerst. De economie verandert de wereld, maar verandert deze slechts in een wereld van de economie. De schijnnatuur waarbinnen de menselijke arbeid is vervreemd, eist dat men haar tot in het oneindige dienst betoont, en deze dienst, die alleen door zichzelf wordt geoordeeld en kwijtgescholden, krijgt in feite de totaliteit van de maatschappelijk geoorloofde inspanningen en strevingen tot zijn dienaren. De overvloed aan waren, dat wil zeggen aan warenverhouding, kan niet meer zijn dan het toegenomen overleven.
41
Aanvankelijk werd de heerschappij van de waar over de economie op ondoorzichtige wijze uitgeoefend, terwijl de economie zelf, als materiële basis van het maatschappelijk leven, onopgemerkt en onbegrepen bleef, als het bekende dat daarom nog niet gekend is. In een maatschappij waarin de concrete waar schaars of marginaal blijft, is zij de zichtbare overheersing van het geld, dat zich aandient als de gevolmachtigd gezant die spreekt uit naam van een onbekende mogendheid. Met de industriële revolutie, de arbeidsdeling in de manufactuur en de massale productie voor de wereldmarkt verschijnt de waar echt, als een macht die het maatschappelijk leven werkelijk komt bezetten. Dan ontstaat de politieke economie, als overheersende wetenschap en als wetenschap van de overheersing.
42
Het spektakel is het moment waarop de waar de totale inbeslagneming van het maatschappelijk leven heeft bereikt. Niet alleen is de verhouding tot de waar zichtbaar, maar men ziet alleen haar: de wereld die men ziet is haar wereld. De moderne economische productie breidt haar dictatuur extensief en intensief uit. Op de minst geïndustrialiseerde plaatsen is haar heerschappij reeds aanwezig met enkele superwaren, en als imperialistische overheersing door de zones die voorop gaan in de ontwikkeling van de productiviteit. In deze hoog ontwikkelde zones wordt de maatschappelijke ruimte overdekt door een voortdurende opeenstapeling van geologische lagen van waren. Op dit punt van de ‘tweede industriële revolutie’ wordt de vervreemde consumptie voor de massa’s een verplichte aanvulling op de vervreemde productie. De gehele verkochte arbeid van een maatschappij wordt als geheel tot de totale waar, waarvan de kringloop dient voort te gaan. Om dit tot stand te brengen moet deze totale waar in brokstukken terugkeren naar het verbrokkelde individu dat absoluut gescheiden is van de productiekrachten, die als een geheel werken. Daarom moet de gespecialiseerde wetenschap zich hier op haar beurt specialiseren: zij valt uiteen in sociologie, psychotechniek, cybernetica, semiologie, enzovoort, wakend over de zelfregeling van alle niveaus in het proces.
43
Terwijl in de oorspronkelijke fase van de kapitalistische accumulatie ‘de politieke economie in de proletariër slechts de werker ziet’ die het onontbeerlijke minimum moet ontvangen om zijn arbeidskracht in stand te houden, zonder hem ooit ‘in zijn vrije tijd, in zijn menselijkheid’ te beschouwen, slaan de ideeën van de heersende klasse hieromtrent in hun tegendeel om zodra de mate van overvloed die in de warenproductie is bereikt, een grotere mate van samenwerking van de arbeider verlangt. Deze arbeider, plotseling verschoond van de totale minachting die hem duidelijk bewezen wordt door alle vormen van organisatie en bewaking van de productie, ziet zich daarbuiten dagelijks met een gedienstige beleefdheid schijnbaar behandeld als een volwassene, in de vermomming van consument. Nu belast het humanisme van de waar zich met ‘de vrije tijd en de menselijkheid’ van de arbeider, domweg omdat de politieke economie deze sferen nu kan en moet beheersen als politieke economie. Zo heeft ‘de voltooide verloochening van de mens’ zich belast met de totaliteit van het menselijk bestaan.
44
Het spektakel is een voortdurende opiumoorlog om de vereenzelviging te doen aanvaarden van goederen met waren; en van de bevrediging met het overleven dat zich volgens zijn eigen wetten uitbreidt. Maar dat het consumptieve overleven voortdurend moet toenemen, komt doordat het steeds weer het gebrek inhoudt. Wanneer er niets is buiten het toegenomen overleven, geen enkel punt waar het zijn groei zou kunnen staken, dan komt dat doordat het zelf niet boven het gebrek uitstijgt, maar het gebrek is dat rijker is geworden.
45
Met de automatisering, die zowel de hoogst ontwikkelde sector is van de moderne industrie, als het model waarin de praktijk daarvan volmaakt is samengevat, moet de warenwereld de volgende tegenstrijdigheid overwinnen: het technische apparaat dat de arbeid objectief opheft, moet tegelijkertijd de arbeid als waar en enige geboorteplaats van de waar bewaren. Om te voorkomen dat de automatisering of enige andere, minder vergaande vorm van de groei van de arbeidsproductiviteit daadwerkelijk leidt tot een verkorting van de maatschappelijke arbeidstijd die over de gehele maatschappij gerekend nodig is, is het noodzakelijk nieuwe beroepen in het leven te roepen. De tertiaire sector, de dienstverlening, vormt een geweldige verlenging van de marslijnen van het distributieleger en een nog uitbundiger lofzang op de waren van tegenwoordig; een mobilisatie van hulptroepen die bij de gekunsteldheid van de behoeften aan zulke waren op het juiste moment komt voor de noodzaak tot een dergelijke organisatie van de achterhoedearbeid.
46
De ruilwaarde heeft zich alleen kunnen ontwikkelen als vertegenwoordiger van de gebruikswaarde, maar door haar overwinning met eigen wapenen heeft zij de voorwaarden geschapen voor haar autonome heerschappij. Door ieder menselijk gebruik te mobiliseren en het monopolie van de bevrediging daarvan in handen te nemen is zij ertoe gekomen het gebruik te leiden. Het ruilproces heeft zich vereenzelvigd met ieder mogelijk gebruik en het aan zijn genade overgeleverd. De ruilwaarde is de condottiere van de gebruikswaarde, die de oorlog uiteindelijk voor eigen rekening voert.
47
Deze constante van de kapitalistische economie: de tendentiële daling van de gebruikswaarde, ontwikkelt een nieuwe vorm van gebrek binnen het toegenomen overleven, dat al evenmin bevrijd is van de vroegere schaarste, aangezien het van de overgrote meerderheid der mensen als loonarbeiders hun deelname eist aan het eindeloze najagen van zijn doel; en omdat iedereen weet dat men zich daaraan moet onderwerpen of sterven. De realiteit van deze chantage, het feit dat het gebruik in zijn armzaligste vorm (eten, wonen) alleen nog maar bestaat als een gevangene van de denkbeeldige rijkdom van het toegenomen overleven, vormt de reële basis voor de aanvaarding van de illusie in het algemeen bij de consumptie van de moderne waren. De reële consument wordt consument van illusies. De waar is deze feitelijk reële illusie en het spektakel haar algemene manifestatie.
48
De gebruikswaarde die impliciet in de ruilwaarde besloten lag, moet nu in de omgekeerde werkelijkheid van het spektakel expliciet worden afgekondigd, juist omdat haar feitelijke werkelijkheid wordt aangevreten door de overontwikkelde wareneconomie; en omdat een schijnrechtvaardiging noodzakelijk wordt voor het onware leven.
49
Het spektakel is de keerzijde van het geld: het abstracte algemene equivalent van alle waren. Maar waar het geld de maatschappij overheerste als vertegenwoordiging van de centrale gelijkwaardigheid, dat wil zeggen van het ruilkarakter van de talrijke goederen waarvan het gebruik onvergelijkbaar bleef, daar is het spektakel zijn ontwikkelde moderne aanvulling waarin de totaliteit van de warenwereld als een geheel verschijnt, als een algemene gelijkwaardigheid met wat de totaliteit van de maatschappij kan zijn en doen. Het spektakel is het geld waarnaar men alleen maar kijkt, want in het spektakel is de totaliteit van het gebruik reeds geruild tegen de totaliteit van de abstracte voorstelling. Het spektakel is niet alleen de dienaar van het schijngebruik, het is al in zichzelf het schijngebruik van het leven.
50
In het moment van de economische overvloed gaat het geconcentreerde resultaat van de maatschappelijke arbeid openlijk verschijnen en onderwerpt het iedere werkelijkheid aan deze schijn, die nu zijn product is. Het kapitaal is niet langer het onzichtbare centrum dat de productiewijze leidt: door zijn accumulatie wordt het tot aan de periferie uitgestald in de vorm van waarneembare objecten. De gehele uitgestrektheid van de maatschappij is zijn portret.
51
De overwinning van de autonome economie moet tegelijkertijd haar ondergang zijn. De krachten die zij ontketend heeft, heffen de economische noodzaak op die de onwankelbare grondslag vormde van vroegere samenlevingen. Wanneer zij deze noodzaak vervangt door de noodzaak van de oneindige economische ontwikkeling, kan ze slechts de bevrediging van de eenvoudig erkende, primaire menselijke behoeften vervangen door een ononderbroken vervaardiging van schijnbehoeften, die zich laten herleiden tot de enige schijnbehoefte van de handhaving van haar heerschappij. Maar de autonome economie wordt voorgoed van de fundamentele behoefte gescheiden in zoverre zij voortkomt uit het maatschappelijk onbewuste, dat van haar afhankelijk is zonder het te weten. ‘Al wat bewust is, wordt verbruikt. Wat onbewust is, blijft onveranderlijk. Maar geraakt het, eenmaal vrijgekomen, niet op zijn beurt in verval?’ (Freud).
52
Zodra de maatschappij ontdekt dat ze afhankelijk is van de economie, is de economie in feite afhankelijk van haar. Deze ondergrondse macht, die zover is gegroeid dat zij oppermachtig te voorschijn kwam, heeft tegelijk haar macht verloren. Waar het economische Es was, moet het Ich komen. Het subject kan slechts uit de maatschappij opkomen, dat wil zeggen uit de strijd binnen die maatschappij. Het mogelijke bestaan ervan is gekoppeld aan de resultaten van de klassenstrijd, die zich openbaart als het product en de producent van de economische grondslag van de geschiedenis.
53
Het bewustzijn van het verlangen en het verlangen naar het bewustzijn vormen gelijkelijk het project dat in zijn negatieve vorm de afschaffing van de klassen wil, dat wil zeggen de directe beschikking van de arbeiders over alle momenten van hun activiteit. Het tegendeel ervan wordt gevormd door de spektakelmaatschappij, waar de waar zichzelf aanschouwt in een door haar geschapen wereld.
Er is in het land een nieuwe, levendige polemiek op gang gekomen aan het front van de filosofie, ten aanzien van de begrippen ‘één verdeelt zich in tweeën’ en ‘twee versmelten tot één’. Dit debat is een strijd tussen hen die vóór en hen die tegen de materialistische dialectiek zijn, een strijd tussen twee wereldbeschouwingen: de proletarische opvatting en de burgerlijke opvatting. Zij die op het standpunt staan dat ‘één verdeelt zich in tweeën’ de fundamentele wet van de dingen is, plaatsen zich aan de kant van de materialistische dialectiek; zij die stellen dat de fundamentele wet van de dingen is dat ‘twee tot één versmelten’, zijn tegen de materialistische dialectiek. Beide zijden hebben onderling een duidelijke scheidslijn getrokken en hun argumenten staan lijnrecht tegenover elkaar. Deze polemiek weerspiegelt op het ideologische vlak de hevige en complexe klassenstrijd die zich in China en in de wereld afspeelt.
De Rode Vlag, Peking, 21 september 1964
54
Evenals de moderne maatschappij is het spektakel tegelijkertijd één en verdeeld. Net als zij bouwt het zijn eenheid op de verscheurdheid. Maar zodra de tegenspraak in het spektakel opduikt, wordt zij op haar beurt tegengesproken door een omkering van haar betekenis — zodat de getoonde verdeeldheid een eenheid vormt, terwijl de getoonde eenheid verdeeld is.
55
De strijd tussen machten die zich gevormd hebben voor het beheren van hetzelfde sociaaleconomische systeem, ontplooit zich nu als de officiële contradictie, terwijl hij in feite deel uitmaakt van de werkelijke eenheid; en dit zowel op wereldschaal als binnen iedere natie.
56
De spectaculaire spiegelgevechten tussen concurrerende vormen van de gescheiden macht zijn terzelfder tijd reëel in zoverre zij de ongelijke en conflictrijke ontwikkeling van het systeem tot uitdrukking brengen, de relatief tegenstrijdige belangen van de klassen of onderafdelingen van klassen die het systeem erkennen en hun eigen aandeel bepalen in de macht ervan. Zoals de ontwikkeling van de hoogst ontwikkelde economie een botsing is tussen uiteenlopende prioriteiten, zo wordt het totalitaire beheer van de economie door een staatsbureaucratie, en de toestand van de landen die zich in de sfeer van kolonisatie of semi-kolonisatie geplaatst zien, bepaald door aanzienlijke bijzonderheden in de gesteldheid van productie en macht. Deze verschillende tegenstellingen kunnen zich in het spektakel voordoen volgens geheel verscheiden criteria, als absoluut onderscheiden maatschappijvormen. Maar naar hun feitelijke werkelijkheid als bijzondere sectoren zetelt de waarheid van hun bijzonderheid in het universele systeem dat hen omvat: in die ene beweging die de planeet tot haar terrein heeft gemaakt, het kapitalisme.
57
De maatschappij die het spektakel draagt, beheerst de onderontwikkelde gebieden niet alleen door haar economische hegemonie. Zij beheerst hen als spektakelmaatschappij. Waar de materiële basis nog afwezig is, is de moderne maatschappij ieder continent reeds op spectaculaire wijze binnengedrongen aan de maatschappelijke oppervlakte. Zij bepaalt het programma van een heersende klasse en ziet toe op de samenstelling daarvan. Zoals ze de te begeren schijngoederen levert, zo biedt zij de plaatselijke revolutionairen ook de valse revolutiemodellen. Het eigen spektakel van de bureaucratische macht, die enkele industriële landen in zijn greep houdt, maakt precies deel uit van het totale spektakel als zijn algemene schijnontkenning en zijn steunpilaar. Wanneer het spektakel in zijn verschillende plaatselijke verschijningsvormen duidelijk enkele totalitaire specialisaties van het maatschappelijke taalgebruik en bestuur vertoont, dan berusten deze — bezien op het niveau van de werking van het systeem als geheel — uiteindelijk op een mondiale spectaculaire taakverdeling.
58
De spectaculaire taakverdeling die de algemeenheid van de bestaande orde in stand houdt, houdt in de allereerste plaats de heersende pool van haar ontwikkeling in stand. Het spektakel heeft zijn wortels in het terrein van de economie die tot overvloed is geworden, en hier komen de vruchten vandaan die uiteindelijk streven naar beheersing van de spectaculaire markt, niettegenstaande de ideologisch-politionele hindernissen die zijn opgeworpen als protectie voor een plaatselijk spektakel met de pretentie van autarkie.
59
De beweging van banalisering die de moderne maatschappij over de gehele wereld beheerst in de fonkelende afleidingen van het spektakel, beheerst haar ook op ieder punt waar de ontwikkelde warenconsumptie in schijn geleid heeft tot een vermenigvuldiging van de rollen en objecten die er te kiezen zijn. De overblijfselen van de religie en de familie — die de voornaamste vorm blijft van de overerving van de klassemacht — en dus van de morele onderdrukking waarvoor zij garant staan, zijn als één en hetzelfde te verbinden met de overtollige bevestiging van het genot van deze wereld, een wereld die juist slechts wordt geproduceerd als schijngenot dat de onderdrukking in zich draagt. De gelukzalige aanvaarding van het bestaande laat zich evenzo als één en hetzelfde verenigen met de zuiver spectaculaire opstand: dit brengt het simpele feit tot uitdrukking dat de onvrede zelf een waar is geworden vanaf het moment dat de economische overvloed zich in staat achtte zijn productie uit te breiden tot de behandeling van een dergelijke grondstof.
60
Door het beeld van een mogelijke rol in zichzelf te concentreren, vormt het idool, de spectaculaire voorstelling van de levende mens, zo de concentratie van deze banaliteit. Het idool-zijn is de specialisatie van het schijnbaar geleefde, het object van de identificatie met het oppervlakkige schijnleven, dat moet dienen ter compensatie van de verbrokkeling van de daadwerkelijk geleefde specialisaties in de productie. De idolen bestaan om verschillende levensstijlen en verschillende types van maatschappijopvattingen uit te beelden, die door hen vrijelijk in hun geheel aan de dag gelegd kunnen worden. Zij belichamen het ontoegankelijke resultaat van de maatschappelijke arbeid door de nabootsing van nevenproducten van deze arbeid, die er op magische wijze boven verheven worden als haar doel: de macht en de vakantie, de beslissing en de consumptie die aan het begin en het eind staan van een onbetwist proces. Hier personifieert de regeringsmacht zich als schijnidool; elders laat het idool van de consumptie zich bij plebisciet verkiezen tot schijnmacht over het geleefde. Evenmin echter als de activiteiten van het idool werkelijk globaal zijn, zijn ze werkelijk verschillend.
61
De vertegenwoordiger van het spektakel die als idool voor het voetlicht verschijnt, is het tegendeel van het individu, is even duidelijk de vijand van het individu in zichzelf als van dat in de anderen. Hij geldt in het spektakel als identificatiemodel, en heeft afstand gedaan van iedere autonome kwaliteit om zichzelf te identificeren met de algemene wet van gehoorzaamheid aan de loop der dingen. Terwijl het idool van de consumptie naar buiten toe de uitbeelding is van verschillende typen van persoonlijkheden, toont hij elk van deze typen als gelijkelijk toegang hebbend tot de totaliteit van de consumptie, waarin ieder evenzeer zijn geluk vindt. Het idool van de beslissing moet beschikken over de volledige voorraad van de als zodanig erkende menselijke kwaliteiten. Zo worden de officiële verschillen tussen hen uitgewist door de officiële gelijkenis, namelijk de vooronderstelling van hun uitnemendheid in ieder opzicht. Chroesjtsjov werd generaal om de slag bij Koersk te beslissen, niet ter plaatse, maar bij de twintigjarige herdenking, toen hij meester was van de staat. Kennedy was redenaar gebleven tot in het uitspreken van de lofzang boven zijn eigen graf, omdat Theodore Sorensen op dat moment nog steeds, voor de opvolger ditmaal, toespraken opstelde in de stijl die zozeer had bijgedragen tot de karakteristieke persoonlijkheid van de overledene. De bewonderenswaardige lieden die de verpersoonlijking van het systeem vormen, staan er zeer om bekend niet te zijn wat ze zijn; zij zijn vooraanstaande figuren geworden door af te dalen tot onder de werkelijkheid van het minste individuele leven — en iedereen weet dat.
62
De valse keuze in de overvloed van het spektakel — een keuze die bestaat uit de nevenschikking van zowel concurrerende en saamhorige spektakels als van rollen (voornamelijk gekenmerkt en gedragen door objecten) die elkaar tegelijkertijd uitsluiten en overlappen — ontwikkelt zich tot een strijd tussen spookachtige kwaliteiten die bestemd zijn om de instemming met de kwantitatieve trivialiteit tot een hartstochtelijke te maken. Zo worden archaïsche valse tegenstellingen herboren, regionalismen of racismen met de taak de platvloersheid van de hiërarchische posities in de consumptie te herscheppen in een fantastische ontologische superioriteit. Zo wordt de eindeloze reeks hersteld van lachwekkende botsingen die een quasi-ludieke belangstelling wekken, van de wedstrijdsport tot de verkiezingsstrijd. Daar waar zich de overvloedige consumptie gevestigd heeft, komt een spectaculaire hoofdtegenstelling tussen jeugd en volwassenen een eerste plaats innemen onder de bedrieglijke rollen: want nergens bestaat er een volwassene die meester is over zijn leven, en de jeugd, de verandering van het bestaande, is geenszins het bezit van hen die nu jong zijn, maar van het economische systeem, de dynamiek van het kapitalisme. Het zijn dingen die heersen en jong zijn; die zelf elkaar verjagen en vervangen.
63
Achter de spectaculaire tegenstellingen gaat de eenheid van de ellende schuil. Wanneer verschillende vormen van dezelfde vervreemding elkaar onder het mom van de totale keus bestrijden, dan komt dat omdat zij alle gebaseerd zijn op werkelijke tegenstrijdigheden, die worden teruggedrongen. Naar gelang de noden van de bijzondere fase van de ellende die het loochent en in stand houdt, bestaat het spektakel in een geconcentreerde of in een diffuse vorm. In beide gevallen is het slechts een beeld van gelukkige vereniging omgeven door naargeestigheid en verschrikking, in het kalme centrum van het ongeluk.
64
Het geconcentreerd spectaculaire behoort in wezen tot het bureaucratische kapitalisme, alhoewel het als techniek van de staatmacht geïmporteerd kan worden in gemengde, meer achtergebleven economische systemen, of op bepaalde momenten van crisis in het hoog ontwikkelde kapitalisme. In feite is de bureaucratische eigendom zelf geconcentreerd in die zin dat de individuele bureaucraat tot het bezit van de economie als geheel slechts in betrekking staat door middel van een tusseninstantie, de bureaucratische gemeenschap, en alleen als lid van deze gemeenschap. Bovendien doet de warenproductie, hoewel minder ontwikkeld, er zich ook in een geconcentreerde vorm voor: de waar waarover de bureaucratie beschikt, is de totale maatschappelijke arbeid, en wat zij de maatschappij terugverkoopt, is het overleven als geheel genomen. De dictatuur van de bureaucratische economie kan de uitgebuite massa’s geen noemenswaardige speelruimte in hun keuze laten, omdat alles door haar zelf gekozen moest worden, en omdat iedere keuze buiten haar om, of het nu gaat om voedsel of muziek, dus al de keus van haar volledige vernietiging inhoudt. Zij moet vergezeld gaan van een voortdurend geweld. Het beeld van het goede dat in haar spektakel wordt opgelegd, neemt de totaliteit van het officieel bestaande in zich op en wordt gewoonlijk geconcentreerd in één mens, die borg staat voor de totalitaire samenhang ervan. Iedereen dient zich op magische wijze met dit absolute idool te vereenzelvigen, of te verdwijnen. Want het gaat hier om de meester van zijn niet-consumptie, het heldhaftige beeld van een aanvaardbare zin van de absolute uitbuiting, die in feite de oorspronkelijke accumulatie is, versneld door de terreur. Wanneer iedere Chinees Mao moet leren en zo Mao moet zijn, dan is dat omdat hij niets anders heeft te zijn. Waar het geconcentreerd spectaculaire heerst, heerst ook de politie.
65
Het diffuus spectaculaire begeleidt de overvloed aan waren, de ongestoorde ontwikkeling van het moderne kapitalisme. Hier wordt iedere op zichzelf beschouwde waar gerechtvaardigd in naam van de grootsheid van de productie van de totaliteit aan objecten, waarvan het spektakel een apologetische catalogus is. Onverenigbare stelligheden verdringen zich op het toneel van het verenigde spektakel van de overvloedeconomie; en evenzo brengen verschillende tot idool verheven waren tegelijkertijd hun tegenstrijdige plannen naar voren voor de inrichting van de maatschappij, waarin het spektakel van de auto’s een volmaakte doorstroming van het verkeer verlangt die de oude binnensteden verwoest, terwijl het spektakel van de stad zelf behoefte heeft aan museumwijken. De toch al problematische bevrediging die geacht wordt voort te komen uit de consumptie van het geheel, wordt dus onmiddellijk vervalst, omdat de werkelijke consument slechts direct kan raken aan een opeenvolging van brokstukken van dit warengeluk, brokstukken waarin de kwaliteit die aan het geheel wordt toegeschreven, steeds duidelijk afwezig is.
66
Iedere bepaalde waar vecht voor zichzelf, kan de andere niet erkennen, probeert zichzelf overal te doen gelden alsof zij de enige was. Het spektakel is nu het epos van dit treffen, waaraan de val van geen Troje een eind zou kunnen maken. Het spektakel bezingt niet de mensen en hun wapenen, maar de waren en hun begeerten. In deze blinde strijd verwezenlijkt iedere waar, door haar begeerte te volgen, onbewust iets hogers: het wereldworden van de waar, dat evenzeer het tot waar worden van de wereld is. Zo wordt door een list van de warenrede het bijzondere van de waar al strijdende verbruikt, terwijl de warenvorm zich beweegt naar zijn absolute verwezenlijking.
67
De bevrediging die de overvloedige waar in het gebruik niet meer kan bieden, wordt nu gezocht in de erkenning van haar waarde als waar: het is het gebruik van de waar dat zichzelf genoeg is; en voor de consument, de religieuze overgave aan de soevereine vrijheid van de waar. Golven van enthousiasme voor een gegeven product, gesteund en voortgestuwd door alle informatiemedia, planten zich zo met grote snelheid voort. Een kledingstijl steekt de kop op door een film; een tijdschrift zet clubs op touw, die het nodige toebehoren lanceren. De gadget brengt tot uitdrukking dat op het moment waarop de warenmassa in buitenissigheden vervalt, het buitenissige zelf een speciale waar wordt. In de sleutelhangers van de reclame bijvoorbeeld, die niet meer gekocht worden maar cadeau gedaan bij aankoop van indrukwekkende voorwerpen, of onderling geruild op hun eigen niveau, laat zich de manifestatie herkennen van een mystieke overgave aan het transcendente bestaan van de waar. Wie sleutelhangers verzamelt, die gemaakt worden om verzameld te worden, accumuleert de aflaten van de waar, een zegeteken van haar werkelijke aanwezigheid onder de gelovigen. De verdinglijkte mens geeft openlijk blijk van zijn vertrouwelijke omgang met de waar. Zoals in de geestesvervoering van degenen die in het oude religieuze fetisjisme in extase geraakten of wonderbaarlijk werden genezen, zo bereikt het warenfetisjisme momenten van opperste verrukking. Het enige gebruik dat hier nog tot uiting komt, is het fundamentele gebruik van de onderworpenheid.
68
Zonder twijfel kan de schijnbehoefte die in de moderne consumptie wordt opgedrongen, niet tegenover enige authentieke behoefte of wens worden gesteld die niet zelf gevormd is door de maatschappij en haar geschiedenis. Maar de overvloedige waar vormt in dit opzicht de absolute breuk in een organische ontwikkeling van de maatschappelijke behoeften. Haar mechanische accumulatie maakt de weg vrij voor een onbegrensde kunstmatigheid, waar het levende verlangen ongewapend tegenover staat. Overal heeft de toenemende macht van een onafhankelijke kunstmatigheid de vervalsing van het maatschappelijk leven ten gevolge.
69
In het beeld van de gelukkige vereniging van de maatschappij door de consumptie is de werkelijke verdeeldheid slechts verschoven naar het volgende moment van onbevredigdheid in wat er te consumeren valt. Elk bijzonder product dat de hoop moet voorstellen op een bliksemsnelle wegverkorting die eindelijk toegang geeft tot het beloofde land van de totale consumptie, wordt op zijn beurt plechtig aangeboden als de bijzonderheid die beslissend is. Maar net als in het geval van de kortstondige verbreiding van een mode in pseudo-aristocratische voornamen, die dan door bijna alle individuen van een zelfde leeftijd gedragen worden, kon het object waarvan men een bijzondere macht verwacht, alleen maar aan de toewijding van de massa’s worden aangeboden omdat er een voldoende aantal exemplaren van was gefabriceerd voor een massale consumptie. Het prestigekarakter van zo’n willekeurig product is slechts een gevolg van het feit dat het een moment in het middelpunt van het maatschappelijk leven wordt geplaatst, als het geopenbaarde mysterie van het einddoel van de productie. Het object dat in het spektakel indrukwekkend was, wordt alledaags zodra het thuiskomt bij de consument, en terzelfder tijd bij alle andere. Te laat onthult het zijn wezenlijke armoede, die het van nature bezit door de ellende van zijn productie. Maar reeds is er een nieuw object dat de rechtvaardiging van het systeem in zich draagt, en de eis om erkend te worden.
70
Het bedrog van de bevrediging moet zichzelf verraden door zichzelf te vervangen, door de verandering van de producten en van de algemene productievoorwaarden te volgen. Wat met de volmaaktste schaamteloosheid zijn eigen definitieve voortreffelijkheid heeft verkondigd, verandert desondanks, in het diffuse maar ook in het geconcentreerde spektakel, en alleen het systeem moet doorgaan: zowel Stalin als de uit de mode geraakte waar worden verraden door degenen die hen opgedrongen hebben. Iedere nieuwe leugen van de reclame is evenzeer de bekentenis van haar vorige. Iedere val van een figuur uit de totalitaire macht onthult het illusoire van de gemeenschap die hem eenstemmig bijviel, en die slechts een verzameling was van eenzaamheden zonder illusies.
71
Wat het spektakel als eeuwig aanbiedt, is gegrondvest op de verandering en moet veranderen met zijn grondslag. Het spektakel is absoluut dogmatisch en kan tegelijkertijd in de werkelijkheid tot geen enkel hecht dogma komen. Niets houdt ervoor stil; het is zijn natuurlijke toestand, die toch het meest in strijd is met zijn geneigdheid.
72
De onwerkelijke eenheid die het spektakel afkondigt, is het masker voor de klassenscheiding waarop de werkelijke eenheid van de kapitalistische productiewijze berust. Wat de producenten verplicht deel te nemen aan de opbouw van de wereld, is tevens wat hen ervan scheidt. Wat een onderlinge verhouding tot stand brengt tussen mensen die hun lokale en nationale grenzen hebben overschreden, zorgt eveneens voor hun onderlinge verwijdering. Wat de eis stelt van een diepgaander rationaliteit, geeft ook voedsel aan de irrationaliteit van de hiërarchische uitbuiting en de onderdrukking. Wat abstract de macht van de maatschappij vormt, vormt concreet haar onvrijheid.
Het gelijke recht van allen op de goederen en geneugten van deze wereld, de vernietiging van iedere autoriteit, de ontkenning van elke morele rem — dat was, in de grond van de zaak, de bestaansreden van de opstand van 18 maart en het handvest van de geduchte associatie die er een leger aan leverde.
Enquête parlementaire sur l’insurrection du 18 mars
73
De werkelijke beweging die de heersende omstandigheden opheft, beheerst de maatschappij vanaf de overwinning van de bourgeoisie in de economie, en doet dat zichtbaar sinds deze overwinning politiek is vertaald. De ontwikkeling van de productiekrachten heeft de vroegere productieverhoudingen uit hun voegen gerukt, en iedere statische orde vervalt tot stof. Al wat absoluut was, wordt historisch.
74
Pas doordat de mensen in de geschiedenis worden geworpen, doordat zij moeten deelnemen aan de arbeid en de worstelingen waardoor deze geschiedenis wordt gevormd, zien zij zich gedwongen hun onderlinge verhoudingen nuchter onder ogen te zien. Deze geschiedenis heeft geen object dat onderscheiden is van wat zij over zichzelf voltrekt, ook al mag de laatste onbewuste metafysische zienswijze op de historische tijd de productieve vooruitgang, waarlangs de geschiedenis zich heeft ontvouwd, dan ook beschouwen als het object zelf van deze geschiedenis. Het subject van de geschiedenis kan alleen het levende zijn dat zichzelf produceert, doordat het meester en bezitter wordt van zijn wereld die de geschiedenis is, en doordat het bestaat als bewustzijn van zijn spel.
75
Met de klassenstrijd uit het lange revolutionaire tijdvak dat door de opkomst van de bourgeoisie is ingeluid, ontwikkelt zich als een zelfde stroom het historisch denken, de dialectiek, het denken dat niet langer blijft stil staan bij het zoeken naar de betekenis van het zijnde, maar zich verheft tot de kennis van de ontbinding van al wat is; en in deze beweging elke scheiding ontbindt.
76
Hegel had niet meer de wereld te interpreteren, maar de omvorming van de wereld. Doordat Hegel de omvorming alleen maar interpreteerde, is hij slechts de filosofische voltooiing van de filosofie. Hij wil een wereld begrijpen die zichzelf maakt. Dit historische denken is nog slechts het bewustzijn dat altijd te laat komt en dat de rechtvaardiging post festum onder woorden brengt. Zodoende heeft het de scheiding alleen in het denken opgeheven. De paradox van Hegel die hierin bestaat, dat hij de zin van iedere werkelijkheid koppelt aan de historische voltooiing ervan, en deze zin tegelijkertijd onthult als iets dat de voltooiing van de geschiedenis vormt, vloeit voort uit het simpele feit dat de denker van de burgerlijke revoluties van de zeventiende en achttiende eeuw in zijn filosofie slechts gezocht heeft naar de verzoening met hun resultaat. ‘Ook als filosofie van de burgerlijke revolutie brengt zij niet het gehele proces van deze revolutie tot uitdrukking, maar alleen de laatste afsluiting ervan. In zoverre is zij niet een filosofie van de revolutie, maar van de restauratie.’ (Karl Korsch, Thesen über Hegel und die Revolution). Hegel heeft voor de laatste maal het werk van de filosoof verricht, ‘de verheerlijking van het bestaande’; maar het bestaande kon voor hem al slechts de totaliteit van de historische beweging zijn. Hoewel de veruiterlijkte plaats van het denken in feite gehandhaafd bleef, kon zij alleen nog gemaskeerd worden door haar identificatie met een vooropgezet plan van de Geest, de absolute held die deed wat hij wilde en wilde wat hij deed, en waarvan de voltooiing met het heden samenvalt. Zo kan de filosofie die in het historisch denken sterft, haar wereld nog slechts verheerlijken door haar te ontkennen, want om het woord te kunnen nemen moet zij reeds van de vooronderstelling uitgaan dat deze totale geschiedenis, waartoe ze alles heeft herleid, beëindigd is; en dat de zitting van de enige rechtbank waar het vonnis van de waarheid kan worden geveld, is gesloten.
77
Wanneer het proletariaat door zijn eigen bestaan metterdaad duidelijk maakt dat dit historische denken niet is vergeten, vormt de loochening van de conclusie evenzeer de bevestiging van de methode.
78
Het historische denken kan slechts worden gered door praktisch denken te worden; en de praktijk van het proletariaat als revolutionaire klasse kan niets minder zijn dan het historisch bewustzijn dat werkzaam is in de totaliteit van zijn wereld. Alle theoretische stromingen van de revolutionaire arbeidersbeweging zijn voortgekomen uit een kritische confrontatie met het hegeliaanse denken, zowel bij Marx als bij Stirner en Bakoenin.
79
De karakteristieke verbondenheid van Marx’ theorie en de hegeliaanse methode is zelf onlosmakelijk verbonden met het revolutionaire karakter van deze theorie, dat wil zeggen met haar waarheid. In dit opzicht is deze eerste relatie in het algemeen verwaarloosd of misverstaan, of zelfs aan de kaak gesteld als de zwakte van wat bedrieglijk een marxistische doctrine werd. Bernstein maakt in Die Voraussetzungen des Sozialismus und die Aufgaben der Sozialdemokratie deze band tussen de dialectische methode en het historische partij kiezen volmaakt duidelijk, door de weinig wetenschappelijke voorspellingen van het Manifest van 1847 over het op handen zijn van de proletarische revolutie in Duitsland te betreuren: ‘Dit historische zelfbedrog, dat door de eerste de beste politieke dweper nauwelijks kon worden overtroffen, zou bij een Marx, die toen al serieus de economie had bestudeerd, onbegrijpelijk zijn, ware het niet dat men hierin het product van een restant van hegeliaanse contradictiedialectiek moet zien, waarvan Marx — evenmin als Engels — zijn hele leven niet geheel losgekomen schijnt te zijn, maar dat hem toen, in een tijd van algemene gisting, des te noodlottiger moest worden.’
80
De omkering waardoor Marx een ‘redding door overdracht’ van het denken van de burgerlijke revoluties bewerkstelligt, bestaat niet domweg hierin dat de materialistische ontwikkeling van de productiekrachten de plaats inneemt van de reis van de hegeliaanse Geest naar de ontmoeting met zichzelf in de tijd, waarbij zijn objectivering gelijk staat met zijn vervreemding, en zijn historische wonden geen littekens achterlaten. De werkelijk geworden geschiedenis heeft geen voltooiing meer. Marx heeft de gescheiden houding van Hegel ten aanzien van wat er gebeurt, te gronde gericht; en tevens de aanschouwing van een daarbuiten staande hogere kracht, in welke vorm ook. De theorie dient nu nog slechts te kennen wat zij doet. De aanschouwing van de beweging van de economie, daarentegen, is in het heersende denken van de huidige maatschappij de niet-omgekeerde erfenis van het niet-dialectische gedeelte in Hegels streven naar een kringloopsysteem: het is een instemming die de draagwijdte van het oorspronkelijke concept heeft verloren en geen behoefte meer heeft aan een hegelianisme om zich te rechtvaardigen, want de beweging waarvan zij de lofzang wil zingen, is niet meer dan een gedachteloze sector van de wereld, waarvan de mechanische ontwikkeling het geheel feitelijk beheerst. Het project van Marx is het project van een bewuste geschiedenis. Het kwantitatieve dat in de blinde ontwikkeling van de louter economische productiekrachten aan de dag treedt, moet veranderd worden in een kwalitatieve historische toe-eigening. De kritiek van de politieke economie is de eerste daad van dit einde van de prehistorie: ‘Van alle productiemiddelen is de revolutionaire klasse zelf de grootste productiekracht.’
81
Wat de theorie van Marx nauw verbindt met het wetenschappelijke denken, is het rationele begrijpen van de krachten die werkelijk in de maatschappij werkzaam zijn. Maar fundamenteel is zij het wetenschappelijke denken voorbij, waar ze dit slechts heeft bewaard door het op te heffen: het gaat om een begrijpen van de strijd en geenszins van de wetmatigheid. ‘Wij kennen slechts één wetenschap, de wetenschap van de geschiedenis,’ zegt Die deutsche Ideologie.
82
Het burgerlijke tijdvak, dat de geschiedenis een wetenschappelijke grondslag wil geven, ziet het feit over het hoofd dat deze wetenschap, die al in aanleg voorhanden was, eerst zelf haar historische grondslag heeft moeten krijgen met de economie. Omgekeerd hangt de geschiedenis slechts radicaal van deze kennis af in zoverre zij economische geschiedenis blijft. Hoezeer overigens het aandeel van de geschiedenis in de economie zelf — het alomvattende proces dat zijn eigen wetenschappelijke grondpremissen wijzigt — verwaarloosd kon worden vanuit het gezichtspunt van de wetenschappelijke waarneming, wordt aangetoond door de loosheid van de socialistische berekeningen die meenden de precieze regelmaat van de periodieke crises te hebben vastgesteld; en sinds de staat erin geslaagd is door voortdurende interventie een tegenwicht te bieden tegen de werking van crisistendensen, ziet dezelfde redeneertrant in dit evenwicht een definitieve economische harmonie. Het project om de economie te overwinnen, om de geschiedenis in bezit te nemen, moet de wetenschap van de maatschappij zeker kennen — en deze weer in zich opnemen — maar het kan zelf niet wetenschappelijk zijn. In die laatste beweging, die de hedendaagse geschiedenis denkt te kunnen beheersen door middel van wetenschappelijke kennis, is het revolutionaire gezichtspunt burgerlijk gebleven.
83
Hoewel de utopische stromingen in het socialisme zelf hun historische grondslag hebben in de kritiek op de bestaande maatschappelijke organisatie, kunnen ze terecht als utopisch worden gekenschetst in zoverre ze de geschiedenis afwijzen (dat wil zeggen zowel de werkelijke strijd die aan de gang is als de beweging van de tijd voorbij het punt van de bewegingloze voltooiing van hun beeld van de gelukkige samenleving); maar niet omdat zij de wetenschap zouden afwijzen. De utopische denkers worden integendeel volledig beheerst door het wetenschappelijke denken zoals het zich in de afgelopen eeuwen had opgedrongen. Zij zochten de voleinding van dit algemene rationele systeem: zij beschouwden zichzelf geenszins als profeten zonder wapens, want zij geloofden in de maatschappelijke macht van het wetenschappelijk bewijs en zelfs, in het geval van het saint-simonisme, in de machtsovername door de wetenschap. Hoe, vroeg Sombart zich af, ‘zou iets dat bewezen dient te worden, in de strijd kunnen worden afgedwongen?’ Toch strekt de wetenschappelijke opvatting van de utopisten zich niet uit tot het inzicht dat maatschappelijke groepen in een bestaande situatie belangen hebben, dat zij zowel krachten bezitten om deze in stand te houden als vormen van vals bewustzijn die met dergelijke posities overeenstemmen. Zij blijft dus ver onder de historische realiteit van de ontwikkeling van de wetenschap zelf, die voor het grootste deel bepaald werd door de maatschappelijke vraag die uit genoemde factoren voortkomt, en niet alleen selecteert wat kan worden toegestaan maar ook wat kan worden onderzocht. De utopische socialisten, die bevangen blijven in de verklaringswijze van de wetenschappelijke waarheid, vatten deze waarheid op naar haar zuiver abstracte beeld, zoals een veel vroeger stadium van de maatschappij zich dat had zien opdringen. Zoals Sorel opmerkte, geloven de utopisten de wetmatigheden in de samenleving te onthullen en aan te tonen volgens het model van de astronomie. De door hen nagestreefde harmonie, die vijandig is aan de geschiedenis, vloeit voort uit een poging om de wetenschap die het minst van de geschiedenis afhankelijk is, op de maatschappij toe te passen. Zij streeft naar erkenning met dezelfde experimentele onschuld als het newtonisme, en de voortdurend gepostuleerde gelukkige eindbestemming ‘speelt in hun maatschappijwetenschap een soortgelijke rol als de traagheid in de rationele mechanica’ (Matériaux pour une théorie du prolétariat).
84
De deterministisch-wetenschappelijke kant van Marx’ denken vormde precies de bres waarlangs het proces van ‘ideologisering’ binnendrong, al tijdens zijn leven en nog meer in de theoretische erfenis die aan de arbeidersbeweging werd nagelaten. De komst van het subject van de geschiedenis wordt nog tot een later tijdstip uitgesteld, en de historische wetenschap bij uitstek, de economie, neigt in steeds ruimer mate tot het garanderen van de noodzaak van haar eigen toekomstige ontkenning. Maar daardoor heeft in de theoretische visie de revolutionaire praktijk het veld geruimd, terwijl zij de enige waarheid van deze ontkenning is. Zo wordt het belangrijk om geduldig de economische ontwikkeling te bestuderen en daarin bovendien met een hegeliaanse berusting het lijden te aanvaarden, zodat het resultaat een ‘kerkhof van goede bedoelingen’ blijft. Nu wordt ontdekt dat volgens de wetenschap van de revoluties het bewustzijn altijd te vroeg komt en zal moeten worden bijgebracht. ‘De geschiedenis heeft ons en al degenen die dachten zoals wij, ongelijk gegeven. Ze heeft duidelijk aangetoond dat de stand van de economische ontwikkeling op het continent in die tijd nog verre van rijp was,...’ zal Engels in 1895 zeggen. Marx heeft zijn gehele leven het naar eenheid strevende gezichtspunt in zijn theorie gehandhaafd, maar de uiteenzetting van zijn theorie begaf zich op het terrein van het heersende denken door zich te verfijnen in de vorm van kritieken van bijzondere disciplines, voornamelijk de kritiek van die fundamentele wetenschap van de burgerlijke samenleving, de politieke economie. Deze verminking nu, die uiteindelijk als definitief is aanvaard, heeft het ‘marxisme’ gevormd.
85
De tekortkoming in de theorie van Marx is natuurlijk de tekortkoming in de revolutionaire strijd van het proletariaat van zijn tijd. De arbeidersklasse heeft in het Duitsland van 1848 niet de permanente revolutie afgekondigd; de Commune werd overwonnen in het isolement. De revolutionaire theorie kan dus nog niet tot haar eigen totale bestaan komen. Beperkt te zijn tot de verdediging en verfijning ervan in de afzondering van de wetenschappelijke arbeid in het Brits Museum, hield een verlies voor de theorie zelf in. Juist de wetenschappelijke rechtvaardigingen op grond van de toekomstige ontwikkeling van de arbeidersklasse en de organisatorische praktijk die met deze rechtvaardigingen samenging, zullen in een later stadium hinderpalen gaan vormen voor het proletarisch bewustzijn.
86
Het hele theoretische gebrek in de wetenschappelijke verdediging van de proletarische revolutie kan, zowel naar de inhoud als naar de vorm van de uiteenzetting, worden herleid tot een vereenzelviging van het proletariaat met de bourgeoisie vanuit het gezichtspunt van de revolutionaire greep naar de macht.
87
De neiging om een bewijs van de wetenschappelijke geldigheid van de proletarische macht te baseren op een verwijzing naar herhaalde experimenten in het verleden, verduistert vanaf het Manifest het historisch denken van Marx, doordat het hem ertoe brengt een rechtlijnig beeld van de ontwikkeling van de productiewijzen te verdedigen, die teweeggebracht wordt door een klassenstrijd die iedere keer zou eindigen ‘met een revolutionaire omvorming van de gehele maatschappij of met de gemeenschappelijke ondergang van de strijdende klassen’. Maar zoals in de waarneembare werkelijkheid van de geschiedenis de ‘Aziatische productiewijze’ — zoals Marx elders vaststelde — haar onbeweeglijkheid ondanks alle klassenconflicten heeft bewaard, zo hebben de boerenopstanden nooit de leenheren overwonnen en de slavenopstanden in de oudheid al evenmin de vrije burgers. Het rechtlijnige schema verliest allereerst het feit uit het oog dat de bourgeoisie de enige revolutionaire klasse is die ooit heeft gewonnen; tegelijkertijd is zij de enige klasse waarvoor de ontwikkeling van de economie oorzaak en gevolg is geweest van haar inbeslagneming van de maatschappij. Dezelfde simplificatie heeft ertoe geleid dat Marx de economische rol van de staat in het bestuur van een klassenmaatschappij veronachtzaamde. Wanneer de opkomende bourgeoisie de economie van de staat leek te bevrijden, dan gold dat alleen voor zover de vroegere staat de gestalte aannam van instrument voor een klassenonderdrukking in een statische economie. De bourgeoisie ontwikkelde haar autonome economische macht in de middeleeuwse periode van verzwakking van de staat, op het moment van de feodale verbrokkeling van machten die elkaar in evenwicht hielden. Maar de moderne staat die in het mercantilisme de ontwikkeling van de bourgeoisie begon te steunen en die uiteindelijk in de tijd van het ‘laisser faire, laisser passer’ haar staat is geworden, zal later tonen begiftigd te zijn met een centrale macht in het gecalculeerde beheer van het economisch proces. Toch kon Marx in het bonapartisme dit ontwerp van de moderne staatsbureaucratie beschrijven, de versmelting van kapitaal en staat, de vorming van een ‘nationale macht van het kapitaal over de arbeid, van een openbare macht ter onderdrukking van de arbeid’, waarin de bourgeoisie afstand doet van ieder historisch leven buiten de reductie daarvan tot de economische geschiedenis van de dingen, en waarin zij graag ‘veroordeeld wil worden tot dezelfde politieke nietigheid als de andere klassen’. Hier zijn reeds de sociaal-politieke grondslagen gelegd voor het moderne spektakel, dat het proletariaat in negatieve zin definieert als de enige pretendent naar het historisch leven.
88
De enige twee klassen die daadwerkelijk aan de theorie van Marx beantwoorden, de twee zuivere klassen waar de gehele analyse van Das Kapital op uitloopt, de bourgeoisie en het proletariaat, zijn ook de twee enige revolutionaire klassen in de geschiedenis, maar in verschillende stellingen: de burgerlijke revolutie is gemaakt, de proletarische revolutie is een project dat op de grondslag van de voorafgaande revolutie is ontstaan maar er kwalitatief van verschilt. Door de oorspronkelijkheid van de historische rol van de bourgeoisie te verwaarlozen verhult men de concrete oorspronkelijkheid van het proletarische project, dat alleen maar iets kan bereiken door zijn eigen kleuren te dragen en de ‘geweldige omvang van zijn eigen taken’ te kennen. De bourgeoisie is aan de macht gekomen omdat zij de klasse is van de zich ontwikkelende economie. Het proletariaat kan alleen zelf de macht uitmaken door de klasse van het bewustzijn te worden. Rijping van de productiekrachten kan een dergelijke macht niet verzekeren, zelfs niet langs de omweg van de toegenomen onteigening die ze met zich meebrengt. De jacobijnse staatsgreep kan niet haar instrument zijn. Geen enkele ideologie kan haar van dienst zijn om gedeeltelijke doeleinden als algemene te vermommen, want zij kan geen enkele gedeeltelijke werkelijkheid laten voortbestaan, die feitelijk haar behoort.
89
Ook al heeft Marx in een bepaalde periode van zijn deelname aan de strijd van het proletariaat teveel verwacht van wetenschappelijke voorspellingen, waardoor hij de intellectuele grondslag legde voor de illusies van het economisme, toch weet men dat hij hier persoonlijk niet toe is vervallen. In een bekende brief van 7 december 1867 ter begeleiding van een artikel waarin hij zelf Das Kapital bekritiseerde — een artikel dat Engels later in de pers moest laten doorgaan voor een artikel van een tegenstander — heeft Marx duidelijk de beperkingen van zijn eigen wetenschap uiteengezet: ‘... De subjectieve tendens van de auteur daarentegen — waartoe hij wellicht door zijn politieke stellingname en verleden verplicht was — dat wil zeggen de manier waarop hij zichzelf en anderen het uiteindelijke resultaat van de huidige beweging, van het huidige maatschappelijke proces voorstelt, heeft met zijn werkelijke uiteenzetting niets te maken.’ Zo toont Marx door zelf de ‘tendentieuze conclusies’ van zijn objectieve analyse te laken en door de ironie van het ‘wellicht’ met betrekking tot de buitenwetenschappelijke keuzen waartoe hij verplicht zou zijn, tegelijkertijd de methodologische sleutel tot de versmelting van beide aspecten.
90
De versmelting van kennis en handelen moet in de historische strijd zelf verwezenlijkt worden, en wel zo dat beide termen voor elkaars waarheid borg staan. De vorming van de proletarische klasse tot subject is de organisatie van de revolutionaire strijd en de organisatie van de maatschappij in het revolutionaire moment: daar moeten de praktische voorwaarden van het bewustzijn bestaan, waarin de theorie van de praxis wordt bevestigd door praktische theorie te worden. Maar dit kernprobleem van de organisatie is het minst in beschouwing genomen door de revolutionaire theorie in de tijd waarin de arbeidersbeweging zich vestigde, dat wil zeggen toen deze theorie nog het verenigende karakter bezat dat uit het historische denken voortkwam (en zij zich juist tot taak had gesteld om een verenigde historische praktijk te ontwikkelen). Integendeel vormt dit het punt waarop de theorie inconsequent is, omdat zij het hernieuwde gebruik van hiërarchische en etatistische methoden toelaat, die ontleend zijn aan de burgerlijke revolutie. De organisatievormen van de arbeidersbeweging die op grond van deze verloochening van de theorie ontwikkeld zijn, hebben er omgekeerd toe geleid dat het in stand houden van een verenigende theorie werd verhinderd, door haar op te lossen in verschillende gespecialiseerde deeldisciplines. Deze ideologische vervreemding van de theorie kan de praktische verificatie van het verenigende historische denken dat zij verraden heeft, nu niet meer herkennen wanneer een dergelijke verificatie zich voordoet in de spontane strijd van de arbeiders; zij kan alleen bijdragen tot de onderdrukking van de manifestatie ervan en de herinnering eraan. Toch zijn deze historische vormen die in de strijd naar voren zijn gekomen, nu juist de praktische omgeving die de theorie miste om waar te zijn. Zij zijn een eis van de theorie, die echter niet theoretisch was geformuleerd. De sovjet was geen ontdekking van de theorie. En, eerder al, werd de hoogste theoretische waarheid van de Internationale Arbeiders Associatie gevormd door haar eigen bestaan in de praktijk.
91
De eerste successen van de strijd van de Internationale leidden ertoe dat zij zich ontdeed van de verwarde invloeden van de heersende ideologie die in haar voortleefden. Maar de nederlaag en de onderdrukking die zij weldra onderging, deden een conflict tussen twee opvattingen van de proletarische revolutie op de voorgrond treden, die beide een autoritaire dimensie bevatten waardoor de bewuste zelfbevrijding van de arbeidersklasse wordt opgegeven. De onverzoenlijk geworden strijd tussen marxisten en bakoenisten was in feite tweeledig, waar hij zowel op de macht in de revolutionaire maatschappij als op de huidige organisatie van de beweging betrekking had; en in de overgang van het ene naar het andere aspect worden de posities van de tegenstanders omgekeerd. Bakoenin bestreed de illusie dat men de klassen kan afschaffen door middel van het autoritaire gebruik van de staatsmacht, omdat hij het ontstaan voorzag van een heersende klasse van bureaucraten en van de dictatuur van de meest geleerden, of wie daarvoor zouden doorgaan. Marx — die van mening was dat het rijpingsproces waarin de economische contradicties onlosmakelijk verbonden zijn met de democratische opvoeding van de arbeiders, de rol van de proletarische staat zou reduceren tot een simpel stadium van legalisatie van de nieuwe, zich objectief opleggende sociale verhoudingen — laakte bij Bakoenin en diens aanhangers hun autoritaire opvattingen over een elite van samenzweerders, die zich doelbewust boven de Internationale had gesteld en het buitensporige plan beraamde de maatschappij te onderwerpen aan de onverantwoordelijke dictatuur van de groots